Hoe Christelijk gereformeerd Suawoude in 1899 weer gereformeerd werd…

Inleiding.

In Het leven van ds. J.W. Draijer in vogelvlucht (1851-1894) stonden we stil bij het leven en werk van ds. J.W. Draijer (1851-1894), die aanvankelijk christelijk gereformeerd predikant in Coevorden, Oudega (Small.) en Suawoude was en daar samen met zijn gemeente aanvankelijk meeging met de ‘Vereniging van 1892,’ toen de Christelijke Gereformeerde Kerk en de ‘dolerende’ Nederduitsche Gereformeerde Kerken samenvloeiden, zodat ook in Suawoude de Gereformeerde Kerk tot openbaring kwam.

Ds. J.W. Draijer (1851-1894). Ds. Draijer was niet tot 1892, maar tot 1893 aan de Gereformeerde Kerk van Suawoude verbonden. Daarna werd hij met zijn gemeente Christelijk Gereformeerd (20 juli 1893).
Ds. J.W. Draijer (1851-1894). Ds. Draijer was niet tot 1892, maar tot 1893 aan de Gereformeerde Kerk van Suawoude verbonden. Daarna werd hij met zijn gemeente Christelijk Gereformeerd (20 juli 1893).

Ruim een jaar later echter (op 20 juli 1893), gingen ds. Draijer, zijn kerkenraad en het overgrote deel van zijn gemeente terug naar ‘de Kerk der Vaderen van 1834’, ‘om te blijven wat wij waren, namelijk christelijk gereformeerd’. Daarover schreven we in het artikel Gereformeerde kerkscheuring in Suawoude, 1893. In Suawoude bleef een aanvankelijk miniem aantal gereformeerden over, die door de classis Leeuwarden der Gereformeerde Kerken pastoraal werden bijgestaan. De ‘voortgezette’ Christelijke Gereformeerde Gemeente van Suawoude sloot zich onder leiding van ds. Draijer, ondanks bekeringsmissies vanuit de Gereformeerde Kerken, steeds hechter aaneen. Wel ontstond binnen die kerkenraad onenigheid over de te volgen gedragslijn met betrekking tot een verzoek van de gereformeerde classis Leeuwarden, die een openbare bijeenkomst wilde houden teneinde ‘standpunt tegenover standpunt’ te zetten (in de hoop dat sommige gemeenteleden zich zouden laten verleiden toch maar weer terug te keren in de moederschoot van de Gereformeerde Kerk). Maar ondertussen werd door ds. Draijer in het Noorden van ons land nog een tweetal andere Christelijke Gereformeerde gemeenten geïnstitueerd, namelijk in de stad Groningen en in het Drentse Emmer-Compascuüm.

De predikant werd echter rond 21 oktober 1894 ziek en overleed op 9 december van dat jaar, op 43-jarige leeftijd. Zijn overlijden was ‘een hele klap voor de Kerk als geheel’. De oude ds. J.R. Kreulen (die Draijers voorganger in Suawoude was) nam de herdersstaf, officieel als consulent, weer op.

 

Ds. Draijer werd met zijn echtgenote begravfen op de begraafplaats in Suawoudse.
Ds. Draijer werd met zijn echtgenote begraven op de begraafplaats in Suawoude.

Waar het in dit verhaal om gaat.

In 1899 voltrok zich in Suawoude echter opnieuw een kerkelijk drama, ook al zullen velen dat misschien met gejuich begroet hebben. De generale synode van de (verenigde) Gereformeerde Kerken in Nederland had de kwestie van de ‘terugbrenging van de christelijke gereformeerden’ al in 1896 afgesloten, c.q. opgegeven. Maar in 1899 keerden de meeste christelijke gereformeerde kerkleden in Suawoude tóch weer terug naar de eertijds verlaten Gereformeerde Kerken, ook al bleef tot 1939 in Suawoude een kleine Christelijke Gereformeerde gemeente bestaan. Dat de christelijke gereformeerden in Suawoude (inclusief ds. Kreulen!) in 1899 in overgrote meerderheid weer terugkeerden naar de Gereformeerde Kerken was voornamelijk te danken aan de onenigheden die rond 1898 tussen de christelijke gereformeerde Synodale Commissie en de chr. geref. gemeente van Suawoude ontstonden. Over die gebeurtenissen rond 1898 wil dit artikel iets meer berichten.

De daarvoor gebruikte bronnen zijn divers: natuurlijk hebben we allereerst de notulen van de verschillende kerkelijke vergaderingen die direct bij de zaak betrokken waren geraadpleegd, maar ook hebben we twee geschriften gebruikt die destijds over deze zaak geschreven werden door de in zijn kringen gezaghebbende chr. geref. ouderling J.H. Wessels te Utrecht. Hij maakte geen geheim van zijn kritiek op de rol van de ‘eigen‘ christelijke gereformeerde Synodale Commissie. Verder maakten we gebruik van de Acta van de Generale Synoden der Chr. Geref. Kerk van 1894 en 1895, maar vooral van die van 1899, waarin een deel van de in deze zaak aangevoerde correspondentie letterlijk aangehaald wordt. Natuurlijk werden ook kerkelijke bladen als ‘De Wekker’ (chr. geref.) en ‘Het Kerkblad’ (geref.) gebruikt. Aan de hand van deze bronnen kan de gang van zaken rond 1899 duidelijk gereconstrueerd worden; de bronnen spreken elkaar, voor wat de feiten betreft, nauwelijks of niet tegen; wel verschilt de interpretatie daarvan.

Het ontstaan van de problemen.

Het merkwaardige van het hele verhaal is, zoals gezegd, dat de uiteindelijke overgang naar de Gereformeerde Kerken begon met onenigheid in eigen christelijk-gereformeerde kring. Nadat ds. Draijer in 1894 was overleden, had de geëmeriteerde ds. (‘vader’) J.R. Kreulen het werk van zijn opvolger weer overgenomen, officieel als consulent, totdat Kreulen in 1898 aangaf niet langer in staat te zijn het zware werk in zijn gemeente te volbrengen. Dat was dan ook de reden dat de christelijke gereformeerde kerkenraad van Suawoude op zoek ging naar een geschikte predikant. Die meende men gevonden te hebben in de persoon van ds. F. Rispens van Steenwijk. Er waren echter twee problemen: in de eerste plaats behoorde ds. Rispens tot de (in 1892 verenigde) Gereformeerde Kerken in Nederland (maar hij had inmiddels aan de kerkenraad van Suawoude meegedeeld christelijk gereformeerd te willen worden, onder meer vanwege zijn ‘onrechtvaardige behandeling’ in de Gereformeerde Kerken). In de tweede plaats was hij kort daarvoor door de Kerk van Steenwijk afgezet, maar later weer in zijn ambt hersteld en gerehabiliteerd omdat geen bewijzen voor de aan zijn adres geuite beschuldigingen inzake zonde tegen het zevende gebod konden worden aangevoerd. Hij werd er namelijk van ‘beschuldigd verboden gemeenschap te hebben gehad met zijn dienstmeid’. Het moderamen van de chr. geref. kerkenraad van Suawoude wist van de tegen ds. Rispens ingebrachte beschuldigingen. Omdat de kerkenraad natuurlijk ook niet over één nacht ijs wilde gaan, stelde het moderamen een onderzoek in.

Ds. F. Rispens (1862-1926) stond, voordat hij door de 'voortgezette' Chr. Geref. Gemeente te Suawoude beroepen werd, van 1892-1898 in de Gereformeerde Kerk B te Steenwijk.
Ds. F. Rispens (1862-1926) stond, voordat hij door de ‘voortgezette’ Chr. Geref. Gemeente te Suawoude beroepen werd, van 1892-1898 in de Gereformeerde Kerk B te Steenwijk.

‘Na schriftelijk reeds eenige inlichtingen te hebben bekomen besloot eindelijk de kerkeraad eene commissie uit zijn midden te benoemen, met last een nader zoo volledig mogelijk onderzoek in te stellen. Die commissie, bestaande uit de broeders ds. J.R. Kreulen en ouderling H. van der Veen [scriba van de kerkenraad van Suawoude], heeft aan den hem opgedragen last voldaan. Eerst bracht die commissie een bezoek aan ds. Rispens te Kampen, nam inzage van de stukken op de schorsing enz. betrekking hebbende, hoorde de inlichtingen van den betrokken broeder zelf, deed vele en verschillende vragen en vertrok toen naar Steenwijk om ’t onderzoek daar voort te zetten. De commissie vertrok vandaar met de vaste, de innige overtuiging, dat aan ds. R. het schreeuwendst onrecht was aangedaan en dat Z. Eerw. het slachtoffer is geworden van de meest vuilen laster. (…) De verregaande goddeloosheid, de meest partijdige onrechtvaardigheid, die bij het onderzoek, vooral en voornamelijk te Steenwijk, aan het licht kwam, is schier niet uit te spreken. Ds. Kreulen, lid der commissie, getuigde: ‘Veel heb ik in mijn leven ervaren en mede doorleefd, doch zoo iets nog nimmer’.’

Zoals gezegd had ds. Rispens aan de kerkenraad van Suawoude laten weten dat hij christelijk gereformeerd wenste te worden. Bovendien had de kerkenraad dus een onderzoek ingesteld naar ds. Rispens. Men was daardoor tot de slotsom gekomen ‘dat het met Z. Eerw. voorgevallene niet van dien aard blijkt te zijn, dat men hem daarom niet zou mogen aanvaarden als predikant’.

De Synodale Commissie.

Maar omdat tijdens de chr. geref. generale synode van 1893 was besloten, dat de Synodale Commissie altijd een onderzoek moest instellen ‘omtrent predikanten die overkwamen uit de (in 1892 verenigde) Gereformeerde Kerken, aangaande hun gevoelens in betrekking tot de bekende en door onze Kerk betwiste leer der Vrije Universiteit’ (de van oorsprong Dolerende opleiding tot predikant in de Gereformeerde Kerken), vroeg de kerkenraad die commissie dat onderzoek te willen instellen en de kerkenraad van de uitslag op de hoogte te stellen. De kerkenraad verwachtte op grond van eigen onderzoek absoluut geen negatieve reactie. De notulen spreken wat dat betreft boekdelen: ‘Een negatief antwoord is niet te verwachten’. Het onderzoek van die commissie had zich immers te beperken tot de gevoelens met betrekking tot de leer. Maar de Synodale Commissie antwoordde, dat men dat onderzoek niet wilde instellen, ‘omdat er zoveel bezwaren tegen ds. Rispens waren binnengekomen dat aan beroepen niet gedacht kon worden’. De kerkenraad van Suawoude vond dat de Synodale Commissie daarmee niet voldeed aan de haar door de synode opgedragen taak. Daarom wilde de kerkenraad weten wat die bezwaren dan wel waren. Het antwoord liet op zich wachten.

De kerkenraad zag de tijd die (het ontbreken van) de correspondentie in beslag nam, met lede ogen aan. Daarom werd de kerkelijke gemeente gevraagd wat men wilde: ‘Wachten, afbreken, of voortgaan, waarop de geheele gemeente eenparig van oordeel was, nu zij geen tegenbericht van de Commissie had ontvangen, met de beroeping voort te gaan. Dientengevolge werd ds. Rispens door al de leden der gemeente eenparig beroepen. De kerkenraad en de consulent, ds. J.R. Kreulen, tekenden de beroepsbrief, zoals reglementair vereist was. Kort daarop kwam het antwoord van de Synodale Commissie, waarin door scriba Renkema (nog onbekend met het feit van de beroeping) meegedeeld werd, dat het de Kerk zeer zou schaden, indien enige Kerk ds. Rispens zou beroepen, en dat de stukken met betrekking tot de zaak niet naar Suawoude gestuurd zouden worden, maar op de komende synodevergadering voor een ieder ter inzage zouden liggen. In duidelijke bewoordingen antwoordde de kerkenraad op de weigering van de Synodale Commissie: ‘Dat de teleurstelling groot was, kunnen we u verzekeren. En tot onze smart moeten we er aan toevoegen, dat de kerkeraad moeilijk zich zal kunnen neerleggen bij de uitspraak der Synodale Commissie’.

Men wees er nogmaals op, dat men de papieren tóch graag wilde ontvangen, waaruit de schuld van ds. Rispens zou blijken (‘Natuurlijk komen de aan de toezending (retour) verbonden onkosten voor onze rekening’). En men verklaarde, dat als daaruit schuld zou blijken men vanzelfsprekend de relatie met ds. Rispens onmiddellijk zou afbreken, maar men voegde daar tegelijk de waarschuwing aan toe, dat men ‘zooals de zaken nu staan, daartoe geen vrijheid heeft’.

Het antwoord van de Synodale Commissie kwam dítmaal snel. Men wees er nogmaals op dat het beroepen van ds. Rispens ‘een schandvlek op onze Kerk zou zijn’ en dat men ‘de sterksprekende officieele bewijsstukken dezer zaak op de a.s. synode voor de leden ter inzage zou leggen, alsmede (wanneer de kerkeraad van Suawoude zulks mocht verlangen) de geheele correspondentie van Suawoude over Rispens gevoerd’. Men vroeg zich ook af of de kerkenraad van Suawoude zich ‘toch ook de vraag wel zal hebben gesteld: zullen drie mannen waarvan twee reeds grijs werden in den dienst des Heeren [ds. F.P.L.C. van Lingen en ds. H.M. van der Vegt te Utrecht; de derde was de Utrechtse ouderling G. Renkema, eertijds steun en toeverlaat van ds. Draijer], zullen die drie mannen (…) een zoo stellig oordeel over eenige zaak uitspreken, als zij die zaak niet door en door hebben onderzocht (…)?’

Ds. H.M. van der Vegt (1831-1915), sinds 1863 gereformeerd preidkaing, ging in 1896 over naar de 'voortgezette' Chr. Geref. Gemeente te Utrecht.
Ds. H.M. van der Vegt (1831-1915), sinds 1863 gereformeerd predikant, ging in 1896 over naar de ‘voortgezette’ Chr. Geref. Gemeente te Utrecht.

De ‘classicale vergadering’ schorst.

Kort daarop werd aan de Synodale Commissie een krantenknipsel toegestuurd, waarin de beroeping van ds. Rispens vermeld werd. Ds. Van Lingen (voorzitter van de Synodale Commissie) telegrafeerde op 13 december naar de hervormde (!) predikant Oosterhuis van Suawoude: ‘Is te Suawoude zekere Rispens beroepen?’ Waarop deze antwoordde: ‘Rispens beroepen. Preekt zondag’.
‘Meteen werd aan ds. Bos, classicaal correspondent van de classis Leeuwarden geseind, dat twee leden van de Synodale Commissie dien avond naar Leeuwarden zouden overkomen’ ten einde (na overleg met ds. Bos en enkele Leeuwarder kerkenraadsleden) een vergadering van de classis Leeuwarden samen te roepen op 21 december.

Al in ‘De Wekker’ van 23 december (!), twee dagen na de classis, verscheen een verslag van de classisbijeenkomst. Daarin werd gesteld dat de classis de afgevaardigden van Suawoude ‘had gehoord’ en dat zij ‘na de Synodale Commissie, mede ter vergadering aanwezig, te hebben gehoord, heeft besloten (…) de kerkeraad der Chr. Geref. gemeente te Suawoude vanaf heden in zijne ambten te schorsen’. Ook zou de heer Rispens ‘in geen geval’ worden toegelaten als predikant van de Chr. Geref. Kerk.

De redacteur van ‘De Wekker’, ds. J. Wisse, schreef in hetzelfde nummer van 23 december nog een bijtend stukje over ds. Rispens ‘die zeker had gedacht door een achterdeurtje binnen te dringen, wat hem ongetwijfeld slecht was bekomen. Voor zulk binnensluipen bestaat bij de Chr. Geref. Kerk in ’t geheel geen kans (…); willekeurige handelingen moeten desnoods met geweld (sic!) worden gekeerd. In de Kerk des Heeren hoort willekeur niet thuis’. Geweld wel?

J.H. Wessels te Utrecht reageerde verbaasd op dit alles in zijn brochure ‘Een kijkje op Suawoude’: hoe kon het verslag van de classis zó snel in ‘De Wekker’ gepubliceerd worden? Daarin heeft hij o.i. gelijk. Ons onderzoek naar het leven en de werkzaamheden van ds. J.W. Draijer heeft herhaaldelijk aangetoond dat ingezonden bijdragen pas na langere tijd geplaatst (konden) worden. Bovendien: redacteur Wisse dateerde zijn bijtend commentaar al op 16 december, nog voordat de classis bijeen geweest was! Waren beide artikelen al opgesteld vóórdat de vergadering gehouden werd en stond de uitslag al vast? Die vraag stellen is heel begrijpelijk; verderop in dit verhaal nóg een sterke aanwijzing daarvoor. Voorbijgaande aan de kritiek die Wessels had op enkele feitelijke onjuistheden in het verslag in ‘De Wekker’, had hij ook ernstige bezwaren tegen de samenstelling en de wijze van samenroepen van de classis, waar het gewraakte besluit werd genomen. In de eerste plaats vond hij, dat leden van de generale Synodale Commissie niet in de classis thuishoorden en zeker niet het voorzitterschap daarvan hadden behoren te bekleden (zoals was gebeurd). Ook ten opzichte van de kerkenraad was onjuist gehandeld. In de notulen van de christelijke gereformeerde kerkenraad van Suawoude wordt de gang van zaken als volgt geschetst:

Ouderling J.H. Wessels van de Chr. Geref. Gemente te Utrecht, stak zijn nek uit en nam het op voor de kerkenraad van Suawoude.
Ouderling J.H. Wessels van de Chr. Geref. Gemeente te Utrecht, stak zijn nek uit en nam het op voor de kerkenraad van Suawoude.

‘Op zaterdag 17 december ontving de scriba van de kerkeraad tot zijn verwondering een uitnodiging van den classicalen correspondent aan de kerkeraad, om zich te doen vertegenwoordigen op eene classicale vergadering den 21sten december 1898 te Leeuwarden te houden. De classicale commissie was niet geraadpleegd; de leden dier commissie te Suawoude woonachtig werden evenmin als de kerkeraad in kennis gesteld met de redenen die tot het houden dezer buitengewone classisvergadering aanleiding gaven. Hoewel een enkele der kerkeraadsleden adviseerde niet aan de uitnoodiging te voldoen, werd ten slotte tóch besloten ds. Kreulen en kerkeraadsscriba Van der Veen te benoemen als afgevaardigden naar de classis. ’t Bleek alras dat de gedachte dat het om Suawoudes beroepen zou zijn, dat in alle haast op onwettige wijze deze vergadering was bijeengeroepen, de juiste was. (…) Voorts bleek het dat men op onderscheidene plaatsen buiten de classis zeer goed wist, waarom de classicale vergadering te Leeuwarden moest worden gehouden. Brieven uit ‘s-Gravenhage, Utrecht, Zaandam en Steenwijk bewezen dat’.

Suawoude níet gehoord!

Nog afgezien van de onwettigheid der classis, had Wessels ook een ander kritiekpunt op het verslag in ‘De Wekker’: daarin werd immers gesteld dat de kerkenraad van Suawoude ‘gehoord’ was. Maar dat was onjuist: ‘Ds. Van der Vegt begon met de zaak van Suawoude aan de orde te stellen. Doch alvorens hierover eenige bespreking toe te laten, verzocht Z. Eerw. dat de afgevaardigden van Suawoude de vergadering zouden verlaten! Ds. Kreulen protesteerde tegen deze wijze van handelen; zoo iets was, naar zijn mening, nog nimmer gehoord, dat de beschuldigden zich niet mochten verdedigen, gene inlichtingen geven of mededeeling doen van hetgeen waarvan men hen beschuldigde. Z. Eerw. wenschte te vernemen wat deze vergadering aan Suawoude te zeggen had. Het eene hielp zoo min als het andere, zij moesten de vergadering verlaten. De zaak werd alzoo geheel (en niet maar gedeeltelijk of voorbereidend) in hunne afwezigheid afgehandeld (…)’.
Opmerkelijk is, dat in geen enkel weerwoord achteraf deze voorstelling van zaken met kracht van bewijs is ontkend. Nadat de beraadslagingen waren afgerond, werden de vertegenwoordigers van Suawoude binnengeroepen en werden de redenen van de schorsing voorgelezen, waarin onder andere werd meegedeeld, ‘dat de kerkeraad in het beroepen van ds. Rispens, de consulent [de ‘classis’ doelde op ds. Bos] was voorbijgegaan’ en ‘dat men gezondigd had tegen synodale bepalingen’.

Ds. J. Bos Hzn. (1853-19310, geen consulent van Suawoude.
Ds. J. Bos Hzn. (1853-1931), geen consulent van Suawoude.

Protest van ds. Kreulen.

Tegen de eerste schorsingsreden maakte ds. Kreulen bezwaar: ds. Bos was nog nooit consulent van Suawoude geweest. In 1894 had de synode immers ds. Draijer en ds. Kreulen benoemd tot consulenten der noordelijke gemeenten, waarbij zij de gemeenten onderling mochten verdelen. Dat besluit was nimmer herroepen en bovendien was zéker ds. Bos nooit tot consulent benoemd, terwijl bij eerdere beroepingen ter vervanging van ‘vader’ Kreulen telkens ds. Kreulen als consulent was opgetreden en dat daartegen door niemand ooit bezwaar gemaakt was. Toen ds. Kreulen vervolgens vroeg welke synodale regel men dan wel had overtreden, werd een gedeelte van de notulen van de Synode van 1893 voorgelezen; op dat moment stonden de vertegenwoordigers uit Suawoude met de mond vol tanden omdat men de Acta van die synode niet bij zich had en men in goed vertrouwen afging op wat geciteerd werd. Thuisgekomen bleek bij nadere bestudering van de notulen echter, dat door het weglaten van een gedeelte van de tekst de uitleg daarvan veranderde, zodat ‘vader’ Kreulen en ouderling Van der Veen zich moesten afvragen: ‘Wat zou dat nu van (‘classisvoorzitter’) ds. Van der Vegt geweest zijn, dat Z. Eerw. een stuk artikel er uitwipte: zou dat onkunde of opzettelijke misleiding geweest zijn, om hen door een verkeerd artikel schuldig te maken?’

De 'Leeuwarder Courant' van 22 augustus 1893 meldde de verdeling van de consulentschappen.
De ‘Leeuwarder Courant’ van 22 augustus 1893 meldde de verdeling van de consulentschappen.

Overigens werd de bejaarde ds. Kreulen na enige tijd het woord ontnomen, hetgeen volgens Wessels ‘op zeer onheusche wijze’ gebeurde. De kerkenraadsnotulen melden dat ‘vooral voor ds. Kreulen vele krenkende woorden werden gesproken. Nadat ouderling Van der Veen verklaarde dat ds. Rispens inmiddels was beroepen en dat de gemeente van wijken niet wilde weten, moesten ds. Kreulen en de andere broeders van Suawoude de zaal opnieuw verlaten, om na enige ogenblikken weer ter vergadering geroepen te worden, terwijl hun toen werd meegedeeld, dat de geheele kerkenraad in het ambt was geschorst’. De kerkenraadsleden gaven duidelijk te kennen dat zij op hun standpunt bleven staan, ‘waarop de kerkeraad, nadat nog vele, waaronder zeer onbroederlijke, woorden waren gewisseld, zich van de vergadering verwijderde’.

Thuisgekomen belegde de kerkenraad een vergadering van manslidmaten, waar men voorstelde een protest te verzenden tegen de wijze waarop kerkenraad en gemeente waren geschoffeerd. Alle vijftig aanwezigen stemden daarmee in door persoonlijke ondertekening, met de duidelijke toevoeging, dat men ‘ds. Rispens van harte als herder en leeraar begeerde’, zoals gemeentelid br. Sluiter het uitdrukte. ‘Nadat het besluit tot gemeenschappelijk protest genomen was, dankte de beroepen leeraar, die aanwezig is, de gemeente voor ‘t vertrouwen in hem gesteld en voor de eensgezindheid die blijkt’.

In een circulaire die de kerkenraad van Suawoude vervolgens de gemeente in stuurde, werd onder meer ingegaan op wat in Leeuwarden gebeurd was. De kerkenraad verdedigde zich daarin tegen de door de ‘classis’ geuite beschuldigingen. Men stuurde bovendien een brochure aan alle Chr. Geref. gemeenten in Nederland, waarin in korte bewoordingen een verdediging werd gepubliceerd tegen het in ‘De Wekker’ openbaar gemaakte schorsingsbesluit. De kerkenraad nodigde de gemeenten uit tot een onpartijdig onderzoek van de zaak. Ook merkte de kerkenraad op, dat ‘De Wekker’ (als kerkelijk orgaan) nooit een schrijven van de kerkenraad van Suawoude had willen opnemen, zodat men wel gedwongen was de brochurevorm te kiezen.
Op zondag 12 februari 1899 werd ds. Rispens in de dienst des Woords bevestigd door ds. Kreulen. ‘Dit geschiedde met en na eene prediking over Numeri 27:15-17. Ds. Rispens (van wie geen foto bekend is) verbond zich aan de gemeente als herder en leeraar met eene predicatie naar aanleiding van Handelingen 8:35’.

Ouderling J.H. Wessels schreef onder meer 'Een kijkje op Suawoude' (1899).
Ouderling J.H. Wessels schreef onder meer ‘Een kijkje op Suawoude’ (1899).

Het ‘Kijkje op Suawoude’.

De kerkenraad van Suawoude had intussen advies gevraagd en gekregen van ouderling J.H. Wessels uit Utrecht, die de broeders bleef steunen. Wessels beloofde (na ook nauwkeurige inlichtingen te hebben ontvangen over de gang van zaken in Suawoude) een brochure te zullen samenstellen, ‘omdat hij mét ons van overtuiging is dat de beschuldiging van onwettige handelingen gepleegd te hebben niet de kerkeraad en de gemeente van Suawoude, maar de Synodale Commissie en de classis moet gelden’.

Korte tijd later maakte ouderling Wessels zijn ‘Kijkje op Suawoude’ publiek. Dat de Synodale Commissie het geschrift ‘van a tot z leugen en laster’ noemde is duidelijk, maar aan de andere kant moeten we opmerken dat een fundamentele weerlegging nooit gegeven is, behalve dan een aantal algemene reacties in ‘De Wekker’, voornamelijk geschreven door de voorzitter van de Synodale Commissie, ds. Van Lingen. Maar die werden door Wessels ogenblikkelijk beantwoord met een tweede brochure, ‘Antwoord aan De Wekker (…)’. Het moet gezegd worden dat Wessels in zijn geschriften altijd objectief blijft.

Wesselss' 'Antwoord' aan ds. Van Lingen.
Wessels’ ‘Antwoord’ aan ds. Van Lingen.

Wessels maakt in zijn ‘Kijkje op Suawoude’ niet alleen bezwaar tegen de kerkréchtelijke gang van zaken in het ‘proces-Suawoude’, maar ook pastoraal ontbrak er volgens hem nog wel iets aan. Hij meldt: ‘Van 21 december 1898 tot 1 maart 1899 was het rustig in Suawoude. De [christelijke gereformeerde] classis Leeuwarden bezorgde hen noch leed noch last. Zij liet Suawoude waar het is, zag er niet naar om en vernam er ook niets van. Ze laat de geheele gemeente aan haar lot over; ze ziet er in het minst niet naar om. Ze laat de geschorste kerkeraad vrij spel om de gemeente zo noodig voor zich te winnen. (…) Indien die classis slechts hare roeping en plicht bewust ware geweest, dan had zij, na schorsing, onmiddellijk te S. moeten doen wat des kerkeraads is, en gezorgd, dat men middelen beraamd had, om de gemeente te bewaren tegen het volgen van den kerkeraad. (…) Alleen een tweede circulaire van den kerkeraad te S. bracht aan alle gemeenten kennis, dat ds. Rispens op 12 februari door ds. Kreulen in de gemeente was bevestigd. Dat is eene fóut van den kerkeraad te S. Tot hiertoe had hij op betamelijke, kalme en broederlijke wijze den kerkelijken weg gelopen. Doch híer gleed hij af. De bevestiging had niet mogen geschieden zonder approbatie der classis (…). Nu heeft hij de classis een stok in de hand gegeven om te straffen’, hoewel Wessels er wél meteen aan toevoegde dat ook het beroep van ds. Schotel en later dat van ds. Van der Vegt niet door de classis waren geapprobeerd. Maar… fout bléef het.

Op 1 maart 1899 volgde te Leeuwarden opnieuw een ‘classis’-vergadering. Daar werd de afzetting van de kerkenraad van Suawoude een feit. Het was echter opnieuw géen classicale vergadering, maar een bijeenkomst van de Deputaten naar art. 49 (bedoeld ‘om de classis in zwarigheden bij te staan, haar met raad en advies te dienen opdat ook onder meer de eenigheid behouden en bevestigd worde’). Maar – merkt Wessels op – búiten de classis bestaat in de Chr. Geref. Kerk geen recht van afzetting. ‘Al weer dus een onwettige handeling van top tot teen’. Tegelijk met de afzetting van de kerkenraad werd de gehele gemeente afgesneden van de Christelijke Geref. Kerk. ‘Kort en zakelijk, want er was geen tegenspraak. De kerkeraad te Suawoude wist niet eens dat er een vergadering te Leeuwarden zou worden gehouden’. De classis besloot aan alle leden van de Chr. Geref. gemeente te Suawoude een circulaire te zenden, waarin ieder die christelijk gereformeerd wilde blijven, opgeroepen werd dat bij de classis kenbaar te maken. Er werd nauwelijks op gereageerd. Degenen die dat toch deden, zouden door ds. Kreulen en de ouderlingen worden bezocht. Hoe dan ook, de gemeente bleef ook nu opmerkelijk eensgezind!

Een deel van de besprekingen der chr. geref. generale synode van 18 juli 1899.
Een deel van de besprekingen der chr. geref. generale synode van 18 juli 1899.

‘Een macht van hiërarchie’.

Wessels besloot zijn ‘Kijkje op Suawoude’ met twee fundamentele punten van kritiek. Het eerste was: ‘De macht welke de Synodale Commissie in deze zaak gebruikt heeft, was een macht van hiërarchie, die ze niet van de Kerk ontvangen heeft, doch die haar een aangeboren kwaal schijnt te zijn’. Vervolgens vermeldde Wessels zijn voorstel (al ingediend op de Synode van 1895) om een einde te maken aan de macht van de Synodale Commissie, die, zijns inziens, in de begintijd weliswaar te verdedigen was, maar nu de Kerken enigszins op orde gekomen waren, niet meer wenselijk was. De macht der Synodale Commissie diende te worden beperkt en teruggebracht te worden tot binnen de grenzen die vóór 17 juni 1892 (de datum van de Vereniging tussen de Kerken van 1834 en 1886) golden. Dat voorstel werd tóen aangenomen! De classis kreeg zo de haar toekomende macht terug, zoals die haar in de Dordtse Kerkenordening was gegeven; waarmee de handelwijze der Synodale Commissie kerkrechtelijk onwettig was.

Het tweede punt van kritiek dat Wessels tot zijn Kerk richtte, was het feit, dat ‘De Wekker’ in feite geen kerkelijk blad was, maar een privé-onderneming van de redacteur, de Haagse predikant ds. J. Wisse Czn. (1843-1921), eigenaar van dat tijdschrift: ‘Ingezonden stukken worden door hem naar willekeur geplaatst of geweigerd. Z. Eerw. doet ook geen verantwoording, noch van het een noch van het ander. Niemand heeft daar ook recht op’.

De voorzitter van de Synodale Commissie, ds. F.P.L.C. van Lingen, reageerde in ‘De Wekker’ op Wessels’ ‘Kijkje’, door hem van laster te beschuldigen en van het verdraaien van feiten; noemde hem ‘onnoozel en onkundig’; maar wanneer men de opmerkingen van ds. Van Lingen ontdoet van het persoonlijke en bijtende karakter en onderzoekt in hoeverre ze op juistheid berusten, dan blijkt bij Wessels van verdraaien van feiten geen sprake te zijn.

Geschrijf 1

De chr. geref. synode behandelde op 19 juli 1899 ook 'het geschrijf van J.H. Wessels'...
De chr. geref. synode behandelde op 19 juli 1899 ook ‘het geschrijf van J.H. Wessels’…

 Even een ‘Vrije Gereformeerde Gemeente’.

We zagen dus, dat de kerkenraad op 1 maart 1899 was afgezet en dat de gemeente van Suawoude op die datum werd afgesneden van de Christelijke Gereformeerde Kerk, omdat men de kerkenraad bleef volgen. In feite was de gemeente van Suawoude vanaf die dag een zelfstandige gemeente, die bij geen enkel kerkverband aangesloten was. De vraag drong zich natuurlijk op: moest men als zelfstandige gemeente blijven voortbestaan of diende men om te zien naar aansluiting bij een ánder kerkverband en zoja welk? Er moest trouwens snel gehandeld worden: ‘Aangezien het nog altijd een open vraag is, of de huidige positie der gemeente geen gevaar oplevert indien Synodale Commissie en classis in rechten wilden optreden, wordt nu [op 27 maart 1899] met aller toestemming besloten een adres op zegel aan H.M. de Koningin te zenden opdat voorkomen worde dat de Synodale Commissie bij de Regering over de gemeente beschikke [bijvoorbeeld over de kerkelijke goederen] op een wijze die tot haar nadeel leiden kan’.

Men gaf dus op 27 maart 1899 aan Hare Majesteit te kennen als zelfstandige gemeente te blijven voortbestaan. Maar daarmee was de kous niet af. Dit kon slechts een overgangssituatie zijn. Daarom besprak de kerkenraad tijdens een buitengewone vergadering op 24 april 1899 zeer breedvoerig de opties waaruit men kon kiezen: ‘Vrije gemeente’ blijven, weer deemoedig hereniging zoeken met de Christelijke Gereformeerde Kerk óf weer aansluiting zoeken bij de in 1893 onder leiding van ds. Draijer verlaten Gereformeerde Kerken in Nederland. Geen van de mogelijkheden was aantrekkelijk: ‘Lacht een ‘vrij’ standpunt enerzijds ons toe, onmiskenbaar zijn daaraan ook schaduwzijden verbonden, en ziet men bezwaren in de toekomst van zeer ernstigen [vooral van financiële] aard. En toch, [ook al] mag de Christelijke Gereformeerde Kerk het ons onmogelijk maken weer betrekking met haar te zoeken, nú reeds te beslissen over de hereeniging met de gereformeerden is voor ’t oogenblik onmogelijk. Wenschelijk wordt door allen geacht de plaatselijke eenheid te bewaren én die te bewerken’.

Ook moest rekening gehouden worden met de toekomst van ds. Rispens. De ‘uiterste voorzichtigheid moest dus worden betracht, ook bij het streven naar eenheid’. Maar terugkeren naar de Chr. Geref. Kerk leek de minst waarschijnlijke oplossing, omdat uit niets bleek dat ‘de leiders der Chr. Geref. Kerk van gedachten zullen veranderen’. Trouwens, na alles wat er gebeurd was (zélfs als de synode tot wederopneming zou besluiten) zou van een broederlijk samenleven ‘geen de minste sprake zijn, om persoonlijke en kerkrechtelijke overwegingen’. Voorts besloot men ‘bij wijze van maatregel-van-overgang te worden eene Vrije Gereformeerde Gemeente’. In die tijd kon men dan rustig bekijken of men misschien tóch tot hereniging met de plaatselijke Gereformeerde Kerk (die inmiddels was geïnstitueerd) zou kunnen komen. Maar men vreesde voor kerkscheuring, omdat zich mogelijk velen tegen een zodanige vereniging zouden verzetten. De gemeente moest dus gehoord!

Intussen was het advies van ouderling J.H. Wessels uit Utrecht binnengekomen over het kerkenraadsbesluit om een ‘Vrije Gereformeerde Gemeente’ te worden. Wessels adviseerde niets te doen alvorens de synode bijeen zou komen. Daarheen moest men z.i. dan een afvaardiging sturen en het verloop verder afwachten. Maar de kerkenraad péinsde er niet over. Men wist immers niet eens of men wel zou worden toegelaten, of zelfs maar een uitnodiging zou krijgen! Er bestond immers in het geheel geen band meer met de christelijke gereformeerden? ‘Met het oog op de historie der laatste maanden is een terugkeer, hoewel misschien mogelijk, beslist onverantwoordelijk. Daarom besloot de kerkenraad (na overleg te hebben gepleegd met de raad van de plaatselijke Gereformeerde Kerk) de gemeente op 29 mei 1899 samen te roepen om te oordelen over het inmiddels tot rijping gekomen voorstel om terug te keren naar de in 1893 onder leiding van ds. Draijer verlaten Gereformeerde Kerken. Dat was de enige – zij het moeilijke – keuze. Moeilijk immers vooral ook om het gevoel van verraad jegens hun nog steeds geliefde ds. Draijer… En bovendien: zijn lieve en algemeen geachte echtgenote, Berendina Mellema, was nog in hun midden!
Maar de principiële zijde van het toenmalige conflict dan…?

Berendina Mellema aan het eind van haar leven.
Berendina Mellema aan het eind van haar leven.

Met schuldbelijdenis weer gereformeerd…

‘Met het oog op de stemming der gemeente ten opzichte van de Chr. Geref. Kerk wil de kerkeraad graag het oordeel der gemeente hooren [of het] roeping moet worden geacht tot de Gereformeerde Kerken in Nederland terug te keren. De kerkeraad heeft nu reeds besloten daartoe krachtige pogingen in het werk te stellen’. Aan de inmiddels binnengedruppelde gemeenteleden stelde de kerkenraad voor om ‘te breken met het Chr. Geref. kerkgenootschap van 1893 zonder eenig voorbehoud, en zich te voegen bij de Gereformeerde Kerk te Suawoude’. Beide voorstellen werden met algemene stemmen aangenomen, zij het, dat het tweede voorstel twee tegenstemmers had (Oebele Leistra en J.P. van der Meulen), die echter beloofden geen oppositie tegen de kerkenraad en de gemeente te zullen voeren. Het nu definitief geworden besluit werd in krachtige taal gesteld en er werd en passant aan toegevoegd: ‘… dat de afscheiding en scheuring in 1893 [onder leiding van ds. Draijer] gepleegd tegen de Gereformeerde Kerken, om zich aan te sluiten bij de zich noemende Chr. Geref. Kerk een ongewettigde en dieshalve zondige daad was en dat het plicht en roeping is volgens Gods Woord om – wanneer men zich op een verkeerden weg begeven heeft – met schuldbelijdenis weder te keeren’.

Men besloot tenslotte: ‘1e. De Chr. Geref. Gemeente alhier op te heffen; 2e. Ieder voor zich, zowel gemeenteleden als ambtsdragers met schuldbelijdenis weder te keeren tot de Gereformeerde Kerk te Suawoude; 3e. De ambtsdragers dier Kerk te erkennen als wettige ambtsdragers (…), dit alles met deze nadrukkelijke bepaling, dat alle rechten, welke aan deze Chr. Geref. Gemeente reeds toekomen of alsnog blijken te zullen toekomen, worden overgedragen aan de Gereformeerde Kerk te Suawoude’.

De ‘terugkeer’ ging dus niet tussen neus en lippen door! Vooral ds. Kreulen en ds. Rispens hebben een wel zeer diepe buiging moeten maken. De classis Leeuwarden van 7 juni 1899, die het verzoek van de voormalige Chr. Geref. Gemeente van Suawoude en het instemmend besluit van de kerkenraad van de Gereformeerde Kerk in dat dorp besprak, besloot akkoord te gaan. De notulen van de classis melden bij de behandeling van de ingekomen stukken: ‘d. Een schrijven van den kerkeraad der voormalige Chr. Geref. Kerk te Suawoude en een instructie van de Geref. Kerk te Suawoude. In dit schrijven wordt het verzoek gedaan dat de classis Leeuwarden de voormalige Chr. Geref. Kerk te S., zoowel hare leden als ambtsdragers, predikant, ouderlingen en diakenen en den emeritus-predikant, weder te erkennen als leden en ambtsdragers in de Geref. Kerk, terwijl zij schuldbelijdenis doen over de gepleegde zonde van scheurmakerij. Over dit schrijven wordt lang en zeer ernstig gesproken. De classis besluit aan de Geref. Kerk te Suawoude te antwoorden: 1e. Dat de classis met blijdschap vernomen heeft dat de Chr. Ger. Kerk van Suawoude weder tot de gemeenschap der Geref. Kerken wil terugkeeren en keurt de besluiten van den kerkeraad der Geref. Kerk t.o.v. de erkenning der ambtsdragers, ouderlingen en diakenen goed. 2e. Dat ds. Rispens en ds. Kreulen, na schuldbelijdenis voor de classis en der Kerk van Suawoude, zullen worden erkend, de eerste als Dienaar des Woords en de tweede als emeritus-predikant bij de Geref. Kerk van Suawoude. 3e. Dat twee gedeputeerden worden aangewezen om gedurende een half jaar toezicht te houden op den dienaar des Woords, de kerkeraadsvergaderingen bij te wonen om in alle voorvallende zwarigheden den kerkeraad van hulp te zullen zijn. Tot deputaten worden benoemd dr. Kuyper en ds. Kooi’ (dr. H.H. Kuyper (1864-1945), toen predikant in Leeuwarden, was de zoon van de grote gereformeerde leidsman dr. Abraham Kuyper (1837-1920); ds. J. Kooi ontmoetten we al in het artikel ‘Gereformeerde Kerkscheuring te Suawoude’ (link) toen hem – na de scheuring in 1893 – het pastoraat over ‘de eenzaam achtergebleven gereformeerden’ in Suawoude werd opgedragen). Ook de generale synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland ontving het bericht van de deemoedige terugkeer met blijdschap.

Hoe het verder ging…

De enige tijd eerder door de chr. geref. ‘classis’ Leeuwarden afgezette kerkenraad van Suawoude wilde de kerkelijke goederen natuurlijk veilig stellen tegenover de Chr. Geref. Kerk: de ouderlingen Johannes Algra, Yke Bergsma en Hendrik van der Veen en de diakenen Peter Piekstra en Egbert Allema ‘wenschen thans het door hen voortgezette beheer over de goederen en de Kas, die zij in administratie hebben, weder over te dragen aan den kerkeraad der Gereformeerde Kerk te Suawoude, waarvan zij zelven thans ook deel uitmaken’. Daartoe vroegen ze aan advocaat mr. T. Van Hettinga Tromp te Leeuwarden wat de beste weg zou zijn om dat voor elkaar te krijgen. Deze antwoordde op 27 juni, dat ‘de beste en veiligste weg voor de beëindiging dezer kwestie zou zijn, dat de Christelijke Gereformeerde gemeente, voor welke J. Algra c.s. laatstelijk de goederen in bezit hadden en het beheer voerden, hen dagvaardde tot het doen van rekening en verantwoording en tot afgifte van de goederen. Alsdan moest de kerkeraad der Geref. Kerk verzoeken in dat geding tusschen te komen als zélf gerechtigd tot het ontvangen en opnemen van die rekening en verantwoording, den eisch van de chr. gereformeerden tégenspreken en daarentegen afgifte van de goederen, de kas en de administratie aan de Gereformeerde Kerk vorderen’.

Dr. H.H. Kuyper (1864-1945), van 1896 tot 1899 gereformeerd predikant te Leeuwarden.
Dr. H.H. Kuyper (1864-1945), van 1896 tot 1899 gereformeerd predikant te Leeuwarden.

Mr. Van Hettinga Tromp zag echter (hoewel bovenstaande wijze van handelen het meest succesvol zou zijn) ook problémen. Immers bij de gelden die zouden moeten worden overgedragen aan de Geref. Kerk bevonden zich ook pecunia afkomstig van hen die níet teruggingen naar de Geref. Kerken en die ten huize van de weduwe Draijer kerkten (want de echtgenote van wijlen ds. Draijer dácht er natuurlijk niet over om terug te keren naar de Kerk die zij samen met haar man uit overtuiging verlaten had). Maar Van Hettinga Tromp vermoedde niet dat de ‘blijvend christelijke gereformeerden’daarvoor naar de rechter zouden stappen. Zodat men e.e.a. wel zou kunnen proberen, maar dan wel zodanig, dat Algra c.s. door de Geref. Kerk van Suawoude zouden worden gevrijwaard van eventuele latere aanspraken van de christelijke gereformeerden. Wel adviseerde Van Hettinga Tromp toch een (ook door hem aangereikte) oplossing te zoeken om de gelden die bijgedragen waren door de ‘blijvend christelijke gereformeerden’ af te zonderen en vervolgens terug te geven aan de rechthebbenden. Zo is het ook gegaan.

De Chr. Geref. Gemeente bleef bestaan.

'Toen het huis van weduwe Draijer voor het houden van ekrkdeisnten te klein werd, is een adner huis vertimmerd en als kerkzaal ingericht...'.
‘Toen het huis van weduwe Draijer voor het houden van kerkdiensten te klein werd, is een ander huis vertimmerd en als kerkzaal ingericht…’.

De Christelijke Gereformeerde Gemeente te Suawoude bleef dus, zij het gering in aantal, bestaan, ondanks de terugkeer van de grote meerderheid der gemeente naar de Gereformeerde Kerk. De door de ‘teruggekeerde’ gemeente uitgesproken opheffing van de Chr. Geref. gemeente was dus ietwat overhaast, want de gemeente werd door de weliswaar weinige achterblijvers ondanks alles gewoon vóortgezet. Diegenen van de chr. geref. broeders en zusters die de stap ‘terug’ niet wilden zetten en dat ook niet konden om des gewetenswil, kerkten aanvankelijk ten huize van mevrouw Draijer (Berendina Mellema), omdat het kerkgebouw moest worden overgedragen aan de Gereformeerde Kerk te Suawoude. De hereniging van 1899 moet voor de weduwe van ds. Draijer wel heel moeilijk zijn geweest. En dat ook ds. Kreulen die weg ging (altijd broederlijk en eensgeestes met en standvastig naast haar overleden echtgenoot staande) zal haar extra pijn gedaan hebben. Hoe zij een en ander heeft opgevat en verwerkt is helaas aan de hand van de stukken niet op te maken en ook in de familie zijn daarover helaas geen verhalen (meer) bekend.

Het interieur van het tot kerkzaal vertimmerde huis waar de 'geblevene christelijke gereformerden' nog jaren lang kerkdiensten gehouden hebben.
Het interieur van het tot kerkzaal vertimmerde huis waar de ‘geblevene christelijke gereformeerden’ nog jaren lang kerkdiensten gehouden hebben.

Toen het huis van de weduwe Draijer te klein werd, is een ander huis vertimmerd en als kerkzaal ingericht; daar werden nog vele jaren kerkdiensten gehouden, tot, uiteindelijk, op 1 januari 1939, de Chr. Geref. Gemeente van Suawoude ophield te bestaan en sinds die datum werd ‘opgenomen in en verenigd met de Christelijke Gereformeerde Gemeente van Leeuwarden’. Overigens zijn ook na die opheffing nog af en toe chr. geref. kerkdiensten in Suawoude gehouden en wel tot omstreeks 1948. Mevr. Draijer was inmiddels al jaren eerder verhuisd naar Renkum waar zij in 1944 overleed. Ze werd naast haar echtgenoot in Suawoude begraven.

Dominee Rispens.

Hoe het afliep met ds. Rispens? Voor zover wij hebben kunnen nagaan heeft hij de gemeente van Suawoude, ook na de samensmelting met de Gereformeerde Kerk, tot tevredenheid van een ieder gediend. In 1904 nam hij het beroep naar de Gereformeerde Kerk te Enter aan. Zijn voorganger daar sprak de gemeente bij zijn afscheid toe met: ‘Gemeente van Enter, gij zijt een sukkelaar kwijtgeraakt en hebt een redenaar terugontvangen. Het lag dus kennelijk niet aan zijn redenaarstalent dat ds. Rispens op 25 juli 1912 door de kerkenraad van Enter voor de tijd van zes maanden werd geschorst. Dit geschiedde namelijk op grond van art 79 en 80 van de kerkenorde (‘het zich schuldig maken aan grove, openbare zonden’). De classis oordeelde later dat ontheffing van het ambt terecht was en besloot daartoe op 30 oktober. Het gedenkboek van de Gereformeerde Kerk te Enter zwijgt in alle talen over de reden van de schorsing en de afzetting.

Eerder, in 1907, toen Rispens dus nog predikant in Enter was, vroeg de kerkenraad van De Bilt aan de kerkenraad te Suawoude inlichtingen over ds. Rispens omdat men een beroep overwoog. Men vroeg ook of het wenselijk was hem te beroepen. De kerkenraad van Suawoude antwoordde bij monde van ds. F. Bruinsma (de toenmalige gereformeerde predikant daar), dat men de ‘acten van vroeger’ had nagekeken en daarin niets had gevonden waaruit bleek dat er iets was aan te merken op leer en leven van ds. Rispens. Of men hem moest beroepen, dáarin wilde de kerkenraad zich uiteraard niet mengen, want dat was de verantwoordelijkheid van De Bilt.

De kerkenraad van Suawoude kreeg later een schrijven van ds. Rispens waarin hij hun verzocht hem een copie van hun brief aan De Bilt te willen sturen, omdat hij vernomen had dat men die brief negatief had opgevat. Ds. Rispens ontving de copie. Naar ons oordeel heeft Suawoude echter uiterst fatsoenlijk gehandeld (ook al is de procedure van het geven van informatie over anderen tegenwoordig wel even iets strakker; en terecht). De Bilt zal achter de opmerking ‘dat men zélf moest uitmaken of men hem beroepen zou’, ten onrechte een negatief oordeel van Suawoude vermoed hebben. Maar die opmerking was een correct antwoord op een vraag die De Bilt zélf ten ónrechte gesteld had. Hoe dan ook, Rispens kreeg het beroep niet. Na zijn ambtsperiode in Enter heeft hij geen Gereformeerde Kerk meer als predikant gediend.

Ds. Rispens heeft in de door hem achtereenvolgens gediende gemeenten van Noordwijk aan Zee, Hoorn, Steenwijk, Suawoude en Enter vaak moeilijkheden gehad doordat onenigheid ontstond tussen hem en de gemeente en/of de kerkenraad, waardoor hij enkele malen geschorst werd en uiteindelijk in 1912 werd afgezet. Vooral de kwestie in Noordwijk aan Zee trok in 1890 landelijk aandacht doordat ook het (toen nog christelijk gereformeerde) blad ‘De Vrije Kerk’ uitvoerig aandacht aan de zaak besteedde. Zelfs in ‘De Heraut’ verscheen op 20 juli dat jaar over diezelfde kwestie een artikel van dr. A. Kuyper. Daarop reageerde ds. Rispens in een uitvoerig schrijven in het blad van 24 augustus 1890, dat op de voorpagina werd afgedrukt.

De Heraut, 4 augustus 1912.
De Heraut, 4 augustus 1912.

Conclusie.

Telkens weer is de gemeente te Suawoude, ‘Gereformeerd’, ‘Christelijk Gereformeerd’, of ‘Vrije Gemeente’, een eensgezinde, hechte gemeenschap gebleken. Wat opvalt is, dat uiteindelijk, toen men in 1899 voor de beslissing stond wat men moest doen (‘vrij’ blijven, gereformeerd worden of christelijk gereformeerd) men ook eensgezind de in 1893 tijdens de ambtsperiode van ds. Draijer éven eensgezind genomen beslissing om uit de Gereformeerde Kerken te treden, ‘ongewettigd en zondig’ verklaarde. Het is geen boude stelling te poneren dat, als ds. Rispens in dit verhaal niet zou zijn voorgekomen, men de in 1899 gezette stap naar de Gereformeerde Kerken niet gezet zou hebben. Nooit is in de jaren vóór 1899 namelijk ook maar iets te merken van ontevredenheid binnen het verband van de Christelijke Gereformeerde Kerk; maar omdat men in 1899 door de niet open en eerlijk behandelde kwestie-Rispens voor het voldongen feit kwam te staan dat men buiten het verband gezet was, móest men wel terugkeren naar de Gereformeerde Kerken. ‘Vrij’ blijven was onmogelijk; terugkeren naar de Christelijke Gereformeerde Kerk was evenmin een optie; dus bleven de Gereformeerde Kerken over. De Gereformeerde Kerken hebben schuldbelijdenis geëist. Deed men dat niet, dan kwam men niet ‘binnen’. Dus is het gebeurd. Maar naar onze stellige overtuiging met pijn in het hart.

© 2015, G.J. Kok, GereformeerdeKerken.info