De gereformeerde Evangelisatiearbeid te Finsterwolde – deel 1

Inleiding.

In het onderstaande verhaal, dat we in drie delen publiceren, belichten we de een deel van de gereformeerde evangelisatiearbeid voor zover deze door de Particuliere Synode Groningen werd geïnitieerd en gesteund.

De ongetwijfeld gedurende vele jaren belangrijkste arbeid vond plaats in en rondom het dorp Finsterwolde in Oost-Groningen. We zullen zien dat de aanvankelijk eenvoudige arbeid vanaf het eind van de negentiende eeuw, in de jaren dertig van de vorige eeuw veranderde in een stevig georganiseerde aanpak door de achtereenvolgende evangelisatiepredikanten van de Gereformeerde Kerk te Oostwold (Oldambt, Oost Groningen). In het vervolg van dit drieluik zien we dat de (wat we nu zouden noemen) ‘traditionele evangelisatiearbeid’ niet zonder slag of stoot veranderde in  ‘sociaal-cultureel werk’.

Oostwold wil evangeliseren (vanaf 1895).

De oude gereformeerde kerk te Oostwold, die in 1889 in gebruik genomen werd.
De oude gereformeerde kerk te Oostwold, die in 1889 in gebruik genomen werd en in 1930 werd vervangen door nieuwbouw.

Tijdens de vergadering van de classis Winschoten van 9 mei 1895 hadden de afgevaardigden van de in 1888 geïnstitueerde Gereformeerde Kerk te Oostwold, in het Oldambt in Oost-Groningen, een instructie bij zich. De kerkenraad wilde namelijk beginnen met evangelisatiewerk in het nabij gelegen ‘rode dorp’ Finsterwolde. Het gebied stond bekend om haar onkerkelijkheid en de socialistische en communistische invloeden. Men wilde graag geld voor dit werk hebben. De classis stond er achter en bracht het ter sprake op de provinciale synode. Deze ging er mee akkoord. Hoever die arbeid zich in die tijd uitstrekte is niet precies bekend, maar het zal zich, net als op zoveel andere plaatsen, beperkt hebben tot vooral zondagsschoolwerk, lectuurverspreiding en straatprediking door (passerende) colporteurs en/of door predikanten en gemeenteleden uit de omgeving.

Colporteur Toxopeüs (1923-1932).

In 1914 wordt in de rapportages van de provinciale Groninger Deputaten voor de Evangelisatie voor het laatst terloops meegedeeld dat ‘er ook evangelisatiewerk in Finsterwolde plaatsvindt door Oostwold’. Daarna blijft het in de rapporten stil, totdat in 1924 wordt gemeld dat colporteur Toxopeüs uit Winschoten het afgelopen jaar in Finsterwolde had gewerkt en daar een zondagsschool geopend had. Op zich een prijzenswaardig initiatief, ware het niet dat de deputaten uit de ‘Groninger Kerkbode’ gewaar moesten worden dat hij in Drieborg en Finsterwolde ook godsdienstoefeningen leidde. ‘Daartoe gevraagd zei hij daartoe te zijn overgehaald op herhaald verzoek van menschen die behoefte en belangstelling uitspraken in godsdienstige samenkomsten. Hij is er op gewezen dat hij dit niet op eigen hand mag doen, maar in den kerkelijken weg moet werken [namelijk in overleg met de betreffende kerkenraden en met de deputaten], en dat zulk voorgaan níet uit zijn instructie voortvloeit’.

Tijdens een vergadering met afgevaardigden van de classis Winschoten kwam deze kwestie het jaar daarop opnieuw ter sprake. De kerkenraad van Winschoten werd door de preekbeurten van Toxopeüs ‘in moeilijkheden gebracht, omdat de colporteur ten gevolge daarvan de samenkomsten [kerkdiensten] zijner gemeente [Winschoten] niet kan bijwonen. Ook de wijze waarop hij hulp zoekt voor zijn werk in genoemde plaatsen, wordt door sommigen niet behoorlijk geacht’. De deputaten achtten die klachten gegrond. Wel was trouwens gebleken dat Toxopeüs in zijn eigen vrije tijd in Drieborg en Finsterwolde voorging en niet op zijn door de synode bepaalde werkdagen (maandag tot donderdag).

Finsterwolde dorp

Hoe dan ook, de deputaten hadden gehoopt dat hij in of bij de stad Groningen zou gaan wonen, wat hem bij zijn benoeming in het vorige jaar met goedkeuring van de synode was opgedragen. Het hem oorspronkelijk aangewezen werkterrein was dan makkelijker bereikbaar. Hij kon daar echter geen woning vinden. Toxopeüs zette zijn werk rond Finsterwolde dus voort.

In 1926 rapporteerden de deputaten aan de synode dat br. Toxopeüs naar Haren verhuisd was en een kamer huurde in huize ‘Welgemoed’. In 1928 verhinderden gezondheidsklachten de trouwe colporteur verder te werken. De ijverige broeder Toxopeüs stierf in 1932.

Evangelisatiepredikanten.

Kort na het overlijden van colporteur Toxopeüs kwam in de particuliere synode het voorstel ter tafel om in plaats van een colporteur een evangelisatiepredikant te benoemen voor het oostelijk deel van de provincie Groningen. De zaak werd stevig aangepakt zodat de deputaten in 1935 konden rapporteren dat ‘de lang gekoesterde wensch dat er bepaaldelijk voor het oostelijk deel der provincie een evangelisatiepredikant zou zijn, wiens arbeid aan de evangelisatie in heel onze provincie ten goede zou kunnen komen, zondag 31 maart in vervulling is gegaan door de bevestiging van den Eerwaarden Heer G.J. de Leeuw, voorheen hulpprediker te Hoorn (NH), in de Kerk van Oostwold (Old.), met als standplaats Finsterwolde’. Ds. De Leeuw zou daar tot 1940 werkzaam blijven.

Na ds. G.J. de Leeuw (1905-1967) werden voor het evangelisatiewerk te Finsterwolde achtereenvolgens aangesteld: ds. W.P. Kramer (1909-1987), die daar van 1940 tot 1945 werkte; theologisch VU-student H.T. van Bochove (1916-2001), als ‘leider van het evangelisatiewerk’ van 1946-1950; A.M. Franssen (1901-1965), leider van 1950 tot 1954; G. Assies (1927-2007), als leider van 1954 tot 1958 en als evangelisatiepredikant van 1958 tot 1961; E.Th. Thijs (1933-2005) voor de arbeid in de Stichting Clubhuizen ’t Schienvat van 1962 tot 1966; en P. Bijl (1924-2003) hulpdiensten voor de arbeid in de Stichting Clubhuizen ’t Schienvat van 1966 tot 1972.

In 1976 besloot de particuliere synode voortaan zélf evangelisatiepredikanten voortaan zelf in dienst te nemen en ‘in het vervolg geen medewerking en financiële steun meer te verlenen aan de vervulling van de thans bestaande vacatures, bij het ontstaan van een vacature, of bij het voor het eerst beroepen van een plaatselijke of klassikale evangelisatiepredikant’.

Een kerkje met een pastorie voor het evangelisatiewerk in Finsterwolde: ’t Schienvat.

De Kerk van Oostwold was in Finsterwolde al voor de benoeming van ds. De Leeuw op zoek gegaan  naar een woning met een stuk grond voor het bouwen van een ‘lokaal’. Al snel werd wat gevonden (het ging om de directeurswoning van de Tramwegmaatschappij), maar de prijs was te hoog en de koop ging niet door.

Kort daarop werd onderhandeld over een andere, niet minder geschikte, locatie. In de vergadering van 1934 kon worden meegedeeld dat ‘een geschikt nieuw huis met grote tuin aan de Westbaan in West-Finsterwolde’ was gekocht, voldoende voor de bouw van een vergadergelegenheid, en op naam van de Gereformeerde Kerken in de provincie Groningen. Het ‘landhuis’ was voor de prijs van fl. 4.500 gekocht van mej. D. Voorthuis te Finsterwolde. Omdat de pastorie voorlopig nog leeg stond, werd br. Tjokkes te Finsterwolde gevraagd het gebouw te bewaken (‘met de vruchten uit de pastorietuin moet hij maar handelen naar eigen goedvinden’). Hij sliep er ’s nachts zelfs! Br. Toren zorgde voor een ledikant. De burgemeester en de opperwachtmeester werd gevraagd een oogje in het zeil te houden. Dit alles tekent de situatie in het dorp!

In de deputatenvergadering van juni 1934 bekeken de broeders het ontwerp voor de te bouwen vergadergelegenheid, te plaatsen schuin achter het woonhuis dat was aangekocht. De door verschillende aannemers berekende prijzen varieerden van fl. 1.865 tot fl. 2.985. Men vond de prijzen te hoog; met een eenvoudiger gebouwtje kon volstaan worden, meende men. Ook gaf men de voorkeur aan een verplaatsbaar gebouwtje van hout. Gelukkig was de zoon van de scriba van Oostwolds kerkenraad bouwkundige; deze maakte een gratis schets. In juli 1934 was de tekening van architect Postema gereed.

Afgesproken werd dat alleen aannemers uit Finsterwolde gevraagd zouden worden. Het tweede ontwerp dat door Postema getekend was werd goedgekeurd. De bouwkosten bedroegen fl. 1.600 en architect Westerman werd gevraagd naar déze tekening te bouwen. Voor de inrichting werd fl. 400 uitgetrokken en de verbouwing van de pastorie en de aanpassing van de omliggende tuin gingen fl. 1.000 kosten, zodat in totaal fl. 3.000 nodig was, met in kas fl. 1.000. Daarom werd voor de rest van het geld tegen 4% een lening aangegaan. Westerman berekende echter dat het plan van Postema ongeveer fl. 2.775 zou gaan kosten. De deputaten vonden dat wel wat veel en gaven Postema volmacht om te trachten ‘iets van de prijs af te krijgen’.

Het houten kerkje 't Schienvat met de pastorie.
Het houten kerkje ’t Schienvat met de pastorie.

Tijdens de vergadering van de particuliere synode in juni 1935 konden de deputaten meedelen dat de verbouwing van ‘het landhuis’ voor fl. 1.800, en de bouw van een ‘vergaderlokaal’ ten bedrage van fl. 2.350 inmiddels hadden plaatsgehad. Beide gebouwen waren tegen brand verzekerd (de pastorie voor fl. 5.200 en de inventaris voor fl. 2.400) en ook had men ‘tegen een billijken prijs beslag kunnen leggen op een orgel, dat bij het gezang in de samenkomsten niet gemist kan worden’. Men telde daarvoor fl. 85 neer en men bedong vijf jaar garantie. Het grote deel van het kerkzaaltje werd met banken en het kleine gedeelte met stoelen ingericht. En in de herfst zou over de kachel beslist worden. Verder werd iemand voor het schoonmaakwerk gezocht.

De kosten.

De notulen van de deputatenvergadering van februari 1935 geven wat meer inzicht in de kosten van het kerkgebouwtje: de totale aanneemsom was fl. 2.352; het timmerwerk van de gebroeders Mellema kostte fl. 2.096, het verfwerk van A. de Voogd werd voor fl. 180 gedaan; G. Bos verrichtte het loodgieterswerk voor fl. 53,50 en de elektrische lichtinstallatie werd opgedragen aan F. Mulder die fl. 22,50 berekende. Ook de verbouw van de pastorie kostte natuurlijk het een en ander: de aanneemsom was fl. 1.804. Daarvan nam timmerman H. Lindeman fl. 1.370 voor zijn rekening, schilder G. Luppers fl. 262, loodgieter F. Mulder fl. 120, terwijl deze ook het elektriciteitswerk ten bedrage van fl. 52,50 voor zijn rekening nam. Het kerkje kreeg de naam: ’t Schienvat. Kortom: alles was klaar om met het werk te beginnen!

Huisbezoek.

Ds. G.J. de Leeuw.

Ds. De Leeuw begon natuurlijk meteen met het afleggen van huisbezoek. In de rapportages daarover schetste hij een duidelijk beeld van wat hij in Finsterwolde tegenkwam. Daarom gaan we speciaal op dit onderdeel van het evangelisatiewerk uitvoeriger in.

In 1935 deelde ds. De Leeuw mee, dat hij bij de aanvang van zijn werkzaamheden meteen al gemerkt had ‘dat de hervormden wakker begonnen te worden’. Ze begonnen ook van hún kant het evangelisatiewerk flink te organiseren, met het gevolg dat de gereformeerde evangelisatie ‘het slechtste deel van de bevolking’ kreeg. Dat mocht trouwens als een grote eer beschouwd worden! Weliswaar had de hervormde evangelist Schaap gezegd dat hij best met ds. De Leeuw wilde samenwerken, maar deze meende op zijn beurt dat van samenwerking met deze hervormde broeder niets kon komen.

De hervormde kerk te Finsterwolde.
De hervormde kerk te Finsterwolde.

In 1936, na een jaar gearbeid te hebben, schreef ds. De Leeuw: ‘Vreselijk is de verwoesting door de moderne [hervormde] prediking gedurende een lange reeks van jaren aangericht. Zwaar drukt de nood op de arbeidersgezinnen. Velen staan verbitterd tegenover kerk en godsdienst. Scherp tekenen zich de richtingen af. Er is een groep atheïsten, die vijandig staat tegenover het christendom; ook een grote groep vrijzinnigen voor wie het lidmaatschap der hervormde kerk nog slechts een kwestie van fatsoen is, náast een groep, die beslist een moderne prediking zoekt. Verder is er een ‘orthodox’ te noemen groep, maar die door haar zelfgenoegzaamheid en totaal gemis aan zondebesef en schuldbewustzijn grote overeenkomst vertoont met de vrijzinnigen. Ook is er een kleine orthodoxe groep. Het huisbezoek is zeer moeilijk. Toch willen wij u onzen indruk niet onthouden dat het evangelie (in den kring van het huisgezin gesproken) vaak schijnt als water, gevallen op een dorstig land’.

Gelukkig kon de predikant melden dat ‘op vele onzer bezoeken door tallozen tégenbezoeken gebracht zijn in onze samenkomsten’. Ook merkte de predikant ‘dat van onze lectuur goede nota genomen wordt’.

Het jaar daarop, in 1937, rapporteerde ds. De Leeuw onder meer: ‘Het doen van huisbezoek in de zomermaanden is niet handig; de landbouwstand is dan hard aan het werk. Ook leeft men dan teveel buiten, zodat afzonderlijk contact met de gezinnen moeilijk is. Toch hebben we veel bezoeken gebracht, vooral bij onze landbouwers waar we meestal een behoorlijke ontvangst kregen. Zeer sympathiek staat men tegenover ons jeugdwerk; dat blijkt ook uit bijdragen voor onzen kampeertocht. Dat was ook de oorzaak van onze huisbezoeken aan de ‘hoogere stand’. Zij konden immers flink bijdragen aan de kosten daarvan. ‘Maar we hebben wel geleerd dat wanneer wij sterk willen blijven staan in deze arbeid, óok tegenover de landbouwers, wij toch onze éigen zaken moeten betalen. Al bleek het ongeloof ook bij hen sterk te leven als een betonnen muur, óok bij de meesten die bestuursfuncties bekleden in het hervormde kerkgenootschap zit het modernisme er diep in, en is er veel onverschilligheid tegenover de kerk, vooral ook de haat en afkeer tegen het bloed des Kruises!’ De argumenten daarvoor waren echter, zo had ds. De Leeuw gemerkt, ontleend aan de maatschappelijke toestanden en de sociale nood.

Ds. G.J. de Leeuw (1905-1967. Foto: via G. Kuiper, Appingedam.
Ds. G.J. de Leeuw (1905-1967. Foto: via G. Kuiper, Appingedam.

De predikant constateerde dat het makkelijker was de vrouwen te bereiken dan de mannen. Maar áls je eenmaal toegang had, wilde dat bij velen nog niet zeggen dat men de samenkomsten ging bijwonen. Daarbij was ‘valsche schaamte’ een zeer belangrijke oorzaak. Maar ‘toch is het opmerkelijk om te zien hoe brute tegenstand bij velen vermindert en plaats maakt voor een echte Groningsche voorzichtige vriendelijkheid waardoor contactmogelijkheden vergroot worden’.

In 1938 kon hij ‘de nadruk leggen op de welwillende houding van velen. Men is blij dat onze actie kennelijk iets blijvends is. Maar iets een goed hart toedragen wil nog niet zeggen dat men zich gewónnen geeft aan het evangelie’. In 1939 meldde hij dat ‘hier en daar ook enige gereserveerdheid werd aangetroffen en bleek lectuur soms niet gewenscht. Over het geheel kan men een steeds meer ontwakende sympathie opmerken, waarvan vooral het bezoek aan het Kerstfeest en de ouderavond blijk geeft. Felle debatten moesten soms worden gevoerd, maar de ontvangst was over algemeen goed’. Dat in dat jaar de communistische raadsmeerderheid (voorlopig?) verdween ‘deed ons geen kwaad’.

Ds. W.P. Kramer.

Ds. W.P. Kramer, die ds. De Leeuw in 1940 opvolgde, opereerde in oorlogstijd. ‘De verduistering verhinderde de nieuweling [de predikant] in Finsterwoldes heggen en steggen door te dringen, maar na een zomersche oriëntatie zal dit bezwaar zijn opgelost. De ontvangst was overal hartelijk en tegemoetkomend. Een bezoek bij een voormalige anarchist deed banden ontstaan, al trachtte hij die ook te verklaren met het gezegde: ‘Doomnie is toch ook anti-fascist?’ Een begrafenis bood mij kans in het publiek van Christus te getuigen. Helaas vergat mijn voorganger mij mee te delen dat ik als zijn opvolger tevens gezinsvoogd werd over een sociaal diep gezonken gezin (spiritusdrinker). Ten gevolge van dit verzuim kwam mij eerst na het sterven van den man ter oore dat bij zijn begrafenis een goede gelegenheid passeerde ook daar het evangelie te verkondigen’.

In 1942 rapporteerde de predikant méer over het sterven van dorpsbewoners: ‘Een broeder getuigde op het sterfbed van zijn geloof in Jezus Christus, waardoor zijn vrouw getroost werd. Een jongeman uit een totaal ongodsdienstig gezin klampte zich op zijn sterfbed vast aan het Woord van God. Zijn vredig sterven was voor zijn moeder aanleiding catechetisch onderwijs te volgen’.

Ds. W.A. Krijger.

Ds. W.A. Krijger constateerde in 1946 dat een bezoek bij jonge gezinsleden, die bijeenkomsten van een of andere evangelisatievereniging of -club bijwoonden, vaak aansluiting gaf bij huisgenoten. Deze bezoeken werden vaak gewaardeerd en ‘juist uit díe bezoeken blijkt hoe belangrijk een eigen predikant voor Finsterwolde is. Door deze jongeren werd de toegang tot de ouderen zeer makkelijk, althans in de meeste gevallen. Daarbij werd ook gemerkt hoezeer de kinderen meeleven en hoe ze er op staan hun les [van de zondagsschool] te leren’.

‘Met veel ouders hadden we vruchtbare gesprekken. Telkens weer merkt men, dat er van haat tegen het christendom geen sprake is. Toch zijn velen nog niet te bewegen tot kerkbezoek (‘vrees voor de publieke opinie’). Dringend nodig is daarom regelmatig huisbezoek, ook al ontbreekt de tijd vaak in verband met andere predikantswerkzaamheden. Maar bij ieder huisbezoek wordt het evangelie in het kort gebracht. De grootste moeilijkheid is de gehechtheid aan het aardse leven. Het broodvraagstuk en de politiek komen telkens weer aan de orde’.

Ds. W.A. Krijger (1917-1981). Foto: via G. Kuiper, Appingedam.
Ds. W.A. Krijger (1917-1981). Foto: via G. Kuiper, Appingedam.

In 1949 werd gerapporteerd dat niet alleen contacten gelegd was in de arbeiderswereld, maar ook in de middenstand. Daar was men gesteld op het gebrachte bezoek, ook al ‘willen ze wel praten en luisteren, maar naar de kerk, ho maar. Altijd is het onoverkomelijke bezwaar: naar de kerk gaat men hier in Finsterwolde niet. Dat is alleen goed voor ouden van dagen. Ambtelijk huisbezoek bij vrouwen van wie de man er niets van wil weten is praktisch onmogelijk. Meerdere malen werd met sterke aandrang het verzoek gedaan níet te komen. De vrouwen zien er altijd weer tegenop als een steile berg’. De predikant regelde het zo, dat gesprekken voortaan in de pastorie plaatsvonden. Tegenstand werd vooral ervaren in socialistisch en communistisch getinte gezinnen. ‘Grote geboden weerstand moest overwonnen worden’, zo meldde de predikant in 1951.

Na 1963 wordt in de rapporten aan de particuliere synode nauwelijks meer gesproken over huisbezoek, hoewel het ongetwijfeld zal hebben plaatsgevonden.

Lectuurverspreiding.

Lectuurverspreiding was in elk geval tussen 1935 en 1963 een regelmatig terugkerende bezigheid. Telkens lazen we in de rapporten over de arbeid in Finsterwolde dat het evangelisatieblad De Goede Tijding wekelijks werd verspreid. In 1935 was het aantal veertig, maar nog hetzelfde seizoen werd dat opgevoerd naar honderdvijftig. Direct na de oorlog werd het aantal bladen dat wekelijks werd rondgebracht langzaam verhoogd naar vijfhonderd (in de jaren 1947 tot 1949 zelfs zeshonderdvijftig, maar door geldgebrek moest in dat aantal ‘duchtig worden gesnoeid’ en begon men weer bij driehonderdvijftig wekelijkse exemplaren).

Vanaf het seizoen 1938-1939 werden ook het Paasnummer en het Kerstnummer van de Elisabeth Bode in ruime mate verspreid. En vanaf het seizoen 1951-1952 werd de EB ook wékelijks rondgebracht, zij het in kleine hoeveelheden. Natuurlijk werden ook de bekende (scheur-) kalenders met korte bijbelteksten verspreid, voor het eerst in het seizoen 1937-1938. Bovendien stelde de Vereeniging tot Verspreiding van de Heilige Schrift zo nu en dan de bekende Filippus-kalenders gratis beschikbaar en men hoopte dat de kosten door giften vergoed zouden worden, wat af en toe ook lukte. Soms waren ze op een gegeven moment zelfs uitverkocht en moesten ze bijbesteld worden. ‘Voor ons een bewijs dat er een kentering in ons dorp waar te nemen is’, en enkele jaren later: ‘Het is een bewijs dat de mensen zeer verdraagzaam staan tegenover de arbeid van de Gereformeerde Kerk’.

Finsterwolde EB

Zelfs werden vaak bladen in cafés en wachtkamers neergelegd. Af en toe werd De Bijbel in Vertelling en Beeld uitgegeven door de Bijbel Kiosk Vereniging, in de vrouwen- en meisjesverenigingen uitgedeeld en aan de jongens van de clubs van 15 jaar en ouder. De ontvangst van de bladen en kalenders was over het algemeen goed. In de rapportages wordt nooit melding gemaakt van vijandigheden, integendeel, vaak wordt opgemerkt dat de verspreide bladen ‘zoals altijd een goed onthaal vonden’. Zo werd bijvoorbeeld ook in 1949 gezegd dat de bladen uitstekend voldeden. ‘Een meisje van veertien jaar, dat alleen onze club bezoekt, is een van de verspreidsters. Ze woont bij opa en oma, die nooit naar de kerk gaan. Zij stellen dit krantje [De Goede Tijding] zó op prijs, dat zij hun kleindochter met de bezorging van zestig exemplaren hebben belast’.

‘Als het blad een keer niet op tijd komt wordt er eigener beweging om gevraagd. Ook wordt andere lectuur bezorgd bij hen die een beetje toenadering tot het geloof zoeken. Vaak ontwikkelt zich dan een gesprek’, en daar ging de lectuurverspreiding uiteindelijk natuurlijk om!

Van groot belang was dat de bladen regelmatig verspreid werden. Medewerking van voldoende verspreid(st)ers was dus van groot belang. En dat viel niet altijd mee. In 1939 trokken zich nogal wat jonge verspreiders uit Oostwold terug en ‘in Finsterwolde kon in die behoefte niet zo gemakkelijk worden voorzien’. Maar ‘zij díe dit doen, verrichten het met liefde en getrouwheid’.

In 1963 werd in de rapportage aan de Particuliere Synode Groningen voor het laatst melding gemaakt van de lectuurverspreiding, hoewel het vast en zeker nog wel zal zijn voortgezet.

Evangelisatiebibliotheek.

Tot de lectuurverspreiding werd ook gerekend het oprichten en in stand houden van een evangelisatiebibliotheek, die vooral in de wintertijd geopend was. Ds. De Leeuw achtte dit in 1935 in elk geval van belang, ‘opdat door het ter beschikking stellen van goede christelijke lectuur de harten van de mensen bereikt konden worden’.

Finsterwolde ansicht 2

De predikant ging er in overleg met de kerkenraad van Oostwold mee aan de slag en op 1 januari 1936 werd ‘onze christelijke volksbibliotheek’ geopend, met maar liefst 720 boeken, keurig opgesteld in het kerkje. ‘Dit was vooral mogelijk door talloze broeders en zusters die boeken gaven, maar zelfs ook brs. en zrs. uit de Stichting Wolfheeze in Gelderland’. In vier maanden tijd werden maar liefst 1.900 uitleningen geregistreerd ‘aan de jeugd en aan ouders van de jeugd’. En men blééf boeken doneren zodat het boekenbezit zich gestaag uitbreidde. Als leengeld werd een cent per gezin per week gevraagd.

Uitbreiding van het lokaal.

Ds. De Leeuw zag het belang van een bibliotheek dus niet alleen voor de jeugd, maar achtte het ook ‘zeer gewenschte arbeid onder volwassenen, mannen en rijpere jeugd’, reden waarom hij die arbeid wilde uitbreiden. Daarom sprak hij in september 1937 met de deputaten over zijn plannen.

Nodig waren volgens de predikant ‘a. een apart lokaal voor hen; b. daarin een leestafel met onze dag- en avondbladen; c. en onze sociale bladen en verder christelijke tijdschriften en andere lectuur; d. gedurende de middag en avond openstellen; e. gratis verstrekking van pijptabak en een kop koffie; f. gezelschapsspellen aanwezig; g. eenmaal per week een spreker met een lokaal of een maatschappelijk onderwerp; ook kan het lokaal voor filmavonden gebruikt worden. In een gezellig ingericht lokaal kan deze arbeid bijdragen om de weerstand van de volwassenen tegen onze gereformeerde evangelisatie te overwinnen en misschien zou daaruit een bijbelstudiekring kunnen voortkomen. Ook moet dit alles er toe bijdragen om de mánnen naar de zondagavondbijeenkomsten te halen. Deze arbeid is de nog ontbrekende schakel tussen de arbeid van het huisbezoek en onze zondagavondsamenkomsten’, zo meende ds. De Leeuw (in die tijd werden in Finsterwolde nog geen ochtendkerkdiensten gehouden).

Het logo van 't Schienvat.
Het logo van ’t Schienvat.

De deputaten hadden het in oktober 1937 – toen het plan besproken werd – goed begrepen: er zou een extra lokaal aan het kerkje moeten worden aangebouwd. ‘Dat zal veel geld kosten’, en het bibliotheekplan was niet van zo’n extra lokaal los te denken. Het één zou zonder het ander niet doorgaan, nog afgezien van het feit dat in het algemeen gebrek aan vergaderruimte was ontstaan. Architect ‘W. Postema zal gevraagd worden eens een paar tekeningen en kostenberekeningen te maken. Het beste zal zijn dat ds. De Leeuw dan zélf eens door de provincie zal gaan [om door het houden van toespraken bij de kerken geld in te zamelen voor het werk in Finsterwolde].

Weliswaar waren de deputaten bevoegd te proberen giften binnen te krijgen, ‘maar de zaak is belangrijk en straks moeten we geen aanmerkingen van de particuliere synode krijgen’, zo vonden de deputaten. Daarom wachten tot de toestemming van de synode afkwam en ondertussen: kon ds. De Leeuw de komende winter niet nog een lokaaltje in een café huren? Afgesproken werd dus dat de kerkenraad van Oostwold én ds. De Leeuw ‘maar eerst geld moeten inzamelen in Oostwold en omgeving, en dat de deputaten de zaak ondertussen aan de particuliere synode zullen voorleggen’.

Dat gebeurde op de synode van 1938, waar voorgesteld én besloten werd ‘om, met aanbeveling van de synode, een rondgang voor het evangelisatiewerk te Finsterwolde in de kerken der provincie te houden, én met het oog op de vergrooting van het lokaal én met het oog op de vermeerdering van inkomsten’. Men had intussen in namelijk een schuld van fl. 2.620; geen wonder bij een zich steeds uitbreidend werk!

Vanuit het hele land kwamen giften binnen (ds. De Leeuw had in twee nummers van het landelijke kerkblad De Heraut (in 1877 door dr. A. Kuyper opgericht) een zeer uitvoerig jaarverslag laten publiceren, waarin hij aankondigde: ‘Een uitbreiding van de lokaliteit móet er komen vóór de winter komt’. Er was, zo meldde de predikant in hetzelfde artikel, ondertussen al fl. 221,75 uit het land binnengekomen.

Dit is de gereformeerde kerk te Oostwold die in 1930 in gebruik genomen werd. Merk op dat het uiterlijk van ´t Schienvat vrijwel identiek is aan deze kerk.
Dit is de gereformeerde kerk te Oostwold die in 1930 in gebruik genomen werd. Merk op dat het uiterlijk van ´t Schienvat in Finsterwolde vrijwel identiek is aan deze kerk.

Grote opbrengst!

In 1939 kwamen de rondgang door de provincie en de uitbreiding van het kerkje in Finsterwolde opnieuw aan de orde. ‘De rondgang door de provincie [ruim veertig Kerken hadden toestemming gegeven daar een collecte te houden] en de verheugende opbrengst van dien collecte-rondgang, uitgegaan van en volgehouden door de kerkenraad van Oostwold, maakt het mogelijk tot de noodige uitbreiding van de vergadergelegenheid te Finsterwolde over te gaan. Indien de kerken, waar de rondgang nog moet worden gehouden, even mild offeren als vele andere, waar dit reeds geschiedde, zal het vermoedelijk mogelijk zijn én ons gebouw uit te breiden én onze schuld vrijwel af te lossen. De brs. te Oostwold wordt dank gezegd voor hun grooten ijver en de liefde waarmee ze deze zaak hebben behartigd, en de kerken voor haar bijdragen, terwijl hun bij den voortgang van hun inzameling ’s Heeren zegen wordt toegebeden’.

Uiteindelijk bleek de opbrengst ruim fl. 11.300 te bedragen! Dát wetende ‘verheugt het deputaten te kunnen meedelen dat, gezien de verblijdende opbrengst van de rondgang door de provincie, op hun laatst gehouden vergadering besloten kon worden tot de zoo nodige uitbreiding van de vergadergelegenheid te Finsterwolde. Met enkele dagen zal daarmee een begin gemaakt worden’.

De verbouwing en uitbreiding van het gebouwtje aan de Westbaan in Finsterwolde kwam er. In 1940 meldden de notulen van de particuliere synode tussen neus en lippen door: ‘Betaald: verrolling en vergroting met enkele lokalen van het evangelisatiegebouw [te Finsterwolde] en de uitbreiding der inventaris’. De uitlening van boeken ging na de verbouwing weer gewoon door en het boekenbezit nam toe, met in 1942 zelfs drieduizend boeken!

(Ds. De Leeuw had trouwens intussen het beroep van de Kerk van Zwartebroek aangenomen en had dus in 1940 afscheid genomen van Finsterwolde).

Men had ondertussen echter wel concurrenten gekregen, want in het seizoen 1938-1939 ‘zijn twee nieuwe bibliotheken in ons dorp geopend; daardoor verminderde de uitlening enigszins’, hoewel die al gauw weer bij trok. Want er bestond best belangstelling voor goede christelijke boeken ‘bij de mensen die onder onze bearbeiding staan’. Geldgebrek was echter een regelmatige bedreiging voor de vernieuwing van het boekenbestand. Toch zag men in het seizoen 1958-1959 kans nieuwe boeken te verwerven in plaats van afhankelijk te zijn van wat ‘uit de provincie’ aan tweedehandse lectuur binnenkwam. Dat had weer een uitbreiding van de lezerskring ten gevolge met boeken ‘die gretig aftrek vonden’.

Hier de Westbaan met ´t Schienvat toen het in steen werd herbouwd.
Hier de Westbaan met ´t Schienvat toen het in steen was herbouwd.

Het verlangen naar nieuwe boeken bleef levendig, want in het seizoen 1961-1962, toen overigens voor het laatst aan de synode gerapporteerd werd over de bibliotheek, wees men erop dat ‘de keus voor deelnemers steeds geringer wordt’.

Zondagsschool.

We meldden al eerder dat colporteur Toxopeüs in 1923 in Finsterwolde een zondagsschool geopend had, overigens zonder daarover nadere bijzonderheden te verstrekken. Daarna lazen we er weer lange tijd niets over.

Tót ds. De Leeuw in 1935 evangelisatiepredikant werd. Toen begonnen hij en zijn vrouw met twee zondagsscholen in ’t ‘lutje kerkje’ (‘het kleine kerkje’ ’t Schienvat). Vijfentwintig kinderen kwamen daar kijken, waarvan er zes gereformeerd waren. ‘Van twee gezinnen mochten de kinderen niet meer komen (de ouders verboden het)’. Desondanks liep het aantal kinderen gestaag op: in 1936 waren het er ‘dertig à veertig’, die natuurlijk onder meer een bijbelverhaal te horen kregen en versjes en teksten leerden ‘volgens het rooster van de ‘Gereformeerde Zondagsschoolvereeniging Jachin‘.

´De Heraut´, 7 januari 1894
´De Heraut´, 7 januari 1894

Natuurlijk vierden de zondagschoolkinderen samen altijd het Kerstfeest, waarbij in 1936 maar liefst honderdvijftig kinderen en honderd ouders aanwezig waren! ‘Ons gebouwtje was op zo’n schare niet berekend, zodat in een garage naast ons gebouw het feest in goede orde is gevierd’. In het seizoen 1938-1939 moest men enige teruggang constateren, omdat er ‘niet meer dan vijfentwintig kinderen waren, vaak minder’, maar desondanks werd ‘met deze kleintjes ook een uitstapje gemaakt’.

Tijdens de oorlog werd vanuit Finsterwolde nauwelijks melding gemaakt van de zondagsschool; de predikant, ds. Kramer, was door oorlogsomstandigheden in het seizoen 1943-1944 gedurende bijna een jaar afwezig (hij moest onderduiken) en een opvolger kon niet gevonden worden. Hoe dan ook, direct na de oorlog werd het werk gewoon voortgezet.

‘Aan het [bijbelverhalen] terugvertellen van de jeugd kan gemerkt worden dat ze al eerder bewerkt zijn. David en Saul zijn geen onbekende figuren meer’. Dat leidde tot het idee om in het seizoen 1945-1946 de ‘gelukkig steeds zeer trouwe groep van gemiddeld twintig leerlingen’ te vragen om zelf teksten en psalmverzen te leren en van tijd tot tijd kleine opstellen te maken over hetgeen verteld werd’. Dit ‘was zeer geslaagd’, hoewel er wel aan toegevoegd werd dat ‘daardoor alleen zij die wérkelijk belangstelling hadden’ kwamen (tien jaar later rapporteerde men echter, dat het grootste enthousiasme daarvoor voorbij was: ‘Van het leren van opgegeven versjes of teksten komt nog steeds weinig terecht. Voor ons is de moeilijkheid hoe dit geïntensiveerd kan worden’. Vermoedelijk kon dat ook niet, want we horen er niets meer over. Hoe dan ook, na het seizoen 1965-1966 horen we in de rapportages aan de particuliere synode niets meer over het zondagsschoolwerk in Finsterwolde.

Niet verwonderlijk: het evangelisatiewerk in Finsterwolde zou nadien langzaam maar zeker veranderen.

Naar deel 2

Bronnen:

Archief Particuliere Synode der Gereformeerde Kerken in Drenthe. Drents Archief, Assen

Div. auteurs, Jubileumboek Klubhuis ’t Schienvat 1935-1985. Finsterwolde, 1985

Ds. Th. Dellemanstichting, Rapport over het functioneren van de Stichting Clubhuizen ’t Schienvat te Finsterwolde. Groningen, 1984

W.J. v.d. Kerk (rapp.), Conclusies en aanbevelingen inzake doorstart Clubhuis ’t Schienvat. Finsterwolde, 1997

G.J. Kok, ‘Een geheel bijzonder arbeidsveld…’. De evangelisatiearbeid der Particuliere Synode Groningen van de Gereformeerde Kerken in Nederland (1878-2004). Groningen, 2010

N. Schelhaas en K. Smit, 100 jaar Gereformeerde Kerk Oostwold (Old.). Oostwold, 1988

© 2016. GereformeerdeKerken.info