Bouwen en Breken (4) in de Gereformeerde Kerk te Groningen – deel 1

Ingrijpende bezuinigingen 2016-2019.

Op zondag 24 januari 2016 werd tijdens een gemeenteberaad in de Nieuwe Kerk te Groningen (over de kerkelijke situatie in het noorden van de stad) eens te meer duidelijk dat de Protestantse Gemeente in de Martinistad voor ingrijpende bezuinigingen staat.

Voor wat betreft het noorden van de stad is het de bedoeling vanaf januari 2018 alle zondagochtenddiensten van De Fontein (in de wijk Paddepoel), De Bron (in Beijum) en de Nieuwe Kerk (in het centrum van de stad) gezamenlijk te houden in de Nieuwe Kerk. “Op termijn zullen ook kerkgebouwen moeten sluiten”, zo werd meegedeeld (ook al stond dat niet in de uitgereikte papieren presentatie van de plannen).  Al een paar jaar geleden werd duidelijk dat het daarbij (in de periode 2016-2019) – stadsbreed – gaat om de twee van oorsprong SoW-kerken: De Bron en De Fontein, en de voormalig gereformeerde kerk De Ark in Helpman.

Met de buitengebruikstelling van De Ark – ‘vermoedelijk in 2018/2019’ – zou de laatste (van oorsprong) gereformeerde kerk van de stad Groningen verdwijnen (in het midden van de jaren ’70 waren dat er nog tien).  Naar aanleiding daarvan gaan we in de komende maanden nader in op alle reguliere gereformeerde kerkgebouwen die sinds de Afscheiding van 1834 in de stad Groningen gebouwd werden en wat er vervolgens mee gebeurde. Aan het eind van deel 3 veroorloven we ons enkele opmerkingen.

Kart van Groningen met onder meer de in dit artikel genoemde kerken.
Kaart van Groningen met onder meer de in dit artikel genoemde kerken. De (oorspronkelijk twee) gereformeerde kerken in Helpman (in het zuiden van de stad) – t.w. de  Opstandingskerk en De Ark – staan niet op deze kaart (N = Noorderkerk; Z = Zuiderkerk).

  • Deze maand brengen we in deel 1 de vooroorlogse kerkgebouwen voor het voetlicht.
  • Op 1 maart 2016 verschijnt op deze website deel 2, met een verhaal over de Groninger kerken in de jaren ’50 en ’60.
  • Op 1 april 2016 verschijnt op deze website deel 3, handelend over de kerken in de stadswijken Helpman, Vinkhuizen en Paddepoel.

Groningen – Schematisch overzicht in jaartallen van kerkbouw en organisatie in gereformeerd Groningen

Groningen – Schematisch overzicht van de ledentallen

Deel 1 – De vooroorlogse kerken.

De Afscheiding te Groningen (27 november 1834).

Ds. H. de Cock (1801-1842).
Ds. H. de Cock (1801-1842).

De eerste gereformeerde predikant van de stad Groningen was niemand minder dan ds. H. de Cock (1801-1842), die in 1834 in Ulrum was afgezet als hervormd predikant. Een groot deel van zijn gemeente in dat dorp en ook velen elders in het land volgden hem, en zo begon in 1834 de eerste grote orthodoxe uittocht uit de volgens velen vrijzinnige ‘Nederlandsche Hervormde Kerk’.
Vervolgingen werden hun deel, maar de Afgescheidenen hielden zich staande en ds. De Cock stichtte in het noorden van ons land in korte tijd een groot aantal Afgescheiden gemeenten, die de drie gereformeerde belijdenisgeschriften (de ‘Drie Formulieren van Enigheid’) en de Dordtse Kerkenorde als grondslag voor het kerkelijk samenleven in ere hielden. Ook in de stad Groningen werd een ‘Christelijke Afgescheidene Gemeente’ gesticht, in aanwezigheid van enkele politieagenten. De bevestiging van de eerste ambtsdragers vond plaats op 27 november 1834, in het huis van Roelf Kema ‘even buiten de Kranepoort’ (op slechts een kleine steenworp afstand van de plaats waar 72 jaar later de Westerkerk werd gebouwd). Ook in de stad Groningen werden de Afgescheidenen vervolgd en opgejaagd. Een door enkele ambtsdragers aan Koning Willem I gericht rekest had geen resultaat. Gelukkig werd onder de regering van Koning Willem II de positie van de Afgescheidenen draaglijker; de tweede koning der Nederlanden voerde een minder rigide beleid tegen hen.

1. De Guldenstraatkerk (1839-1853).

Na in diverse woonhuizen diensten te hebben gehouden gingen de Afgescheidenen in 1839 over tot de aankoop van een eigen kerkgebouw. Men kocht de Roomse kerk aan de Guldenstraat 16. Voor nog geen fl. 5.000 werd de voormalige rooms-k atholieke schuilkerk (‘Mariakerk’ genaamd) hun eigendom. Toen de kerkenraad dat jaar met succes bij de koning vrijheid van godsdienst aanvroeg, bedroeg het aantal leden ongeveer tweehonderd, onder wie honderd minderjarige kinderen. Een eigen school werd hun vooralsnog niet toegestaan. Al snel verhuisde ds. De Cock (als predikant van de Kerken in het noorden en dus ook van de stad Groningen) vanuit zijn tijdelijke woonplaats Smilde naar de woning ‘onder de Guldenstraatkerk’, waar hij op 14 november 1842 stierf. Hij werd onder grote belangstelling door zijn leerlingen (die hij opleidde tot predikant) ten grave gedragen op de Zuiderbegraafplaats in de stad. Daar moesten nog weken lang vrijwilligers waken bij zijn graf om grafschennis door niet-Afgescheiden tegenstanders te voorkomen.

Het grafmonument van ds. Hendrik de Cock en Frouwe Venema op de Zuiderbegraafplaats te Groningen
Het grafmonument van ds. Hendrik de Cock en Frouwe Venema op de Zuiderbegraafplaats te Groningen (eigen foto).

In 1889 werd ook zijn echtgenote, Frouwe Venema, daar ter aarde besteld. In 1911 werd door de familie Dekker op hun graf een monument gebouwd, dat vervolgens werd overgedragen aan de Gereformeerde Kerk te Groningen A.

2. De Ebbingekerk (1852-1920).

Het interieur van de Ebbingekerk (1853-1921).
Het interieur van de Ebbingekerk (1852-1920).

Eind juni 1852 begonnen de Afgescheidenen met de bouw van een nieuwe kerk, omdat de Guldenstraatkerk te klein werd. De eerste steen werd op 30 juni gelegd door ‘T.F. de Haan, professor te Groningen’. Ds. De Haan werd ‘professor’, of ook wel ‘hoofdonderwijzer’, genoemd omdat hij samen met andere predikanten, bij gebrek aan een Theologische School, studenten les gaf die ‘Afgescheiden predikant’ wilden worden. De ‘Ebbingekerk’, genoemd naar de Nieuwe Ebbingestraat waar de kerk gesitueerd was, werd op 2 januari 1853 in gebruik genomen. Het kerkgebouw had de gemeenteleden fl. 6.000 gekost. Het was een behoorlijk grote kerk met aan weerszijden galerijen, die steunden op ranke ijzeren pilaren. Ongeveer tien jaar later stichtte men achter de kerk bovendien een gereformeerd tehuis voor wezen en ouden van dagen, ‘Bethesda’ genaamd.

Onder: de eerste steen van de Ebbingekerk; in 1920 overgeplaatst naar de Noorderkerk. Daaraan herinnert het bovenste steentje.
Onder: de ‘eerste steen’ van de Ebbingekerk, die in 1920 werd overgeplaatst naar de Noorderkerk. Daaraan herinnert het bovenste steentje.

De ‘Ebbingekerk’ was vanaf de straat moeilijk te herkennen, omdat het een ‘achteraf’, tussen de huizen gebouwd, kerkgebouw was. Dat zal de reden zijn dat er slechts één (niet al te duidelijke) foto van het exterieur van de ‘Ebbingekerk’ bekend is. In 1921 werd de Ebbingekerk verkocht nadat deze het jaar daarvoor buiten gebruik gesteld was. Kort daarop werd de kerk afgebroken. Besloten was ter vervanging van deze kerk de ‘Noorderkerk’ te bouwen, gelegen aan de Akkerstraat in het noorden van de stad. Deze werd in 1921 in gebruik genomen (zie aldaar).

De Doleantie te Groningen (19 mei 1887).

Nadat in Amsterdam de Doleantie had plaatsgevonden (na de Afscheiding van 1834 de tweede orthodoxe uittocht uit de hervormde kerk), werd daar van 11 tot 14 januari 1887 het Gereformeerd Kerkelijk Congres gehouden, waar door bezwaarde hervormden uit het hele land beraadslaagd werd over de vraag hoe ook elders in het land ‘het juk der synodale hiërarchie’ kon worden ‘afgeworpen’.

Vanuit Groningen woonde de invloedrijke Stadjer L. de Vries Hzn. het Congres bij. In de Martinistad teruggekomen gingen hij en zijn medestanders meteen op pad om op advies van het Amsterdamse Congres alle ‘vertrouwbare broederen’ op verzamellijsten de verklaring te laten tekenen dat men instemde met het ‘zich onttrekken aan de kerkelijke reglementen en terug te keren naar de belijdenisgeschriften en de in 1816 onwettig afgeschafte Dordtse Kerken Orde’. Ook de hervormde kerkenraad werd met aandrang verzocht ‘de Reformatie der kerk ter hand te nemen’. Deze besloot ‘na langdurige discussie’ daar niet op in te gaan, waarna een der bezwaarde ouderlingen, W.P. Dijkgraaf, opstond en verklaarde de synodale organisatie strijdig te achten met Gods Woord en dat hij en zijn medebroeders zich daaraan niet langer wilden onderwerpen. Met z’n zessen verlieten de bezwaarde ambtsdragers toen de vergadering. Op 10 mei 1887 werd in de benedenzaal van het Concerthuis een vergadering gehouden met alle ondertekenaars van de verzamellijsten. Tijdens deze vergadering werd besloten tot de instituering van de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)’ te Groningen en werden alvast de ambtsdragers gekozen, zodat ‘de kerkenraad van Groningen weer compleet’ zou zijn. Op 19 mei werd, ook in het Concerthuis, onder leiding van de dolerende predikant J. Hulsebos (1844-1904) van Zuidwolde de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)’ officieel geïnstitueerd.

Ds. J. Hulsebos  had in 1887 de leiding bij de instituering van de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) te Groningen.
Ds. J. Hulsebos (1844-1904) had in 1887 de leiding bij de instituering van de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) te Groningen.

3a. Zuiderkerk I (1888-1900).

Om de bouw van een eigen kerk mogelijk te maken werd een lening van fl. 36.000 uitgeschreven en gaf men helaas aan ouderling W.P. Dijkgraaf de opdracht als architect van de kerk op te treden. Aannemer Dooijes zou de bouw voor zijn rekening nemen. Dijkgraaf was natuurlijk erg blij met zijn opdracht: ‘Een plan te maken voor de kerk van de Nederduitsche Gereformeerde Gemeente! Hoe moeilijk mij zulks ook toescheen (…) was het voor mij eene vreugde dat ik telkens werd bepaald door de Heere, dat ik dit Zijn werk moest voleinden. Ja, dat ik menigmaal onder dit mijn werk moest uitroepen: ‘Och Heere, wat zijt Gij goed en groot, dat Gij zulk een ellendige als ik ben, tot dit groote werk hebt geroepen’.’

Dijkgraaf ontwierp en Dooijes bouwde (alles inclusief) voor ongeveer fl. 40.000 een ‘grote’ langwerpige zaalkerk met twee galerijen, met op de voorgevel een dakruiter. Op 16 november 1887 legde ds. J. Hulsebos van het Groningse Zuidwolde de eerste steen, vermeldende de tekst uit Jac. 1 : 21b en 22a. Hij sprak onder veel meer: ‘Ik leg u neder, steen, in de Naam des Heeren. Wees met allen die hier worden opgestapeld en saamgevoegd tot een geheel, een gedenkteken van Gods onwankelbare trouw en waarheid. (…) Och Heere, geef nu voorspoed!’ Op 11 mei 1888 werd de kerk aan de Stationsstraat, die al snel Zuiderkerk genoemd werd, in gebruik genomen tijdens een kerkdienst die geleid werd door ds. J.J.A. Ploos van Amstel (1835-1895), dolerend predikant van het Friese Reitsum, die in een vroeger leven van 1869 tot 1871 hervormd predikant in de Martinistad was geweest.

Ds. J.J.A. Ploos van Amstel (1835-1895).
Ds. J.J.A. Ploos van Amstel (1835-1895).

Kort na de verhuizing van architect Dijkgraaf naar Amersfoort (in september 1888) kwamen achtereenvolgens allerlei gebreken aan het licht: de dakpannen lekten en moesten bestreken worden met anti-lekkalk, er zaten openingen in de nokken en twee scheuren in de noordmuur, er was een lek in het torentje; en in maart 1889 maakte een bouwkundig rapport van ‘de bekwame bouwkundige Hoekzema uit Groningen’ bovendien duidelijk dat ‘de gebruikte metselspecie zeer slecht was; dat het dak geheel ongeschikt was en dat het plafond de nodige stevigheid miste; dat de muren overhelden en dreigden verder te verzakken; dat de toren niet stevig op het dak vastgemaakt was en dreigde te verzakken; dat de bijgebouwen moesten worden voorzien van een nieuwe dakbedekking’. En na verloop van enige maanden bleek dat het dak zo lekte, dat het plafond dreigde te verrotten, zodat het gehele dak moest worden afgedekt met dekkleden. Ook zakte het torentje schever en schever, en in november 1898 werd het zelfs levensgevaarlijk, want toen viel tijdens een kerkdienst een deel van de plafondlijst naar beneden! Al snel bleek dat de toestand van de balken in het plafond ‘treurig’ was, zodat besloten werd er geen kerkdiensten meer te houden maar, totdat een oplossing gevonden was, elders te kerken. Zeker in de herfst en in de winter was het onverantwoord zich langer in de kerk op te houden dan strikt noodzakelijk. De laatste kerkdienst in de bouwvallige Zuiderkerk werd op 14 oktober 1900 gehouden.

Aanvankelijk trachtte men met de voormalige Christelijke Gereformeerde Gemeente (sinds juni 1892 Gereformeerde Kerk A) overeen te komen om te gaan ineensmelten, want landelijk was immers op 17 juni 1892 al besloten tot vereniging van de kerken uit de Afscheiding en de Doleantie. Kerk A had er vooralsnog geen trek in, en Kerk B (de voormalig dolerende kerk) kon toen niet anders dan beslissen een nieuwe kerk te bouwen op dezelfde plaats als de bouwval van Dijkgraaf.

3b. Zuiderkerk II (1902-1954).

De Zuiderkerk (foto Wikipedia).
De Zuiderkerk (foto Wikipedia).

De Groninger architect IJ. van der Veen had van de kerkenraad opdracht gekregen tekeningen voor een nieuwe kerk te maken. Aan het oude gebouw was niets meer te verhelpen en ‘niet weinige leden der kerk menen dat zij [daar] niet zonder vreeze kunnen opgaan onder de bediening des Woords’. Dat was een extra reden om voor de zekerheid ook contact op te nemen met de bekende gereformeerde kerkenarchitect Tj. Kuipers te Amsterdam. Hem werd gevraagd mee te werken aan ‘de bouw van een goed ingericht, sterk en hecht kerkgebouw’. Men wilde niet nog eens van de koude kermis thuiskomen. Het plan was aanvankelijk om geen galerijen en geen toren te bouwen; dit om de kosten te beperken. Maar L. de Vries Hzn. hield een uitvoerig pleidooi om wél galerijen in de kerk aan te leggen: ‘voor het orgel moet tóch een galerij gebouwd worden’. Als de galerijen later – bij groei der gemeente – nog gebouwd moesten worden zou dat alleen maar veel extra geld kosten. De kerkenraad stemde er uiteindelijk mee in. Toen dacht een aantal gemeenteleden een actie te moeten beginnen om óók een toren te bouwen. Maar de kerkenraad vond dat niet netjes. Gemeenteleden dienden zich op eigen houtje niet met kerkenraadszaken te bemoeien. En bovendien kostte het veel geld. Maar de toren kwam er wél!

Op maandagavond 29 juli 1901 werd de eerste steen gelegd door ds. J. Langhout (1848-1908), die van 1896 tot 1906 in dolerend Groningen stond. De predikant rekende in zijn toespraak alvast met de eindigheid aller dingen, ook met die van de tweede Zuiderkerk, maar dat weerhield hem er niet van zijn blijdschap maar vooral zijn dankbaarheid uit te spreken. ‘Moge het voltooien van de bouw voorspoedig gaan en mogen wij eerlang in dit gebouw intrekken om aldaar te zingen: ’Gaat tot Zijn poorten nu met lof’. De ‘eerste steen’ droeg dezelfde tekst als die van de eerste Zuiderkerk, maar dan in verkorte vorm: alleen vers 21b van Jac. 1.

De bouw vorderde voorspoedig, maar niet zonder ongelukken. Op 12 november 1901 viel loodgietersknecht H. Douwes van de toren op straat en was vrijwel op slag dood (hij was al eerder van de veel hogere A-kerk naar beneden gevallen, maar daarbij had hij wonderwel geen schrammetje opgelopen). Zijn baas zowel als de kerk zorgden voor zijn weduwe. De eerste dienst in deze grote stadskerk werd op Tweede Paasdag, 31 maart 1902 gehouden en stond onder leiding van ds. Langhout.

Hoe groot de kerk ook was, in 1907 leek het bedehuis zo langzamerhand te klein voor de groeiende gemeente! Het bleek echter dat ook gemeenteleden uit de Ebbingekerk en uit de inmiddels ook gebouwde Parklaankerk (beide van Kerk A!) nogal eens shopten in de Zuiderkerk, wat hier en daar tot irritaties leidde, omdat de eigen gemeenteleden daardoor vaak geen plaats konden vinden. De doopbank werd daarom maar in gebruik genomen, maar van uitbreiding van de kerk kon geen sprake zijn. Wel keek men om naar een terrein om eventueel later een tweede bedehuis voor kerk B te bouwen, maar die plannen zijn nooit in vervulling gegaan. Met ingang van 16 mei 1908 besloot men ook diensten te gaan houden in het bekende Concerthuis. Dat duurde tot Kerk A en Kerk B in 1925 samengingen; in de Noorderkerk werden toen dubbele diensten belegd.

Het interieur van de Zuiderkerk (1902-1954).
Het interieur van de Zuiderkerk (1902-1954).

In de oorlog werd het zitplaatsentekort opnieuw ‘nijpend’. Maar omdat er toen plannen waren de Gereformeerde Kerk van Groningen in twee zelfstandige kerken te splitsen (Groningen-Noord en Groningen-Zuid) werden geen bijzondere maatregelen getroffen. Van die kerksplitsing kwam echter vooralsnog niets, weliswaar ook vanwege de oorlogsomstandigheden, maar vooral door de diep ingrijpende Vrijmaking, die in de oorlog plaatsvond, en die de Gereformeerde Kerk in de Stad vrijwel halveerde.

De Zuiderkerk bleef na een voorlopige verdeling van de kerkelijke goederen tussen de Gereformeerde Kerk en de vrijgemaakten, vooralsnog in handen van de Gereformeerde Kerk. Maar toen de verdeling van de kerkelijke goederen in 1954 definitief werd, ging de Zuiderkerk over in vrijgemaakte handen. De gereformeerde kerkgangers verkasten voor het overgrote deel naar de Parklaankerk. De vrijgemaakten hebben de Zuiderkerk tot 1984 kunnen gebruiken. Op 5 augustus dat jaar werd daar de laatste dienst gehouden; vooral door de verhuizing van vrijgemaakte gemeenteleden naar de nieuwe stadswijken raakte de Zuiderkerk steeds verder ontvolkt. In de kerk werden na de onttrekking aan de eredienst eenentwintig apartementen gebouwd, die nog steeds als zodanig in gebruik zijn.

4. De Parklaankerk (1889-1982).

De Christelijke Afgescheidene (sinds 1869 Christelijke Gereformeerde) Gemeente van Groningen groeide flink. De gemeente toog eensgezind naar de Ebbingekerk aan de Nieuwe Ebbingestraat 5. Maar de gestage groei van de gemeente ontging slechts weinigen, want men merkte dat de kerkgangers hoe langer hoe dichter op elkaar kwamen te zitten.

De Groninger kerkenraad nam daarom in 1880 zélf al een voorzichtige eerste stap: men benoemde in oktober een commissie om te bekijken waar een geschikt terrein gevonden kon worden om ook in het zuiden van de stad, mocht het t.z.t. nodig zijn, een nieuwe kerk te bouwen. Eind oktober rapporteerde de commissie dat men ‘een uitnemend stuk grond aan de Oosterweg’ had ontdekt. De broeders hadden in het (toen nog) zuidelijke stadsdeel spiedend rondgekeken en hadden zich in stilzwijgen gehuld als hun door deze of gene gevraagd werd waarvoor dat terrein wel niet nodig was. Er zou zo’n fl. 10 per m² voor betaald moeten worden. Toen men in dezelfde omgeving verder keek, ontdekte men ook nog een stuk grond aan de Brandenburgerstraat. De commissie kon het echter niet eens worden over de geschiktheid van beide terreinen. Ook de kerkenraad aarzelde. Men besloot daarom de manslidmaten bijeen te roepen. Kennelijk voelden zij weinig voor de nieuwbouwplannen, want het bleef daarna enkele jaren stil.

Toch groeide ook bij de gemeenteleden het besef dat er een kerk bij moest komen. Een door veel kerkgangers in 1886 aan de kerkenraad gestuurd verzoek gewaagde namelijk van ‘ruimtegrebrek en een bedompte sfeer’ in de Ebbingekerk. Daarom verzocht men de eerwaarde broeders ‘om het kerkgebouw wat ruimer, frisscher te maken en meer gevrijwaard van togt en met gemakkelijke zitplaatsen’. Enkelen van de ondertekenaars vervoegden zich ter toelichting van het verzoek bij de kerkenraad, die welwillend luisterde. Deze oordeelde echter dat de kosten van de voorgestelde plannen te hoog waren. ‘Met een weinig meer uitgaven kan men een nieuwe kerk gaan bouwen’, zo zei men. De discussie over een nieuwe kerk was daarmee geboren. Een commissie van drie kerkenraadsleden zou uitzien ‘naar een geschikt terrein’. Zij trokken weer de zuidelijke stadshelft door en ontdekten aan de Parklaan een geschikt terrein dat aan de hoogste bieder te koop aangeboden werd. Het stuk grond was voorzien van ‘eene behuizing en zomerhuis met koepel’; die moesten dus eerst afgebroken worden. De kerkenraad wilde niet meer dan fl. 6.000 betalen, maar de vraagprijs bedroeg maar liefst fl. 8.500. Vandaar dat de manslidmaten op 4 april 1887 opnieuw te hulp geroepen werden. Zeventig personen luisterden daar naar de uiteenzetting van ds. A. Brummelkamp jr. (1839-1919), die duidelijk maakte dat men er met een uitbreiding van de Ebbingekerk niet was. De meningen van de gemeenteleden liepen uiteen van: ‘Als het nodig is mag het niet overgaan’, tot: ‘Hoe moet dat allemaal betaald worden?’ En toen iemand opmerkte dat er ‘niet alleen een tweede kerk, maar ook een tweede leeraar’ moest komen, had vrijwel niemand meer moeite met de beantwoording van de vraag: ‘Moeten we gaan bouwen?’ Uitgezonderd zes twijfelaars verhieven ruim zestig mannenbroeders zich van hunne zitplaatsen ten teken dat gebouwd moest worden! De kerkenraad besloot daartoe.

De ligging van de Parklaan direct ten zuiden van 'de oude stad'.
De ligging van de Parklaan direct ten zuiden van ‘de oude stad’.

Toen begin juli 1887 berekend werd hoeveel de gemeenteleden voor de bouw hadden toegezegd, bleek dat het door de kerkenraad gestelde minimum van fl. 8.000 lang niet binnengekomen was: er was slechts fl. 5.500 toegezegd. Ook een tweede rondgang leverde onvoldoende op. Een commissie zou de zaak van de kerkbouw ‘bij voortduring onder de aandacht van kerkenraad en gemeente’ brengen, zo werd afgesproken. Gelukkig bleek in juni 1888 het stuk grond aan de Parklaan nog te koop: het mat 527 m² en moest nu fl. 6.900 kosten. Na wat afdingen werd de koopprijs uiteindelijk fl. 6.700 en werd de koop op 9 augustus 1888 gesloten.

Drie architecten, Hoekzema, Brouwer en Nijhuis werden verzocht plannen te maken. Dominee J.D. Van der Munnik (1852-1934), die ds. Brummelkamp was opgevolgd toen deze tot redacteur van de ‘Nieuwe Provinciale Groninger Courant’ benoemd was, had de plannen al bekeken nog voordat de kerkenraad er aan te pas kwam en had de architecten geadviseerd een toren aan de noordkant toe te voegen. Kennelijk had men daar niet aan gedacht. De kerkenraad kon achteraf met dit persoonlijke ingrijpen van de predikant ‘geheel akkoord’ gaan, ook al het kostte veel extra geld. Hoe dan ook, de toren kwam er.

De kerkenraad besloot tot een publieke inschrijving, ‘om het even welke godsdienst hij belijdt’. Dominee Van der Munnik had de broeders op het hart gebonden de aannemers toch vooral in de eigen gelederen te zoeken, maar de kerkenraad keek iets minder principieel in het rond: het kon veel geld schelen! Aannemer Jelsema was met fl. 17.230 de gelukkige. Om straks beide kerkgebouwen uit elkaar te houden besloot men ze elk een naam te geven. Men kwam op het originele idee om de kerk aan de Nieuwe Ebbingestraat ‘Kerk Ebbingestraat’ te noemen, en die aan de Parklaan ‘Kerk Parklaan’. Ook zou een gedenksteen in de muur van de ‘Kerk Parklaan’ worden gemetseld met de woorden: ‘Onze Hulpe is in den name des Heeren’.

De Parklaankerk zoals deze er voor de verbouwing van 1925 uit zag.
De Parklaankerk zoals deze er voor de verbouwing van 1925 uit zag.

De bouw vorderde snel. Al in augustus 1889 kon men meedelen ‘dat de tijd spoedig is aangebroken, dat de nieuwe kerk in gebruik genomen kan worden’. Hoe zag die Parklaankerk er eigenlijk uit? We spoorden de oude bouwtekeningen op en zagen, dat het een eenvoudige zaalkerk was, zoals gezegd voorzien van een toren aan de noordmuur. Van binnen was het gebouw rechthoekig van vorm met een oplopende houten vloer, waarop de rijen met banken werden geplaatst. In de korte muren waren drie boogramen geplaatst en in de lange muur, waartegen de preekstoel geplaatst was, vier. De preekstoel was natuurlijk omgeven door een doophek, waar binnen ook het voorlezersgestoelte een plaats kreeg. Twee trappen voerden naar de galerijen, die halverwege de muren waren aangebracht. Daar werden op dringend advies tóch banken aangebracht: aanvankelijk vond men namelijk het plaatsen van banken op de galerij (nog) niet nodig. De gemeente groeide weliswaar, maar de nieuwe kerk zou écht niet meteen propvol zitten.
Op 25 september 1889 werd de kerk ingewijd.

Een bouwtekening met de dwarsdoorsnede van de Parklaankerk.
Een bouwtekening met de dwarsdoorsnede van de Parklaankerk.

Naast de kerk werd voor ongeveer fl. 5.000 een pastorie gebouwd, waar de inmiddels beroepen tweede predikant, ds. A.H. Gezelle Meerburg (1845-1905), ging wonen. Later werd nóg een woning naast de kerk aangekocht, die zou dienen als kosterswoning, maar pas nadat het huis flink vertimmerd was.

Langzamerhand ontstond echter opnieuw gebrek aan plaatsruimte. Al in 1898 vroeg men zich af of nóg een kerk gebouwd moest worden. ‘Volgens sommigen was het plicht’, zo meldden de notulen. Anderen meenden echter dat het huren van een lokaal vooralsnog beter was, omdat de plaatselijke Vereniging met de Dolerenden mogelijk immers op handen was. Uiteindelijk vond men in het Militair Tehuis in de Lutkenieuwstraat een geschikte extra plaats voor het houden van kerkdiensten; maar dat was pas vanaf augustus 1890.

De Ineensmelting met de Dolerenden bleef echter uit! In 1892 had de landelijke Vereniging tussen de Christelijke Gereformeerden en de Dolerenden weliswaar plaatsgevonden, maar de beide Groninger Kerken waren daar nog lang niet aan toe. Wel had de landelijke Vereniging van 1892 tot gevolg gehad dat de twee Groninger Kerken sindsdien beide ‘Gereformeerde Kerk’ heetten, maar met toevoeging van de letter ‘A’ voor de Christelijke Gereformeerden en ‘B’ voor de Dolerenden. Van eenheid was overigens nog in het geheel geen sprake. En de Gereformeerde Kerk A groeide ondertussen gewoon door. De klachten over de weinige plaatsruimte in de twee en later drie kerkgebouwen hielden aan (na de bouw van de Westerkerk in 1906 verving de grote Noorderkerk aan de Akkerstraat sinds 1921 de inmiddels bouwvallig geworden Ebbingekerk, die toen werd afgestoten). Daarom besloot de kerkenraad van Kerk A uiteindelijk – na veel discussies – tot een ingrijpende verbouwing van de Parklaankerk.

Plattegrond van de verbouwing van 1925. De binnen de onderbroken lijnen liggende ruimte bestond in de oude situatie uit kleine woninkjes. Deze werden bij de verbouwing bij de kerk getrokken. De toren boven de ingang aan de Parklaan werd weggehaald
Plattegrond van de verbouwing van 1925. De binnen de onderbroken lijnen liggende ruimte bestond in de oude situatie uit kleine woninkjes. Deze werden bij de verbouwing bij de kerk getrokken. De toren boven de ingang aan de Parklaan werd weggehaald.

Architect Egbert Reitsma maakte een aansprekend plan. De gemeenteleden waren op 7 januari 1924 dan ook zeer eensgezind dat Reitsma opdracht zou krijgen zijn plan ten uitvoer te brengen. De kosten van zijn ingrijpende plan bedroegen maar liefst fl. 70.000. Eigenlijk werd een compleet nieuwe en flink vergrote kerk neergezet. De toren werd afgebroken, net als de opgekochte woninkjes naast de kerk; daarna zou de kerk, aanzienlijk vergroot, weer worden opgebouwd. De twee lange muren werden geheel afgebroken; de twee resterende zolang gestut. De bekapping werd geheel verwijderd, evenals de bestaande galerijen en de vloeren op de begane grond. Het orgel werd door derden tijdelijk weggehaald en omgebouwd. Vervolgens werden ‘alle in het gezicht komende binnenmuren’ van de kerkruimte opgetrokken uit donkere rode klinkers. De buitenmuren werden ook van donkere stenen gemetseld. De aanbesteding vond plaats op 24 januari 1925, waaruit aannemer J. Hateboer gekozen werd.

Gedurende de verbouw van de Parklaankerk werden de kerkdiensten vanaf 22 februari 1925 tijdelijk in de Zuiderkerk van Kerk B gehouden (een paar maanden later, op 24 juni dat jaar, vond de Ineensmelting tussen A en B al plaats, dus dat gaf geen enkel probleem). In de Zuiderkerk werden gedurende de verbouw van de Parklaankerk dubbele diensten ingesteld.

In november 1925 (toen de Kerken A en B al enkele maanden ‘ineengesmolten’ waren) kon worden meegedeeld dat de stand van de verbouw van de Parklaankerk al ver gevorderd was. Op 26 februari 1926 werd de vernieuwde en uitgebreide kerk opnieuw in gebruik genomen. Ieder was enthousiast over de niet-alledaagse, zeer modern aandoende bouw door architect Reitsma, die de kerk in ‘Amsterdamse School’-stijl had herbouwd.

Het exterieur van de Parklaankerk na de verbouwing. De fotograaf staat in het Hornstraatje.
Het exterieur van de Parklaankerk na de verbouwing. De fotograaf staat in het Hornstraatje.

Terugloop ledental.

Omdat het ledental van de Gereformeerde Kerk na de Vrijmaking weer stevig groeide, was (‘om de massaliteit te keren’) besloten de grote stadskerk vanaf 1957 te verdelen in vier zelfstandige kerken: Groningen-Noord, Groningen-Zuid, Groningen-Oost en Groningen-West. De Parklaankerk was de kerk van Groningen-Zuid.

Maar sinds het eind van de jaren ’60 werd in de wijkraden die van de Parklaankerk gebruik maakten (de Parklaanwijk en de Centrumwijk) regelmatig gesproken over de terugloop van het kerkbezoek. Mede omdat het aantal leden van beide kerkwijken van 1963 tot 1969 met zo’n 5 à 600 terugliep, ontstond langzamerhand ook een daling van ongeveer driehonderd kerkbezoekers per zondag. ‘Er zijn grote holle gaten in de te groot geworden kerk’, zo werd opgemerkt. Vandaar dat de wijkraden de KAZ van de Kerk van Groningen-Zuid verzochten de kerkzaal aan te passen, bijvoorbeeld door het hier en daar (‘rondom’) weghalen van rijen met banken en de smalle gangpaden te verbreden: ‘Er kunnen zonder bezwaar honderd plaatsen gemist worden’. Uiteindelijk werd in 1972 besloten tot een gedeeltelijke uitvoering van het oorspronkelijke plan. Het geld was bijna op…

De terugloop van het kerkbezoek was onstuitbaar. In de KAZ-vergadering (de Kerkenraad voor Algemene Zaken) van Groningen-Zuid werd in oktober 1979 al opgemerkt ‘dat in de Parklaanwijk, ook al zal de Parklaankerk gesloten worden, een ruimte voor samenkomsten zal moeten blijven’. De eerste écht gitzwarte wolken pakten zich in 1980 boven de Parklaankerk samen: door ontbrekende financiële middelen kon voor de Parklaanwijk geen nieuwe predikant worden aangetrokken. De drie predikantsplaatsen waarover Groningen-Zuid beschikte waren niet te handhaven. De KAZ besloot daarom tot een herindeling van de Kerk van Groningen-Zuid in twee wijken, namelijk wijk I en wijk II. Daarmee verdwenen de Parklaanwijk, de Stadsparkwijk en de Centrumwijk.

De globale ligging van de drie kerkwijken in de Kerk van Groningen-Zuid, voor de herindeling.
De globale ligging van de drie kerkwijken in de Kerk van Groningen-Zuid, voor de herindeling.

Daarbij kon het echter niet blijven. De kerkelijke gemeente was eind 1980 al ingelicht over de plannen. Op de betreffende gemeenteavond zeiden veel kerkgangers liever in de (in 1958 in gebruik genomen) Stadsparkkerk te willen kerken dan in de nabijgelegen hervormde Oosterkerk (die stond in de buurt van de Parklaankerk, maar werd korte tijd later ook afgestoten). Nadat de KAZ het principebesluit tot sluiting van de Parklaankerk officieel genomen had, werd de gemeente daarover om een oordeel gevraagd. Van de eenentachtig aanwezigen waren zevenenveertig tegen de sluiting van de kerk, negen voor en de overigen onthielden zich van stemming. Kortom: men stond niet te juichen. Op 27 december 1981 werd in de Parklaankerk desondanks de laatste kerkdienst gehouden. Per 15 augustus 1983 werd de kerk verkocht aan een projectontwikkelaar uit Winsum (Gr.). Enige tijd later werd de kerk afgebroken.

5. De Westerkerk (1906-1987).

Behalve in de in 1889 in gebruik genomen Parklaankerk kerkte de Christelijke Afgescheidene (vanaf 1869 Christelijke Gereformeerde) Gemeente ook nog steeds in de in 1853 in gebruik genomen Ebbingekerk. Maar omdat de stad naar het westen uitbreidde bezon Kerk A, ondanks de bouw van de Parklaankerk in 1889, zich aan het begin van de twintigste eeuw op kerkbouw in het westen van de stad. In oktober 1901 ontdekte men een terrein ‘ten zuiden van de Leeuwarderstraat’, later bekend als de Kraneweg. En ondertussen was in 1905 ds. S.J. Vogelaar (1865-1928) – nadat hij een jaar eerder voor een beroep naar Groningen had bedankt – als predikant naar de stad gekomen. Deze zette zich meteen in voor de bouw van de nieuwe kerk. De kerkenraad zette een financiële actie op touw; de gemeente gaf royaal en al in 1906 kon men onder architectuur van Tj. Kuipers te Amsterdam met de bouw van de kerk aan de Kraneweg beginnen. Besloten werd tot de aanleg van een warmwaterleiding ‘op zoodanige wijze dat in het gehele benedenruim een pijp door elke bank zou worden gelegd’. Daardoor waren geen stoven meer nodig, want je hoefde alleen je voeten maar op de pijpen te zetten. De kerkgangers moesten echter geen huiskamertemperaturen verwachten; ‘men was immers flink gekleed en in de kerk zijn veel mensen aanwezig, waardoor het vanzelf warmer wordt’, zo redeneerde de kerkenraad praktisch. ‘Deze centrale verwarming is dus het meest geschikt en zoo al niet strikt noodzakelijk, dan toch wel ten zeerste gewenscht en voor vele ouderen en mensen met zwakke gestellen onmisbaar’. Door enkele forse schenkingen van gemeenteleden (onder wie het bekende Anti-Revolutionaire Tweede Kamerlid A. Zijlstra) konden onder meer een torenuurwerk en een zilveren doop- en avondmaalsstel worden aangeschaft.

De 'eerste steen' werd geplaatst door de oudste ouderling.
De ‘eerste steen’ werd geplaatst door de oudste ouderling.

De oudste ouderling, A. Jonkhoff, legde op 18 juni 1906 de eerste steen: ‘Met dank aan den Heere onzen God leg ik in naam der gemeente dezen eersten steen met den wensch dat de bouw van dit Godshuis voorspoedig mag plaatshebben en door de gemeente kan worden aanvaard. Dat de leer die er verkondigd zal worden, mag gegrond zijn op den steen, door de bouwlieden wel verworpen, maar door God tot een hoofd des hoeks gelegd’, zo zei hij. Op de ‘eerste steen’ stond als tekst vermeld 2 Tim. 2:19. De Westerkerk werd op 21 december 1906 in gebruik genomen.

Naast de kerk werd een pastorie gebouwd, die veel later overigens lange tijd dienst deed als Centraal Kerkelijk Bureau. Hoewel de bewoning ervan door de kerkenraad eerst aan de oudste predikant ds. J. Westerhuis (1851-1910) werd aangeboden, gaf deze te kennen liever bij de Ebbingekerk te blijven wonen. Zo werd ds. Vogelaar de eerste wijkpredikant van de Westerkerk. De kerk was in neogotische stijl gebouwd. Wel moesten regelmatig reparaties worden verricht aan onder meer de twee torens, waarbij de bouwlieden in onze ogen als door een wonder gespaard bleven bij de door hen uitgevoerde (op de gevoelige plaat vastgelegde) capriolen om de hoogste torenspits te restaureren.

Ondertussen groeide het westen van de stad fors en dus ook de kerkelijke Westerwijk, zodat in 1929 de zesde kerkwijk ingesteld werd (de Oranjewijk) en in de Westerkerk ook dubbele diensten werden belegd voor deze beide westelijke kerkwijken. De derde predikant, dr. L. van der Zanden (1897-1961), kwam in 1930 naar Groningen en nam de Oranjewijk onder zijn hoede. In de Westerkerk werden de plaatsen verhuurd, die echter door iedereen mochten worden bezet zodra het lampje ‘vrij’ bij de preekstoel oplichtte. Of de daarop volgende stormloop op de nog onbezette plaatsen altijd even stichtelijk en verheffend verliep, laten we nu in het midden. De Westerkerk werd vanaf de Vrijmaking tot 1954, toen de definitieve verdeling van de kerkelijke goederen geëffectueerd werd, samen met de vrijgemaakte broeders en zusters gebruikt. Vanaf 1954 werd de kerk alleen door de gereformeerden gebruikt (de vrijgemaakten kregen de Noorderkerk en de Zuiderkerk). De Westerkerk werd aan het eind van de jaren ’50, ingrijpend gerenoveerd; het liturgisch centrum en ook het orgel kwamen geheel aangepast uit die restauratie tevoorschijn.

De Westerkerk aan de Kraneweg vlak voor de oplevering. De bomen moest ook nog even weggehaald worden.
De Westerkerk aan de Kraneweg vlak voor de oplevering. De bomen moest ook nog even weggehaald worden.

Krimp.

In augustus 1968 werd tijdens een vergadering van het zogenaamde Groot Moderamen (dat de zaken van de verschillende Stadskerken gezamenlijk besprak) duidelijk, dat op termijn een of meer kerkgebouwen zouden moeten verdwijnen. Dat dit voor de Westerkerk consequenties zou hebben was voor velen al duidelijk. Eind 1969 kwam men op een gemeentevergadering van ‘West’ al tot de conclusie, dat zowel de Westerwijk als de Oranjewijk ‘snel terugliepen’. Dit kwam ook tot uitdrukking in het steeds minder wordende kerkbezoek, ook al werd dat deels veroorzaakt door de nieuwe westelijke stadswijken Vinkhuizen en Paddepoel. Velen uit wat genoemd werd ‘Oud-West’ verhuisden naar de nieuwere stadswijken, maar ondertussen begon óók de ontkerkelijking in ‘Oud-West’ zich te doen gelden. In de jaren ’70 bleek bovendien dat opnieuw ingrijpende onderhoudswerkzaamheden aan de Westerkerk en aan het orgel zouden moeten plaatsvinden. En omdat door de ontvolking en de ontkerkelijking ook de beschikbare gelden steeds minder werden (zo gaf 13 % van de kerkleden in ‘West’ in augustus 1980 al geen kerkelijke bijdrage meer!), vroeg men zich in 1978 opnieuw af of op termijn ook kerkgebouwen zouden moeten worden afgestoten. Daar kwam nog bij, dat het kerkelijk leven in de gemeente er ook niet makkelijker op was geworden. Zaken als ‘kinderen aan het avondmaal’, ‘Samen-op-Weg’, hoe om te gaan met de ‘Verontrusten’ en het vraagstuk van oorlog en vrede, veroorzaakten bij een deel van de Westerkerkgemeente ontevredenheid en onenigheid. Ook hadden deze zaken een aantal ontheffingsaanvragen van ambtsdragers tot gevolg, die ‘zich met de gang van zaken niet meer konden verenigen’.

Nog net voor de kerksplitsing in 1957 werden het orgel en het interieur van de Westerkerk stevig vernieuwd.
Nog net voor de kerksplitsing in 1957 werden het orgel en het interieur van de Westerkerk stevig vernieuwd.

De ruim twintig jaar eerder (in 1957) geëffectueerde Kerksplitsing stond door de teruggang van de Groninger Kerk na jaren weer op de tocht. Al in 1969 besloten de Kerk van Groningen-Noord en die van Groningen-Oost samen te gaan als Gereformeerde Kerk te Groningen Noord/Oost; in 1986 besloot de Kerk van West met die van Noord/Oost te fuseren. Daardoor ontstond de ‘nieuwe’ Gereformeerde Kerk te Groningen-Noord. Tegelijk viel ook het besluit dat de Westerkerk kort daarna zou worden gesloten. De kerkdiensten zouden gezamenlijk met de hervormden in de hervormde Nieuwe Kerk gaan plaatsvinden. Met die gemeente was de Westerkerkgemeente immers al enkele jaren Samen-op-Weg. Dit SoW-proces zou dus in ‘sneltreinvaart’ moeten worden voortgezet, wat overigens ook weer leidde tot protesten. Weliswaar trachtte een aantal commissies het tij nog te keren, maar de laatste kerkdienst in de Westerkerk werd toch echt op 29 juni 1986 gehouden onder leiding van de wijkpredikant, ds. C.A. Wielemaker (*1932). Hij merkte in zijn afscheidspreek op, dat zijns inziens ‘een tijdperk afgesloten werd, waarin geloven en kerkgaan als vanzelfsprekend werden beschouwd. ‘Maar’, zei hij, ‘nu worden we met een harde bons wakker gemaakt en we merken dat het niet meer zo is. Het geld is op. Het enthousiasme is op en de jeugd volgt voor een groot deel de ouderen niet meer op’, zo zei hij. Nog korte tijd werden de middagdiensten in een der zalen van de kerk gehouden, maar per 1 juli 1987 concentreerden zich ook die erediensten in de Nieuwe Kerk, waar de SoW-gemeente van Groningen-Centrum de loop van de geschiedenis voortzette.

De Westerkerk werd afgebroken (eigen foto).
De Westerkerk werd afgebroken (eigen foto).

De Westerkerk werd verkocht aan een projectontwikkelaar, die er appartementen wilde bouwen. Het gebouw moest dus gesloopt worden. Volvoering daarvan heeft echter jaren op zich laten wachten, omdat allerlei bezwaren tegen de inmiddels al op gang gebrachte afbraak werden ingediend. Intussen hadden krakers zich van het gebouw meester gemaakt, die als fervente pleitbezorgers van de kerk optraden door zich fel te verzetten tegen de sloop (weliswaar niet met het doel de eredienst veilig te stellen – op de plaats van de weggebroken preekstoel spoot men de veelzeggende tekst ‘Fuck Religion’ – maar om voor eigen onderdak zorg te dragen). De ME assisteerde echter bij de ontruiming nadat de rechter toestemming had gegeven de kerk te slopen. Zo ging de Westerkerk in 1995 tegen de vlakte… Het enige zichtbare restant van de kerk bevindt zich op de top van het nieuwe appartementencomplex de ‘Cranedwinger’: het kruis met het haantje dat door de projectontwikkelaar op verzoek van een in de buurt wonend meisje op het dak van het gebouw werd aangebracht!

6. De Noorderkerk (1921-1944).

Zoals al opgemerkt, werd de Ebbingekerk in 1919 ‘voor goed geld’ verkocht. Er moest een groter (en beter) kerkgebouw in het noorden van de stad komen. Daarom besloot de kerkenraad van de Gereformeerde Kerk van Groningen A tot de bouw van zowel een nieuwe kerk als van een nieuw ‘Bethesda’, en wel aan de Akkerstraat. De eerste steen werd op 26 juli 1920 geplaatst door de oudste ouderling, D. Rijpstra. Voorafgaande aan de steenlegging was door de verzamelde gemeente binnen de muren van de nog niet overdekte Noorderkerk psalm 89:7 gezongen: ‘Hoe zalig is het volk, dat naar Uw klanken hoort’. ‘Wat ging daarbij in de harten om?’ zo vroeg een aanwezige verslaggever zich af. ‘Dat laat zich beter gevoelen dan beschrijven, maar aan de geestdrift waarmee men zong en aan het fonkelen van menig oog was merkbaar, dat dit zingen méér dan een ijdele vorm was’. Ds. G.H.A. van der Vegte [1874-1936] ging voor in gebed en las daarop de schriftlezing uit Jozua 4:20-24. Daarin wordt verteld over het altaar dat Jozua oprichtte na de doortocht door de Jordaan. De predikant vergeleek in zijn preek het opgerichte altaar met de nieuwe kerk. De oude broeder Rijpstra, die de gemeente meer dan veertig jaar als ouderling had gediend, kweet zich met blijdschap en met een dankbaar hart van zijn taak. ‘Op het eerste gezicht lijkt de steen lang geen vierhonderd kilo te wegen, maar we moeten wel bedenken, dat ze voor het grootste deel diep in de zeer dikke muur is gemetseld’. Tegelijk werd een oorkonde ingemetseld.

De Noorderkerk in lang vervlogen tijden.
De Noorderkerk in lang vervlogen tijden.

In mei 1921 was de kerk klaar en op de negende van die maand werd de kerk in gebruik genomen. De predikanten ds. Van der Vegte én de juist naar de stad gekomen ds. D. van Dijk (1887-1985) spraken achtereenvolgens de gemeente toe. Natuurlijk lieten ook de gemeentebestuurders hun neus zien. ‘De Bazuin’ schreef over de pas geopende Noorderkerk: ‘De kerk is zoowel uit- als inwendig opgetrokken in een stijl die het midden houdt tusschen den Romaanschen en den Gothischen. De trappen naar de gaanderijen zijn brandvrij. De preekstoel is opgetrokken van bois jourdan-marmer, de trappen erheen in gris-de-Navarre. Beneden in de kerk is plaats voor 825, boven voor 450 kerkgangers. In den noordgevel is een mechanische paniek-deur. De kerk wordt mechanisch geventileerd en electrisch verwarmd’.

Na de Vrijmaking in 1944 werd de Noorderkerk door de rechter voorlopig toegewezen aan de vrijgemaakten. De strijd om de kansel was in de Vrijmakingstijd ook in Groningen fel: ‘Een 16-jarige Zwolse jongen, voor studie woonachtig in Groningen, schrijft: ‘Het is zondagmiddag half zes. Hier zijn ze met de kerken nu ook raar aan de gang. In de afgelopen week zijn er vier predikanten, ds. Van Dijk, ds. Keizer, ds. Deddens en ds. Van der Ziel en eenenvijftig ambtsdragers geschorst. (…) Nu stond er in het Mededeelingenblaadje van de ‘bezwaarden’, dat in de Noorderkerk zou preken om negen uur ds. D. van Dijk, om half elf ds. P.K. Keizer en ’s middags wéér twee bezwaarde predikanten. In het blaadje van de synodalen stond, dat in de Noorderkerk zouden preken: om negen uur ds. S. Hoekstra, om half elf ds. P. van Strien en ’s middags weer dezelfden om drie uur en half vijf. Nu, ik was geweldig benieuwd hoe dat zou aflopen. Ik ben vanmorgen dus naar de Noorderkerk gegaan. Toen ik binnenkwam zat ds. Van Dijk al op de preekstoel, zodat deze vanmorgen gepreekt heeft. Natuurlijk erg fel. Van ds. Hoekstra heb ik niets gemerkt. Aan het einde van de dienst was ds. Van Dijk nog maar nauwelijks van de preekstoel af, of de volgende bezwaarde dominee ging er al vast op, om toch maar vooral de eerste te zijn…’.

Het interieur van de Noorderkerk (foto: K. Doornbos).
Het interieur van de Noorderkerk (foto: K. Doornbos).

De Noorderkerk werd in 1954, na de officiële verdeling van de kerkelijke goederen, definitief aan de vrijgemaakte Gereformeerde Kerk toegewezen. De Noorderkerk, de ‘kathedraal der gereformeerden’ genoemd, werd een van de belangrijkste vrijgemaakte kerkgebouwen in het land. De kerk moest echter in 2008 helaas gesloten worden. De bedoeling is in de kerk appartementen te bouwen (de vrijgemaakte Kerk van Groningen-Noord kerkt sinds de sluiting van de Noorderkerk per 2 maart 2008 in de vrijgemaakte Columnakerk van Groningen-West. Beide kerken besloten uiteindelijk op 1 juli 2012 te fuseren tot de Gereformeerde Kerk te Groningen Noord/West met de Columnakerk als kerkgebouw).

De Ineensmelting van 1925.

Vier jaar na de ingebruikname van de Noorderkerk besloten de beide Gereformeerde Kerken A en B op 24 juni 1925 te gaan fuseren. De grote Gereformeerde Kerk te Groningen telde toen ruim 9.200 leden.

7. De Oosterkerk (1929-2002).

Ter gelegenheid van de éerste steen' voor de Oosterkerk werd deze foto gemaakt: op de heipalen op de voorgrond rust straks de buitenmuur van de entree van de kerk.
Ter gelegenheid van de ‘eerste steen’-legging van de Oosterkerk werd deze foto gemaakt; op de heipalen op de voorgrond rust straks de buitenmuur van de entree van de kerk.

In de jaren ’20 breidde de stad Groningen zich naar het oosten uit. Zo werd onder meer de Oosterparkwijk in noodtempo uit de grond gestampt. De ‘Vereniging tot Instandhouding van Scholen voor Lager Onderwijs op Gereformeerde Grondslag in de gemeente Groningen’ had een stuk grond toegewezen gekregen – ‘tusschen den Petrus Campersingel, den Korreweg en het Damsterdiep’ – om daar een gereformeerde lagere school te bouwen. Van meerdere kanten werd het schoolbestuur er op gewezen dat het wenselijk was zowel de school als de nieuw te bouwen kerk (want zover was de kerkenraad al bijna) als één complex te bouwen. Dat was immers bij de Westerkerk aan de Kraneweg ook gebeurd. Het schoolbestuur zag het nut daarvan in en stelde het aan de kerkenraad voor. De broeders hadden echter nog bedenkingen, maar dan vooral over de hoge kosten van een nieuwe kerk. Was het niet beter in de Noorderkerk – die toch voor de Oosterwijkers vrij makkelijk te bereiken was – dubbele diensten te beleggen?

Dat viel de gereformeerde Oosterwijkers echter rauw op het dak. Vandaar dat een aantal van hen in mei 1926 een brief-op-poten aan de kerkenraad schreef, waarin ze hun verwondering uitspraken over het besluit van de kerkenraad om ‘zonder enige motivering van redenen in het Kerkblad te publiceren dat de diensten in het Militair Tehuis en het Concerthuis zouden worden opgeheven en daarvoor in de plaats een tweede dienst in de Noorderkerk zou worden belegd’. Ze riepen de kerkenraad op – voorzien van een uitvoerige motivering – zonder verder uitstel over te gaan tot de bouw van een kerk in de nieuwe Oosterwijk. Had niet elke wijk die in een tweede dienst moest kerken, een eigen kerk in het vooruitzicht gekregen?

De brief had in zoverre succes dat de kerkenraad al op 7 juni 1926 besloot tot de aankoop van een terrein voor de te bouwen Oosterkerk, op de hoek van de S.S. Rosensteinlaan en de Thomassen à Thuessinklaan, naast de nieuw te bouwen school aan de Rosensteinlaan. Al snel nodigde de kerkenraad twee architecten uit ontwerpen voor de nieuwe kerk te maken. Het waren L. Drewes en IJ. van der Veen, beiden te Groningen. Het ontwerp mocht niet meer dan fl. 130.000 kosten. Drewes bleef daar onder en kreeg de voorkeur van de twijfel, want de kerkenraad vroeg zich wel af of ‘de toevoer van licht’ wel voldoende zou zijn. Drewes wist zeker van wel, en hij kreeg gelijk.

Hier is de Oosterkerk in aanbouw.
Hier is de Oosterkerk in aanbouw.

De aanbesteding vond plaats op 1 september 1927. En ondertussen ging de inzameling van bijdragen en giften voor de bouw van de kerk gewoon door. De respons van de gemeenteleden was geweldig. Hoewel de financiële actie begin 1928 nog niet was afgerond was toen al fl. 58.000 binnen. De kerkenraad was vreugdevol en vooral dankbaar gestemd. Maar er klonk ook kritiek. Sommigen merkten op: ‘Wie gaat nu een kerk bouwen in zo’n modderpoel?’ In ‘het Zeeland’ woonde immers nog geen sterveling? Wat was dat voor kerkenraad die zulke besluiten nam? We weten nu dat het een doortastende kerkenraad was, die precies wist wat hij deed.

Op zaterdag 19 mei 1928 werd de ‘eerste steen’ gelegd door de wijkpredikant ds. J. Gispen (1874-1935). De steen werd ingemetseld in de muur tussen de toekomstige hal (want deze miste nog de buitenmuur) en de kerkzaal en droeg als tekst: ‘O alle gij dorstigen, komt tot de wateren. Jesaja 55:1a. Met blijden dank aan God die uitbreiding en eenheid gaf, is namens de kerkeraad deze steen geplaatst door ds. J. Gispen op den 19 mei 1928’. En in een van de toespraken heette het: ‘In dit gebouw niet voor het minst zal, naar ons aller wensch, straks in kloekheid iets naar buiten treden van de kracht der eenheid die voor nu bijna drie jaar in den samensmelting [tussen kerk A en kerk B] onder den zegen des Heeren is aangevangen en die naar we mogen vertrouwen, mits er blijve de saambinding in de eenheid des geloofs, ook verder er in nog toenemende mate zich zal openbaren’. Voorbijgangers merkten bij de voortgang van de kerkbouw al gauw dat de kerk inderdaad een vastberaden kracht uitstraalde, die ook zo kenmerkend was voor het gereformeerd kerkelijk leven in die tijd.

Op 25 april 1929 vond de ingebruikneming van de Oosterkerk plaats. De Commissaris van de Koningin, de griffier van de Provinciale Staten, de loco-burgemeester en de wethouder van financiën van de gemeente Groningen, ze waren allen aanwezig. ‘Met groot enthousiasme zetten we den arbeid voort’, zo besloot ds. Gispen zijn toespraak. De eerste officiële kerkdienst in de nieuwe kerk werd op 28 april 1929 gehouden, onder leiding van ds. J.J. Miedema (1869-1936).

De Oosterkerk.
De Oosterkerk.

De stadswijken die gebruik maakten van de Oosterkerk groeiden en werden talrijker. Vandaar dat de Oosterwijk al vrij vlot in tweeën gedeeld werd: Oosterwijk-Noord en Oosterwijk-Zuid, waarvoor aparte kerkdiensten werden gehouden, elk met een eigen predikant, aanvankelijk ds. Gispen en ds. L. Oranje (1902-1961). Laatstgenoemde begon zelfs al met een bouwfonds voor ‘de tweede Oosterkerk’, die in het toenmalige noordoosten van de stad zou moeten verrijzen; want dat zou er zijns inziens vast en zeker van komen. Eerst kwam echter de oorlog nog en niet te vergeten de Vrijmaking; toen was er vooralsnog geen sprake meer van een tweede Oosterkerk. Maar al snel na de Tweede Wereldoorlog staken dezelfde plannen opnieuw de kop op. Toch zou het pas tot 1960 duren eer die ‘tweede Oosterkerk’ er kwam: het was de Magnaliakerk, in de zogenoemde Indische buurt. Daarover echter later meer. Wel kwam daar in 1949 alvast een vergaderlokaal (het Soembahuis), dat gebouwd werd op een gedeelte van de grond die op verzoek van de kerkenraad door de Gemeente Groningen voor kerkbouw al was gereserveerd.

Afgezien van problemen met de akoestiek werd in de jaren ’60 een ingrijpende verbouwing van de zalen bij de kerk uitgevoerd, omdat men gebrek aan vergaderruimte had. In de jaren ’80 werd een grote restauratie ondernomen van het pannendak. De spijkers waarmee de 25.000 dakpannen op de spanten waren vastgespijkerd, begonnen te roesten, waardoor veel pannen waren geknapt. Maar net als in andere oudere stadswijken liep ook het ledental van de Oosterwijken langzamerhand terug. Al in 1973 was de kerkenraad van de Gereformeerde Kerk van Groningen Noord/Oost ervan overtuigd, dat er iets moest gebeuren: ‘Het afstoten van een kerk behoort tot de noodzakelijkheden’, zo stelde men vast. Vooralsnog ontkwam de Oosterkerk aan dat lot, omdat de ‘Magnaliakerk’ in 1974 werd afgestoten (die kerk was in mei 1960 in gebruik genomen om de Oosterkerk, die ’s zondags uit de naden barstte, te ontlasten).

Een blik op het interieur van de Oosterkerk.
Een blik op het interieur van de Oosterkerk.

Door de nood gedwongen fuseerde de Kerk van Groningen Noord/Oost in 1986 met die van West (waardoor de ‘nieuwe’ Kerk van Groningen-Noord ontstond). Na jaren van twijfel over het al dan niet blijven voortbestaan van de Oosterkerk kwam in 1993 de verkoop van de kerk wel heel angstwekkend duidelijk in beeld. Maar onderhandelingen met het Noord-Nederlands Orkest liepen op niets uit en uiteindelijk hadden ook de vrijgemaakten (hoewel ze aanvankelijk belangstelling hadden voor het kerkgebouw) geen interesse meer. Dit veranderde echter na enige tijd, reden waarom de wijkraad aan de Kerkenraad Algemene Zaken (KAZ) meedeelde ‘zeer gehecht te zijn aan het eigen kerkgebouw en dat ruimte voor het wijkwerk onontbeerlijk was’. Ook mocht men de gemeente niet langer in onzekerheid laten, zo meende de wijkraad.

In 1995 werd door de KAZ van Groningen-Noord een ‘Raad van Zeven’ benoemd, die de problematiek op een rijtje moest zetten. Men stelde voor ‘De Regenboog’ in Vinkhuizen en de ‘Goede Herderkerk’ in de wijk Selwerd te verkopen. Daardoor kon de Oosterkerk gespaard worden. Maar de voorstellen van de ‘Raad van Zeven’ werden afgestemd en de wijkraad ging toen, zij het schoorvoetend, akkoord met een verkoop voor 50% aan de vrijgemaakten. Daartoe werd ook besloten. Het gezamenlijk gebruik van de kerk door gereformeerden en vrijgemaakten en ook door hervormden (die het gebouw enige tijd voor hun erediensten huurden) bleek een aanvaardbare oplossing voor een moeilijk probleem. Zo werd voor de Oosterkerk een nieuwe periode ingeluid, die overigens maar enkele jaren duurde. Op 23 juni 2002 werd de laatste gereformeerde kerkdienst in dit kerkgebouw gehouden. De vrijgemaakt-Gereformeerde Kerk van Groningen-Oost werd toen de eigenaar.

Enkele bronnen en enige literatuur:

Archieven van de Gereformeerde Kerken in de stad Groningen.

G.J. Kok, ‘… en niet alleen hoorders.’ Zeventig jaar Zuiderkerk (1887-1957). Groningen, 2000

—, ‘… in de Naam des Heeren’. Vijfennegentig jaar Parklaankerk (1889-1983). Groningen, 2000

—, ‘Op een hecht Fundament…’. 90 jaar in en om de ‘Westerkerk’. Groningen, 1998

—, ‘Het vaste fondament…’. 87 jaar Noorderkerk te Groningen (1921-2008). Groningen, 2007

—, ‘Niet door eigen kracht…’. 70 jaar rondom de ‘Oosterkerk’ (1928-1998). Groningen, 1998

J. Wesseling, Afscheiding en Doleantie in de stad Groningen. Groningen, 1961

 Naar deel 2

© 2016. G.J. Kok. GereformeerdeKerken.info