De Doleantie te Waarder

De ‘Gereformeerde Kerk’ te Waarder ontstond in 1892 als gevolg van de Doleantie, waardoor op 7 maart 1887 de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)’ werd geïnstitueerd.

Kaart: Google.
Kaart: Google.

De Afscheiding.

De Afscheiding van 1834 kreeg in Waarder – tussen Bodegraven en Woerden – geen voet aan de grond. De reden daarvan was dat de prediking in de hervormde gemeente in de Afscheidingstijd als rechtzinnig beschouwd werd. Van 1816 tot 1837 stond daar ds. T. van Schuilenburgh; deze werd in 1837 opgevolgd door ds. D. van Wijngaarden.

Maar toch komen we Waarder in relatie tot de Afscheiding van 1834 tegen, al is het op zeer bescheiden wijze. Allereerst werd eind oktober 1836 door de Afgescheiden Gemeente van Bodegraven  een rekest aan de koning gestuurd, waarin om vrijheid van godsdienst gevraagd werd. In dit verzoekschrift verklaarden de zesentwintig ondertekenaars dat de gemeente zonder bezwaar van ’s lands schatkist zou zorgen voor een kerkgebouw, voor de betaling van de predikant en voor het onderhoud van de armen. Eén van de ondertekenaars kwam uit Waarder: de arbeider Maarten Hofland.

Verder schreef Klaas van Wijk (1787-1851) uit Bodegraven – een van de steunpilaren van de Afscheiding aldaar – in zijn dagboek over een gezelschap dat in Waarder huiselijke godsdienstoefeningen hield, ‘waar hij veel oude Godzaligen van elders’ ontmoette, die ‘klaagden over het diep verval in de Kerke Gods’. Mogelijk dat in dat gezelschap ook enkele mensen uit Waarder aanwezig waren, maar kennelijk kwamen ze vooral uit veel andere plaatsen in de omgeving.

Vóór de Doleantie.

Ds. A. Knoll ().
Ds. A. Knoll (1849-1919).

Ds. A. van Veelo (1844-1910), was van 1881 tot 1884 predikant van de hervormde gemeente van Waarder geweest. De gemeente was op hem en zijn orthodoxe prediking gesteld. Hij vertrok in 1884 naar Klundert en werd het jaar daarop opgevolgd door de even orthodoxe ds. A. Knoll (1849-1919). Maar al na ruim een jaar, op 31 oktober 1886, vertrok ds. Knoll naar de hervormde gemeente te Elburg. Daarna bleef de kerk van Waarder enkele jaren vacant. Pas op 1 december 1889 trad zijn opvolger aan. Zowel ds. Van Veelo als ds. Knoll gingen later met de Doleantie mee: ds. Van Veelo in januari 1887 in Klundert en ds. Knoll in maart 1890 te Zwijndrecht. De hervormde gemeente te Waarder was dus tussen 1886 en 1889 vacant.

Het begin van de Doleantie te Waarder.

Vanaf het vertrek van ds. Knoll was ds. M.J. Sanders van hervormd Sluipwijk de officiële consulent van de hervormde gemeente van Waarder. Hij was dus aanwezig op de kerkenraadsvergadering van 26 januari 1887, maar níet op die van 7 maart. De kerkenraad had namelijk besloten ds. W.F.A. Winckel (1852-1945) van de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)’ te Oudewater te vragen als consulent te fungeren.

Ds. W.F.A. Winckel (1852-1945) van Oudewater institueerde in 1890 de Dolerende Kerk te Noordeloos.
Ds. W.F.A. Winckel (1852-1945)  institueerde de Gereformeerde Kerk te Waarder.

Ds. Winckel was vijf dagen eerder, op 2 maart 1887, in Oudewater met de Doleantie meegegaan, sterker, had daaraan zelfs leiding gegeven. De kerkenraad van Waarder had de gebeurtenissen in Oudewater kennelijk op de voet gevolgd en was duidelijk ook zélf van plan in Doleantie te gaan. De notulen van 7 maart 1887 melden dat níet ds. Sanders als adviseur aanwezig was, maar ds. Winckel, ‘omdat men meende op de leiding van ds. M.J. Sanders, consulent der gemeente, tot het nemen van dringend noodzakelijke besluiten niet te kunnen rekenen’.

7 maart 1887.

De kerkenraad besloot op de vergadering van 7 maart 1887 de ‘synodale hiërarchie’ af te werpen, net zoals in de zestiende eeuw het pauselijk juk afgeschud was. Ook werd ‘alle kracht en geldigheid‘ ontzegd aan de door de Regering in 1816 opgelegde nieuwe kerkorde, het ‘Algemeen Reglement’ genoemd. Voorts keerde de kerkenraad terug  naar de aloude Dordtse Kerkorde, die in 1618-1619 door de Synode van Dordrecht was ingevoerd. De kerkenraad ‘voelde zich door de knellende band van het Algemeen Reglement niet in staat naar Gods Woord te handelen’. Deze top-down bestuursregeling was er volgens velen immers de oorzaak van dat in de kerk allerlei wind van leer op de kansels verkondigd kon worden. De kerkenraad had bovendien geen enkele verwachting van een kerkelijke procedure ‘om recht te verlangen’; dat hadden ze al lang duidelijk gezien aan hetgeen in Amsterdam met de tachtig afgezette ‘benauwde broederen’ gebeurd was.

waarder-waarder

Behalve aan de Koning en aan de Burgemeester was ook aan het hervormde College van Kerkvoogden en Notabelen te Waarder kennis gegeven van de beslissing die de kerkenraad genomen had. Dit college was het met de kerkenraadsbeslissing eens en volgde dat besluit (het College van Kerkvoogden en Notabelen had tot taak het beheer over de kerkelijke goederen en fondsen – behalve die van de diaconie – zoals het onderhoud van het kerkgebouw, de pastorie en andere bezittingen, het betalen van de predikant, de koster, de organist, enz.). Ook de gemeenteleden bleven op zondag trouw naar het hervormde kerkgebouw komen, waar nu wekelijks een dolerende predikant voorging. De preekstoel was ondertussen met een slot vergrendeld om te voorkomen dat de hervormde ringpredikanten haar konden bestijgen. Een kerkenraad hoefde uiteraard niet te worden gekozen, want op één diaken na was de hele kerkenraad, bestaande uit drie ouderlingen en twee diakenen, in Doleantie gegaan.

Enkele dagen na de Doleantie werden de ouderlingen en diakenen door het Classicaal bestuur van Gouda provisioneel (voorlopig) geschorst en een paar dagen later werden ze door het Provinciaal kerkbestuur van Zuid-Holland ontzet uit hun ambtelijke bedieningen in de hervormde kerk. Ook werd hun het lidmaatschap van de Nederlandse Hervormde Kerk afgenomen. Begin juni – toen duidelijk gebleken was dat ook de kerkvoogden niet op hun beslissing terugkwamen – werden zij eveneens afgezet. Ook de notabelen te Waarder werden, ruim een jaar later, uit hun functie gezet.

Beroepingswerk.

De Dolerende kerkenraad ging dus op zoek naar een predikant. De eerste die zou worden bezocht was de hervormde, maar dolerensgezinde ds. K. Fernhout (1858-1953) van het Friese Tzum. Men ging hem daar ‘horen’, met als gevolg ‘dat over de predikant de meest gunstige getuigenissen werden vernomen’. De kerkenraad besloot dus te beroepen.  Hem werd een traktement van fl. 1.600 toegezegd met vrij wonen en vrijdom van belasting. Ds. Fernhout nam het beroep echter niet aan.  Hij vertrok in 1887 naar de Dolerende kerk te Zwartsluis.

Ds. C.W.J. van Lummel (), de eerste gereformeerde predikant van Waarder.
Ds. C.W.J. van Lummel (1856-1940), de eerste gereformeerde predikant van Waarder.

In mei 1887 bracht de kerkenraad een beroep uit op VU-candidaat C.W.J. van Lummel (1856-1940). Deze nam het beroep aan en nadat hij zijn laatste examen had afgelegd om toegelaten te worden als predikant, was hij op 24 juli 1887 door ds. Winckel in het ambt bevestigd. Hij deed ’s middags intrede naar aanleiding van de woorden van psalm 50 vers 5 en 6: ‘Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten, die Mijn verbond maken met offerande! En de hemelen verkondigen Zijn gerechtigheid; want God Zelf is Rechter’. ‘De verhoudingen te Waarder waren zo scherp, dat de bevestiging als bij verrassing, vóór de bepaalde dag moest plaatsvinden’.

Een van de belangrijke besluiten die de kerkenraad nam was de oprichting van de ‘Vereeniging De Kerkelijke Kas’, die in Waarder in 1906 werd omgezet in de Commissie van Beheer. De ‘Kerkelijke Kas’ was nodig omdat de Dolerende Kerk van de overheid geen erkenning kreeg en dus geen rechtspersoonlijkheid bezat. De ‘Vereeniging De Kerkelijke Kas’  kreeg die wél en kon dus uit naam van de kerk officiële handelingen verrichten. In het kerkelijk leven deden zich gedurende het eerste kalenderjaar geen schokkende gebeurtenissen voor; het kon zich in betrekkelijke rust ontwikkelen.

Een jaar van strijd (1889).

Verliep het kerkelijk leven in 1888 vrij rustig, het jaar daarop zou een jaar van strijd worden om de kerkelijke goederen. In maart 1889 riep de hervormde classis Gouda de leden van de vroegere hervormde gemeente van Waarder bijeen om vast te stellen wie nu eigenlijk nog lid waren van de hervormde gemeente. Deze had vlak vóór de Doleantie ongeveer 320 leden, en van hen kwamen er 54 vertellen dat ze hervormd wilden blijven. Enkelen van hen trokken hun verklaring echter later weer in omdat ze spijt hadden van hun daad en tóch gereformeerd wilden blijven. Uit het midden der ‘vijftig getrouwen’ werden zeven notabelen gekozen, die op hun beurt vier kerkvoogden benoemden.

'De Heraut', 27 mei 1887.
‘De Heraut’, 27 mei 1887.

De rechterlijke uitspraak.

In mei 1889 deelde ds. Van Lummel mee dat hij een beroep van de kerk van Delft had ontvangen en dat hij dat wenste op te volgen. Bepaald werd dat hij in oktober afscheid zou nemen (op 17 juli institueerde hij de Dolerende kerk van Leerdam). Het vertrek van de predikant  was niet het enige dat de kerkenraad voor problemen plaatste. Want op 20 mei 1887 werd tijdens een gezamenlijke vergadering van kerkenraad en Kerkelijke Kas door ds. Van Lummel meegedeeld dat het Gerechtshof te Amsterdam drie dagen eerder uitspraak had gedaan inzake het eigendom van de kerkelijke goederen: het kerkgebouw, het archief, enz. Die uitspraak was voor de Dolerende gemeente zeer teleurstellend: het kerkgebouw was en bleef eigendom van de oorspronkelijke Nederlandse Hervormde Kerk, ook al waren vrijwel de hele kerkenraad en het College van Kerkvoogden en Notabelen in Doleantie gegaan, samen met het overgrote deel van de gemeente. Het eindoordeel van de rechtbank zou enkele dagen later worden uitgesproken, ‘en ook dát zal geheel ten onzen nadeele zijn’.

De hervormde kerk te Waarder.
De hervormde kerk te Waarder.

De kerkelijke goederen teruggegeven.

Toen het hervormde kerkgebouw weer bij de voortgezette hervormde gemeente terug was, kwam de deurwaarder op 19 juni 1889 bij de Dolerenden aan de deur met de sommatie binnen acht dagen ook de kerkelijke archieven, de diaconie-goederen en de inkomsten van de diaconie af te staan. Op 17 juli 1889 werd een schikking getroffen waarbij notulen- en administratieboeken, de archiefkist en nog andere roerende zaken werden overgegeven aan de hervormde kerkenraad.

Een noodkerk.

Het was dus maar de vraag hoe lang de Dolerenden nog gebruik konden maken van het hervormde kerkgebouw. Vandaar dat op 20 mei 1889 besloten werd voor fl. 1.500 een stuk grond aan de Dorpsstraat te kopen van B. Smit te Haastrecht. En bovendien zou een advertentie geplaatst worden waarin prijsopgave gevraagd werd van de huur van een noodkerk. Als dát lukte zou ook getracht worden een stuk grond te huren waar die noodkerk enige tijd zou kunnen staan. De koop van een stuk grond aan de Dorpsstraat, recht tegenover de hervormde kerk, kon doorgaan, voor fl. 100 meer dan begroot was.

Er kwamen echter geen opgaven binnen voor de huur van een noodkerk. Vandaar dat een tekening werd gemaakt om de timmerlieden in de gemeente in staat te stellen te berekenen hoeveel de bouw ervan zou kosten. Ook moest men alvast plannen maken voor de bouw van een kerk met pastorie. Daarvoor was fl. 20.000 nodig. Nog tijdens de vergadering werd door de aanwezigen maar liefst fl. 9.000 toegezegd.

Ondertussen had de rechterlijke uitspraak over de kerkelijke goederen tot gevolg dat hervormde predikanten toegelaten moesten worden tot het kerkgebouw en tot de consistorie voor het geven van catechisatie. Het had, zo besefte de Dolerende kerkenraad, geen zin zich tegen het rechterlijk vonnis te verzetten, waarom men besloot niet langer in het hervormde kerkgebouw te vergaderen.

Inmiddels was op 24 juni 1889 aan Hermanus de Hoog uit het naburige Driebruggen opdracht gegeven een houten noodkerk te bouwen. Zes dagen later, op 30 juni, kon in het donkerrood geverfde kerkje al de eerste kerkdienst gehouden worden! Volgens de toestemmingsbrief van de gemeente stond de noodkerk voor de huidige kerk. Het was een ‘doelmatig ingericht’ gebouw, dat fl. 670 had gekost.  Voor nóg negentig gulden werden honderd stoelen aangeschaft voor onder meer ouderen en minder validen; de andere kerkgangers  zaten op geïmproviseerde banken. Maar men bleek te weinig ruimte te hebben, zodat de week daarop het kerkje nog snel even een stuk werd verlengd.

Een eigen kerk!

De gereformeerd kerk te Waarder.
De gereformeerd kerk te Waarder.

In de herfst van 1889 werd de opdracht voor de bouw van een stenen kerk gegeven aan timmerman Jan Piet Bot, woonachtig in Waarder. Ook werd een pastorie gebouwd. De kosten voor het project bedroegen fl. 16.750. Aan het verlenen van de bouwopdracht was wel het een en ander voorafgegaan. Het gemeentebestuur had op 13 juni 1889 weliswaar meteen toestemming (per abuis gericht aan ‘het kerkbestuur van de Ned. Hervormde Gemeente te Waarder’), maar Gedeputeerde Staten weigerden de goedkeuring. Pas nadat bij de Koning in beroep was gegaan werd toestemming verleend. De kerk werd gebouwd aan de Dorpsstraat (nu Dorp geheten), zoals gezegd recht tegenover de hervormde kerk, maar iets achteraf. In augustus 1890 ‘was de kerk bijna klaar’, maar er zijn, hoe vreemd het ook klinkt, geen bijzonderheden bekend over de bouw noch over de ingebruikneming, die ergens eind 1890 moet hebben plaatsgehad. Ook in de landelijke kerkelijke bladen als ‘De Bazuin’ en ‘De Heraut’ werd daarover niet bericht.

Het nieuwe interieur van de geref. kerk te Waarder.
Het nieuwe interieur van de geref. kerk te Waarder (foto: Reliwiki, Andre van Dijk).

Een nieuwe predikant.

Ds. Van Lummel mocht in de pastorie blijven wonen totdat de voortgezette hervormde gemeente weer een predikant had. Dat was ds. H. Visch, die  op 1 december 1889 intrede deed (ds. Van Lummel was toen al vertrokken naar Delft).

waarder-kerkzegel

In 1891 werd ds. H. Cramer (1831-1917) de tweede predikant van de Dolerende Kerk van Waarder. Hij deed op 19 april dat jaar intrede en bleef in Waarder tot 1900, toen hij met emeritaat ging. Tijdens zijn predikantschap kwam op 17 juni 1892 de landelijke fusie tussen de  Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken (doleerende) tot stand; ook de kerk van Waarder heette vanaf die dag ‘Gereformeerde Kerk’.

De ledentallen van de Gereformeerde Kerk te Waardfer tussen 1905 en 2015.
De ledentallen van de Gereformeerde Kerk te Waarder tussen 1905 en 2015.

Bronnen onder meer:

A.J. Boele, De Heere is uw Bewaarder. Een bundel bijdragen over de geschiedenis van het kerkelijke leven in Waarder. g.p., 1985

Commissie viering 125-jarig bestaan (red.), Gedenkboek 125 jaar PKN Gereformeerde Kerk Waarder. 1887-2012. Waarder, g.j. [2012]

J. Voskuil, Doleantie + 100. 1887 Waarder 1987. Waarder, 1986

© 2016. GereformeerdeKerken.info