Proefschrift over de Afscheiding (1835) te Amsterdam

Het al enige tijd geleden aangekondigde proefschrift van ds. J.H. Soepenberg, predikant van de vrijgemaakt-Gereformeerde Kerk te Assen-Zuid, verschijnt op 5 december 2017. De titel is ‘Op ongebaande wegen’ met als ondertitel ‘De Afscheiding te Amsterdam (1835) als landelijke proeftuin voor vrije kerken’.

Het is een diepgravende en omvangrijke studie geworden (571 pagina’s), waarin het ontstaan en het vervolg van de Afscheiding te Amsterdam – die daar op 14 oktober 1835 plaatsvond – nauwgezet beschreven wordt in relatie tot de situatie in de hervormde gemeente in de hoofdstad.

Inleiding.

De Christelijke Afgescheidene Gemeente te Amsterdam kende roerige tijden. Een van de onderwerpen die in het proefschrift aan de orde komen is dat van de ‘Amsterdamse troebelen’. De Afscheiding in onze hoofdstad stond onder leiding van ds. H.P. Scholte (1805-1868), een van de ‘Vaders der Afscheiding’, en ook daarna preekte hij daar vaak, zodat de kerkenraad hem beriep als predikant. Hij nam het beroep echter niet aan, maar bleef nauwe banden met de gemeente onderhouden. Aanvankelijk was oefenaar R.G. Kamans sr. (1798-1877) enige tijd aan de gemeente van Amsterdam verbonden, maar in 1839 kwam ds. S. van Velzen (1809-1896) naar Amsterdam.

Ds. S. van Velzen (1809-1896).

Hij was, net als Scholte, een van de leiders van de Afscheidingsbeweging. Van Velzen was aanvankelijk predikant van de Afgescheiden Gemeenten in Friesland. De predikant was van 1839 tot 1854 verbonden aan de gemeente van Amsterdam; in dat jaar werd hij docent aan de Theologische School te Kampen. In Amsterdam werd Van Velzen door ds. H. de Cock (1801-1842), de eerste Afgescheiden predikant in ons land, in het ambt bevestigd.

De Amsterdamse troebelen.

Verscheidene kerkenraadsleden, die zich tot de aanhangers van Scholte rekenden, waren echter tégen de benoeming van Van Velzen. Eind december 1839 beschuldigden ds. Scholte en zijn aanhangers binnen de kerkenraad ds. Van Velzen van ‘dubbelzinnigheid, twistgierigheid en heerschzucht’, terwijl ze ook aanmerkingen hadden op zijn prediking. Ondertekenaars van die brief waren de ouderlingen D.A. Budde en J.A. Wormser en de diakenen H. Höveker en D. Lijsen.

De beschuldigende brief werd echter door de kerkenraad bestreden. De broeders verklaarden dat er op ds. Van Velzen niets aan te merken was, noch op zijn gedrag, noch op zijn prediking; de briefschrijvers werden als ‘boze lasteraars’ beschouwd. Dat schoot echter bij Budde, Wormer, Höveker en Lijsen in het verkeerde keelgat; ze waren het met de reactie van de kerkenraad niet eens, waarop ze in hun ambt geschorst werden. Wel trachtte ds. A. Brummelkamp (1811-1888), ook een van de ‘Vaders der Afscheiding’, de gemoederen te bedaren en de broeders te verzoenen, maar tevergeefs.

De landelijke Synode.

Het synodeverslag (1840).

Van 17 november tot 3 december 1840 werd in Amsterdam de landelijke synode van de Afgescheiden Kerken gehouden. De ‘Amsterdamse twisten’ kwamen uiteraard ook aan de orde en getracht werd verzoening tot stand te brengen, maar ds. Van Velzen weigerde de voorgestelde overeenkomst te tekenen. Uiteindelijk onttrok diaken Höveker zich aan de Christelijke Afgescheidene Gemeente en keerde terug naar de Hervormde Kerk, terwijl Budde, Wormser en Lijsen nog een tijdje een soort van tegenkerkenraad vormden. Ook ds. Scholte werd door de Synode geschorst.

Strijdschriften.

De gevolgen voor de verdeelde Amsterdamse gemeente waren daarmee nog niet voorbij. Er werd veel over de gebeurtenissen geschreven, niet in het minst door ds. Scholte in het door hem geredigeerde tijdschrift ‘De Reformatie’. En in december 1840 volgde in diezelfde ‘Reformatie’ bovendien de later als zelfstandige publicatie uitgegeven ‘Beantwoording van de geschriften van DD. S. van Velzen en A. Brummelkamp wegens de zaken te Amsterdam’, geschreven door de [tegen-] kerkenraad van de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Amsterdam, bestaande uit de ouderlingen D.A. Budde en J.A. Wormser en de diaken D. Lijse (want Höveker was al opgestapt).

De brochure van de tegenkerkenraad.

Ze reageerden met hun zeer uitgebreide epistel op twee andere brochures over de Amsterdamse troebelen: het eerste geschrift was ‘De schorsing van vier kerkeraadsleden der Christelijke Afgescheidene Gemeente te Amsterdam, of Berigt van de ware toedragt nopens hetgene als bekendmaking in het Tijdschrift, genaamd de Reformatie, voor de maand februarij 1840, voorkomt’ (want men hield in die tijd niet van korte titels).

Het tweede geschrift waar Budde, Wormser en Lijse in hun artikel in ‘De Reformatie’ op reageerden was het ‘Verslag van de Vergadering van Opzieners der Gemeente Jesu Christi, gehouden den 6. en 7. Maart 1840 te Amsterdam’; dat was dus de landelijke Synode van de Afgescheiden kerken, waar de zaak verder uit de hand liep. Uitvoerig berichtten de drie ‘tegenkerkenraadsleden’ over de volgens hen onjuiste berichtgeving in genoemde geschriften over de moeilijkheden in Amsterdam.

Het boek van ds. Scholte.

Ook ds. Scholte kwam in 1841 met een uitvoerige brochure over de synode van maart 1840. De titel luidde: ‘Aanmerkingen betreffende een geschrift, getiteld: Verslag van de Synode der Afgescheidene Gereformeerde Gemeente in Nederland, gehouden van den 17den November tot den 3den December 1840 te Amsterdam, uitgegeven ter inlichting der onderscheidene Christelijk Afgescheidene Gemeenten in Nederland, door H.P. Scholte, V.D.M.’ Ds. Scholte legde daarin zeer nauwgezet, artikel voor artikel, de vinger bij de volgens hem in het synodeverslag opgetekende onjuistheden.

De ‘Amsterdamse troebelen’ komen in het proefschrift van ds. Soepenberg uitvoerig aan de orde. We komen uiteraard op dit boek terug, zodra het verschenen is.

  • H. Soepenberg, Op ongebaande wegen. De Afscheiding in Amsterdam (1835) als landelijke proeftuin voor vrije kerken. Boekencentrum Academic, Utrecht, 4 december 2017. 573 pp., € 32,50 (ISBN13: 9789023951742)

© 2017. GereformeerdeKerken.info