De Gereformeerde Kerk te Marum (Gr.) tijdens WO-II

Inleiding.

De eerste gereformeerde kerk te Marum (1852-1926)
De eerste gereformeerde kerk te Marum (1852-1926) – zie de jongen in de toren…

Op 15 augustus 1852 werd het eerste kerkgebouw van de gereformeerde kerk van Marum (Gr.) in gebruik genomen. De snelle groei van de kerkgemeenschap noodzaakte de kerkenraad echter in 1925 plannen te ontwerpen voor een grotere kerk, ook aan de Kruisweg, waarvan op 17 juni 1926 door ds. G. Meijer (1868-1931) de eerste steen gelegd werd. In zijn toespraak wees hij ‘op de weldaden aan de gemeente van Marum geschonken. Hoe er veel strijd en moeite is om zover te komen dat men de eerste steen kan leggen, maar dat we in ’s Heeren kracht mogen bouwen en vertrouwen’. De plechtigheid werd na de eerste steenlegging beëindigd met het zingen van psalm 68:2 en met dankgebed’.

De eerste predikant van de Gereformeerde Kerk te Marum was ds. E.J. Seeger (1822-1907), die van 1852 tot 1870 Dienaar des Woords in Marum is geweest. Na ds. H. Krijgsman (die van 1871-1872 in Marum stond) en ds. J. Meijer (die Marum van 1874 tot 1906 diende), stond ds. G. Meijer van 1907 tot zijn overlijden in 1931 als predikant te Marum. Na hem kwam in 1932 ds. S. van Wouwe (1903-1968) naar Marum. Deze was hier tijdens de Tweede Wereldoorlog predikant, om precies te zijn van 1932-1947.

Ds. Van Wouwe was het van harte eens met het besluit dat de gezamenlijke Gereformeerde Kerken (in 1936 in synode bijeen) genomen hadden over het lidmaatschap van de NSB, die ook in Nederland voet aan de grond kreeg. De synode besloot toen namelijk dat het lidmaatschap van de NSB onverenigbaar was met dat van de Gereformeerde Kerken in Nederland en dat NSB-leden bij volhardende ongehoorzaamheid onder de kerkelijke tucht geplaatst dienden te worden en uiteindelijk van de Kerk ‘afgesneden’ dienden te worden.

De Gereformeerde Kerk te Marum en de oorlog.

De ligging van de verschillende dorpen in de gemeente Marum
De ligging van de verschillende dorpen in de gemeente Marum

Het archief van de Gereformeerde Kerk van Marum is zeer zwijgzaam over wat in de Tweede Wereldoorlog gebeurd is. Dat is begrijpelijk. De kerkenraad wilde de Kerk en haar leden niet onnodig in gevaar brengen door teveel op papier te zetten. Bovendien stond ds. Van Wouwe bekend als zeer anti-Duits; hij werd om die reden na verloop van tijd dan ook door de Duitsers gevangen genomen (daarover later meer). Ook vanwege de predikant zouden de Duitsers vast en zeker bijzondere aandacht voor de Gereformeerde Kerk van Marum aan de dag leggen.

Het archief meldt wel de brief van de Dienst Luchtbescherming, die de kerkenraad al in 1939 vroeg, gebruik te mogen maken van de kerktoren als uitkijkpost. De kerkenraad stemde daarmee in, en enige tijd later zijn dan ook vier uitkijkraampjes in de torenspits gemaakt, die het benodigde uitzicht moesten garanderen. Overigens werden die raampjes eind 1947 door de burgerlijke gemeente weer verwijderd. Op advies van diezelfde Dienst Luchtbescherming besloot de kerkenraad begin 1940, dat de kerkgangers bij een eventuele luchtaanval – want oorlog dreigde – het best in de kerk konden blijven.

De gereformeerde kerkenraad in 1938. Staande v.l.n.r.: P. Postmus, R. Kooistra, S.R. Gjaltema,R. Jager, A. Deknatel, H. Westerhof. Zittend v.l.n.r.: L. de Wit, A. Koenes, ds. S. van Wouwe, D. de Vries, F. Eringa.
De gereformeerde kerkenraad in 1938. Staande v.l.n.r.: P. Postmus, R. Kooistra, S.R. Gjaltema,R. Jager, A. Deknatel, H. Westerhof. Zittend v.l.n.r.: L. de Wit, A. Koenes, ds. S. van Wouwe, D. de Vries, F. Eringa.

Over het begin van de oorlog op 10 mei 1940 zwijgen de notulen. En toen de kerkenraad op zondag 25 december van dat jaar van de preekstoel afkondigde dat de extra collecte die zondag bestemd was ‘voor de diaconie, om die in staat te stellen tot volledige leeniging der nooden’, was vlak voor de kerkdienst het vervolg van die afkondiging uit veiligheidsoverwegingen doorgestreept (en dus niet voorgelezen): ‘zodat niemand onzer zich tot de Winterhulp zal hebben te wenden en dus metterdaad kan worden gezegd, dat wij volkomen vrij komen te staan van de organisatie Winterhulp en dien niet nodig hebben’.

De Stichting Winterhulp Nederland was een nationaal-socialistische organisatie (met de beruchte Rost van Tonningen als een van de kopstukken) die tijdens de Tweede Wereldoorlog alle maatschappelijke hulpverlening, zoals verleend door de overheid, particuliere en kerkelijke organisatie in ons land, moest overnemen. Daar wilde de kerkenraad natuurlijk niets mee te maken hebben. De diaconie (c.q. de kerkelijke gemeente) zorgde zélf wel voor ‘de eigen armen’ (minder voorzichtig en niet minder beslist, was de kerkenraad op 8 februari 1942, toen een bidstond gehouden werd voor het behoud van het eigen karakter van de christelijke school, die door Duitse maatregelen ernstig werd bedreigd).

De kerk in de jaren 1940-1947, met de aangebrachte uitkijkraampjes in de torenspits.
De gereformeerde kerk te Marum  in de jaren 1940-1947, met de aangebrachte uitkijkraampjes in de torenspits.

Op 24 november 1940 werd in de kerk aan de Kruisweg ‘een ure van verootmoediging’ gehouden. ‘Die verootmoediging betaamt ons, als wij de vele zonden van Kerk en wereld gedenken, waarom Gods kastijdende hand over ons is gekomen. (…) Wij zijn schuldig aan velerlei ontrouw, uitkomend in toenemende wereldsche gelijkvormigheid, in gebrek aan vurigen ijver voor de uitbreiding van Gods Koninkrijk, in een te zwak opkomen tegen de ontheiliging van de dag des Heeren en tegen de algemene ontwrichting van het zedelijk leven’, zo meende de kerkenraad in navolging van de classis ’s-Gravenhage. Deze classis had, daartoe door de generale synode gemachtigd, dit biduur uitgeschreven. De kerkenraad smeekte God aan het eind van het gebed ‘om het onheil af te wenden en de harten van de grooten der aarde te neigen tot een rechtvaardige vrede. Hij brenge troost aan de slachtoffers van den oorlog en make bovenal het gebeuren van deze dagen dienstbaar aan de verlevendiging van het geloof en aan de komst van Zijn Koninkrijk (…)’.

Gedurende de oorlog werd de kerkenraad enkele keren gevraagd evacués uit andere delen van het land op te vangen in de gezinnen. In november 1942 vroeg de burgerlijke gemeente vluchtelingen uit Velzen op te nemen; de kerkenraad werkte daar graag aan mee, ook omdat hij het belangrijk vond dat deze mensen in gereformeerde gezinnen zouden worden ondergebracht. In augustus 1943 ging het om kinderen uit Rotterdam en begin 1945 werden kinderen uit Den Haag in Marum opgenomen. Overigens stelde een aantal kerkenraadsleden zich een maand daarna beschikbaar om mee te helpen met het inzamelen van voedsel en goederen voor de hongerende bevolking in het westen van ons land. Het Groene Kruis mocht in 1943 gebruik maken van het lokaal van de kerk, maar onder een aantal door de kerkenraad gestelde voorwaarden. Een daarvan was, dat het bordje Verboden voor Joden niet mocht worden opgehangen.

Tijdens de gemeentevergadering van 16 april 1946 werd teruggedacht aan alles wat de Kerk van Marum in de oorlog beroerd had. ‘Spreker [ds. Van Wouwe] gedenkt de gevallenen: Andries Sikkings in mei 1943, Willem Vossema, kort na de bevrijding, terwijl toen de oorlog uitbrak ook nog tot onze gemeente behoorden: Roelof Appelhof, Jan Geert Diertens en Gerrit van der Vaart, die elders hun jonge leven zagen geveld. De God der vertroostingen zij de nagelaten dierbaren nabij; wij gedenken hen met eerbied.

De gevangenneming van ds. Van Wouwe.

Zoals gezegd meldden de kerkenraadsnotulen uit veiligheidsoverwegingen niet veel over de gebeurtenissen in de oorlog. Maar in feite gebeurde in de oorlog in Marum natuurlijk veel meer. Daarover spraken we in 2002 met ds. W. Wester (1915-2006) toen woonachtig te Surhuisterveen. Deze kwam – nog vóór zijn predikantschap te Tijnje (1970), Uithuizermeeden (1975), Drogeham (1979) en Schoonoord (1983) – in 1938 in dienst van de Koninklijke Marechaussee te Marum, waar hij in september 1940 bevorderd werd tot wachtmeester en waarnemend brigadecommandant.

Wachtmeester W. Wester te Marum. Vanaf 1970 gereformeerd predikant achtereenvolgens te Tijnje, Uithuizermeeden, Drogeham en Schoonoord.
Wachtmeester W. Wester te Marum. Vanaf 1970 gereformeerd predikant achtereenvolgens te Tijnje, Uithuizermeeden, Drogeham en Schoonoord.

‘Ds. Van Wouwe was voor 100% een verzetsstrijder. Ook op de preekstoel. Zo bekritiseerde hij openlijk maatregelen van bijvoorbeeld de NSB-burgemeester van Marum, H.R.B. Groenewold. Geen wonder, dat ook in Marum bij het uitgaan van de kerk regelmatig controles plaatsvonden door de Duitsers. Jongens in de gevaarlijke leeftijd verstopten zich dan soms in een ruimte onder de preekstoel, die via een luik te bereiken was. Al gauw werd duidelijk dat ds. Van Wouwe op de dodenlijst stond. Zo werd in 1944 de heer Van der Meulen, assistent-directeur van de zuivelfabriek van Marum, doodgeschoten en op dezelfde rit kwamen de Duitsers ook bij ds. Van Wouwe aan de deur van de pastorie. Mevrouw Van Wouwe deed open en zei dat de predikant niet thuis was wegens een synodevergadering. Omdat de Duitsers bang waren dat zij als daders van de moord op de assistent-directeur van de zuivelfabriek zouden worden ontmaskerd, doorzochten ze de pastorie niet, maar haastten zich weg. Ds. Van Wouwe lag trouwens gewoon in bed’.

Ds. S. van Wouwe (1903-1968) die van 1932 tot 1947 gereformeerd predikant te Marum
Ds. S. van Wouwe (1903-1968) die van 1932 tot 1947 gereformeerd predikant te Marum was.

De kerkenraad vond het toen (het was september 1944) tijd worden, om uit te zien naar een veilige schuilplaats voor de predikant. De brs. F. Praamsma en F. Eringa waren degenen die deze zaak namens de kerkenraad regelden. Vermoedelijk wisten de overige kerkenraadsleden op dat moment niet van de hoed en de rand, zodat zo weinig mogelijk mensen op de hoogte waren van de gang van zaken. Hoe dan ook, de heer Wester werd door hen opgebeld met het verzoek naar de kruidenierswinkel van Okke Praamstra te komen. Daar was ook ds. Van Wouwe. De heer Wester hoorde het verhaal van de eerder genoemde gebeurtenissen in het dorp aan. De predikant werd toen door hem gebracht naar de boerderij van de familie Dijkhuis aan de Jonkersvaart in het dorpje De Wilp, ongeveer vier kilometer ten zuidwesten van Marum. Dat moest natuurlijk omzichtig gebeuren. Daarom kreeg de predikant een marechaussee-uniform aan. Bij het hotel De Kruisweg, waar de landwachters zaten,

De Kruisweg in Marum in de tijd van de oorlog
De Kruisweg in Marum in de tijd van de oorlog

verloor de vermomde predikant zijn beenkap. Dit werd gelukkig niet opgemerkt. Uiteindelijk kwam men veilig bij de boerderij van de heer Pieter Dijkhuis, een forse gereformeerde mannenbroeder. Op de boerderij bevonden zich trouwens nog meer onderduikers. Bij onraad verstopten ze zich in een hol dat (je was gereformeerd of je was het niet) de bijbelse naam Spelonk van Adullam droeg (de grot waar David zich verschool voor koning Saul). Der heer Wester onderhield het contact tussen de pastorie en de boerderij van Dijkhuis.

Enige tijd later werd bij Dijkhuis op het raam geklopt. In de waan dat het de heer Wester was, opende Dijkhuis de deur en bleef vervolgens verstijfd van schrik staan. Het waren landwachters! Ook de onderduikers konden van schrik niet op tijd in de Spelonk van Adullam komen en werden opgepakt. Onder hen bevond zich ook ds. Van Wouwe, die nog juist bezwarende papieren, die hij bij zich had, kon opeten. ‘Het tekent ds. Van Wouwe ten voeten uit, toen hij bij de landwachters pleitte voor de vrijlating van een jonge onderduiker’. Ze werden echter allemaal meegenomen naar een cel van de SD in de garage van Jansma in Marum. Al gauw werden ze naar Groningen overgebracht, naar het beruchte Scholtenshuis aan de Grote Markt. Boer Dijkhuis kreeg een boete van fl. 1.000 omdat hij de onderduikers gehuisvest had.

Het Scholtenshuis aan de Grote Markt te Groningen direct na de oorlog.
Het Scholtenshuis aan de Grote Markt te Groningen direct na de oorlog.

De broeders Praamstra en Eringa namen al gauw contact op met de heer Wester, met de vraag of hij de predikant op een of andere manier vrij kon krijgen. Via een kennis hoorde de heer Wester, dat op het Scholtenshuis een Hollandse SD’er zat (een lid van de Duitse Sicherheits Dienst), die spijt gekregen had dat hij met de Duitsers had geheuld. De heer Wester kreeg te horen, ‘dat ds. Van Wouwe alles had bekend en dat hij op korte termijn zou worden gefusilleerd’. Daar geloofde de heer Wester, ds. Van Wouwe kennende, niets van. Later bleek, dat de gevangen genomen onderduikers via Delfzijl naar het eiland Borkum zouden worden gebracht. Samen met anderen heeft de heer Wester er toen voor gezorgd, dat dit niet gebeurde, maar dat de predikant op het politiebureau aan het Martinikerkhof werd opgesloten. Daar werkte de betrouwbare (gereformeerde) Harm van Dijk uit Marum. Deze zorgde er voor dat de heer Wester en mevrouw Van Wouwe toegang tot de predikant konden krijgen.

De heer Wester besefte dat de Duitsers niet vies waren van jenever en vlees, en hij heeft toen door omkoping (ook daar waren ze niet vies van), nl. door het brengen van jenever en vlees, gezorgd, dat de Duitsers de predikant uiteindelijk vrijlieten. Overigens moest toen een loskoopsom van fl. 2.000 betaald worden. De predikant werd toen ondergebracht bij de Groninger gereformeerde ziekenhuispredikant ds. A.M. Spiering (1904-1956). De kerkenraadsleden Praamstra en Eringa hebben toen verstandig gehandeld door aan de gemeenteleden mee te delen dat het met de predikant naar omstandigheden goed ging, hielden ook voorbede in de kerk, maar hebben op dat moment niet verteld dat hij al vrij was. Vooral de felle NSB-burgemeester Groenewold van Marum kon dat maar beter niet weten.

Op een zaterdag werd ds. Van Wouwe door de heer Wester overgebracht naar De Wilp (waar laatstgenoemde op dat moment woonde). Ook mevrouw Van Wouwe was daar toen en de beide echtparen hebben toen ‘een heel gezellige avond’ gehad. Ook boer Dijkhuis van de Jonkersvaart, zeer op de predikant gesteld, heeft ds. Van Wouwe in De Wilp nog ontmoet. ‘De beide mannen vlogen elkaar bij die zeer emotionele ontmoeting om de hals’, aldus de heer Wester. De maandag daarop werd de predikant naar een ander onderduikadres gebracht, naar de familie Broersma in Opende. Fietsend op de Wilpsterweg (tussen De Wilp en Marum) kwamen de beide mannen landwachter Wiebe van der Vlugt tegen. De heer Wester zei tegen de predikant: ‘Doorfietsen!’, reed zelf recht op Van der Vlugt af en riep: ‘Halt, politie!’ Ondertussen kon de predikant ontsnappen en veilig op zijn onderduikadres afgeleverd worden.
Korte tijd later moest ds. Van Wouwe opnieuw van onderduikadres veranderen. Fietsend in Marum-West ontwaarde men twee koplampen. Duitsers? Ds. Van Wouwe sloeg meteen een zijweg in en de heer Wester reed langs de (inderdaad Duitse) auto. In het laatst van 1944 heeft ds. Van Wouwe nog ondergedoken gezeten bij ds. Retel, gereformeerd evangelisatiepredikant te Hoornsterzwaag.

Op 1 januari 1945 – dikke winter, sneeuw en ijs – klom men in De Wilp op de schaats. Ook de heer Wester. Tot hij bericht kreeg om direct thuis te komen. Daar zat ds. Van Wouwe, compleet met alpinopet. ‘Ik wil graag even naar huis, Wester, maar ik wil eerst jouw toestemming. Wat vind je ervan?’ (mevrouw Van Wouwe was in die tijd namelijk in verwachting).

Ds. en mevrouw Van Wouwe.
Ds. en mevrouw Van Wouwe.

De heer Wester ontraadde hem de gang naar de pastorie ten sterkste, omdat de bezetters juist in Marum (sterk anti-Duits) alles scherp in de gaten hielden. De predikant ging dus niet. ‘Roekeloosheid was hem vreemd’. ‘Als wij beiden de oorlog overleven’, zo zei de heer Wester tegen de predikant, ‘zal ik u meteen na de bevrijding bellen’.  Op 13 april 1945 kwamen de Canadezen, samen met de heer Wester, met hun tanks Marum en De Wilp binnen. Een van de tanks werd vlak bij de pastorie van de gereformeerde kerk geposteerd, waar de in de buurt aanwezige SD’ers gevangen genomen werden. In de kelder van de pastorie werd op dat moment Simone geboren… De ontmoeting tussen de predikant en zijn gezin zal een blijde gebeurtenis geweest zijn!

De eerste kerkdienst na de oorlog in de gereformeerde kerk van Marum werd een feestelijke dankdienst. De kerk was bomvol. De kerkenraad had bij wijze van waardering de heer Wester gevraagd bij de aanvang van de dienst gezamenlijk met de kerkenraad de kerk binnen te komen.                                                                                                            Tot zover de mededelingen van wijlen ds. Wester te Surhuisterveen.

En verder…

Op 20 april 1945 was ds. Van Wouwe voor het eerst weer in de kerkenraadsvergadering: ‘Het is de praeses [ds. Van Wouwe] een onuitsprekelijk voorrecht na afwezigheid van zeven maanden weder tegenwoordig te mogen zijn en dat hij aanwezig kan zijn in welstand en zonder vrees. God heeft hem bewaard en de gebeden verhoord die opgezonden zijn. De reden van deze bijeenkomst is dan ook om God dank te brengen voor Zijn grote en wondere daden. Spreker brengt dank voor het medeleven door de leden van den kerkenraad en der gemeente aan hem en zijn gezin betoond. Hij heeft mogen ondervinden dat het medeleven innig was, hetgeen onder andere is gebleken uit de opbrengst van de collecte, gehouden tot dekking van de kosten die betaald moesten worden voor zijn gevangenneming en vrijlating’, zo sprak ds. Van Wouwe. Die in december 1944 gehouden collecte bracht maar liefst fl. 3.434,40 op. Deze werd gehouden onder het mom van ‘de buitengewone uitgaven die in verband met de zeer bijzondere omstandigheden waaronder de gemeente verkeerde, moesten worden gedaan of die nog moeten worden gedaan; opgebracht moet worden het traktement van den Dienaar des Woords’.

De in 1906 gebouwde pastorie
De in 1906 gebouwde pastorie

Overigens vond de predikant dat nog geen officiële dankdienst gehouden moest worden, omdat een deel van het land nog bezet was. Maar natuurlijk zou in de middagdienst aandacht aan de bevrijding van Marum worden besteed (’s ochtends leende de dienst er zich minder voor, omdat toen het avondmaal gevierd werd). Ook werd het voorstel aangenomen om ds. Retel van Hoornsterzwaag (die ’s zondags zou preken en waar ds. Van Wouwe immers enige tijd was ondergedoken), te verrassen met de opbrengst van de collecte die bestemd zou worden voor de evangelisatie in de classis Heerenveen; ‘dat werk had de liefde van zijn hart’.

Na de oorlog probeerde de kerkenraad (mede door bemiddeling van de heer Wester) het losgeld voor de vrijlating van ds. Van Wouwe, de boete van boer Dijkhuis en de fl. 300 die de gemeente bijeengebracht had aan voedsel en kleding bestemd voor de predikant en zijn gezin (in totaal fl. 3.300) terug te krijgen van het Ministerie van Financiën, dat oorlogsschade vergoedde. De minister peinsde er echter niet over, omdat ‘alleen de schrijnendste gevallen’ in behandeling genomen konden worden. Nadat de kerkenraad de hulp had ingeroepen van H.M. Koningin Juliana, veranderde de houding van de minister opslag. Het geld werd terugbetaald.

© 2015, G.J. Kok. GereformeerdeKerken.info