De gereformeerde Evangelisatiearbeid te Finsterwolde – deel 2

Korte terugblik.

In deel 1 van dit drieluik schreven we over het voorbereidende evangelisatiewerk in Finsterwolde, dat uitgevoerd werd door de kerkenraad van de Gereformeerde Kerk te Oostwold (Old.) in Oost-Groningen, onder verantwoording aan de Particuliere Synode Groningen.

Daarbij speelde colporteur Toxopeüs in de beginjaren een rol, totdat vanaf 1935 dit werk verricht werd door de opeenvolgende evangelisatiepredikanten van Finsterwolde, formeel in dienst van de kerk te  Oostwold. We vertelden over de aankoop van de pastorie en de bouw van een houten lokaal ’t Schienvat aan de Westbaan in Finsterwolde, en over het huisbezoek, de lectuurverspreiding, de evangelisatiebibliotheek en de zondagsschool.

Samenkomsten.

't Schienvat te Finsterwolde.
’t Schienvat te Finsterwolde.

In 1924 had colporteur Toxopeüs in een of ander zaaltje al eens godsdienstoefeningen gehouden, zo ontdekten de deputaten toen ze de Groninger Kerkbode lazen. Hoewel ze het met zijn optreden niet eens waren (hij had die opdracht niet), vonden ze dat de prediking van het Woord zeker ook in Finsterwolde moest plaatsvinden. En toen daar in 1935 een heus kerkje in gebruik genomen werd, konden ook daar kerkdiensten en andere samenkomsten gehouden worden.

Ds. De Leeuw begon meteen met het houden van evangelisatiesamenkomsten, elke zondagavond van 7 tot 8 uur. De eerste keer, op 5 mei 1935, waren er drieënveertig bezoekers ‘terwijl er op dertig gerekend was en de collecte bracht toen fl. 4 op. Zoveel mogelijk werd de liturgie, in onze Gereformeerde Kerken gebruikelijk, gevolgd’.

Dat men geen volle kerk verwachtte hoeft geen verrassing te zijn: ‘weinigen lieten zich overhalen naar de samenkomsten te komen’. Gelukkig was er een drietal gereformeerde gezinnen ‘op wier aanwezigheid we mogen rekenen’ en verder kwam een aantal orthodox hervormde personen naar ’t lutje kerkje [het kleine kerkje]; ‘Het Woord Gods mocht gebracht worden, al is het dan ook aan een kleine schare, maar die zich dan ook met volle belangstelling gezet heeft onder de verkondiging van het evangelie van Jezus Christus’, zo vertelde ds. De Leeuw in 1936.

Ondertussen zat de hervormde evangelisatie niet stil. Daardoor daalde het gemiddelde aantal bezoekers in 1936-1937 naar ongeveer vijfentwintig, hoewel ook een verminderde belangstelling van gereformeerde broeders en zusters uit omliggende kerken als mogelijke oorzaak werd aangewezen. ‘De hervormde predikant is ons zéér tegen. Daardoor verloren we ook enkele trouwe bezoekers; toch mochten we onze evangelisatiemenschen vasthouden’. In het seizoen 1937-1938 hadden de hervormden zelfs ‘twee gratis kerkbussen’ ingezet, die van de beide uiteinden van het dorp naar de samenkomsten in de hervormde kerk reden!

Maar er waren ook hoopgevende tekenen te melden: in 1938 gaven ‘twee van onze bezoekers van de diensten te kennen belijdenis te willen doen. Toen zij door de kerkeraad van Oostwold werden onderzocht, legden zij op zeer duidelijke wijze belijdenis van hun geloof af, waarbij zij toonden zeer helder inzicht in de waarheid te hebben’.

In de oorlogsjaren rapporteerde ds. Kramer onder meer dat ook jongelui op zondag trouw naar de kerkdiensten kwamen, óók naar de kerk in Oostwold, waar zelfs vaste plaatsen voor hen waren gereserveerd. ‘Uit tactische overwegingen is door mij nog nooit op de jeugdclubs op kerkbezoek aangedrongen’. Het aantal kerkbezoekers leek trouwens in het seizoen 1941-1942 langzaam te stijgen naar gemiddeld veertig personen en naar vijfenveertig in het jaar daarop. ‘Dit geeft het vertrouwen dat de voortgang niet kunstmatig is’.

Het logo van 't Schienvat.

Dit alles was voor de broeders een aansporing om, zodra dat mogelijk was, in Finsterwolde twéé diensten per zondag te houden. Dat werd met ingang van december 1944 geëffectueerd: er werden sindsdien ook morgendiensten gehouden. Duidelijk was overigens te zien dat gedurende een predikantsvacature of in diensten waar een andere dan de eigen predikant voorging, het aantal kerkgangers wat achterbleef.

Bij de bevrijding in 1945 kreeg het ‘lutje kerkje’ twee voltreffers te verduren: het voorste gedeelte werd beschadigd, maar was weer spoedig met materiaal uit het achterste gebouw hersteld, zodat op 6 mei 1945 weer diensten gehouden konden worden.

Instelling van de sacramenten.

Al in het seizoen 1941-1942 was de kerkenraad van Oostwold tot de conclusie gekomen, dat ‘de zichtbare tekenen en zegelen van het werk van onze Zaligmaker niet langer mogen ontbreken bij onze evangelisatiearbeid’. Daarom besloot de kerkenraad van Oostwold dat in het vervolg ook in Finsterwolde de doop en het heilig avondmaal bediend konden worden.

De eerste doop werd dat jaar bediend ‘aan een gereformeerde broeder, die zeven jaar lang buitenkerkelijk’ was geweest. ‘Deze vrijdenker geeft blijk van grote belangstelling, leest trouw de geschonken Bijbel en komt zondag aan zondag naar de kerkdienst.  Gezien het aantal tot deelname aan het heilig avondmaal gerechtigde leden)is dit jaar ook één keer het avondmaal bediend. Er waren zeventien bezoekers’. Ook legde een dooplid van de hervormde kerk belijdenis van het geloof af. ‘Deze diensten trokken grote aandacht in Finsterwolde en kunnen meewerken aan de bevordering van onze arbeid’.

In mei 1943 zegende ds. Kamer het eerste huwelijk in van ‘twee jonge mensen, die trouw ter club, ter catechisatie en ter kerk gekomen waren. Uit eigen beweging hebben ze gevraagd om kerkelijk te mogen trouwen. Ondanks enkele bezwaren ging de kerkeraad toch akkoord, in de eerste plaats voor hen zelf, maar ook ter wille van het uitdragen van het evangelie. Juist omdat in Finsterwolde niemand kerkelijk trouwt, mochten wij ons verheugen in de aanwezigheid van circa honderdveertig mensen. Velen hoorden toen voor het eerst het evangelie. Deze dienst was van zeer groot gewicht’, zo werd geconcludeerd.

Wisselende kerkgang.

In het seizoen 1948-1949 schommelde het kerkbezoek ’s winters behoorlijk. Een ernstige griep-epidemie hield hele gezinnen in bed. Met enige regelmaat werd gepreekt voor nog niet de helft van het anders aanwezige aantal toehoorders. ‘Soms worden de moed en de blijdschap daardoor gedrukt. Vooral is het moeilijk op zondagen als zo weinigen komen luisteren’. Anderzijds kon men constateren dat het heilig avondmaal, dat ook dat jaar vier maal gevierd was, door de belijdende leden trouw werd bijgewoond. ‘Jammer is het echter dat zovelen bij de dankzegging wegblijven. Men vindt één keer naar de kerk gaan voldoende’. Op zondag 22 april 1951 kon een nieuw avondmaalsstel in gebruik genomen worden. Dit was door de kerkbezoekers bij elkaar gespaard!

Regelmatig werden begrafenissen geleid van mensen die niet tot de kerk behoorden, maar wel regelmatig huisbezoek ontvingen. Dan was er gelegenheid om het evangelie te prediken. ‘Bij ziekte en sterven staat de mens meer open voor de eeuwige dingen dan anders’.

Niet alleen de griep deed het aantal kerkgangers verminderen, zeker ook het vertrek van gemeenteleden naar elders, zoals in het seizoen 1951-1952, toen twee belijdende en vijf doopleden, alsmede een tweetal trouw meelevende gezinnen Finsterwolde verlieten. ‘Dat is een groot verlies voor onze kleine gereformeerde gemeenschap’. Gelukkig ‘waren er ook hervormden en vele buitenkerkelijken in de kerkdiensten’. Desondanks waren ‘de weerstanden om in een dorp als Finsterwolde naar de kerk te komen zeer groot’. Maar toch steeg het aantal belijdende leden van ruim twintig in de jaren ’40 tot ruim dertig aan het eind van de jaren ’50.

Aantal kerkgangers.

In het laatste oorlogsjaar, 1945, was het gemiddelde aantal bezoekers in de diensten in het kerkje in Finsterwolde ongeveer veertig. In het seizoen 1949-1950 was dat iets minder, namelijk gemiddeld dertig kerkgangers. Maar het daar daarop, in het seizoen 1950-1951 was het aantal bezoekers tachtig. In het seizoen 1951-1952 was het weer iets minder. Vanaf 1967 wordt in de rapporten betreffende Finsterwolde over kerkdiensten niet meer geschreven. Sterker nog: tijdens een van de ‘werkbesprekingen’ in 1967, ‘die vooral over Finsterwolde ging, drong ds. E. Verburg (1906-1995) van Winschoten aan op het houden van kerkdiensten daar [in Finsterwolde] voor buitenkerkelijken’. Kennelijk werden ze dus niet meer gehouden; het evangelisatiewerk zat in die tijd al in een langdurig veranderingsproces. Overigens deelde de heer E. Bijl mee dat in de jaren 1966 tot 1972 onder leiding van zijn vader, voorganger P. Bijl (1924-2003), wel degelijk kerkdiensten in het Schienvat gehouden werden.

Kerstvieringen.

Met kerst werd in 't Schienvat vaak een door het gereformeerd Tractaatgenootschap 'Filippus' uitgegeven verspreid
Met kerst werd in ’t Schienvat vaak een door het gereformeerd Tractaatgenootschap ‘Filippus’ uitgegeven ‘Kerstboodschap’verspreid.

Natuurlijk werden vooral de kerstvieringen in grote getale bijgewoond. Zo waren in 1936 maar liefst 260 personen aanwezig waaronder 120 ouders! In die samenkomst werd de kerstgeschiedenis verteld (in twee delen nog wel) waarbij de kinderen teksten mochten opzeggen. Ook werd door een van de medewerkers een vrij verhaal verteld en verleende de zangvereniging uit Oostwold medewerking. De kerstvieringen vonden vaak plaats in café Klein. Daar ging het kennelijk niet altijd even vredig toe, want die van 1936 was behoorlijk onrustig verlopen. ‘Door toedoen van veldwachter br. Bousema van Oostwold, die ongewenschte elementen buiten hield’, was de viering in 1937 gelukkig ordelijker verlopen. Hoe dan ook, deze vieringen werden jaar na jaar door velen bijgewoond; in die van 1945 waren honderdzeventig personen aanwezig. Ook in de jaren daarna werden de kerstvieringen druk bezocht.

Ouderavonden, contactavonden.

Meteen vanaf 1935 werden regelmatig ouderavonden gehouden voor de ouders van kinderen van de clubs en van de zondagsschool; in 1938 werd de derde gehouden, net als anders met bijbehorende tentoonstelling van het werk van de kinderen. ‘Enthousiast waren de mensen wat ze gezien en gehoord hebben. De kinderen hadden dan ook keurig werk gemaakt in de wintermaanden. Of er veel ouders waren? Laat ik het zo zeggen, dat er geen muis meer bij kon!’, zo schreef ds. De Leeuw.

Om de contactavonden op te vrolijken verleenden soms ook declamatoren hun medewerking, zoals in het seizoen 1947-1948, maar ‘gezien de soms geringe prestaties en de hoge kosten zal getracht worden hier in de toekomst geen gebruik meer van te maken’. Gelukkig voldeden de medewerking van de gereformeerde reciteervereniging Eloquentia te Oostwold en de filmvertoning van de Paulusvereniging wèl aan de verwachtingen. Ook wilde men de kinderen zelf meer laten doen.

Catechisatie.

In het seizoen 1941-1942 lezen we in de rapporten aan de Synode voor het eerst over catechese. Toen werd namelijk ‘een begin gemaakt’ met catechisatie voor acht meisjes (waaronder één dooplid van de Gereformeerde Kerk) en vijf jongens, waaronder twee gereformeerde doopleden. De leeftijden varieerden van 16 tot 21 jaar. Door brandstoftekorten (het was tenslotte oorlog) werden de catechisaties gehouden in de huiskamer van ds. Kramer. ‘De opkomst is trouw, de interesse uitnemend en de kennis goed. We hebben hoop voor rijke zegen in de toekomst’, zo werd opgemerkt.

De jongens waren het jaar daarop echter afwezig omdat ze door de oorlogsomstandigheden buiten het dorp moesten verblijven. Met hen werd voor zover mogelijk overigens contact gehouden. Voor het overige werd de catechisatie trouw bezocht door veertien jonge mensen van wie vier op de nominatie stonden om belijdenis af te leggen. Ook werd in een klein aantal gezinnen aan huis gecatechiseerd. Zo konden in juli 1944 vier vrouwen belijdenis doen.

In het seizoen 1946-1947 werd de catechesegroep gesplitst: een groep 11-14 jarigen en een groep ouderen. ‘Het was een lust onder hen te mogen werken. (…) Vooral de jeugd onder de vijftien staat door onwetendheid onwennig tegenover de christelijke geloofsleer. De vijftienplussers staan er wat dit betreft beter voor. Het hoofdthema is altijd de Bijbel. Bij de Schriftbespreking wordt zo nu en dan gewezen op dogmatische elementen’. (…) ‘Als men uit zichzelf of na zachte aandrang de wens te kennen gaf tot het heilig avondmaal te worden toegelaten, volgde écht catechetisch onderwijs’.

De Gereformeerde Kerk te Oostwold (Old.) had een belangrijke taak in 't Schienvat.
De Gereformeerde Kerk te Oostwold (Old.) had een belangrijke taak in ’t Schienvat.

Het aantal jongeren dat de catechisaties bijwoonde lag over het algemeen tussen de tien en de twintig. Ook in het laatste jaar dat over de catechese gerapporteerd werd (in het seizoen 1962-1963) waren er twee leeftijdsgroepen: de 12-14 jarigen (deze meisjes waren met z’n drieën) en de 15-17 jarigen (zeven meisjes). ‘Er is nog geen belangstelling bij de jongens’.

Vrouwenvereniging.

Op maandagavond 11 november 1935 werd, na ampele voorbereiding door ds. De Leeuw, de eerste bijeenkomst van de evangelisatievrouwenvereniging gehouden. Er waren zestien dames aanwezig. ‘Er wordt een deel uit de Bijbel, de kinderbijbel of uit een dagboek gelezen, en daarna wordt uit een boek voorgelezen, terwijl de vrouwen handwerken onder het genot van een kopje thee. ‘Iedere vrouw neemt zo mogelijk regelmatig vijf cent mee’ (ook al was dat niet verplicht), zodat in de zomer een uitstapje of een autotocht gemaakt kon worden. ‘In deze arbeid ligt zeer waardevol contact met de gezinnen’, zo werd opgemerkt.

De binding aan het dorp was van groot belang voor heel het werk van ’t Schienvat. Want ook al ondervond men tegenwerking van hervormde en communistische zijde, de dames lieten zich niet kennen: op 2 mei 1937 was een van de leden gestorven; ‘ze was in een gereformeerd gezin opgevoed maar door huwelijk van de kerk van Christus vervreemd, toch mocht ze als weduwe de laatste twee jaar teruggewonnen worden en in haar ziekte getuigen van haar vertrouwen in dien Christus die gekomen is om zondaren zalig te maken. Hartelijk was het meeleven van alle vrouwen, die de moed hadden in de volgstoet mee te lopen. Dit laatste was voor ons een blijk van binding en voor het geheele dorp een getuigenis’.

‘De aantrekkingskracht van onze vereniging is niet gelegen in een lokmiddel, maar in de sfeer en in de geest welke er heerscht’, zo merkte ds. De Leeuw in 1938 op. Met enige regelmaat deden leden van de vrouwenvereniging belijdenis in de kerk van Oostwold, zolang dat in Finsterwolde nog niet geregeld was. En ondertussen groeide het ledental in het dorp. In 1948 waren het er al zesentwintig, en ‘de opkomst was goed en de belangstelling intens’.

Ook vond af en toe een ‘diepere bespreking’ plaats, zoals in het seizoen 1948-1949, toen ‘het scheppingsverhaal ter sprake kwam. Toen werden ook verscheidene problemen aangesneden die op huisbezoeken ook vaak naar voren komen: het verschil tussen rijk en arm, de oorsprong van alle dingen, leven na de dood, de opstanding van Christus, ‘de opstanding des vleses’, het ‘slecht-zijn van kerkleden’, enzovoort’. Zulke besprekingen bleken de onderlinge band te verstevigen en met enige regelmaat kon worden geconstateerd dat ‘in de afgelopen winter het grootste deel der vrouwen geregeld in de kerkdiensten kwam’.

Op een gegeven moment werd het aantal vrouwen zo groot dat men de vijftig leden verdeelde over een ouderen- en een jongerenclub, ook al gaf het constante gebrek aan vergaderruimte in het met recht ‘lutje kerkje’ genoemde gebouw, telkens aanleiding tot huisvestingsproblemen.

Verbeelden we het ons of liep de belangstelling langzamerhand terug? In het laatste deputatenrapport, waarin melding gemaakt werd van de vrouwenverenigingen in het seizoen 1968-1969, werd opgemerkt: ‘Sommigen bezoeken gewone kerkdiensten wel eens. Voor kerkbezoek moeten veel weerstanden overwonnen worden. Soms worden de vrouwen door de echtgenoten tegengehouden. Op huisbezoek worden echter goede contacten gelegd’.

Deze vrouwenclub ging op bezoek bij het eetgerijbedrijf Sola
Deze vrouwenclub ging op bezoek bij het eetgerijbedrijf ‘Sola’ (foto: ‘Jubileumboek’).

Mannenvereniging.

In het seizoen 1937-1938 werden enkele samenkomsten voor mannen belegd, ‘sociale avonden’ genoemd. ‘Het doel was de arbeiders bijeen te brengen en met hen eerst eens over maatschappelijke omstandigheden te spreken, bezien in het licht van onze christelijke beginselen. Zo hopen we de geweldige weerstand te overwinnen die er tegen de kerk is. Dankbaar kunnen we melden dat we hier aanvankelijk in geslaagd zijn. Samenkomsten werden belegd in december, januari en maart. Het bezoek was boven verwachting. Er waren sprekers uitgenodigd en de vergaderingen hadden een zeer ordelijk verloop. Ook het vragen stellen, waarvan nogal veel gebruik werd gemaakt, bleef in zeer goeden toon’.

Dat smaakte naar meer, maar ‘uitbreiding van het werk onder de ouderen mag niet tot gevolg hebben de inkrimping van het werk onder de jeugd’, dat nog altijd als het voornaamste bestanddeel van het evangelisatiewerk in ’t Schienvat beschouwd werd en dat, door het ruimtegebrek, niet verdrongen mocht worden. Gelukkig dat in 1939 uitbreiding van het gebouw kon worden verwezenlijkt.

In het seizoen 1942-1943 bereidde ds. Kramer de oprichting van een mannenvereniging voor, die het jaar daarop verwezenlijkt kon worden. ‘Met zeer veel animo werd regelmatig vergaderd, met gemiddeld negen bezoekers’. Er werden Bijbelgedeelten en bijzondere  onderwerpen behandeld.

De mannenvereniging was twee jaar later herderloos ‘wegens gebrek aan leiding’ – dominee Kramer was toen legerpredikant – maar er was eigenlijk ook nauwelijks tot geen belangstelling meer voor. De rapporten van de deputaten aan de Synode zwijgen tot 1964 over het bestaan van een mannenvereniging, toen men via de jeugd van de clubs probeerde ook de vaders te interesseren om bij elkaar te komen in een mannenvereniging. ‘Gebleken is dat een mannenclub een redelijke kans van bestaan heeft’.

Het enige dat we daarna nog lazen is dat in het seizoen 1968-1969 een ‘herenclub voor 20-27-jarigen’ bestond met zeventien leden. Daarna zwijgen de rapporten erover.

Straatprediking.

Al voordat het ‘lutje kerkje’ in Finsterwolde gebouwd was, werd in die omgeving aan straatprediking gedaan. Maar nadat ’t Schienvat in Finsterwolde geopend was, werd op 22 juni 1936 voor het eerst een openluchtsamenkomst georganiseerd op de Ganzedijk. Dit gebeurde in samenwerking met de evangelist van de vereniging De Autozending in Nederland in Amsterdam, de heer Schotvanger: ‘Talrijk was het gehoor’. Toch was het verloop van de avond verre van rustig. Uitroepen als ‘Weg met Colijn’ en ‘Wij willen brood’, werden afgewisseld met het zingen van Internationale. Toch konden evangelist Schotvanger en ds. De Leeuw spreken, zij het ‘dankzij politietoezicht’. De heer Schotvanger herinnerde zich toen de nóg roeriger vergadering in 1931 overigens nog maar al te goed, zo zei hij.

Op 23 juni 1936, een dag na de happening op de Ganzedijk, werd in het Meerland in Oostwold een bijeenkomst gehouden, ‘welke matig bezocht werd, doch daar werd met aandacht geluisterd’. In Drieborg werd op de 24ste juni gesproken waar vijftig mensen zich onder het toeziend oog van twee politieagenten hadden verzameld. Het zangkoor uit Oostwold en het blaasorkest te Midwolda verleenden medewerking.

Ook in het begin van de vijftiger jaren (toen de rapportage aan de particuliere synode over de straatprediking trouwens een einde nam) werd regelmatig aan straatprediking gedaan en over het algemeen verliepen de bijeenkomsten positief: ‘Van een vijandige houding was geen sprake’, ‘Het gehoor luisterde zeer aandachtig’, ‘Flinke belangstelling’, en dat soort omschrijvingen maakten duidelijk ‘dat er in dit opzicht in Finsterwolde veel ten goede veranderd is’.

Voor zondagsschooluitgaven werd ijverig geadverteerd ('De Heraut', 11 november 1923).
Voor zondagschooluitgaven werd ijverig geadverteerd (‘De Heraut’, 11 november 1923).

Club- en jeugdwerk.

Het jeugdwerk in de evangelisatieclubs werd altijd als het meest belangrijke werk beschouwd. Het was immers van groot belang de jeugd al vroeg in aanraking te brengen met het evangelie.

De tijd van 1935 tot 1955.

Daarom was men ook in Finsterwolde in september 1935 begonnen met het jeugd- en clubwerk. Ds. De Leeuw had de zeventig meisjes ingedeeld in twee (later drie) leeftijdsgroepen en de tachtig jongens in drie! Inderdaad: ‘de toeloop van kinderen is groot’. De clubs duurden anderhalf uur lang. Een staf van twintig dames en heren uit Finsterwolde, Oostwold en Midwolda had zich als leid(st)ers opgegeven.

‘Op al deze clubs krijgen de kinderen bijbelsch onderricht en worden liederen geleerd uit onze evangelisatiebundel Stemmen des Heils’. De meisjes werden in de resterende tijd na de pauze beziggehouden met handwerkjes en de jongens met figuurzagen, tekenwerk, dammen, sjoelen, enzovoort. ‘Na Pasen zijn de jongens begonnen zich te oefenen in mondorgels en fluit, wat misschien ook een middel is om gedurende de zomermaanden het contact met de jongens te bewaren. Uiteraard zal dat met de meisjes beter gaan dan met de jongens’.

Stemmen des heils

Het spreekt vanzelf dat ds. De Leeuw zoveel mogelijk kinderen trachtte te bereiken. Daarom werden in het seizoen 1936-1937 pogingen in het werk gesteld om ook de jeugd ‘aan de oostzijde van ons dorp, aan de Ganzedijk, te bewerken. Die mislukten echter door gebrek aan lokaliteit. Ons verzoek aan B en W om gebruik te maken van een lokaal der openbare school werd ons door de communistische wethouders geweigerd’. De toeloop bleef echter onveranderlijk groot. In het eerste oorlogsjaar waren er maar liefst vijf meisjesgroepen (met in totaal ongeveer negentig meisjes) en ook vijf jongensclubs (met bijna tachtig jongens)!

Na de oorlog begon men met drie jongens- en drie meisjesclubs, elk met in totaal zo’n zestig kinderen. De werkwijze van de oudste clubs (zowel van de jongens als van de meisjes) werd ‘geheel veranderd: meer de werkwijze van de JV’ werd gevolgd. De bijbelvertélling werd bijbelbespréking en de jongens maakten van tijd tot tijd zelf een inleiding over een bijbels onderwerp.

Contact vasthouden!

Omdat het clubwerk alleen in de wintermaanden plaatsvond, achtte ds. De Leeuw het van belang ook in de zomermaanden het contact met de jeugd vast te houden, omdat je ze na de zomer immers anders makkelijk kwijtraakte! Zo waren de clubleid(st)ers in de zomer van 1937 ‘met enkele van de jongens drie dagen op kamp geweest naar het Zuidlaardermeer. De kosten waren voor velen een onoverkomelijk bezwaar. Om de kas niet te bezwaren is in overleg met de burgemeester een rondgang gemaakt bij onze landbouwers’. Die rondgang leverde bij vijftig boerderijen in totaal ruim fl. 50 op, zodat ‘geen enkele jongen zich om de kosten behoefde terug te trekken’.

‘Vijfentwintig jongens hadden zich opgegeven, maar slechts negen konden van hun ouders toestemming krijgen om met den Coccejaanschen dominee van huis te gaan. Het was prachtig om hen drie dagen uit hun ruwe sfeer in een christelijke sfeer te brengen’, zo vertelde ds. De Leeuw. Als uitstapjes door de te hoge kosten niet gehouden konden worden, werd er gesport. Met de meisjesclubs werden verschillende fietstochtjes gemaakt; die kostten nauwelijks geld.

Eind jaren ’30 bleek het steeds moeilijker de oudere jeugd vast te houden, want ‘nu de jeugd 15 tot 18 jaar is verlaten ze de schoolbanken om aan het werk te gaan’. Vooral hun omgang met oudere arbeiders ‘werkte voor ons zeer remmend, zoal niet van ons vervreemdend’. Daarom werd geprobeerd om voor de oudere jongens een JV (Jongelings Vereniging) op te richten. Half november 1938 begon die met de vergaderingen. Aanvankelijk waren er twintig, later twaalf jongens op de JV, ‘die flink werkten, waarbij een abonnement op het ‘Gereformeerd Knapenblad’ goede dienst bewees’.

Een jongensclub in 't Schienvat (foto: Jubileumboek).
Een jongensclub in ’t Schienvat (foto: Jubileumboek).

Ook het vasthouden van de oudere meisjes begon problemen te geven. Daarom werd geprobeerd voor hen een meisjeskoor op te richten; dat liep echter op niets uit. Ook het houden van kampeertochten hielp niet en toen tegen het eind van de oorlog, na afloop van het winterseizoen, werd overgegaan tot het houden van zondagsschool, was de opkomst ‘niet geweldig groot’.

De trekkracht van het hervormde en neutrale jeugdwerk moest ook niet worden onderschat. Tegen het eind van de oorlog vroeg men zich af of ‘we met de clubs ook aan sport moeten gaan doen, aangezien de modernen speciale sportclubs hebben opgericht, kennelijk met de bedoeling onze jonge mensen bij ons weg te halen’.

Het werd jaar na jaar moeilijker de jeugd tussen 18 en 20 jaar vast te houden. Er waren geen geschikte ontspanningsprojecten die als tussenschakel konden dienen en bovendien hadden de voorstanders van het socialisme in het dorp de jeugd in die leeftijdsgroep óók ontdekt. Na een gesprek met de deputaten werd geprobeerd financiële ondersteuning te krijgen van de burgerlijke gemeente ‘voor dit sociale en culturele doel’. Dat lukte niet, terwijl de neutrale stichting het wél voor elkaar kreeg!

Uit armoe werden toen maar twee verkoopavonden gehouden om geld bij elkaar te krijgen en zo meer spelmateriaal te kunnen aanschaffen. Door de opbrengst daarvan, samen met andere giften en bijdragen, kon men in het seizoen 1952-1953 het achterste gedeelte van het kerkje speciaal voor de oudere jeugd inrichten. Daar kwamen ze op de zaterdagavond vertier zoeken. ‘We hebben nu een groot- en een tafelbiljart, dit laatste was een geschenk van een broeder uit Winschoten. Verder een tafeltennistafel (van wedstrijdformaat) en diverse spelen. De overige ruimte werd met gezellige zitjes ingericht’.

Geen wonder dat deze instuif op zaterdagavond per 1 januari 1953 met groot animo door de betreffende leeftijdsgroep werd bezocht. Toch bleef het probleem dat – nadat de oudste groepen de clubs verlaten hadden – ‘ze weer onderduiken in de massa. De troost voor de broeders en zusters te Oostwold is, dat het zaad is gezaaid’.

Orde.

Het zal niet verbazen dat, vooral bij de jongens, de orde soms problemen gaf. In het seizoen 1936-1937 moesten ‘enkele elementen’ verwijderd worden. ‘Verblijdend was, dat een vader weer toegang tot het kerkje kwam vragen voor zijn jongen, hetwelk na excuses ook verleend werd’. In het seizoen 1937-1938 gaven ook de wisseling van de drie bestaande jongensclubs (met zestig jongens) bij het in- en uitgaan ordeproblemen. ‘Maar vooral heeft het dit nadeel, dat de laatste jongens veel te laat, en dan nog niet altijd even kalm, huiswaarts keerden. Daar de meeste gezinnen om ongeveer negen uur à half tien ‘te berre’ moeten, werd ons dit door verschillende ouders nogal kwalijk genomen’. Datzelfde gold echter ook voor de laatste meisjesclub.

Anderzijds lazen we regelmatig dat ‘over de aandacht tijdens het evangeliseren niets te klagen is. Bij navraag kan goed worden naverteld, de opkomst is trouw, ook als de dagen langer worden (wat minder door de jongens)’. Toen in het eerste oorlogsjaar de groep 15-plussers door ordeproblemen dreigde te verlopen vroeg een aantal jongens van 16 jaar en ouder om een eigen club op te richten, die ze trouw bezochten. ‘Bij hen bestaat grote belangstelling voor de vertelling en ook zingen ze graag; opmerkelijk voor die leeftijd!’

Op de club heerste over het algemeen een ‘zeer amicale geest, waardoor minder straf optreden mogelijk werd, wat een geest van vertrouwen schept, waardoor de jongelui open met problemen voor de dag komen’. Op de vraag wat de jongens na afloop van het winterseizoen het liefst ontvingen als aandenken antwoordden velen: ‘een bijbel’!

't Schienvat te Finsterwolde.
’t Schienvat te Finsterwolde.

Bijzondere bezigheden…

Afwisseling was voor de jongens en meisjes ook toen al van belang. Daarom werden in de jaren ’30 tot ’50 op de clubs regelmatig alternatieve bezigheden aangeboden. Zo werden ‘lichtbeeldenavonden’ gehouden (‘een eigen epidiascoop [waarmee platen uit boeken konden worden geprojecteerd op een scherm] wordt steeds nodiger’), opstellenwedstrijdjes georganiseerd (‘waarin sommige kinderen bijbelverhalen niet onverdienstelijk weergaven’), en ook werden filmavonden gehouden waar bijvoorbeeld in 1938 ‘onze oude Soemba- en Javafilm over de zending werd vertoond. De jeugd genoot niet alleen, maar nu weten ze ook hoe het in de zending gaat’. Natuurlijk werden ook gezamenlijke kerstvieringen gehouden. Die werden door zeer velen bezocht, ook door vele tientallen ouders; de kinderen kregen daar vaak ook een rol in.

In de oorlogsjaren moest natuurlijk uiterste zuinigheid met de brandstoffen betracht worden. Ook gebeurde het  dat de brandstof gewoon op was, maar ‘verhoogde toewijzing bracht uitkomst, waardoor de gevreesde stopzetting voorkomen werd’. In de oorlog kreeg men gebrek aan triplex, wol en katoen, zodat de werkzaamheden met de jongens en meisjes moesten worden aangepast. Ze mochten opstellen gaan maken en psalmverzen en teksten leren, ‘wat met veel animo gedaan werd’, maar niet voor lang! Want wat men bij lezing van deze zin kan vermoeden geschiedde ook: het laatste oorlogsjaar waren de jongensclubs opgehouden (‘er kon niet gezaagd worden’), ook waren er toen nog maar twee meisjesclubs.

Na de oorlog duurde het geldgebrek voor de aanschaf van materialen nog enkele jaren voort. ‘De clubs kunnen alleen met voldoende materiaal in een prettige sfeer werken’. Figuurzagen en handwerken was voor de jeugd immers wél het ‘lokmiddel’ om ze naar de clubs te krijgen!

Naar deel 3

Bronnen:

Archief Particuliere Synode der Gereformeerde Kerken in Drenthe. Drents Archief, Assen

Div. auteurs, Jubileumboek Klubhuis ’t Schienvat 1935-1985. Finsterwolde, 1985

Ds. Th. Dellemanstichting, Rapport over het functioneren van de Stichting Clubhuizen ’t Schienvat te Finsterwolde. Groningen, 1984

W.J. v.d. Kerk (rapp.), Conclusies en aanbevelingen inzake doorstart Clubhuis ’t Schienvat. Finsterwolde, 1997

G.J. Kok, ‘Een geheel bijzonder arbeidsveld…’. De evangelisatiearbeid der Particuliere Synode Groningen van de Gereformeerde Kerken in Nederland (1878-2004). Groningen, 2010

N. Schelhaas en K. Smit, 100 jaar Gereformeerde Kerk Oostwold (Old.). Oostwold, 1988

© 2016. GereformeerdeKerken.info