Korte geschiedenis van de provinciale Groninger ‘Ds. Th. Dellemanstichting’

in relatie met de Deputaten Diaconaat en Samenleving van de Gereformeerde Kerken in de provincie Groningen (1948-2004).

(Dit verhaal is een beknopte samenvatting van een uitvoerig gedenkboek dat in 2004 door de inmiddels opgeheven Ds. Th. Dellemanstichting te Groningen werd uitgegeven, geschreven door de redactie van GereformeerdeKerken.info. Het boek is nog verkrijgbaar.)

Het begin.

De crisisjaren en de Tweede Wereldoorlog hadden diepe sporen nagelaten in ons land, ook in het sociale leven. ‘Het gezin is verbroken en uit elkaar gerukt, de school is buiten functie gesteld, de arbeid is ontredderd, de omgangsvormen verruwd, de moraal op ontstellende wijze gezakt, de misdaad heeft overal de kop opgestoken en toont openlijk zonder schroom het schaamteloze gelaat. Kortom, het geestelijk leven in ons dierbaar vaderland is ernstig ziek en het is dringend noodig middelen te beramen om de geestelijke volksgezondheid weer op peil te brengen’, zo schreef Het Maandblad Geestelijke Volksgezondheid.

Ds. Th. Delleman (1898-1977), de initiatiefnemer tot de oprichting van de 'Gewestelijke Stichting'
Ds. Th. Delleman (1898-1977), de initiatiefnemer tot de oprichting van de ‘Gewestelijke Stichting’

Dat was dan ook de reden dat de gereformeerde predikant, ds. Th. Delleman (geboren in ’s-Hertogenbosch op 21 november 1898) in 1948 in Groningen het initiatief nam tot de oprichting van niet alleen plaatselijke stichtingen voor gereformeerde zorg in de provincie Groningen, maar ook de oprichting bewerkstelligde van de Gewestelijke Stichting voor Gereformeerde Sociale Zorg. De taak van die stichting was onder meer het bevorderen van de werkzaamheden van en het geven van voorlichting aan de her en der opgerichte plaatselijke stichtingen. Op 3 november 1949 werd de Gewestelijke Stichting opgericht. De comparanten hadden als zinspreuk gekozen: Charitas Christi Urget Nos (‘De liefde van Christus dringt ons’), uit 2 Cor. 5 vers 14.

De werkzaamheden.

Aanvankelijk beperkten de plaatselijke stichtingen, en dus ook de Gewestelijke Stichting, zich tot de uitvoering van de gezinsverzorging, omdat daar aanvankelijk de grootste nood ervaren werd. Maar in de jaren 1954 en 1955 werd de noodzaak gevoeld de werkzaamheden uit te breiden. Door de industrialisatie die in de provincie langzaam op gang kwam, de toename van de omvang van het ‘bejaardenprobleem’, en de noodzaak die gevoeld werd om maatschappelijk werkers aan te stellen, werden binnen de Gewestelijke Stichting secties voor de verschillende werksoorten opgericht. Zo werden secties Gezinszorg, Sociale Jeugdzorg, Regionaal Maatschappelijk Werk, Bejaardenzorg, Indische Nederlanders, Geestelijke Volksgezondheid en de sectie voor het Overig Maatschappelijk Werk in het leven geroepen. Drs. J. van Klinken werd in 1955 benoemd tot eerste directeur van de Gewestelijke Stichting. Toen hij in 1960 benoemd werd tot directeur van het Algemeen Diaconaal Bureau van de Gereformeerde Kerken in Nederland nam hij afscheid van de Gewestelijke Stichting.

Dr. J. van Klinken (de eerste directeur van de 'Gewestelijke Stichting voor Sociale Zorg'
Dr. J. van Klinken (de eerste directeur van de ‘Gewestelijke Stichting voor Sociale Zorg’ (foto Joh. van Klinken, Haren).

De particuliere synode.

In 1955 nam ook de particuliere synode van de Gereformeerde Kerken in de provincie Groningen verantwoordelijkheid voor het werk. Men benoemde Deputaten voor het Contact met de Gewestelijke Stichting voor Gereformeerde Sociale Zorg opdat ‘naar buiten blijke dat de GSZ het door de synode erkende orgaan is voor gereformeerd maatschappelijk werk in de provincie’. Ook stelde de synode een reglement op, waarin geregeld werd dat de stichting zich verplichtte alle zaken die betrekking hadden op ambtelijk-kerkelijke arbeid, aan de deputaten voor te leggen. De adviezen die de deputaten daarover verstrekten dienden te worden opgevolgd. Verschilden de stichting en de deputaten (daarin gesteund door de particuliere synode) van mening over genoemde adviezen, dan diende de stichting zich van het betreffende werkterrein terug te trekken. Zover is het echter nooit gekomen. De verhoudingen waren tot het eind ‘goed’ of zelfs ‘uitstekend’.

Het spreekt vanzelf dat de stichting een groot aantal contacten onderhield om op de hoogte te blijven de ontwikkelingen op het gebied van het maatschappelijk werk, maar ook om te kunnen meepraten bij de beleidsvorming op het gebied van de verschillende werksoorten.

Uitbouw en reorganisatie.

Vooral het werk van het ‘Spreekuur Huwelijk en Gezin’, dat de stichting onderhield, breidde in de jaren daarop zeer sterk uit. De deputaten kregen in 1959 bovendien als extra opdracht om pastorale zorg te verlenen aan de gereformeerde maatschappelijk werkers die in de provincie bij de aangesloten plaatselijke of andere stichtingen werkzaam waren: want de plaatselijke stichtingen trachtten gezinsverzorgsters en maatschappelijk werkers in dienst te nemen. Tegelijk met de uitbreiding van de opdracht werd ook de naam van de deputaten veranderd: Deputaten voor het Maatschappelijk Werk. Onder leiding van de nieuwe directeur, drs. P. Statema, die in 1960 aantrad, werd veel aandacht besteed aan de verdere uitbouw van de eigen stichting en van de aangesloten plaatselijke instellingen. Zo werd een maatschappelijk werkadviseur aangetrokken, die de maatschappelijke werk(st)ers en de werksters in de gezinsverzorging kon begeleiden.

Ondertussen bleek, dat de groei van de werkzaamheden ook tot gevolg had, dat de vergaderingen van het algemeen bestuur (samengesteld uit vertegenwoordigers van alle plaatselijke stichtingen) steeds slechter bezocht werden. Ook wilde men de mogelijkheid scheppen dat andere dan Gereformeerde Kerken aan het werk van de stichting zouden kunnen meedoen. Vandaar dat in 1965 een reorganisatie werd doorgevoerd. De grondslag van de stichting veranderde daardoor niet (‘De stichting laat zich in haar handelen leiden door de Bijbel als onfeilbaar Woord van God en verricht de werkzaamheden in gehoorzaamheid aan en in afhankelijkheid van Jezus Christus, die ons roept tot dienst aan Hem en aan de naaste’). De reorganisatie werd gerealiseerd door bundeling van de plaatselijke stichtingen die zich met een bepaald onderdeel van de sociale arbeid bezighielden in de sectie voor die werksoort. Tegelijk werd aan de secties meer invloed op het beleid gegeven: ze werden in het bestuur vertegenwoordigd. De naam van de Gewestelijke Stichting werd toen Stichting voor Protestants Christelijke Sociale Arbeid in de provincie Groningen. Ds. Th. Dellemanstichting. In 1963 werd ook de classis Groningen van de Christelijke Gereformeerde Kerken officieel participant in het werk van de Dellemanstichting.

Drs. P. Statema, de tweede directeur van de 'Ds. Th. Dellemanstichting'.
Drs. P. Statema, de tweede directeur van de ‘Ds. Th. Dellemanstichting’.

Schaalvergroting.

In de tweede helft van de jaren ’60 van de vorige eeuw werd steeds meer gesproken over samenwerking van de gereformeerde stichtingen in interkerkelijke verbanden, maar ook werd de tendens naar de vorming van grote algemene instellingen steeds sterker. In die discussie wilde het bestuur van de Dellemanstichting richting geven. Vandaar dat men in de in 1966 opgestelde ‘Richtlijnen’ aangaf, geen bezwaren te hebben tegen samenwerking met andere kerken, mits de grondslag van de stichting niet het minste geweld aangedaan werd. Tegen samenwerking in algemene instellingen had de stichting onoverkomelijke bezwaren.
In 1970 moest het bestuur echter constateren dat aan die schaalvergroting niet te ontkomen was. Door overheidsmaatregelen waren uiteindelijk alleen nog grote algemene stichtingen mogelijk. Wilde het werk de Stichting ‘niet tussen de vingers doorglippen’, dan zou men ondanks alles moeten proberen samen te werken, ook in algemene stichtingen. Het bestuur stond er echter op, dat binnen die algemene stichtingen ruimte zou blijven voor het voeren van eigen beleid. Dat kon worden bereikt door de benoeming van gereformeerde vertegenwoordigers in de besturen van die instellingen. Soms bleven de plaatselijke gereformeerde stichtingen bestaan als beraadgroep van die gereformeerde bestuursleden. Twee jaar later hadden veel kleine plaatselijke stichtingen hun uitvoerend werk al overgedragen aan grote algemene stichtingen. Het begeleidend werk van de Dellemanstichting werd daardoor uiteraard sterk verminderd.

Folkingestraat 5b te Groningen, het eerste onderkomen van de Stichting (foto Jan C. Venhuis te Groningen; met toestemming overgenomen voor het gedenkboek van de ds. Th. Dellemanstichting).
Folkingestraat 5b te Groningen, het eerste onderkomen van de Stichting (foto Jan C. Venhuis te Groningen; met toestemming overgenomen voor het gedenkboek van de ds. Th. Dellemanstichting).

Samenlevingsopbouw.

‘Het jaar 1970 is het jaar van de koerswijziging’, zo kondigde het bestuur van de Dellemanstichting aan. Na intensief beraad viel toen namelijk het besluit de koers van het beleid niet meer zo sterk te richten op de maatschappelijke dienstverlening (zoals gezinszorg, bejaardenzorg, maatschappelijk werk, enz.), maar op het leveren van een eigen bijdrage aan de samenlevingsopbouw. Taken die daarmee verband hielden waren onder meer het verwerven en doorgeven van informatie over ontwikkelingen in de Groninger samenleving en de kerken; het coördineren van activiteiten gericht op opbouw en toerusting van de kerkelijke gemeenten, ambtsdragers en andere kerkelijke organen en het vertegenwoordigen van de Gereformeerde Kerken in allerlei provinciale en interprovinciale instellingen en organen, om zo te fungeren als adres waar niet-gereformeerden de gereformeerden konden bereiken. Ook moest de stichting de administratie van de particuliere synode en haar deputaatschappen verzorgen en diende men de deskundigheid van de functionarissen ter beschikking te stellen om advies te geven aan kerkelijke organen.
Natuurlijk moest ook steun verleend worden aan gereformeerde instellingen voor maatschappelijk werk en sociale dienstverlening, als zij erover dachten om te gaan samenwerken in grotere instellingen. Ook zou de stichting zich moeten bezighouden met toekomstige ontwikkelingen in de Groninger samenleving en dus ook met de consequenties daarvan voor de Gereformeerde Kerken. Daarvan maakte ook deel uit, het deelnemen aan besprekingen over het industriepastoraat in Oost-Groningen.
De naam van de stichting werd daarom overigens in 1974 gewijzigd in: Stichting Gereformeerd Provinciaal Centrum ten dienste van de Samenlevingsopbouw en de Welzijnsbehartiging in de provincie Groningen. De toevoeging Ds. Th. Dellemanstichting bleef.

Functie F2.

In het welzijnsjargon noemde men ‘het leveren van een eigen bijdrage aan de samenlevingsopbouw’ de ‘F2-functie’. Om te zien wat die functie inhield in de praktijk van elke dag, besloot de minister een onderzoek te doen en het NIMO (het ‘Nederlands Instituut voor Maatschappelijke Opbouw’) die functie te laten onderzoeken en beschrijven. Vandaar dat een landelijke enquête gehouden werd onder de functionarissen die werkzaam waren bij de ‘grootstedelijke en provinciale samenwerkingsorganen’, zoals de Ds. Dellemanstichting er een was. Drs. Statema, de directeur van de Dellemanstichting, werd aan die ministeriële commissie toegevoegd als secretaris, en schreef het uiteindelijke eindrapport, dat in 1978 verscheen (al het onderzoeksmateriaal uit heel het land dat bij drs. Statema binnenkwam om zijn eindrapport op te stellen, wordt in het Archief van de Dellemanstichting bewaard).

Op grond van de conclusies van het onderzoek stelde de minister zich positief op over de inhoud en de subsidiëring van de F2- functie. De provincies kregen overigens een bepalende stem in de subsidiëring van deze activiteiten in het kader van de welzijnsbevordering. Ondertussen was voor de ‘Functie F2’ de term ‘maatschappelijk activeringswerk’ bedacht.

Het vignet van de Gewestelijke Stichting voor Gereformeerde Sociale Zorg.
Het vignet van de Gewestelijke Stichting voor Gereformeerde Sociale Zorg.

Maatschappelijk Activeringswerk.

De Dellemanstichting bezon zich ondertussen voortdurend op de veranderende taakstelling in het kader van het maatschappelijk activeringswerk. Het was de bedoeling dat de deputaten en de Dellemanstichting diaconieën en andere kerkelijke groepen zouden ondersteunen om hun taken goed uit te oefenen. Kerken en kerkleden moesten geactiveerd worden om activiteiten in het kader van de welzijnsbevordering uit te voeren vooral ten behoeve van de sociaal zwakkeren. Daartoe kon men bijvoorbeeld werkgroepen ‘Kerk en Samenleving’ vormen, waarin ontwikkelingen in de maatschappij besproken werden en de gevolgen daarvan voor het kerkelijk leven. Daarover kon men de kerkenraden vervolgens adviseren. Ook wilde de stichting de vinger aan de pols houden voor wat betreft de ontwikkelingen in de sociale zekerheid. En de deputaten, die in de jaren ’60 de naam Deputaten voor Diaconale Arbeid ontvingen, kregen er nu, in de eerste helft van de jaren ’80, ontwikkelingssamenwerking als werkterrein bij. Mee daarom werd de naam veranderd in Deputaten voor Diaconaat en Samenleving.

In 1986 bleek echter dat het ministerie wilde korten op het provinciale welzijnsbudget, waaruit ook de activiteiten van de Dellemanstichting gefinancierd werden. Ondanks het feit dat een provinciaal onderzoek zich positief uitliet over de werkzaamheden van onder meer de Dellemanstichting, werd door de bezuinigingen de subsidie per 1 januari 1989 stop gezet. Alleen door een samenwerkingsverband op te zetten met het Provinciaal Centrum voor Gereformeerd Jeugdwerk, PCGJ, kon nog subsidie verkregen worden, maar dan slechts voor de helft van het bedrag dat men tot dan toe kreeg. Die dwang was er de oorzaak van, dat het samenwerkingsverband met het PCGJ werd aangegaan in de vorm van een koepelstichting, Stichting Provinciaal Gereformeerd Centrum Groningen genaamd. De beide instanties bleven overigens zelfstandig functioneren.

Projectsubsidies.

De overheid trok zich steeds meer terug uit het maatschappelijk activeringswerk en de burgers zouden navenant meer verantwoordelijkheid moeten nemen.
In 1994 werd door de provincie besloten met ingang van 1 januari 1996 geen basissubsidies meer te verlenen ten behoeve van het welzijnswerk, maar alleen nog projectsubsidies. Om die te krijgen moest ook de Dellemanstichting initiatieven ontplooien om projecten te ontwikkelen en bij de provincie voor te dragen, die bijdroegen aan de oplossing van maatschappelijke problemen, en liggend binnen de prioriteiten van het provinciaal beleid. De noodzaak van de instandhouding van de eerder genoemde ‘koepelstichting’ verviel daarmee. De Dellemanstichting ging zich daarom bezighouden met de ondersteuning van activiteiten die verband hielden met bestaande en nieuwe minderheidsgroepen in onze samenleving (zoals asielzoekers en vluchtelingen), met andere groepen die zich maatschappelijk gezien in een kwetsbare positief bevonden (zoals agrariërs in de knel, ‘kinderen van de oorlog’, mensen met een sociale uitkering en vrouwen en meisjes met incest-ervaringen), met het tot stand brengen van een samenhangend ouderenbeleid (het helpen bij de zelforganisatie van ouderen en het tegengaan van sociaal isolement) en tenslotte met een integrale aanpak van de problematiek van een groot aantal jongeren in een achterstandssituatie.

Omdat de doelstellingen van de Dellemanstichting en die van de particuliere synode elkaar op belangrijke punten overlapten, werd in 1995 een samenwerkingsovereenkomst aangegaan, waarbij afgesproken werd elkaar te ondersteunen bij de uitvoering van de werkzaamheden en bij de bevordering van deskundigheid.

Stalstraat 2a te Groningen, het tweede onderkomen van de Gewestelijke Stichting
Stalstraat 2a te Groningen, het tweede onderkomen van de Gewestelijke Stichting (foto Jan C. Venhuis, met toestemming overgenomen voor publicatie in het gedenkboek van de ds. Th. Dellemanstichting).

Opheffing Dellemanstichting.

Het werd begin 1998 duidelijk, dat het steeds moeilijker werd om bij de provincie projecten goedgekeurd te krijgen. De provincie had namelijk zelf een bureau opgericht dat ook projecten bedacht. Daardoor kwamen steeds minder projecten van particuliere instellingen voor subsidie in aanmerking. Andere fondsen moesten de steeds groter worden de tekorten opvangen. Ook het Samen-op-Weg-proces met de Nederlandse Hervormde Kerk kwam in een beslissende fase. Besloten werd een Regionaal Diensten Centrum voor de provincies Groningen en Drenthe te vormen, ten behoeve van de SoW-kerken. Dat Centrum zou ook het maatschappelijk activeringswerk van de Dellemanstichting op termijn overnemen. Hoewel duidelijkheid daarover gedurende enkele jaren ontbrak, werd besloten per 1 september 2002 het maatschappelijk activeringswerk over te hevelen naar het Regionaal Diensten Centrum dat in Haren gevestigd werd. Het dagelijks bestuur van de Dellemanstichting, bestaande uit de heren J. Niewold (voorzitter) en H. Theisens (secretaris) en mevrouw M.H. Smits-Groeneveld (penningmeester), behartigde de lopende zaken van de stichting, zoals de verkoop van het gebouw aan het H.W. Mesdagplein in Groningen. Ook verzocht het bestuur aan ondergetekende het archief op orde te brengen en te beschrijven en een gedenkboek samen te stellen ter gelegenheid van het vijftig jarig bestaan van de Dellemanstichting in 1999.

De Dellemanstichting werd spoedig na de verschijning van het gedenkboek (‘…dat hebt gij voor Mij gedaan’) en de totstandkoming van de inventarislijst van het archief opgeheven. Waarmee een einde kwam aan vijfenvijftig jaar gereformeerde (kerk-) geschiedenis waarin getracht werd aan het evangelie handen en voeten te geven.

Gebouwen en functionarissen.

In de vijfenvijftig jaar van haar bestaan is de stichting verscheidene keren verkast. Het werk begon in het gebouw aan de Folkingestraat 5b, waarna het pand aan de Stalstraat 2a in gebruik genomen werd. Per 1 november 1956 werd het bureau tijdelijk gevestigd aan de Nieuwe Boteringestraat 24a. In 1960 verhuisde de stichting uiteindelijk naar een groot pand aan het H.W. Mesdagplein 15.

Veel functionarissen zijn in de loop van die vijfenvijftig jaar aan de Dellemanstichting verbonden geweest (zie daarvoor de ‘Inventaris van het Archief’, te vinden in de rubriek ‘Archiefinventarissen’ op deze website). Directeur drs. P. Statema, die in 1983 vertrok, werd opgevolgd door ds. G.F. Hooijer. Hij nam als consulent maatschappelijk activeringswerk ook de dagelijkse leiding op zich.

H.W. Mesdagplein 15, het laatste onderkomen van de Ds. Th. Dellemanstichting (foto Jan C. Venhuis, met toestemming overgenomen voor het gedenkboek van de ds. Th. Dellemanstichting).
H.W. Mesdagplein 15, het laatste onderkomen van de Ds. Th. Dellemanstichting (foto Jan C. Venhuis, met toestemming overgenomen voor het gedenkboek van de ds. Th. Dellemanstichting).

Het uitvoerend werk.

De al genoemde secties verrichtten in de jaren sinds 1955, toen ze werden ingesteld, talloze werkzaamheden. Het voert in dit kort bestek te ver daarop uitvoeriger in te gaan. De secties waren echter in de jaren ’70 alle opgeheven, omdat het werkterrein van de stichting zich steeds meer verlegde van de maatschappelijke dienstverlening naar de samenlevingsopbouw en later naar het maatschappelijk activeringswerk.
Zo werd ook de Sectie Jeugdzorg opgeheven, omdat de Deputaten Evangelisatie de verantwoordelijkheid droegen voor de instellingen in de provincie die zich daarmee bezighielden. Maar langzamerhand ontstond bij de Deputaten Diaconale Arbeid het besef, dat dat jeugdwerk niet slechts evangelisatorische, maar ook diaconale kanten had. Vandaar dat men met de Deputaten Evangelisatie overeenkwam, gezamenlijk verantwoordelijkheid voor dat sociaal-cultureel werk te dragen. Daartoe werd in de jaren ’80 de ‘Sectie Sociaal-Cultureel Werk’ van de Dellemanstichting opgericht. Deze sectie had bemoeienis met het aloude clubhuis ’t Schienvat in Finsterwolde, De Stjelp in Opende, De Nieuwe Schans in Delfzijl en twee instellingen in de classis Warffum, namelijk Het Want te Eenrum en De Jeugdhaven in Usquert.
Na 1996 werd het werk in deze instellingen ondergebracht bij de classes waarin ze gevestigd waren.

Voorlichting.

Naast de bovengenoemde werkzaamheden werden door de deputaten en de Dellemanstichting, vaak in onderlinge samenwerking, allerlei andere taken uitgevoerd. Allereerst op het gebied van de voorlichting. Zo werden diakencursussen gehouden en werden diaconieën geadviseerd over het al dan niet verlenen van financiële steun aan allerlei instellingen. Ook werden lange jaren Provinciale Diaconale Conferenties gehouden, waar een keur van onderwerpen aan de orde kwam. Verder werden in de begintijd van de Gewestelijke Stichting jaarvergaderingen en najaarsconferenties gehouden.

Pastoraat.

De deputaten belegden ontmoetingsdagen met de gereformeerde maatschappelijke werkers, om hen in de specifieke moeilijkheden van hun beroepsarbeid te ondersteunen.
En in 1972 startte het Industriepastoraat in Oost-Groningen, waaraan ook de Gereformeerde Kerken via de deputaten deelnamen. De bedoeling was via de provinciale Werkgroep Dienst in de Industriële Samenleving vanwege de Kerken (DISK) een brug te vormen tussen de kerken en het bedrijfsleven. In 1989 besloot de particuliere synode de medewerking aan het industriepastoraat te beëindigen. Onzekerheid over de financiering door andere kerken leidde mee tot die beslissing. De synode sprak echter ook uit, dat de presentie van de kerken in de industriële samenleving een blijvende taak en verantwoordelijkheid van de kerken was.

Het vignet van de Stichting 'In Perspectief'
Het vignet van de Stichting ‘In Perspectief’

Overige activiteiten.

In 1969 werd door een van de deputaten voorgesteld de diaconieën per classis bijeen te roepen om de onderlinge samenwerking in die classis te bevorderen en zo mogelijk gezamenlijke activiteiten op te zetten, onder de paraplu van een zogenaamd ‘Classicaal Diaconaal Werkverband’. De classis Winschoten werd als ‘proefveld’ gekozen. En binnen relatief korte tijd werkten deze diaconale Werkverbanden in de meeste classes, overigens niet overal even regelmatig en succesvol. De deputaten hielden jaarlijks een bijeenkomst met de stuurgroepen (de besturen) van de werkverbanden. Zo kon men op de hoogte blijven van de diaconale ontwikkelingen in elke classis en kon men gezamenlijk eventuele moeilijkheden die men in de praktijk tegenkwam, bespreken.

Verder werden activiteiten ontwikkeld op het gebied van de ontwikkelingssamenwerking, werk en werkloosheid, en werd in 1996 het project ‘Diaconaat en Sociale Zekerheid’ ontwikkeld. De doelstelling daarvan was, dat meer mensen het wettelijk recht op sociale voorzieningen volledig zouden benutten. Daartoe werd een ‘Consulent sociale zekerheid’ aangesteld. Het project had al spoedig ‘een goede naam en faam als pleitbezorger voor uitkeringsgerechtigden’.

In het kader van het maatschappelijk activeringswerk werden in de jaren ’80 en ’90 talloze projecten opgezet en activiteiten ondersteund. We noemen daarvan de werkzaamheden in het kader van de Werkgroep Alleengaanden, de Werkgroep ‘In Perspectief’ (die zich bezighield met ondersteuning van familieleden van psychiatrisch zieken) en de Werkgroep ‘Godsdienst en Incest’ (waarbij het ging om incest en de rol van de godsdienst en de godsdienstige opvoeding daarbij). Verder werden gespreksgroepen gevormd, voor mensen die een familielid verloren hadden.
In 1990 ontstonden plannen voor een gespreksgroep voor mensen die kort voor, tijdens of direct na de Tweede Wereldoorlog geboren werden en van wie de ouders ‘fout’ geweest waren. Ondersteuning werd verleend aan de ‘Gereformeerde Vrouwenbond’ met cursuswerk voor de leden van die Bond.

Het vignet van de 'Werkroep Alleengaanden'.
Het vignet van de ‘Werkroep Alleengaanden’.

Verder werd bijvoorbeeld medewerking verleend aan het ‘Gasthuis Terminale Zorg’ in de stad Groningen. ‘Vrijwilligers en dementie’, een aanloophuis in de stad-Groninger wijk Beijum, werk op het gebied van de zorg voor verslaafden en vluchtelingen, het bieden van kansen aan ex-gedetineerden, projecten om sociaal isolement van mensen te voorkomen of op te heffen, gespreksgroepen over rouwbegeleiding voor niet- of nauwelijks kerkelijken, en het ‘Koopvaardijpastoraat Groningen’ in de Eemshaven, zijn slechts enkele van de vele werkzaamheden van de Dellemanstichting en de Deputaten Diaconaat en Samenleving.

Het maatschappelijk activeringswerk gaat door.

Het maatschappelijk activeringswerk dat door de Dellemanstichting zoveel jaren werd uitgevoerd, is na de vorming van het Provinciaal Diensten Centrum Groningen-Drenthe voortgezet door daar werkzame gemeenteadviseurs. Weliswaar verdween de term ’maatschappelijk activeringswerk’, maar nog steeds worden die of soortgelijke activiteiten uitgevoerd, zij het nu door vanuit hun woning werkende gemeenteadviseurs.

Het archief.

Het archief van de Dellemanstichting was ondergebracht in de gebouwen waarin de stichting gevestigd was. In de jaren ’50 heeft het archief korte tijd in een zaaltje van de voormalige, inmiddels reeds lang afgebroken, gereformeerde Westerkerk aan de Kraneweg gestaan. Uiteindelijk kwam het terecht in het gebouw van de Dellemanstichting aan het H.W. Mesdagplein.
Toen het gebouw van de stichting in maart 2003 te koop stond, verzocht het dagelijks bestuur aan ondergetekende een gedenkboek samen te stellen over het werk van de stichting. Ook werd gevraagd het archief op orde te brengen. Dat archief was voor het schrijven van het gedenkboek natuurlijk onontbeerlijk.

Waarschijnlijk door de vele verhuizingen was het oude archief verspreid geraakt over verscheidene kamers in dat gebouw. Bij een eerste rondgang door het pand bleek, dat een deel van het archief in plastic zakken verpakt was. Naderhand werd nog een deel van het Delleman-archief opgehaald uit de archiefbewaarplaats van het (toen nog) Regionaal Diensten Centrum te Haren.
Een ander deel lag in de (vochtige) kelder. Daar had het kennelijk sinds de jaren ‘60 gelegen, door iedereen vergeten (in die kelder had trouwens ook niemand iets te zoeken). De tand des tijds had dat gedeelte van het archief in elk geval niet onberoerd gelaten: het was grotendeels zwaar aangetast door schimmel en roest . Daarom moest een groot deel van wat in de kelder lag helaas vernietigd worden. Daaronder bevond zich veel materiaal betreffende het roemruchte ‘Spreekuur Huwelijk en Gezin’ van de Dellemanstichting. Veel correspondentie moest als verloren worden beschouwd. Van zoveel mogelijk bedorven maar nog leesbare archiefstukken werden kopieën gemaakt die in het archief werden opgenomen.

Ds. H. Windig ( ) was als pastor verbonden aan het 'Spreekuur voor Huwelijk en Gezin'.
Ds. H. Windig (1915-1995) was als pastor verbonden aan het ‘Spreekuur voor Huwelijk en Gezin’.

Bij de selectie van het materiaal kwam ook een onverwacht archief tevoorschijn! Drs. P. Statema, van 1960 tot 1984 directeur van de Dellemanstichting, was, zoals al eerder opgemerkt, in de jaren ’70 secretaris geweest van een door het ministerie ingestelde commissie voor onderzoek naar de functie F2. Het uitvoerige ‘F2-archief’ bleef in het archief van de Dellemanstichting aanwezig. Het is als gedeponeerd archief in de archiefinventaris opgenomen.

De ordening.

Na grondige bestudering van de organisatie en de taken van de Dellemanstichting ging ondergetekende (als stichtingsarchivaris) op grond daarvan over tot de ordening van de papieren. In de oudere archiefgedeelten was van de oorspronkelijk door drs. Statema aangebrachte ordening nauwelijks meer iets over. Voor zover die nog gereconstrueerd kon worden, bleef ze behouden. Materiaal dat afkomstig was uit de archieven van andere deputaatschappen werd op 21 juni 2004 afgeleverd bij de archivaris van de particuliere synode. Daarbij ging het onder meer om archiefstukken van het Deputaatschap Evangelisatie. Zo dook onder meer een verloren gewaand belangrijk notulenboek van dat deputaatschap op, geschreven in de jaren ‘30. Daarin wordt uitvoerig gehandeld over het juist in die tijd opgestarte evangelisatiewerk in ’t Schienvat te Finsterwolde.

Terwijl gewerkt werd aan de inventarisatie van het archief van de Dellemanstichting, ontstond het denkbeeld ook het archief van de Deputaten Diaconaat en Samenleving te ordenen en te beschrijven. De reden daarvan was, dat het werk van de Dellemanstichting en dat van de deputaten niet los van elkaar gedacht kan worden. De deputaten gingen met het denkbeeld akkoord en de particuliere synode gaf toestemming om beide archieven in één inventarislijst te beschrijven en in het vervolg samen te bewaren.
De wijkkerkenraad van de SoW-gemeente ‘De Ark’ in Helpman gaf toestemming gedurende de inventarisatiewerkzaamheden gebruik te maken van de kerkenraadskamer en de archiefkasten. Die mogelijkheid bleef overigens tot en met 2014 bestaan!

Het archief is opgenomen in de Groninger Archieven te Groningen.

© 2015, G.J. Kok, GereformeerdeKerken.info