Gereformeerde Kerk Nieuwe Pekela 180 jaar

Het moeizame begin van de Kerk te Nieuwe Pekela.

Op 10 april 1836 (in april 2016 dus 180 jaar geleden) werd de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Nieuwe Pekela geïnstitueerd door ds. H. de Cock (1801-1842), die op dat moment, als eerste Afgescheiden predikant in Nederland, ‘herder en leeraar’ van de Christelijke Afgescheiden Gemeenten in Groningen en Drenthe was.

Dorp, kerk en bevolking.

Rond 1850 was Nieuwe Pekela niet veel meer dan een zeer langgerekte, aan weerszijden met huisjes bebouwde, strook grond langs de Pekel-A, waar ook een paar kalkbranderijen stonden, een bierbrouwerij en een paar rosmolens (molens, aangedreven door een of meer paarden). De Pekel-A was een rechtlijnig gegraven kanaal waardoor schepen met turf af en aan voeren. Geen wonder dat in het dorp veel schippers woonden, maar ook zeelui die richting Engeland voeren of de steven wendden naar Noord-Duitsland of zelfs naar de Oostzee, ja, die zelfs Rusland aandeden! Ook logisch dus dat er schepen gebóuwd werden: op oude kaarten staan meerdere scheepswerven aangegeven. Zeilmakerijen en lijnbanen behoorden daarom ook tot de vanzelfsprekende voorzieningen in het dorp.

De hervormde predikant Sicco Tjaden (1693-1726), die daar ‘stond’ van 1719 tot zijn overlijden in 1726, had niet zo’n hoge dunk van het zedelijk peil der bewoners van Nieuwe Pekela: hij noemde ze ‘gedoopte heidenen, buitengewoon wild, woest en teugelloos’. Dronkenschap, onwetendheid en sleurdienst zag hij als hun voornaamste gebreken, maar ze hadden gelukkig óók goede eigenschappen: ze waren leergierig, en de bestraffing hunner zonden werd de predikant niet kwalijk genomen. Vooral dat laatste vond de predikant zeer aangenaam.

De bekende orthodox hervormde predikant Wilhelmuds Schortinghuis schreef een lijkdicht op het overlijden van ds. Sicco Tjaden.
De bekende hervormde predikant Wilhelmus Schortinghuis schreef een lijkdicht bij het overlijden van ds. Sicco Tjaden.

Bijna een halve eeuw later was Regnerus de Cock (1726-1806) gedurende vijfendertig jaar, namelijk van 1771 tot zijn overlijden in 1806, hervormd predikant van Nieuwe Pekela. Hij werd in 1801 grootvader van Hendrik de Cock, die vijfendertig jaar later in Nieuwe Pekela de ‘Christelijke Afgescheidene Gemeente’ zou stichten. Regnerus de Cock was volgens Hendriks zoon Helenius (1824-1894) geen orthodox predikant. Dat waren ook zijn opvolgers niet. Het was daarom ook niet verbazingwekkend dat de Afscheiding er voet aan de grond kreeg. Dat gebeurde tijdens de ambtsperiode van ds. M.J. Adriani, die van 1809 tot 1845 hervormd predikant van Oude- en Nieuwe Pekela was.

Ds. M.J. Adriani
Ds. M.J. Adriani (1771-1845)

Verboden conventikels…

De vrijzinnige prediking leidde in het begin van de negentiende eeuw tot de vorming van conventikels: ontevreden hervormden bleven uit de kerk weg en gingen thuis godsdienstoefeningen en bijbellezingen houden. ‘Oefenaars’ gingen daar voor, zoals Poppe Rijkents de Wit (1802-1840) en Harm Elzes Gelms (1799-1863). De Wit werd in het jaar van zijn overlijden op de valreep nog predikant van de Afgescheiden Gemeente te Apeldoorn, en Gelms zou in de Afgescheiden gemeente van Nieuwe Pekela een belangrijke rol gaan spelen. Boetes konden de beide oefenaars niet tegenhouden: het was volgens een oude Napoleontische wet immers verboden godsdienstige bijeenkomsten van meer dan twintig personen te houden. In Nieuwe Pekela werd trouwens niet alleen Gelms beboet; tussen 1833 en 1838 overkwam dat ook Wycher Harms Mugge (een 27-jarige zeeman), de zeeman Lammert Jan Karsies en zijn vrouw Grietje Harms Smit, en als laatste de 51-jarige Hendrik Leffers, die in zijn huis een verboden godsdienstoefening gehouden had.

Instituering van de gemeente van Nieuwe Pekela (10 april 1836).

Hendrik de Cock kwam dus op 10 april 1836 naar de Pekela’s. Op de plaats waar de vroegere strokartonfabriek ‘Wilhelmina’ stond, in Oude Pekela dus, institueerde hij op die dag de ‘Christelijke Afgescheidene Gemeente’ van (zoals die in de begintijd genoemd werd) Oude- en Nieuwe Pekela. Als ouderlingen werden aangesteld de al eerder genoemde (toen 36-jarige) Harm Elzes Gelms en de 55-jarige zilversmid Okke Hindriks Huising uit Oude Pekela. Als diakenen werden in het ambt bevestigd de 33-jarige landbouwer Berend Geerts Kool en de even oude hoedenmaker Johannes Walders Beumee, beiden uit Nieuwe Pekela. De meeste lidmaten woonden in Nieuwe Pekela, zodat de gemeente na verloop van tijd ‘Christelijke Afgescheidene Gemeente van Nieuwe Pekela’ genoemd werd. Ook in Oude Pekela ontstond in die tijd trouwens een Afgescheiden Gemeente, maar deze werd al snel bij die van Nieuwe Pekela gevoegd (in Oude Pekela ontstond voor de tweede keer op 26 juni 1861 aan Afgescheiden Gemeente, maar toen door splitsing van de gemeente van Nieuwe Pekela. Een verhaal apart dus; daarover later meer).

Ds. H. de Cock (1801-1842), die op 10 april 1836 de Christelijke Afgescheidene Gemeente van Nieuwe Pekela institueerde
Ds. H. de Cock (1801-1842), die op 10 april 1836 de Christelijke Afgescheidene Gemeente van Nieuwe Pekela institueerde

Harm Elzes Gelms.

Gelms was dus ‘oefenaar’, wij zouden zeggen: ouderling met (vaak zelf gegeven) preekbevoegdheid. Hij leidde de eerste kerkdiensten van de Afgescheiden Gemeente, die aanvankelijk in de huizen van gemeenteleden werden gehouden, ook in Gelms’ eigen woning. Hij hield zijn ‘oefeningen’ daar trouwens al sinds eind 1831. Die aanvankelijk onregelmatig gehouden bijeenkomsten trokken veel belangstellenden, zóveel, dat de mensen zelfs buiten voor zijn huis stonden te luisteren! Er werd gebeden en gezongen en Gelms hield natuurlijk een preek. Later ging hij geregeld eens per week op de zaterdag ‘oefenen’; de hervormde dominee kon dan in elk geval niet zeggen dat hij de mensen uit de kerk hield). Dat veranderde echter al snel, want op een gegeven moment hield hij zijn diensten tóch op zondag, en wel ‘s middag om vijf uur, toen ook in de hervormde kerk een dienst gehouden werd. Dat vond de hervormde dominee natuurlijk flink vervelend. Gelms had bij de hervormde predikanten in de omgeving tóch al geen goeie naam, want in Onstwedde bijvoorbeeld verstoorde hij eens een hervormde kerkdienst, toen ds. A. Oomkens op de kansel één van de te zingen ‘Evangelische Gezangen’ voorlas. Die ‘evangelische gezangen’ hadden in orthodoxe kring een slechte naam: ze werden door Hendrik de Cock bijvoorbeeld ‘sirenische minneliederen’ genoemd, en anderen achtten ze meer geschikt om de mensen tot ‘brave burgers’ te maken dan ‘hen te stichten in den godsdienst’. Bekend is het verhaal van ds. L.G.C. Ledeboer (1808-1863) die in 1841 het door de hervormde synode verplicht gestelde ‘Evangelische Gezangen’-boek van de preekstoel smeet en het vervolgens in de tuin van zijn pastorie in Benthuizen begroef!

De hervormde kerk te Nieuwe Pekela, gebouwd in 1704.
De hervormde kerk te Nieuwe Pekela, gebouwd in 1704.

Gelms hield zich ook buiten de ‘oefeningen’ niet stil. De hervormde predikant van Nieuwe Pekela, ds. Adriani, moest het óók ontgelden. Deze predikant hielp de mensen, naar Gelms’ stellige overtuiging, door zijn vrijzinnige prediking ‘naar de eeuwige verdoemenis’. Vandaar dat de hervormde kerkenraad hem (Gelms) in september 1832 het lidmaatschap van de gemeente ontnam.

Gelms ‘oefenaar’ bij de Afgescheidenen.

Zozeer werden de Afgescheidenen met de voor de rechtbank gedaagde Gelms vereenzelvigd, dat ze in die omgeving ook wel eens ‘Gelmisten’ genoemd werden. De rechtbank legde hem vanwege zijn tegendraadse streven een geldboete van bijna fl. 95 op, een groot bedrag voor die tijd, maar hij vroeg de koning (tevergeefs) om gratie. Eigen schuld dikke bult, vond de Commissie die over het gratieverzoek moest oordelen: moest hij de mensen maar niet uit de hervormde kerk wegtrekken. Gelms wist echter van geen ophouden, want na de weigering van het gratieverzoek schreef hij eind 1834 opnieuw naar de koning. Hij maakte in zijn uitvoerig rekest onder meer duidelijk dat de hervormde kerk níet het Evangelie van Christus verkondigde, en dat de Afgescheidenen géén oproerkraaiers waren, zoals de Belgen in die tijd (de opstandige Belgen – die sinds het Congres van Wenen in 1814 bij Nederland hoorden – wilden zelfstandig worden). En Gelms ging in zijn woning in Oude Pekela gewoon door met zijn ‘oefeningen’. Overigens kwamen de meeste hoorders uit het aanpalende Nieuwe Pekela en uit Onstwedde.

Vrijheid vragen…?

In die tijd, eind jaren ’30 van de negentiende eeuw, heerste in de Afgescheiden Gemeenten in ons land grote onenigheid over de vraag of de gemeenten bij de koning vrijheid van godsdienst zouden aanvragen of niet. Deed je dat wél, dan was je verlost van de vervolgingen door de overheid. Ging je echter door met die ‘onwettige godsdienstige bijeenkomsten’, dan blééf je te maken hebben met boetes, gevangenisstraffen en wat dies meer zij. Gelms wilde van het aanvragen van vrijheid niets weten! In opdracht van de Afgescheiden classis Pekela vermaande hij in 1839 zélfs ‘zijn eigen predikant’, ds. H. de Cock, omdat die wél voor de vrijheidsaanvrage was. Let wel: officieel was ds. De Cock sinds de instituering in 1836, predikant van Nieuwe Pekela (én van alle andere Afgescheiden Gemeenten in Groningen en Drenthe), tot zijn overlijden in 1842!

De meningsverschillen over het wel of niet aanvragen van vrijheid liepen in het hele land zelfs zozeer op, dat een deel van de Afgescheidenen – die tegen de vrijheidsaanvraag waren – zich van de Christelijke Afgescheiden Kerk afscheidde en een eigen kerkverband vormde: de ‘Gereformeerde Kerk onder het Kruis’, met eigen plaatselijke gemeenten, eigen predikanten en een eigen synode. Gelukkig kwamen beide kerkengroepen in 1869 weer voor het grootste deel bij elkaar. De naam van de gezamenlijk voortgezette kerk werd toen ook aangepast: ‘Christelijke Gereformeerde Kerk’.

Maar zover was het rond 1842 dus nog lang niet. Wel verdween in die tijd bij de classis Pekela de tegenzin tegen ‘vrijheid vragen’. Het jaar daarvoor had koning Willem II namelijk een regeling bedacht, die het de Afgescheiden Gemeenten makkelijker maakte om in vrijheid te leven.

Tegendraads.

Gelms was de makkelijkste niet! Hij had nogal eens ruzie met zijn mede-ouderling Okke Huising; die twist, ‘die [volgens de classis] in bitterheid uitgebroken was’, ging vermoedelijk over het wel of niet vrijheid aanvragen. Huising maakte daar geen halszaak van, maar Gelms wilde natuurlijk blijven ‘oefenen’, en als erkenning bij de overheid aangevraagd werd, kwam er vast en zeker óók een ‘echte’ dominee! En dan was het afgelopen met zijn gezag als ‘eenvoudige oefenaar’! Gelms kwam op een gegeven moment (als ouderling!) ook niet meer bij de Afgescheidenen in de ‘kerk’. Daarom kreeg hij twee afgevaardigden van de classis op bezoek. Het waren ds. B. Amsing (1814-1881) van Onstwedde en ds. J.L.J. Epping (1810-1886) van Sappemeer. Ze vermaanden en bestraften hem vanwege zijn

Ds. B. Amsing (1814-1881) vermaande Gelms tevergeefs...
Ds. B. Amsing (1814-1881) vermaande Gelms tevergeefs…

onbroederlijke houding. Het mocht niet baten. Gelms kwam in 1844 op de classis vertellen dat hij het voor gezien hield. De Christelijke Afgescheiden Kerk was volgens hem niet meer de ware kerk. De classis verbood hem toen het ‘oefenen’. En daar hadden ze nog een ándere goede reden voor: door zijn optreden was veel onenigheid ontstaan bij de Afgescheidenen in Bovenburen (zoals de in 1840 geïnstitueerde Christelijke Afgescheiden Gemeente van Winschoten tot 1853 genoemd werd).

Gelms trok zich echter nergens iets van aan. Hij haalde zijn kinderen van de catechisatie af en ging ondertussen gewoon door met ‘oefenen’, terwijl hij ook kerkdiensten bij de hervormden bijwoonde. Uiteindelijk moest de Afgescheiden kerkenraad van Nieuwe Pekela besluiten hem onder censuur te plaatsen. Afhouding van het avondmaal had geen zin, want daar kwam hij tóch niet, zodat ds. Helenius de Cock (1824-1894), van 1844 tot 1845 dominee in Nieuwe Pekela, hem moest gaan vertellen dat de classis gevraagd zou worden hem ‘af te snijden’ van de kerk. De classis stemde daarin toe. In de notulen van de kerkenraad van Nieuwe Pekela wordt ook nog fijntjes opgemerkt ‘dat het eerste notulenboek geroofd is door de afgaande ouderling H.E. Gelms’. Dat boek is namelijk inderdaad nog steeds spoorloos.

Een eigen kerk en erkenning (1843).

De kerkenraad van Nieuwe Pekela besloot ondanks alles in oktober 1843 vrijheid van godsdienst aan te vragen bij de koning. Zesenvijftig gemeenteleden ondertekenden het verzoek. Daarvoor was wél nodig dat de kerkenraad beloofde de eigen behoeftigen te zullen onderhouden en geen aanspraak te maken op de bezittingen van de hervormde kerk. Ook de naam ‘Gereformeerde Kerk’ mocht niet meer worden gebruikt, want die benaming was volgens de koning voorbehouden aan de hervormde kerk (één van de redenen om tegen de vrijheidsaanvraag te zijn).
Verder moest er een kerkgebouw komen. Dat laatste werd ook geregeld, want met toestemming van de burgerlijke gemeente werd op een stuk grond, dat eigendom was van B.J. Brouwer en H.B. Kappen, een ‘eenvoudig maar net’ kerkje gebouwd. Het stond ‘aan de wijk naast de Onstwedderweg’.

Kijkje op de Onstwedderweg.
Kijkje op de Onstwedderweg.

Het gebouw werd eind 1843 door ds. T.F. de Haan (1791-1868) ingewijd met een preek getiteld: ‘Het was feest van de vernieuwing des tempels en het was winter’. Een gedenksteen bij de ingang vermeldde de namen van de kerkvoogden in wier opdracht de kerk gebouwd was. In die tijd waren kleermaker Johannes Boelman (27 jaar jong) en de 58-jarige uurwerkmaker Hindrik Hindriks Kuipers de ouderlingen. De diakenen waren de 52-jarige boerenknecht Hindrik Hindriks Meijer en de landgebruiker Geert Berends Mellema (toen 26 jaar oud).

Op 10 december 1843 ondertekende de koning het besluit waarbij ‘de gemeente van Oude- en Nieuwe Pekela’ erkenning als kerkelijke gemeente ontving.

De eerste predikant: ds. Helenius de Cock (1844-1845).

De kerkenraad ging dus op zoek naar een ‘echte’ dominee. Op een gegeven moment kregen de broeders in Nieuwe Pekela Helenius de Cock in het vizier en men beriep hem, natuurlijk onder voorwaarde dat hij voor zijn examen zou slagen, want hij studeerde toen nog bij ‘professor’ T.F. de Haan in Groningen (een echte predikantenopleiding kwam er pas in 1854, in Kampen). Ouderling H.H. Kuipers bracht hem de beroepsbrief. Helenius stelde echter, vóór hij ‘ja’ zou zeggen, wel een paar vragen: of er ook gemeenteleden waren die zijn jeugdige leeftijd een bezwaar vonden, en of er ook leden waren die vóór de stemming in de gemeentevergadering de naam des Heeren hadden aangeroepen. Nou, dat was allemaal in orde! Enkele gemeenteleden schreven hem vanuit Nieuwe Pekela zelfs nog brieven om hem te bewegen toch vooral naar Nieuwe Pekela te komen.

Vanuit Ulrum werd echter ook aandrang op Helenius uitgeoefend. Want ook díe gemeente wilde hem graag als predikant. De vroegere steun en toeverlaat van zijn kort daarvoor overleden vader, ouderling J.J. Beukema, schreef hem als lokaas dat ze in Ulrum druk bezig waren een eigen kerkje te bouwen en dat hij vooral voorzichtig moest zijn met het beroep naar De Pekel! Helenius besliste echter in het voordeel van Pekela. Op 21 april 1844 werd hij in het pas in gebruik genomen kerkje in het ambt bevestigd door ‘professor’ ds. T.F. de Haan uit Groningen. Nu had de gemeente van Nieuwe Pekela haar eerste eigen dominee! Wel was hij nog maar net 19 jaar oud, maar dat kon de pret niet drukken. Hij deed dezelfde dag intrede met de tekst uit Jeremia 1 : 5-7: ‘(…) Toen zeide ik: ach Heere, zie ik kan niet spreken, want ik ben jong. Maar de Heere zeide tot mij: Zeg niet: Ik ben jong; want overal waarheen Ik u zenden zal, zult gij gaan en alles wat Ik u gebieden zal, zult gij spreken’.

Ds. Helenius de Cock (1824-1894) 'stond' anderhalf jaar in Nieuwe Pekela.
Ds. Helenius de Cock (1824-1894) ‘stond’ anderhalf jaar in Nieuwe Pekela.

Ds. De Cock bleef er slechts anderhalf jaar. Te kort om veel over te kunnen schrijven, maar wél weten we dat een van de eerste dingen die hij deed was, het verenigen van de twee Afgescheiden gemeenten in de Pekela’s. Twéé gemeenten? Ja! Want (zoals al eerder opgemerkt) ook in Oude Pekela was een Afgescheiden Gemeente ontstaan, ook al is onbekend wannéér precies. De eerste keer dat we daarvan horen is op de classis van 4 december 1839. Hoe dan ook, op 17 mei 1844 werden beide gemeenten tot één verenigd.

Onder leiding van De Cock groeide en bloeide de verenigde Christelijke Afgescheidene Gemeente van Nieuwe Pekela. Maar het was niet alleen rozengeur en maneschijn. De Cock had veel last van ‘oefenaar’ Gelms, die luid en duidelijk liet blijken dat hij ds. Helenius de Cock ‘verachtte om zijn jonkheid’ terwijl hij ondertussen gewoon doorging met ‘oefenen’ en onrust zaaien. Het duurde niet zo lang of de Afgescheiden Gemeente van Appingedam bracht een beroep uit op ds. De Cock. Hij nam dat beroep aan en vertrok per 1 december 1845 naar zijn nieuwe gemeente.

Vacaturetijd.

Nieuwe Pekela had nu geen dominee meer. De opvolger kwam pas eind 1846, in de persoon van de hierboven al genoemde ds. J.L.J. Epping. Maar in de vacaturetijd, die precies een jaar duurde, had de gemeente veel te stellen met diaken J.J. Mugge, die onrust en verontwaardiging in de gemeente veroorzaakte door het openlijk roddelen over en lasteren van de ouderlingen. Hij hield zich ook in tegenwoordigheid van de hele kerkelijke gemeente niet in, en ontzag zich niet de ouderlingen ten aanhoren van iedereen uit te schelden. Geen wonder dat de kerkenraad hem onder censuur plaatste en schuldbelijdenis eiste. Daarmee stemde hij na veel vijven en zessen in. Overeengekomen werd dat hij zijn schuldbelijdenis in de kerk zou voorlezen.

Ds. J.L.J. Epping (1846-1880).

Ds. J.L.J. Epping van Ulrum deed op 29 november 1846 intrede in de gemeente van Nieuwe Pekela. Vele jaren lang heeft hij er als predikant gewerkt. De rust keerde weer onder zijn kalme leiding. De gemeente groeide! In 1847 telde de ze 68 huisgezinnen en de groei zette door. Zozeer zelfs, dat in 1861 besloten werd de kerkelijke gemeente van Pekela te splitsen: zo ontstond op 26 juni dat jaar voor de tweede keer de Christelijke Afgescheidene Gemeente van Oude Pekela!

De gemeente groeide overigens niet alleen in aantal leden, maar de kerkenraad streefde ook naar ‘innerlijke versterking’ van de gemeente. Op aanraden van ds. Epping werd de avondmaalsviering aangepast: in het vervolg werd deze staande gehouden. Verder werd in november 1847 besloten dat in de gemeente geregeld enkele ‘gezelschappen’ zouden worden gehouden, groepsbijeenkomsten van gemeenteleden, waar gebeden, gezongen en de bijbel besproken werd. Er moest wél altijd een kerkenraadslid aanwezig zijn, was de afspraak. Ook werd jaren later, in 1863, een zondagsschool opgericht waaraan het schoolhoofd leiding gaf.

Een school?

Toch was er ook ontevredenheid, en wel over de weinige activiteit die de kerkenraad tentoonspreidde inzake de stichting van de School met den Bijbel. In april 1852 werd daarover in de kerkenraad voor het eerst gesproken; omdat er maar niets gebeurde stapte een aantal gemeenteleden vier jaar later naar de kerkenraad om te vragen of er nog wat van kwam; er was immers al een schoolcommissie? Een moeilijkheid was echter dat de burgerlijke gemeente geen toestemming gaf (dat was op veel andere plaatsen ook het geval). Maar uiteindelijk had half april 1858 de aanbesteding van de te bouwen school plaats voor de prijs van fl. 285. Zeven maanden later, op 18 november van hetzelfde jaar, opende de school de deuren met maar liefst vijfennegentig leerlingen. De kerkenraad kreeg het druk met de school. Er was weliswaar een schoolcommissie (uit en door de manslidmaten gekozen), maar die had aanvankelijk slechts beperkte bevoegdheden. Maar de school was er in elk geval!

Een van de twee opgerichte christelijke scholen.
Een van de twee destijds opgerichte christelijke scholen.

Twee aderlatingen.

Groeide het ledental ondertussen lustig door, rond 1860 vertoont de ledengrafiek een behoorlijke daling. Op 2 december 1858 was namelijk de Christelijke Afgescheidene Gemeente van Veendam voor de tweede maal geïnstitueerd (na in 1845 te zijn opgeheven). De dorpen Ommelanderwijk en Zuidwending, die aanvankelijk tot de gemeente van Nieuwe Pekela behoorden, kwamen toen (al dan niet geheel) onder de herderlijke zorg van Veendam. En ook Oude Pekela begon op 26 juni 1861 voor zichzelf, zoals we al eerder zagen. Hun leider was Lodewijk Blok, een ontevreden hervormd gemeentelid, die zichzelf en anderen beloofd had ‘een eigen kerk’ te zullen beginnen. Zo kwam het dat hij, mede namens de Afgescheidenen die in Oude Pekela woonden, de kerkenraad vroeg als zelfstandige gemeente verder te mogen gaan. De kerkenraad van Nieuwe Pekela vond dat aanvankelijk niet leuk (het scheelde leden én inkomsten!), maar toen een herhaald verzoekschrift met eenendertig handtekeningen binnenkwam, gaf men op aandringen van de classis toch maar toe. Oude Pekela beloofde de School met den Bijbel te zullen blijven steunen.

Voortgaande groei.

De gemeente van Nieuwe Pekela groeide ondertussen ondanks alles gewoon door. Al in 1863 werd gesproken over uitbreiding van het kerkje aan de Onstwedderweg! Maar in maart 1866 was sprake van nieuwbouw op een ándere plaats. En toen dát eenmaal besloten was liet men er verder geen gras over groeien, want al op 7 oktober 1866 kon de tegenwoordige kerk (maar nog zónder toren, want die kwam er pas in 1940!) in gebruik genomen worden. Ds. Epping hield een preek over 1 Koningen 8 : 57 en 58, waarvan het eerste gedeelte luidt: ‘De HEERE, onze God, zij met ons, gelijk als Hij geweest is met onze vaderen; Hij verlate ons niet, en begeve ons niet’.

De achterkant van het kerkgebouw dat in 1866 gesticht werd.
De achterkant van het kerkgebouw dat in 1866 gesticht werd.

De toename van het ledental had ook tot gevolg dat het traktement van ds. Epping kon worden verhoogd en op het laatst fl. 850 bedroeg. In 1867 besloot de kerkenraad de zitplaatsen in de nieuwe kerk te verhuren. Dat gebeurde in veel meer kerken (het geld moest ergens vandaan komen), maar het gevaar lag daarmee natuurlijk op de loer dat de mensen die wat meer te besteden hadden de beste plaatsen konden krijgen. Twee jaar later werd ook afgesproken een maandelijkse ‘collecte voor de kerk’ in te voeren.

Christelijke Gereformeerde Gemeente (1869).

In 1869 veranderde de naam van de kerkelijke gemeente, ook al wordt daarover in de notulenboeken met geen woord gerept. Eerder in dit verhaal schreven we over Afgescheiden gemeenten, die rond 1840 géén vrijheid van godsdienst wilden aanvragen bij de koning. Het gevolg was dat die ‘Gereformeerde gemeenten onder het Kruis’ bléven lijden onder de vervolging door de overheid. Er kwam zelfs een landelijke scheuring tussen de voor- en tegenstanders van de vrijheidsaanvraag! De ‘Christelijke Afgescheidene Kerk’ (‘voor’) en de ‘Gereformeerde Kerk onder het Kruis’ (‘tegen’) gingen een volstrekt eigen kerkelijke weg. Gelukkig besloten beide synodes al snel tot overleg hoe men weer bij elkaar kon komen. De vrede werd in 1869 getekend. Beide kerken spraken toen af dat alle gemeenten in het land voortaan onder de naam Christelijke Gereformeerde Kerk verder zouden gaan. Ook die in Nieuwe Pekela.

Spanningen rond ds. Epping.

Al enkele jaren nadat ds. Epping intrede gedaan had (dat was in 1845) kregen sommige gemeenteleden aanmerkingen op zijn preken. Ook ambtsdragers spraken hem daar na verloop van tijd op niet altijd even tactische manier over aan. En in 1878 was het zelfs zover gekomen dat een groepje gemeenteleden de kerkenraad vroeg een zaaltje te mogen huren, zogenaamd ‘om te gaan evangeliseren’. Dat ‘evangeliseren’ bleek echter niets anders in te houden dan het beleggen van kerkdiensten waar ds. Epping in ieder geval níet voorging. Predikanten van elders preekten er; sterker nog, het jaar daarop werd besloten die bijeenkomsten in de kerk te houden! Dat zal ds. Epping niet leuk gevonden hebben. Aan de andere kant begon na verloop van tijd zijn leeftijd mee te tellen. Hij liep al tegen de zeventig en de wens van de gemeente dat hij emeritaat zou vragen werd hoe langer hoe sterker. De kerkenraad bood hem zelfs fl. 200 als hij zou opstappen! Ook de classis drong er op aan. ‘Meer dan eens werd hij in de gemeente smadelijk bejegend’, en uiteindelijk vroeg ds. Epping emeritaat aan. Zijn afscheidspreek uit Deut. 30:19 hield hij op 19 augustus 1880: ‘Ik neem heden tegen ulieden tot getuigen den hemel en de aarde; het leven en den dood heb ik u voorgesteld, den zegen en den vloek! Kiest dan het leven, opdat gij levet, gij en uw zaad’. Ds. Epping overleed op 28 december 1886 na een ziekte van vier dagen.

Ds. L. van Dellen (1880-1894).

De vacaturetijd duurde nog geen vier maanden. Want op 5 december 1880 deed ds. L. van Dellen (1842-1919) uit het Friese Kollum intrede met een preek over 2 Cor. 4:7: ‘Maar wij hebben dezen schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij van God, en niet uit ons’. Ds. Van Dellen had de teugels stevig in handen. In de eerste plaats schafte hij de tijdens ds. Epping ingevoerde wijze van avondmaal vieren af, ‘omdat zitten deftiger is dan staan’. Zijn preken waren naar de smaak van de gemeente, die weer groeide en bloeide, zozeer zelfs dat in 1882 een galerij werd gebouwd en een orgel aangeschaft. Het jaar daarvóór had men al een consistorie in gebruik kunnen nemen, waar de kerkenraad kon vergaderen (tot die tijd gebeurde dat om beurten bij de kerkenraadsleden thuis).

Ds. L. van Dellen (1842-1919).
Ds. L. van Dellen (1842-1919).

Er werd een jongelingsvereniging (JV) opgericht en een evangelisatievereniging werd actief, die zondagsscholen onderhield in de nabijgelegen gehuchten Kruizelwerk (ten zuidoosten van Nieuwe Pekela), Kibbelgaarn (ten noorden van Nieuwe Pekela) en Boven (ten zuiden van Nieuwe Pekela, waar in 1893 zelfs een evangelisatielokaal werd neergezet!). Het evangelisatiewerk vond vooral in de wintermaanden plaats, omdat de mensen in de zomer te druk waren in het veen en waar al niet. In 1885 werd bovendien een meisjesvereniging (MV) opgericht. In het landelijk Jaarboekje voor de Gereformeerde Kerken in Nederland van 1893 wordt de Gereformeerde Kerk van Nieuwe Pekela op veel kerkelijke werkgebieden met ere genoemd.

Vijftig jaar!

Op 3 november 1886 kwam ds. Helenius de Cock nog eens buurten. Dat had een goeie reden, want de gemeente vierde toen (een beetje verlaat) haar vijftigste verjaardag. De Cock was intussen docent geworden aan de in 1854 opgerichte predikantenopleiding in Kampen. Hij zal zijn ogen uitgekeken hebben en zich ongetwijfeld de anderhalf jaar nog herinnerd hebben die hij daar zélf als jonge predikant had doorgebracht; waar zijn vader in 1836 de instituering had verricht, en waar zijn overgrootvader zelfs nog hervormd predikant geweest was..! Hoe dan ook, zijn feestrede hield hij naar aanleiding van 1 Samuel 7:12: ‘Samuël nu nam een steen, en stelde dien tussen Mizpa en tussen Sen, en hij noemde diens naam Eben-Haezer; en hij zeide: Tot hiertoe heeft de HEERE ons geholpen’.

De oude gereformeerde pastorie.
De oude gereformeerde pastorie.

Gereformeerde Kerk (1892).

In 1892 veranderde de naam van de kerk opnieuw! In 1886 had zich namelijk een tweede landelijke orthodoxe uittocht uit de hervormde kerk voltrokken, onder leiding van dr. Abraham Kuyper (1837-1920). Die beweging wordt de Doleantie genoemd, waardoor op veel plaatsen in het land, naast de ‘Christelijke Gereformeerde Gemeenten’, ook Nederduitsche Gereformeerde Kerken (doleerende) geïnstitueerd werden. Het kon natuurlijk niet uitblijven dat beide landelijke synodes al gauw gingen onderhandelen over samengaan. De daadwerkelijke fusie voltrok zich op 17 juni 1892, tijdens de Synode van Amsterdam. Afgesproken werd dat de verenigde kerken in het vervolg Gereformeerde Kerken in Nederland zouden heten. In Nieuwe Pekela was weliswaar geen zelfstandige Dolerende kerk ontstaan, maar ook daar kwamen toen hervormde gemeenteleden over naar de ‘Christelijke Gereformeerde Gemeente’ (vanaf 1892 dus Gereformeerde Kerk).

De school werd in 1893 trouwens overgenomen door de inmiddels opgerichte schoolvereniging die de School met den Bijbel in het vervolg geheel zelfstandig bestuurde. De kerkelijke gemeente bleef echter financieel steunen, aanvankelijk door middel van collectebusjes bij de ingang van de kerk en later door kerkcollecten ‘voor onzen School met den Bijbel’.

Een van de twee destijds opgerichte christelijke scholen.
Een van de twee destijds opgerichte christelijke scholen.

Ds. Van Dellen emigreerde in april 1894 naar Amerika, waar hij predikant werd van de ‘Christian Reformed Church’ in Englewood bij Chicago. Desondanks stond hij daarna nog verscheidene keren op de preekstoel van Nieuwe Pekela.

Ds. M. Meijering (1894-1903).

Een half jaar na het vertrek van ds. Van Dellen kon de volgende predikant al intrede doen. Het was ds. M. Meijering (1866-1948) uit het Friese Sexbierum. Ook zijn preken sloegen aan; ook nu groeide de gemeente. De kerk barstte bijna uit haar voegen, want de opkomst was groot. Mede op zijn aandringen werd in 1902 de gereformeerde begraafplaats aangelegd; het eerste gemeentelid dat daar ter aarde besteld werd was Henderika Kassies (het is één van de weinige gereformeerde kerkhoven in Nederland).

Ds. M. Meijering (1866-1948).
Ds. M. Meijering (1866-1948).

Maar het jaar daarop vertrok de predikant naar de Gereformeerde Kerk te Wildervank die hem beroepen had. Hoewel hij in de vacaturetijd consulent was en in die hoedanigheid in Nieuwe Pekela de vinger nog aan de pols kon houden, ontstond toch onrust in de gemeente, vooral naar aanleiding van een door de kerkenraad geheel volgens de regels genomen besluit, betrekking hebbende op de verkiezing en de benoeming van een aantal diakenen. Ontevredenheid kwam opzetten, het regende protesten van boze gemeenteleden en ‘de verbittering en de haat groeiden met de dag’. De geschiedenis ging zich herhalen…

Het interieur van de kerk (foto via de heer C. Bosdijk, Nieuwe Pekela).
Het interieur van de kerk (foto via de heer C. Bosdijk, Nieuwe Pekela).

Ds. N.P. Littooij (1905-1909).

Gehoopt werd dat ds. N.P. Littooij (1869-1909), helemaal uit het Zeeuwse Axel, die in Nieuwe Pekela op 6 augustus 1905 intrede deed, vrede zou brengen. Niets was minder waar. Hij kon niet tegen de steeds toegenomen kwaadheid van zijn gemeenteleden op. Zijn persoonlijkheid én zijn gezondheid waren daarvoor te zwak. Bovendien verloor hij in Nieuwe Pekela twee van zijn kinderen aan de dood. En uiteindelijk werd hij ook zélf ziek. In het najaar van 1908 moest hij voor een keeloperatie worden opgenomen in het Academisch Ziekenhuis te Groningen. Wel keerde hij daarna terug naar huis, maar alleen om te sterven, en wel op 27 maart 1909. Hij werd op de gereformeerde begraafplaats ter ruste gelegd.

Het oude interieur van de gereformeerde kerk te Nieuwe Pekela (foto via de heer G. Kuiper, Appingedam).
Het oude interieur van de gereformeerde kerk te Nieuwe Pekela (foto via de heer G. Kuiper, Appingedam).

Ds. T.J. Hagen schreef in zijn herdenkingsboekje duidelijke taal over de toestand van de kerk van Nieuwe Pekela in die tijd: “De gemeente wierp haar schoonen naam van vroeger weg; in heel het land werd ze berucht; op elke classis en synode kwam hare zaak in behandeling; de partijen hadden niet alleen twist, maar gingen elkander haten en benadelen; de stapels geschreven en gedrukte protesten en brieven werd al groter. (…) De zonen van hetzelfde huis werden ruw en onbeschoft tegen elkaar; groetten elkander niet; gedroegen zich zelfs in de kerk dikwijls onbetamelijk; er werd gescholden en gelasterd en … ik vrees weinig gebeden. Het was alsof de tijd van ds. S. Tjaden weer terug was gekomen, toen de mensen hier ‘boven anderen wild, woest en ongetemd waren’. De gemeente zonk al dieper weg”.

Het (gerestaureerde graf van ds. Littooij (foto via de heer C. Bosdijk, Nieuwe Pekela)
De (gerestaureerde) grafsteen van ds. Littooij (foto via de heer C. Bosdijk, Nieuwe Pekela)

Scheuring… (1910).

Direct ná het overlijden van ds. Littooij en nog vóórdat zijn opvolger, ds. T.J. Hagen, aantrad, in de tijd dus dat de Gereformeerde Kerk in Nieuwe Pekela geen predikant had, werd in die kerkelijke gemeente geroerd door ds. W.F. van der Kodde (1863-1943), predikant bij de ‘voortgezette Christelijke Gereformeerde Gemeente‘ te Kornhorn (Gr.). De landelijke ‘voortgezette’ Christelijke Gereformeerde Kerk was in 1892 ontstaan als protest tegen de fusie van de ‘Christelijke Gereformeerde Kerk’ (uit de Afscheiding van 1834) met de ’Nederduitsche Gereformeerde Kerken’ (uit de Doleantie van 1886). Van der Kodde was sinds 1906 christelijk gereformeerd predikant in het Groningse Kornhorn en trachtte op zoveel mogelijk plaatsen een (‘voortgezette’) Christelijke Gereformeerde Gemeente te stichten. In 1906 waren zo nu en dan al enkele predikanten van de ‘voortgezette’ Chr. Geref. Kerk naar Nieuwe Pekela gekomen om daar te spreken. Zij hadden gemerkt dat die bijeenkomsten veel belangstellenden trokken. Op uitnodiging van de familie M. Drayer kwam in 1910 ds. Van der Kodde naar Nieuwe Pekela. Drayer was oorspronkelijk lid van de Gereformeerde Kerk van Nieuwe Pekela, maar was sinds 1894 – als gevolg van onvrede over de kerkfusie in 1892 – niet meer in de kerk geweest, en had zich al die tijd met de zijnen én met andere belangstellenden gelaafd aan de godsdienstoefeningen die bij hem en anderen aan huis gehouden werden.

De in 1866 gereformeerde kerk is het achterste gedeelte op deze foto. Laster werd de consistorie aangebouwd en in 1940 kwam de toren er bij!
De in 1866 gebouwde gereformeerde kerk is het achterste gedeelte op deze foto. Later werd de consistorie aangebouwd en in 1940 kwam de toren er bij!

Ds. Van der Kodde kwam op 2 februari 1910 in het dorp aan, met de bedoeling ‘een woord van opwekking te spreken ten einde ook daar zoo mogelijk te komen tot stichting eener Christel. Geref. Gemeente’. De Gereformeerde Kerk van Nieuwe Pekela was op dat moment zoals gezegd herderloos: ds. Littooij was overleden, terwijl zijn gemeente verscheurd en uiteengerukt ter neder lag. Dat maakte de kans van slagen voor de plannen van ds. Van der Kodde niet geringer. En inderdaad: driehonderd mensen waren komen opdagen in de zaal waar hij zijn toespraak hield. ‘Met onverdeelde aandacht en tevens ook met algemeene instemming (…) werd er geluisterd naar ’t woord dat er werd gesproken’, zo schreef hij in het chr. geref. kerkblad De Wekker in die tijd. De collecte bracht fl. 20 op, en, nóg mooier, na de bijeenkomst gaven ’14 broeders (waaronder 13 belijdende leden)’ te kennen een Christelijke Gereformeerde Gemeente te willen vormen en besloten zich officieel los te maken van de Gereformeerde Kerk van Nieuwe Pekela.

De christelijke gereformeerde kerk in Nieuwe Pekela.
De christelijke gereformeerde kerk in Nieuwe Pekela.

Op 10 maart dat jaar werd in Nieuwe Pekela deze zo gewenste (‘voortgezette’) Christelijke Gereformeerde Gemeente geïnstitueerd onder leiding van Van der Kodde. Het aantal leden bedroeg op de dag van de instituering nog vijfentwintig, maar al snel stapten anderen naar de nieuwe gemeente over. De komst van de krachtige predikant T.J. Hagen beperkte verdere schade.

Ds. T.J. Hagen (1910-1921).

Want op 13 november deed ds. T.J. Hagen (1877-1949) intrede met een preek over Fil. 1:6: ‘Vertrouwende ditzelve, dat Hij, Die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus’.

De Gereformeerde Kerk van Nieuwe Pekela klom weer uit het dal. ‘De opkomst op den Sabbathdag is, in aanmerking genomen dat een deel der gemeente weg is, zeer groot. De offervaardigheid neemt weer toe. Er vloeien weer dankoffers. De gewone collecten zijn flink gestegen, en een extra collecte voor de kerk bracht de hooge som op van ruim driehonderd zeven en vijftig gulden. Er is een tweede Jongelingsvereeniging opgericht, een knapenvereeniging, een tweede schoolvereeniging, een leesgezelschap en twee evangelisaties’. En bovendien kwam er in 1910 elektrisch licht in de kerk! Een geordend kerkelijk leven ontwikkelde zich tijdens zijn predikantschap met nieuwe kracht.

Ds. T.J. Hagen (1877-1949).
Ds. T.J. Hagen (1877-1949).

En verder…

Ter afsluiting van de geschiedenis van de moeizame start van de Gereformeerde Kerk te Nieuwe Pekela bekijken we het ledenverloop:

Jaar               Ledental

1893             960
1903             1010
1913             698
1923             790
1933             747
1943             737
1953             773
1963             681
1973             598
1983             538
1993             446
2003             335
2013             250

De eerste jaren na het begin van de twintigste eeuw was het ledental van de Kerk van Nieuwe Pekela op haar hoogtepunt. Maar vooral de ‘Scheuring’ in 1910 had een grote invloed op de omvang van de kerk. Dat de voorafgaande periode van haat en nijd daarbij ongetwijfeld een belangrijke rol speelde is duidelijk: waren er in 1910 nog ongeveer 950 leden, het jaar daarop waren er ongeveer 250 vertrokken. Maar bij de komst van ds. Hagen begon de kerk weer te groeien. Het hoogtepunt dat in 1903 bereikt werd, was echter definitief voorbij. Bleef het ledental tussen 1923 en 1953 in grote lijnen stabiel, de geleidelijke neergang (ongetwijfeld mee veroorzaakt door de trek naar de steden en de ontkerkelijking), begon daarna ook de kerk van Nieuwe Pekela te treffen.

De gereformeerde kerk breidde in de loop van de jaren flink uit (foto: website Geref. Kerk Nieuwe Pekela).
De gereformeerde kerk breidde in de loop van de jaren flink uit (foto: website Geref. Kerk Nieuwe Pekela).

Bronnen en literatuur:

M. Drayer, De Christelijke Gereformeerde Kerk van Nieuwe Pekela (…), Nieuwe Pekela, 1990

T.J. Hagen, Vergeet geene van Zijne weldaden. Herdenkingsrede bij het Vijfenzeventigjarig jubileum van de Afscheiding in Nieuwe Pekela. Nieuwe Pekela, 1911

T.J. Hagen, Heeft de Chr. Geref. Kerk recht van bestaan? Naar aanleiding van de Herdenkingsrede van ds. K. Zuidersma. Nieuwe Pekela, 1911

K. Zuidersma, Herdenkingsrede (met toelichting) van het 75-jariug bestaan der Chr. Geref. Gemeente te Nieuwe-Pekela, uitgesproken den 10 april 1911 in de Chr. Geref. Kerk aldaar. Nieuwe Pekela, 1911

H. Veldman, Hendrik de Cock 1801-1842, Biografie en Theologie, waarvan deel 2, De 87 gemeenten van Hendrik de Cock, p. 266-268, Kampen, 2009

J. Wesseling, De Afscheiding van 1834 in Groningerland, deel III, p. 185-197. Groningen, 1974

© 2016. G.J. Kok. GereformeerdeKerken.info