Uit de Pers (12) – 1957 Eenheid der Amsterdamse gereformeerden

uit-de-pers-logo

Inleiding.

In 1892 ontstonden ‘De Gereformeerde Kerken in Nederland’ door de samenvloeiing van de ‘Christelijke Gereformeerde Kerk’ uit de Afscheiding van 1834 en de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerken’ uit de Doleantie van 1886.

Plaatselijk kon het veel langer duren eer deze twee kerken – als die ter plaatse al beide aanwezig waren – bij elkaar kwamen. In het ‘Centraal Weekblad’ schreef H.R. Zijlstra sr. in 1957 over de Vereniging tussen beide kerken zoals die te Amsterdam op 16 september 1897 plaatsvond.

“Eenheid van gereformeerden in 1896 – 1897.

Zestig jaar geleden was de ineensmelting van de Gereformeerde Kerken te Amsterdam, onderscheiden in A en B, in menige kring onderwerp van gesprek. In principe had deze fusie al in 1896 haar beslag gekregen, in afwachting van een definitieve regeling, maar nog altijd bleven bepaalde groepen in ‘Kerk A’ hiervan afkerig.

Tot goed begrip diene, dat onder ‘A’ de Christelijke Gereformeerde Kerk van 1834 (de Afgescheidenen) moest worden verstaan. ‘B’ duidde aan de Nederduitsche Gereformeerde Kerken, toenmaals in Doleantie. In onderscheidene plaatsen bestond nog een derde groep, die van de ‘Gereformeerde Gemeenten onder het Kruis’, daterend van 1869, welke in Amsterdam echter niet meer voorkwam.

Ds. B. van Schelven ().
Ds. B. van Schelven (1847-1928).

Ds. B. van Schelven (1847-1928), de vermaarde scribent, schreef in de ‘Amsterdamsche Kerkbode’  van 6 september 1896 onder meer: ‘Telkens rijst de vraag hoe het staat met de samensmelting  van de beide kerkformaties van gereformeerde belijdenis in onze goede stad. Het gevaar dreigt, dat door de lange duur der onderhandelingen het uitgangspunt (de fusie) uit het oog wordt verloren’.

Hiermede richtte de schrijver zich tot degenen die de ineensmelting op de lange baan wilden schuiven  met de opmerking: ‘Wij zijn reeds klassikaal en synodaal één. Dat is voldoende’.

Een slaapdrank…

Ds. Van Schelven noemde deze redenering een slaapdrank. ‘De zonde bindt niet samen, maar rafelt los’, merkte hij op en daarom was elk streven om de gedeeldheid te bestendigen, te wantrouwen. Eerder reeds duchtte ‘B’ een stortvloed van bedenkingen, ook van ‘degenen die onder banier van de heren Wisse en Van Lingen optrokken’. Hiermede wees ds. Van Schelven de opkomende ‘voortgezette’ christelijke gereformeerde kerk van 1892 aan, die zich niet met de fusie kon verenigen en een nieuwe kerkformatie stichtte, bedoeld als voortzetting van die der Afgescheidenen.

Zij die zich in de hoofdstad tegen de ineensmelting verzetten, hadden de Amsterdamse voormannen niet mee. Op 6 mei 1897 schreef ds. W.H. Gispen (1833-1909), zoon der Afscheiding, in ‘De Bazuin’ aan zijn ‘vriend te Jeruzalem’: ‘In Amsterdam hebben de Dolerenden een groot huis gekocht op de Keizersgracht (de latere Keizersgrachtkerk), schuin over onze kerk (de toenmalige christelijke gereformeerde Nieuwe Kerk). We zijn dus bijna verenigd. Maar tussen hen en ons ligt nog een diepe gracht, die ons voorlopig scheidt. Om bij elkander te komen, moeten wij een hoge brug over en of het daar werkelijk eens toe komen zal, moet de tijd leren’.

In Amstrdam werd de Keizersgrachtkerk de eerste kerk van de Dolerenden (1887).
In Amstrdam werd de Keizersgrachtkerk de eerste kerk van de Dolerenden (1887).

Dezelfde ds. Gispen richtte op 21 augustus 1888 met de predikanten H. Beuker (1834-1900), W. Doorn (1836-1908) en J. Westerhuis (1851-1910) namens de synode der Christelijke Gereformeerde Kerk te Assen een hartelijk schrijven tot de tegelijkertijd te Utrecht bijeen zijnde synode der Nederduitsche Gereformeerde Kerken. In dit epistel karakteriseerde de Asser Synode de reformatorische beweging van 1886, de Doleantiel, als een heuglijk verschijnsel en prees men de vereniging van alle gereformeerden als een eis van Schrift en historie.

In 1892 was de gracht tussen de genoemde kerken er nog wel, maar de mannen van 1834 hadden toen geen bedenkingen meer over de brug te komen en de broederhand ter wisselen tussen de bedachtzame Gispen en de vurige Kuyper, de voorzitters van de beide synodes, geëerde en geliefde voorstanders van de zo zeer begeerde eenheid. De synode van de Verenigde Gereformeerde Kerken legde haar uitspraak niet aan de plaatselijke kerken op. Dáár moest de Vereniging groeien.

Amsterdam.

Te Amsterdam had men daarvoor vier jaren nodig. Er is ook daar veel geduld geoefend om tot een gemeenschappelijk inzicht te komen. ‘De Heere roept tot eenheid. Zijn wil moet als een prikkeling in onze lendenen zijn’, aldus ds. Van Schelven.

Ondanks enige protesten uit de A-groep keurde de septembervergadering van de classis Amsterdam de ‘Acte van Samensmelting’ met nagenoeg algemene stemmen goed. In de verenigde kerkenraadsvergadering op 9 september 1897 zei de praeses, prof. dr. F.L. Rutgers (1836-1917), dat het gedurende zovele jaren nagestreefde doel was bereikt. Hij uitte de hoop en de verwachting, dat op dezer daad van gehoorzaamheid de zegen der Heren mocht rusten.

Dr. F.L. Rutgers (1836-1917), 'de jurist van de Doleantie'.
Dr. F.L. Rutgers (1836-1917), ‘de jurist van de Doleantie’.

Ds. L. Neijens (1840-1913) sprak woorden van blijdschap, doch van weemoed tevens, ‘wijl niet allen met ons optrokken’. Ook prof. dr. A. Kuyper (1837-1920), de talentvolle leidsman van de Doleantie, sprak de vergadering toe: ‘Niet met hoog gestemde geestdrift’, zei hij, ‘maar met stille ernst mogen wij deze goede berichten vernemen. Tegen de neiging van het hart in, om in eigen kring afzonderlijk te leven, mogen wij de nieuwe taak aanvaarden, te meer wijl nu een scheur is weggenomen, die de kracht van het volk van gereformeerde belijdenis brak. Mogen de honderden en duizenden buiten onze kerkgemeenschap, wier hart dezelfde beginselen beaamt, nog eens hieraan worden toegevoegd’.

De mededeling van de kerkenraad.

In ene kanselboodschap maakte de kerkenraad aan de gemeente bekend, ‘dat de samensmelting der beide kerkenformaties alhier, tot dusver onderscheiden door de letters A en B, een voldongen feit is geworden. De gezamenlijke dienaren des Woords, ouderlingen en diakenen, hebben de ene kerkenraad van Amsterdam geconstitueerd. Met dank aan de Here wordt deze zo gewichtige gebeurtenis aan de gemeente meegedeeld, wijl Hij het was, die door Zijn Woord en Geest in de harten heeft gewerkt, opdat de hinderpalen uit de weg zouden worden geruimd, en de eis der gehoorzaamheid de overhand zou behouden.

Geen ‘lokalen’ meer…

Voortaan kende gereformeerd Amsterdam geen ‘A’ en ‘B’ meer. De Dolerenden hadden de ‘lokalen’ waarin zij sinds 1886 aanvankelijk hun kerkdiensten hielden, al vaarwel gezegd. Onder voorgang van de predikanten A. Brouwer (1838-1901), N.A. de Gaay Fortman (1845-1927), W.H. Gispen, D.J. Karssen (1848-1926), H.W. van Loon (1846-1916), L. Neijens (1840-1913), B. van Schelven (1847-1928) en C.A. Renier (1844-1899) kwam de gemeente zondags tweemaal samen in negen kerkgebouwen; bovendien zondagmiddag, dinsdag- en woensdagavond. Op andere weekavonden woonde men een bijbellezing bij.

Het is niet de bedoeling vandit artikel om het te doen uitdijen tot een historisch overzicht van de Amsterdamse gemeente. Wel mag hier worden opgemerkt, dat de Ineensmelting van 1897 een bron van geestelijke kracht is gebleken. Zij was de consolidatie van de stichting van vijf kerkgebouwen binnen enige jaren tijdens. Nevens de Nieuwe-, Oude- en Plantagekerk van de voormalige christelijke gereformeerden, waren verrezen de Keizersgrachtkerk, de Raamkerk, de Boomslootkerk, de Funenkerk en de Buiten- Amstelkerk; vruchten van offervaardigheid, zoals slechts weinig in de kerkgeschiedenis is voorgekomen.

De Funenkerk aan de Funenkade te Amsterdam.
De Funenkerk aan de Funenkade te Amsterdam.

Ook de school Planciusstraat, waar de kerkgangers zich boven op de banken neervleiden, is veertien jaar in gebruik geweest. Tot heden (1957) is de Gereformeerde Kerk van Amsterdam een centrum van betekenis gebleven. Zij was de moedergemeente van grote kerken in Amsterdam-Zuid, -West, -Oost en –Noord. Haar leden zwermden uit buiten de grenzen van burgerlijk Amsterdam om als gevolg hiervan kerken tot openbaring te brengen of bestaande kerken te versterken.

Het aantal predikanten in burgerlijk Amsterdam, met inbegrip van diegenen die tot een bijzondere taak geroepen zijn (voor de zending, de Jodenzending, schippers, koopvaardij, evangelisatie, zieken en studerenden) is tweeënveertig.

Bron

H.R. Zijlstra sr. in:  Centraal Weekblad ten dienste van de Gereformeerde Kerken in Nederland, 5e jrg. nr. 1, 5 januari 1957