De zending van de GKN op ‘Midden-Java’ (1)

Het zendingsveld “Midden-Java” neemt in de geschiedenis van de Gereformeerde Kerken in Nederland een bijzondere plaats in. Het behoorde tot de grootste en invloedrijkste protestantse zendingsondernemingen uit de Nederlandse kerkgeschiedenis.

Op de zendingskaart van Nederlands Oost-Indië zijn de zendingsvelden van Midden Java en Soemba met een pijl aangeduid.

Tegelijk was het een van de moeilijkste zendingsvelden van Nederlands-Indië. Hier kwamen gereformeerde orthodoxie, Javaanse mystiek, koloniale verhoudingen en de zoektocht naar een zelfstandig Indonesisch christendom op indringende wijze samen.

De geschiedenis van de zending in Midden-Java is daarom veel meer dan alleen een hoofdstuk uit de Nederlandse zendingsgeschiedenis. Het is een verhaal van ontmoeting, botsing, aanpassing en verandering — zowel voor Nederlandse zendelingen als voor de Javaanse bevolking zelf.

Het begin van de ‘gereformeerde’ zending.

Toen in 1859 de van een zelfstandige, orthodox-hervormde zendingsvereniging uitgaande Zending op Midden-Java begon, gold het eiland als een buitengewoon moeilijk zendingsgebied. Java kende een diepgewortelde islamitische traditie, vermengd met oudere Javaanse religieuze elementen, mystiek en volksgeloof. Europese zendelingen ontdekten al snel dat het christendom hier niet eenvoudig als een westerse godsdienst kon worden ingevoerd.

Deze eerste orthodox-hervormde (‘gereformeerde’) zendingsarbeid werd opgezet door de Nederlandsche Gereformeerde Zendings Vereeniging (NGZV), dat van 1861 tot 1902 het zendingsblad ‘De Heidenbode‘ uitgaf. De NGZV werd opgericht in 1859. Vanaf ongeveer datzelfde jaar begon het werk op Midden-Java zich geleidelijk te ontwikkelen. Het zendingsgebied omvatte onder meer de residenties Kedu, Banyumas, Bagelen, Yogyakarta en Surakarta, het huidige Solo.

Hrt Zendingsterrein op MIdden-Java, verzorgd door de NGZV (uit ‘De Heidenbode’, december 1891).

De eerste ‘gereformeerde’ zendelingen die zich in dit gebied vestigden waren A. Vermeer (1828-1891), Ph. Bieger en J. Wilhelm (1854-1892). Vanuit plaatsen als Purworejo, Magelang en Yogyakarta trokken zij het binnenland in. Zij leerden de Javaanse taal, probeerden de cultuur te begrijpen en zochten contact met plaatselijke religieuze leiders en zoekers.

Zendeling A. Vermeer Dzn. (1828-1891).

Toch bleek de afstand tussen de Europese zendelingen en de Javaanse religieuze wereld groot. De ‘gereformeerde’ zendelingen brachten een sterk Europees en calvinistisch kerkbegrip mee: duidelijke leerstellingen, vaste kerkorde, catechese en kerkelijke tucht.

Zendeling J. Wilhelm (1854-1892).

De Javaanse geloofswereld daarentegen was veel flexibeler, symbolischer en mystieker van aard. Juist in die spanning zou de verdere geschiedenis van Midden-Java zich ontwikkelen.

De opkomst van Sadrach.

Toen de ‘gereformeerde’ zendelingen op Java arriveerden, troffen zij bovendien geen volledig onontgonnen zendingsterrein aan. In verschillende streken bestonden reeds Javaanse christelijke groepen, vooral rond de beroemde evangelist Sadrach Surapranata.

Sadrach (ill.: Wikimedia Commons).

Sadrach, geboren rond 1835, was een uitzonderlijke figuur. Hij was geen Europese zendeling, maar een Javaan die was opgegroeid in de wereld van Javaanse mystiek en religieuze zoektocht. Via verschillende contacten kwam hij in aanraking met het christendom. Uiteindelijk ontwikkelde hij zich tot een charismatisch leider die christelijke elementen wist te verbinden met vertrouwde Javaanse vormen, symboliek en gebruiken.

Hij sprak de taal van het volk — niet alleen letterlijk, maar ook geestelijk. Waar Europese zendelingen vaak afstand hielden van Javaanse symboliek en gebruiken, maakte Sadrach daar juist bewust gebruik van. Zijn bijeenkomsten sloten aan bij Javaanse tradities. Hij trad op als geestelijk leraar, bouwde persoonlijke netwerken op en wist duizenden mensen aan zich te binden. Rond 1890 had hij al duizenden volgelingen verzameld en was zijn invloed enorm.

Voor de ‘gereformeerde’ zending was Sadrach tegelijk een zegen én een probleem. Aanvankelijk profiteerde de zending sterk van zijn werk. Onder Sadrach ontstonden grote groepen Javaanse christenen. Europese zendelingen zagen plotseling iets gebeuren wat zij zelf nauwelijks voor elkaar kregen: een werkelijk inheemse beweging met brede uitstraling.

‘De Heidenbode’ was het officieel orgaan van de NGZV.

Maar al snel ontstonden spanningen en wantrouwen. De conflicten gingen over kerkorde, gezag en vooral over de vraag hoe zelfstandig de Javaanse gemeenten mochten zijn. De ‘gereformeerde’ zendelingen vroegen zich af: was Sadrach wel voldoende orthodox en bleef hij niet te veel verbonden met Javaanse mystiek? Wie had uiteindelijk het gezag: de kerk of de charismatische leider? Voor Sadrach zelf lag dat anders. Hij zag zichzelf niet als ondergeschikte helper van Nederlandse zendelingen, maar als zelfstandig Javaans christelijk leider.

De NGZV gaat over naar de Doleantie.

Na de Doleantie was intussen een nauwe band ontstaan tussen de NGZV en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken (dolerende).

Op het Dolerende Zending-Congres van 1890 werd daarom ook over de Zending op Midden-Java beraadslaagd. De vraag werd namelijk actueel of de kerken het zendingswerk zelf moesten gaan overnemen. Men vond dat de zending niet door verenigingen, maar door de Kerken diende te worden bedreven. Daarom besloot de Dolerende ‘Voorlopige  Synode’ een afgevaardigde naar Java te sturen om de situatie ter plaatse te onderzoeken.

Het verslag van het Zending-Congres van de Dolerende Kerken.

De inspectiereis van ds. F. Lion Cachet (1891-1892).

Die keuze viel op ds. F. Lion Cachet (1835-1899), Dolerend predikant in Rotterdam.

Ds. Lion Cachet (1835-1899).

Deze predikant vertrok op 1 april 1891 uit Rotterdam en arriveerde op 7 mei in Batavia. Van daaruit reisde hij naar het uitgestrekte zendingsgebied van Midden-Java. Hij bezocht zendelingen, Javaanse gemeenten, evangelisten en christelijke gemeenschappen. Zijn opdracht was niet alleen organisatorisch, maar ook kerkelijk en theologisch: hij moest beoordelen wat er precies op het zendingsveld gebeurde en of de Gereformeerde Kerken daarvoor verantwoordelijkheid konden dragen.

Welke route legde ds. Lion Cachet af?

Ds. Lion Cachet reisde met de ‘Prins Hendrik’ naar Batavia.

Hij vestigde zijn hoofdkwartier rond Purworejo (Poerworedjo), het centrum van de NGZV-zending. Van daaruit maakte hij gedurende ongeveer een jaar rondreizen door vrijwel het gehele arbeidsveld. Hij bezocht onder meer: Purworejo (Poerworedjo), Kutoarjo (Koeto-Ardjo), Yogyakarta (Djokja), Surakarta (Solo), Muntilan (Moentilan), Magelang, de residentie Kedoe (Kedu), Noord-Banyumas, Pekalongan en Tegal.

De eerste zendeling-onderwijzer, J.P. Zuidema.

Hij reisde per trein, paard, wagen en te voet, vaak begeleid door zendelingen als Wilhelm, Horstman, Vermeer en zendeling-onderwijzer J.P. Zuidema. Ds. Lion Cachets bedoeling was niet alleen de Europese zendelingen te spreken, maar vooral ook de Javaanse christenen, evangelisten, schoolmeesters en dorpsgemeenschappen te leren kennen.

Uit: ‘De Heidenbode’, maart 1892.

Wat opvalt is hoe systematisch hij werkte. Hij bezocht niet alleen de “succesverhalen”, maar probeerde een beeld te krijgen van het hele netwerk van gemeenten en voorgangers. In moderne bewoordingen zou je zeggen dat hij een systematische en onafhankelijke beoordeling van het hele zendingsveld uitvoerde. Zijn volmacht gaf hem expliciet het recht om de toestand van gemeenten, financiën, eigendommen en het gehele zendingswerk te onderzoeken.

Bij zijn terugkeer stelde hij een omvangrijk rapport samen, later gepubliceerd onder de titel Een jaar op reis in dienst der zending, nog steeds interessant om te lezen. Op de Dolerende ‘Voorlopige Synode’ van Amsterdam (1892) bracht hij officieel verslag uit. De bijlagen bevatten onder meer een beschrijving van het arbeidsveld, gesprekken met zendelingen en voorstellen voor de toekomstige organisatie van de zending.

In een vuistdik boek geeft ds. Lion Cachet verslag van zijn inspectiereis in Indië.

Het grote twistpunt: Sadrach

De inspectiereis is vooral bekend geworden door Lion Cachets beoordeling van de invloedrijke Javaanse christenleider Sadrach Soerapranata.

Sadrach had duizenden Javaanse volgelingen en werkte sterk vanuit Javaanse religieuze en culturele vormen. Voor veel Javanen was hij de belangrijkste christelijke leider van zijn tijd. Lion Cachet onderzocht gedurende zijn reis de gemeenschappen die met Sadrach verbonden waren, maar kwam tot de conclusie dat diens leer en kerkopvatting niet in overeenstemming waren met gereformeerde normen. Hij adviseerde de Dolerende synode om geen kerkelijke samenwerking met Sadrach aan te gaan.

Dat oordeel bleef niet zonder gevolgen. Verschillende historici beschouwen het conflict rond Sadrach als een keerpunt. De relatie tussen de gereformeerde zending en een groot deel van de Javaanse christenheid verslechterde sterk. Later werd Lion Cachet door sommigen verweten dat hij onvoldoende begrip had gehad voor de Javaanse context en daardoor een belangrijke kans op samenwerking verloren liet gaan.

Sadrach.

Overname van het zendingswerk door De Gereformeerde Kerken in Nederland (1894).

Ondanks alle discussies had zijn reis nog een ander effect. Lion Cachets rapport overtuigde de synode ervan dat de kerken zelf de verantwoordelijkheid voor de zending moesten dragen. In 1894 werd Midden-Java officieel een zendingsgebied van De Gereformeerde Kerken in Nederland. In 1892 waren de Dolerende Kerken en de Christelijke Gereformeerde Kerk immers verenigd (link) in De Gereformeerde Kerken in Nederland.  

In juli 1894 publiceerde ‘De Heidenbode’ het besluit dat de GKN de activiteiten van de NGZV overgenomen had.

Historische betekenis.

Achteraf gezien was de reis van ds. Lion Cachet meer dan een inspectie. Zij markeert de overgang van verenigingszending (NGZV) naar kerkelijke zending van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Tegelijk vormde zijn beoordeling van Sadrach een beslissend moment in de verhouding tussen het Nederlandse gereformeerde kerkmodel en de opkomende Javaanse vormen van christendom.

Wat schreef hij over Purworejo, Magelang en andere posten?

  • Purworejo.
Het Zendinghuis en de kerk in Poerworejo (tekening: ‘Een jaar op reis’).

Purworejo vormde het bestuurlijke hart van de NGZV-zending. Hier hield Lion Cachet eind 1891 en begin 1892 langdurige vergaderingen met de zendelingen. Daar werd vrijwel elk aspect van de zending besproken: de toestand van de gemeenten, de opleiding van helpers; de scholen, financiën, de dooppraktijk, de kerkorde, de evangelisatie onder moslims, de verhouding tot Sadrach en vooral de mogelijke overdracht van het zendingsterrein aan de Gereformeerde Kerken.

Je krijgt uit zijn verslag de indruk dat Purworejo voor hem het “commandocentrum” van de gereformeerde zending op Java was.

  • Magelang en de Kedoe.

De regio Kedoe (Kedu) maakte grote indruk op hem. Daar zag hij een explosieve groei van christelijke groepen, vooral via het netwerk van Sadrach en diens medewerkers. Volgens de rapporten die hij onderzocht waren er in zeer korte tijd honderden tot zelfs meer dan duizend “gelovigen” bijgekomen. Kerken werden gevormd, ouderlingen aangesteld en er ontstond zelfs een soort classicaal verband.

Maar juist die snelle groei maakte Lion Cachet achterdochtig. Hij vroeg zich voortdurend af: Is dit werkelijk vrucht van het Evangelie, of is hier iets anders aan de hand? Dat werd uiteindelijk de kern van zijn kritiek op Sadrach.

Zendingskaart van Midden-Java.
  • Solo (Surakarta).

In Solo vergaderde hij met deputaten over de toekomst van de zending. Daar werd besproken of het arbeidsveld voldoende perspectief bood, welke juridische problemen Javaanse christenen ondervonden, hoe de zending kerkelijk georganiseerd moest worden en of de zendelingen bereid waren onder verantwoordelijkheid van De Gereformeerde Kerken in Nederland te gaan werken.

De zendelingen verklaarden daar unaniem dat zij graag in dienst van de kerken wilden overgaan. Dat was voor de synode later een belangrijk argument.

Deel 2 volgt binnenkort.

Bronnen onder meer:

L. Adriaanse, De Zendingsarbeid onzer Gereformeerde Kerken onder Javanen en Chinezen op Midden-Java. Zeist ca. 1942

N.A. de Gaay Fortman, De geschiedenis der Medische Zending (met voorwoord van missionair arts J.G. Scheurer). Nijkerk, 1908

Chr. G.F. de Jong,  De Gereformeerde Zending in Midden-Java. 1931-1975. Zoetermeer, 1997

F. Lion Cachet, De Heidenbode, Orgaan der Nederlandsche Gereformeerde Zendingvereeniging. Rotterdam, div. jrg.

— , Een jaar op reis in dienst der Zending. Sneek/Amsterdam, 1896

A. Merkelijn, 26 jaren op het Zendingsveld. Herinneringen van een missionair predikant. Den Haag, 1941

D. Pol, Midden-Java ten Zuiden, verschenen in de serie ‘Onze Zendingsvelden’. Hoenderloo, 1939

H. Reenders, De Gereformeerde Zending in Midden-Java. 1859-1931. Zoetermeer, 2001

J.A.C. Rullmann, De Gereformeerde Zending in Midden-Java. Baarn, g.j.

Translation into English:

The Mission of the GKN in “Central Java” (1).

The mission field known as “Central Java” occupies a special place in the history of the ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands. It was one of the largest and most influential Protestant missionary enterprises in Dutch church history.

At the same time, it was one of the most difficult mission fields in the Dutch East Indies. Here, ‘hervormde’ orthodoxy, Javanese mysticism, colonial relationships, and the search for an independent Indonesian Christianity came together in a particularly striking way.

The history of the mission in Central Java is therefore much more than merely a chapter in Dutch missionary history. It is a story of encounter, conflict, adaptation, and change—both for Dutch missionaries and for the Javanese population itself.

The Beginning of the “’gereformeerde'”  Mission.

When the mission in Central Java was begun in 1859 by an orthodox ‘hervormde’ missionary society, the island was regarded as an exceptionally difficult field for missionary work. Java possessed a deeply rooted Islamic tradition, interwoven with older Javanese religious elements, mysticism, and folk beliefs. European missionaries soon discovered that Christianity could not simply be introduced here as a Western religion.

This first orthodox ‘hervormde’ (“Gereformeerde”) missionary effort was organized by the Netherlands ‘Gereformeerde’ Missionary Society (NGZV), which published the missionary magazine De Heidenbode (“The Heathen Messenger”) from 1861 to 1902. The NGZV was founded in 1859. From approximately that same year, work in Central Java gradually began to develop. The mission field included, among others, the residencies of Kedu, Banyumas, Bagelen, Yogyakarta, and Surakarta, present-day Solo.

The first “’gereformeerde’” missionaries to settle in this region were A. Vermeer (1828–1891), Ph. Bieger, and J. Wilhelm (1854–1892). From places such as Purworejo, Magelang, and Yogyakarta, they ventured into the interior. They learned the Javanese language, sought to understand the culture, and made contact with local religious leaders and spiritual seekers.

Yet the distance between the European missionaries and the Javanese religious world proved considerable. The “’gereformeerde’” missionaries brought with them a strongly European and Calvinistic understanding of the church: clear doctrinal formulations, a fixed church order, catechetical instruction, and ecclesiastical discipline.

The Javanese religious world, by contrast, was far more flexible, symbolic, and mystical in character. It was precisely within this tension that the subsequent history of Central Java would unfold.

The Rise of Sadrach.

When the “’gereformeerde’” missionaries arrived in Java, they did not encounter an entirely untouched field. In several regions there already existed Javanese Christian groups, especially around the famous evangelist Sadrach Surapranata.

Sadrach, born around 1835, was an extraordinary figure. He was not a European missionary but a Javanese man who had grown up within the world of Javanese mysticism and religious searching. Through various contacts he became acquainted with Christianity. Eventually he developed into a charismatic leader who succeeded in combining Christian elements with familiar Javanese forms, symbolism, and customs.

He spoke the language of the people—not only literally but spiritually as well. Whereas European missionaries often kept their distance from Javanese symbols and customs, Sadrach consciously made use of them. His gatherings were closely connected to Javanese traditions. He functioned as a spiritual teacher, built extensive personal networks, and succeeded in attracting thousands of followers. By around 1890 he had already gathered several thousand adherents, and his influence was enormous.

For the “’gereformeerde’” mission, Sadrach was both a blessing and a problem. Initially, the mission benefited greatly from his work. Large groups of Javanese Christians emerged under Sadrach’s leadership. European missionaries suddenly witnessed something that they themselves had scarcely been able to accomplish: a genuinely indigenous movement with broad appeal.

But tensions and distrust soon developed. The conflicts concerned church order, authority, and above all the question of how independent the Javanese congregations should be. The “’gereformeerde’” missionaries asked themselves: Was Sadrach sufficiently orthodox, or did he remain too closely connected to Javanese mysticism? Who ultimately possessed authority—the church or the charismatic leader?

For Sadrach himself, the matter looked different. He did not see himself as a subordinate assistant to Dutch missionaries but as an independent Javanese Christian leader.

The NGZV Aligns Itself with the Doleantie.

After the Doleantie, a close relationship developed between the NGZV and the Nederduitsche Gereformeerde Kerken (Dolerende Churches).

At the Dolerende Mission Congress of 1890, the mission in Central Java was therefore also discussed. The question had become urgent whether the churches themselves ought to take over missionary work. It was believed that mission work should not be conducted by private societies but by the churches. Consequently, the Dolerende Provisional Synod decided to send a delegate to Java to investigate the situation on the ground.

The Inspection Journey of Rev. F. Lion Cachet (1891–1892).

The choice fell upon Rev. F. Lion Cachet (1835–1899), a Dolerende minister in Rotterdam.

He departed from Rotterdam on April 1, 1891, and arrived in Batavia on May 7. From there he traveled into the vast mission field of Central Java. He visited missionaries, Javanese congregations, evangelists, and Christian communities. His assignment was not merely organizational but also ecclesiastical and theological: he had to determine exactly what was taking place on the mission field and whether the ‘Gereformeerde’ Churches could assume responsibility for it.

What Route Did Rev. Lion Cachet Follow?

He established his headquarters in and around Purworejo (Poerworedjo), the center of the NGZV mission. From there he undertook tours throughout virtually the entire field of labor over the course of approximately a year.

Among the places he visited were:

  • Purworejo (Poerworedjo)
  • Kutoarjo (Koeto-Ardjo)
  • Yogyakarta (Djokja)
  • Surakarta (Solo)
  • Muntilan (Moentilan)
  • Magelang
  • the residency of Kedu (Kedoe)
  • North Banyumas
  • Pekalongan
  • Tegal

He traveled by train, horseback, carriage, and on foot, often accompanied by missionaries such as Wilhelm, Horstman, Vermeer, and missionary-teacher J. P. Zuidema. Rev. Lion Cachet’s intention was not merely to speak with the European missionaries but especially to become acquainted with Javanese Christians, evangelists, schoolteachers, and village communities.

What is striking is how systematically he worked. He did not visit only the “success stories” but attempted to gain an impression of the entire network of congregations and leaders. In modern terms, one might say that he carried out a systematic and independent assessment of the entire mission field. His commission explicitly granted him the authority to investigate the condition of congregations, finances, properties, and the mission enterprise as a whole.

Upon his return, he compiled an extensive report, later published under the title A Year of Travel in the Service of the Mission, which remains interesting reading today. At the Dolerende Provisional Synod of Amsterdam (1892), he officially presented his report. The appendices included, among other things, a description of the mission field, records of conversations with missionaries, and proposals for the future organization of the mission.

The Major Point of Contention: Sadrach.

The inspection journey is chiefly remembered because of Lion Cachet’s evaluation of the influential Javanese Christian leader Sadrach Soerapranata.

Sadrach had thousands of Javanese followers and worked extensively through Javanese religious and cultural forms. For many Javanese he was the most important Christian leader of his time. During his travels, Lion Cachet investigated the communities connected with Sadrach but came to the conclusion that Sadrach’s teaching and conception of the church were not in agreement with ‘gereformeerde’ standards. He advised the synod not to enter into ecclesiastical cooperation with Sadrach.

This judgment did not remain without consequences. Various historians regard the conflict surrounding Sadrach as a turning point. The relationship between the ‘gereformeerde’ mission and a large part of Javanese Christianity deteriorated sharply. Later, some accused Lion Cachet of having insufficient understanding of the Javanese context and thereby allowing an important opportunity for cooperation to slip away.

Consequence: Transfer of the Mission Work to the ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands (1894).

Despite all the discussions, his journey had another effect. Lion Cachet’s report convinced the synod that the churches themselves should assume responsibility for missionary work.

In 1894, Central Java officially became a mission field of the ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands (GKN). In 1892, the Dolerende Churches and the Christian Reformed Church had, after all, united to form the ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands.

Historical Significance.

Looking back, Rev. Lion Cachet’s journey was more than an inspection. It marked the transition from mission work conducted by a missionary society (the NGZV) to church-directed mission work by the ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands.

At the same time, his assessment of Sadrach became a decisive moment in the relationship between the Dutch ‘gereformeerde’ model of church life and the emerging Javanese expressions of Christianity.

What Did He Write About Purworejo, Magelang, and Other Stations?

-Purworejo

Purworejo formed the administrative heart of the NGZV mission. Here Lion Cachet held lengthy meetings with the missionaries during late 1891 and early 1892.

Virtually every aspect of the mission was discussed there: the condition of the congregations, the training of assistants, the schools, finances, baptismal practice, church order, evangelism among Muslims, relations with Sadrach, and especially the possible transfer of the mission field to the ‘Gereformeerde’ Churches.

From his report one gains the impression that Purworejo was, in his eyes, the “command center” of the ‘gereformeerde’ mission in Java.

-Magelang and the Kedu Region.

The Kedu region made a deep impression on him. There he witnessed explosive growth among Christian groups, especially through the network of Sadrach and his associates.

According to the reports he examined, hundreds—and even more than a thousand—new “believers” had been added within a very short period. Churches were organized, elders appointed, and even a kind of classical (presbyterial) structure emerged.

Yet it was precisely this rapid growth that made Lion Cachet suspicious. He repeatedly asked himself: Is this truly the fruit of the Gospel, or is something else at work here?

This ultimately became the core of his criticism of Sadrach.

-Solo (Surakarta).

In Solo he met with deputies to discuss the future of the mission. There they considered whether the field offered sufficient prospects, what legal difficulties Javanese Christians experienced, how the mission should be organized ecclesiastically, and whether the missionaries were willing to work under the responsibility of the ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands.

The missionaries unanimously declared that they were eager to enter the service of the churches. This later became an important argument for the synod.

Part 2 will follow shortly.