Van Van Tongeren naar de Regenboogkerk

Honderd jaar Gereformeerde Kerk te Epe (1836-1942).

De ‘Christelijke Afgescheidene Gemeente’ te Epe werd op 5 januari 1836 geïnstitueerd, maar ergens tussen februari en mei 1842 bij de gemeente van Heerde gevoegd.

Kaart: Google.
Kaart: Google.

Op 25 november 1888 ontstond in dat dorp echter de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)’. We volgen de loop van deze kerk tot 1942, enkele jaren na de ingebruikneming van de huidige Regenboogkerk.

De Afscheiding.

Ooit heeft in Epe een ‘Christelijke Afgescheidene Gemeente’ bestaan. In ieder geval sinds 1834 werden godsdienstige huisbijeenkomsten, ‘conventikels’, in het nabijgelegen gehucht Tongeren, in een boerderij eigendom van landbouwer Jan Peters van Tongeren. En in december 1835 stuurde Herman Mulder te Epe mede namens zestien anderen een brief aan zijn hervormde kerkenraad met de mededeling dat hij zich afscheidde van de Nederlandse Hervormde Kerk.

Op 5 januari 1836 werd in de woning van Jan van Tongeren weer een conventikel gehouden. De veldwachter ging op bevel van de burgemeester, mr. G.W. baron van der Feltz, poolshoogte nemen, maar kon slechts constateren dat het aantal bezoekers niet boven de achttien uit kwam; overeenkomstig de bevelen van de overheid was een maximum aantal van twintig toehoorders toegestaan. Tijdens die bijeenkomsten werden vaak preken gelezen van zeer orthodoxe predikanten uit vroegere tijden (de zgn. ’Oudvaders’).

Vermoedelijk werd op díe bijeenkomst op 5 januari 1836 echter de kerkenraad van de kleine Afgescheiden Gemeente van Epe in het ambt bevestigd, even vermoedelijk door ds. A. Brummelkamp (1811-1888) uit Hattem. Herman Mulder was tot ouderling gekozen en Jan van Tongeren werd diaken. Dat bleef niet zonder gevolgen, want halverwege de maand januari werd ‘bij zekeren Herman Mulder, die ouderling van de nieuwe gemeente alhier zich noemt, een glas in geslagen of gegooid’.

Ds. A. Brummelkamp (1811-1888). Hattem 1835, Schiedam 1839, Arnhem en Velp 1842, Docent Theologische School 1854, Emeritus docent 1882.
Ds. A. Brummelkamp (1811-1888). Hattem 1835, Schiedam 1839, Arnhem en Velp 1842, Docent Theologische School 1854, Emeritus docent 1882.

Vervolgingen.

In februari 1836 constateerde de burgemeester dat ds. Brummelkamp zich niet (meer) hield aan het maximum toegestane aantal bezoekers van het gezelschap; de Afgescheidenen werden dus goed in de gaten gehouden. De onzekerheid dat men elk moment te maken kon krijgen met een inval van de veldwachter en zijn helpers, deed de Afgescheidenen van Epe ertoe besluiten een rekest te sturen aan de gemeenteraad met het verzoek godsdienstige bijeenkomsten te mogen houden in de woning van J.P. van Tongeren. Negen inwoners van Epe en twee van elders (onder wie ds. Brummelkamp) ondertekenden het verzoekschrift, maar vermoedelijk telde de kleine gemeente meer leden.

In afwachting van het antwoord op het verzoek hielden de Afgescheidenen op 24 juli 1836 weer een kerkdienst in de boerderij van Van Tongeren, waar ook ds. Brummelkamp aanwezig was. De burgemeester en de veldwachter kwamen natuurlijk ook weer kijken. Op de vraag wat de verzamelde dertig personen van plan waren, werd door ds. Brummelkamp geantwoord dat de bedoeling was een godsdienstoefening te houden. De burgemeester vertelde echter dat het verzoekschrift dat aan de gemeenteraad gestuurd was, niet aan de gestelde regels voldeed. Alle ondertekenaars hadden zich ieder voor zich schriftelijk met dat verzoek tot de gemeente moeten richten en niet gezamenlijk op één verzamellijst, zoals gebeurd was. Er werd twee uur lang over doorgepraat!

Ondertussen was de groep van dertig dorstigen naar het Woord aangegroeid tot een menigte van honderdvijftig mannen, vrouwen en kinderen. Maar na de twee uur durende discussie zag ds. Brummelkamp kennelijk in dat de burgemeester inderdaad gelijk had. Brummelkamp verzocht toen de aanwezigen rustig uiteen te gaan. Niet alleen was het aantal van twintig bezoekers overschreden, maar ook – zonder dat de burgemeester daar overigens op in ging – was het volgens het Koninklijk  Besluit van 5 juli 1836 niet toegestaan dat inwoners van andere dorpen zo’n conventikel bezochten. Brummelkamp zélf bijvoorbeeld kwam immers uit Hattem! Ook mocht volgens diezelfde regeling geen ‘eredienst’ belegd worden, waar avondmaal en doop bediend werden. Hoe dan ook, de menigte ging uiteen.

Dat wilde echter niet zeggen dat het toen afgelopen was met de bijeenkomsten van de Afgescheiden Gemeente te Epe. In de boerderij van J.P. van Tongeren, die de vaste kerkplaats was, kwam men bijv. ook op 23 oktober 1836 bijeen, opnieuw onder leiding van ds. Brummelkamp. Dát voorval werd in Arnhem voor de rechter gebracht. Op 31 november dat jaar werd vonnis gewezen, waarbij Brummelkamp een boete van fl. 100 opliep en Van Tongeren tot fl. 50 werd veroordeeld omdat hij zijn woning voor de bijeenkomst ter beschikking gesteld had. Maar op 12 januari 1837 sprak de rechtbank te Amsterdam hen in hoger beroep vrij.

Hetzelfde gebeurde met de bijeenkomst van Eerste Kerstdag 1836; ook daar waren meer dan twintig personen aanwezig. Opnieuw werden door de rechtbank in Arnhem boetes op gelegd: Brummelkamp weer fl. 100 en Van Tongeren fl. 50. En ook nu werden ze in hoger beroep door de rechtbank te Amsterdam weer vrijgesproken.

In de woning vcan Jan van Tongeren werden de eerste diensten gehouden. (foto: 'De Afscheiding van 1834')
In de woning vcan Jan van Tongeren werden de eerste diensten gehouden. (foto: ‘De Afscheiding van 1834’)

Inkwartiering…

De burgemeester werd door de vrijspraken echter niet ontmoedigd in zijn vervolgingsbeleid. Hij vreesde dat ook in het nieuwe jaar weer bijeenkomsten onder leiding van ds. Brummelkamp zouden plaatsvinden en vroeg begin 1837 om steun van militairen uit de kazerne te Kampen! Herman Mulder, de eerste officiële Afgescheidene in Epe, kreeg als ouderling tien militairen in huis evenals diaken en gastheer Jan van Tongeren. Bij andere gemeenteleden werden ook militairen ingekwartierd: bij Bart Gijsberts Bosch drie man, bij B. IJsseldijk één dag twee man en een week lang één minder. Ook weduwe Janus Jonker moest er aan geloven: deze kreeg één dag lang twee man in huis. Op die manier probeerde de burgemeester te voorkomen dat in die huizen bijeenkomsten gehouden werden. Later ontstonden nog problemen bij de vergoeding van de kosten die de Afgescheidenen hadden moeten maken om de soldaten van voedsel te voorzien. Pas op 14 juni 1837 werden de gelden aan de bovengenoemde Afgescheidenen uitgekeerd.

DE oude gereformeerde kerk te Heerde, die van 142 tot 1864 bij de Christelijke Afgescheidene Gemeente in gebruik was.
De oude gereformeerde kerk te Heerde, die van 1842 tot 1864 bij de Christelijke Afgescheidene Gemeente in gebruik was.

Omdat de Afgescheidene Gemeente van Epe ‘minder dan twintig volwassen menschen’ telde, besloot de kerkenraad in 1839 geen moeite meer te doen om vrijheid van godsdienst te vragen.

Verenigd met de Chr. Afgesch. Gem. te Heerde.

In het nabijgelegen Oene was op 11 maart 1837 ook een Christelijke Afgescheiden huisgemeente geïnstitueerd. Net als die te Epe-Tongeren was ook de gemeente van Oene zeer klein. Ook Oene besloot in 1839 geen verdere pogingen te doen om vrijheid van godsdienst te krijgen.

Beide gemeenten, die van Epe en Oene, werden ergens tussen februari en mei 1842 bij de Christelijke Afgescheidene Gemeente van het nabijgelegen Heerde gevoegd. Vermoedelijk zal de opheffing van de gemeente van Epe ergens begin dat jaar dat jaar hebben plaatsgevonden. Want de kerkenraadsleden van Epe (en Oene) hadden vanaf die tijd een plaats in de kerkenraad van Heerde. Wel moet wat dat betreft nog worden opgemerkt dat er kennelijk toch nog een beetje  zelfstandigheid over was, als wijkgemeente of iets dergelijks, want in de classis Hattem van de Christelijke Afgescheiden Gemeenten wordt de afvaardiging van Epe tot en met 10 mei 1843 apart genoemd.

Het voorspel van de Doleantie.

In 1857 kwam kandidaat H. Worst naar de hervormde gemeente van Epe. De predikant stond maar liefst eenendertig jaar in Epe en vertrok in 1888 naar Oirschot, omdat die kleine gemeente beter bij zijn zwakke gezondheid paste. De predikant liet in Epe een vrijzinnige hervormde gemeente achter. In de jaren dat hij in Epe stond liet hij over zijn gezindheid wat dat betreft geen misverstand bestaan.

De ‘Vrienden der Waarheid’.

De Heraut, 13 april 1884.
De Heraut, 13 april 1884.

In 1870 sprak evangelist A. van Veelo (1844-1910) in Epe. Hij behoorde tot de ‘Vereeniging Vrienden der Waarheid’. Dat was een landelijke vereniging die zich ten doel gesteld had – uit onvrede met de vrijzinnigheid in de Nederlandse Hervormde Kerk – op te komen voor de gereformeerde leer in de Hervormde kerk. Op verscheidene plaatsen in het land waren in de negentiende eeuw soortgelijke verenigingen ontstaan, die zich in 1863 verenigden in de ‘Vereeniging De Vrienden der Waarheid’. Onder de leden bevonden zich relatief veel ‘kleine luyden’. In de eerste jaren richtten de plaatselijke verenigingen zich voornamelijk op de kerkenraden, met het verwijt dat ze de gereformeerde leer in de Hervormde Kerk niet met hand en tand verdedigden tegen allerlei ‘vrijzinnige dwalingen’. Maar door een wijziging van het ‘Algemeen Reglement der Nederlandsche Hervormde Kerk’ kregen de Vrienden vanaf 1867 steeds meer invloed in de kerkenraden.

De vereniging had evangelisten aangesteld die werkten in plaatsen ‘waar geen orthodoxe prediking gehoord werd’. Toen zich in 1886 de Doleantie aandiende, besloot de ‘Vereeniging’ tot onvoorwaardelijke steun aan de Dolerende kerken. Daarna namen de activiteiten van de ‘Vereeniging’ zienderogen af. Ze had bereikt wat ze wilde.

Evangelist en later ds. A. van Veelo ().
Evangelist en later ds. A. van Veelo (1844-1910).

Van Veelo was dus een van ‘de Vrienden’. Toen hij in 1870 in Elburg een spreekbeurt hield had hij broeders uit Epe ontmoet, ‘eene gemeente welke sedert jaren was verstoken van de prediking der waarheid en onder de invloed verkeerde van het modern ongeloof’. Vandaar dat hij op 24 mei 1870 in Epe aanlandde, er sprak, en na afloop met de aanwezigen een afdeling van de ‘Vereeniging Vrienden der Waarheid’ oprichtte. Elke veertien dagen hield men bijeenkomsten die ‘met zeer veel belangstelling worden bezocht’. Ook hield hij catechisaties voor de jeugd, die door vijftig leerlingen ‘getrouw en met belangstelling’ bezocht werden.

De bijeenkomsten van de Eper ‘Vrienden’ werden goed bezocht en daarom werd in 1871 een lokaal aan het Molenpad gebouwd en in gebruik genomen waar het aanmerkelijk gerieflijker spreken en luisteren was dan in de huiskamers van weleer. In die tijd waren er ongeveer vijftig leden; later nam het aantal wat af.

Ondertussen was ds. Worst nog steeds de hervormde predikant van Epe. Tijdens zijn predikantschap groeide in Epe het aantal gemeenteleden dat zich in de vrijzinnige koers van de hervormde gemeente niet kon vinden. Regelmatig kwamen de evangelisten naar Epe, waar ze vaak tweemaal per zondag optraden en óók nog een keer in de nabijgelegen dorpen Gortel en Vaassen.

De Doleantie.

Toen ds. Worst per 26 augustus 1888 vertrok werd hij opgevolgd door ds. J.A. Prins, die op 2 december in het zelfde jaar aan de hervormde gemeente van Epe verbonden werd en in het vrijzinnige voetspoor van zijn voorganger trad. In Amsterdam had in 1886 de Doleantie plaats gevonden en dat was in Epe niet onopgemerkt gebleven. Op 24 augustus 1888 deelde een drietal hervormde gemeenteleden Jan Rozendal, E. Kasteel Ezn. en H. Westerink, hun kerkenraad mee dat zij, ‘leden van de Gereformeerde Kerk, die hare plaatselijke openbaring ook hier te Epe heeft’, zich van de hervormde kerk afscheidden en dat zij zich stelden op de basis van de kerkorde van de Synode van Dordrecht 1618-1619 en de Drie Formulieren van Enigheid (de drie belijdenisgeschriften van de ‘aloude Gereformeerde Kerk’). Ze maakten de hervormde ambtsdragers bovendien attent  op ‘de ontrouw en het jarenlange plichtsverzuim waaraan de kerk ook hier ter plaatse zich heeft schuldig gemaakt’, door de belijdenisgeschriften aan te kant te schuiven en vrije doorgang te verlenen aan onschriftuurlijke leringen. De hervormde kerkenraad nam hun brief voor kennisgeving aan.

De instituering.

Rozendal, Kasteel en Westerink gingen vervolgens het dorp door en lieten ‘vertrouwbare broederen’ op verzamellijsten tekenen als ze instemden met de ‘afwerping van het juk der synodale hiëarchie’. Die verzamellijsten waren beschikbaar gesteld door het Gereformeerd Kerkelijk Congres, dat van 11 tot 14 januari 1887 onder leiding van de gereformeerde voorman dr. A. Kuyper (1837-1920) in Amsterdam gehouden werd. De vijftien ondertekenaars kwamen op 14 november 1888 bijeen in het evangelisatiegebouw aan het Molenpad te Epe en kozen daar onder leiding van ds. J.H. Houtzagers (1857-1940) van Kootwijk twee ouderlingen en twee diakenen. De ouderlingen waren Cornelis Bouwman en Hermannus Rozendal Jzn. en de diakenen Lambertus Scholten en Evert Kasteel Hzn.

Ds. J.H. Houtzagers (1857-1940) op latere leeftijd.
Ds. J.H. Houtzagers (1857-1940) op latere leeftijd.

Ds. Houtzagers had aan de Amsterdamse Vrije Universiteit gestudeerd, die in 1880 was opgericht onder leiding van dr. A. Kuyper. Houtzagers had als afgestudeerd kandidaat een beroep ontvangen van de hervormde gemeente van Kootwijk, en was daar op 7 februari 1886 als predikant bevestigd zonder te wachten op de vertegenwoordigers van het hervormde classicaal bestuur, nadat de gemeente zeventien jaar zonder predikant had gezeten. Deze actie werd ondernomen op aanraden van dr. Willem van den Bergh (1850-1890), predikant van Voorthuizen, waar het besluit tot Doleantie al genomen was op 10 september 1885, maar waar dit pas op 8 februari 1886 werd bekendgemaakt. Kootwijk werd door de bevestiging van ds. Houtzagers in feite de eerste Dolerende Kerk in ons land; zijn ambt werd namelijk niet erkend door de hervormde kerkelijke besturen.

De bevestiging van de vier gekozen ambtsdragers vond plaats onder leiding van ds. Houtzagers op 25 november 1888, opnieuw in het lokaal aan het Molenpad. Daarmee was de kleine ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)’ te Epe een feit. De meesten van de vijftien leden waren trouwens afkomstig uit het dorpje Wissel, vlakbij Epe. Via Tongeren kwam men per paard en wagen naar de kerk aan het Molenpad in Epe gereden. Tussen beide diensten zat niet veel tijd, om het zo mogelijk te maken dat de kerkgangers na de ochtenddienst hun brood konden opeten om vervolgens weer monter aan de tweede dienst te beginnen.

De evangelisten van de ‘Vrienden der Waarheid’ bleven elke veertien dagen spreekbeurten vervullen in het lokaal aan het Molenpad. En ondertussen groeide de Dolerende gemeente van Epe langzaam. Toen op 26 mei 1889 vijftien personen belijdenis deden, was dat een flinke aanwinst.

In september 1889 besloten de manslidmaten ‘om te doen wat men doen kan onder biddend opzien tot den Heere’ ten einde een predikant te beroepen. Ook werd later een pastorie aan de Beekstraat gebouwd, die in 1901 gebruiksklaar was. Een predikant was er echter nog lang niet. In de tussentijd werden twee ‘oefenaars’ tot het spreken van een stichtelijk woord toegelaten, te weten de brs. Henschen en Vleesch. Op de laatste wordt door de kerk van Epe enkele keren een beroep uitgebracht maar deze nam ze niet aan. Als oudgediende was ouderling H. Rozendal de belangrijkste steunpilaar voor de kleine gemeente. Hij verzorgde de catechisaties, deed ziekenbezoek, was in de kerkdiensten de voorzanger, omdat er nog geen orgel was, en was vaak voorzitter van de kerkenraad.

Theodorus van der Groe (1705-1784).
Theodorus van der Groe (1705-1784).

Als er geen predikant was om voor te gaan, moest men zich behelpen met oefenaars die een stichtelijk woord mochten spreken. Maar vaak werd ook een preek gelezen. De Dolerende Synode had aanbevolen de prekenbundel van ds. H. Hoekstra uit Arnhem te gebruiken; die behandelde namelijk de Heidelbergse Catechismus. De kerkenraad bestelde een exemplaar en daaruit werd ook best een paar keer een preek gelezen, maar toch werd de voorkeur gegeven aan de ‘Oudvaders’, orthodoxe predikanten uit de zeventiende en achttiende eeuw, zoals Bernardus Smijtegelt (1665-1739) en Theodorus van der Groe (1705-1784), maar ook schipper Wulfert Floor (1818-1876) werd gelezen, ‘die allen in het Woord Gods doorkneed’ waren.

De eerste predikant: ds. J.J. Bajema (1899-1904).

DS. J.J. Bajema ().
Ds. J.J. Bajema (1844-1927).

Nog voor men een predikant beriep, stelde men na veel overleg het salaris vast: fl. 800 per jaar als basistraktement; maar omdat Epe slechts een arm heidedorp was ging de classis akkoord met fl. 600 (ongetwijfeld heeft men als ‘hulpbehoevende kerk’ financiële steun van de classis ontvangen). Toen kon men gaan beroepen! De eerste die men op het oog had was natuurlijk ds. J.H. Houtzagers van Kootwijk, maar deze bedankte (hij zou tot zijn emeritaat in 1918 in Kootwijk blijven). Jaren later, in 1898, werd de kerkenraad attent gemaakt op ds. J.J. Bajema (1844-1927); deze was in 1887 in Zuidland met de Doleantie mee gegaan en was in 1888 aan de Dolerende Kerk van Sneek verbonden geweest, waar hij drie jaar later met emeritaat ging. ‘Na zes jaar lonkte de preekstoel echter weer’ (zo schrijft het Sneeker gedenkboek), en werd hij in 1896 bevestigd als predikant van de Gereformeerde Kerk te Heteren en Randwijk. En toen kreeg hij het het verzoek om eens in Epe te komen preken. Op de gemeentevergadering van 16 mei 1899, waar trouwens slechts achtentwintig manslidmaten aanwezig waren, werd hij met algemene stemmen beroepen. Niks geen drietal of zo. Zo deed ds. Bajema op 6 augustus 1899 intrede. Hij kon pas twee jaar later in de nieuwe pastorie gaan wonen, want die was in 1901 klaar.

Een nieuw kerkgebouw in de startblokken.

Tijdens zijn predikantschap zijn verscheidene zaken voorgevallen die bijzondere aandacht verdienen. Zo bevorderde hij dat plannen gemaakt werden om een nieuw kerkgebouw te stichten. Het kerkje aan het Molenpad werd te klein, en daarom werd in februari 1903 een bouwcommissie benoemd. Maar het zou nog vijf jaren duren voor de plannen gerealiseerd werden, want pas in 1908 was de nieuwe kerk aan de Beekstraat klaar voor gebruik.

De ‘voortgezette Christelijke Gereformeerde Kerk’.

Ds. F.P.L.C. van Lingen (1832-1913).
Ds. F.P.L.C. van Lingen (1832-1913).

Al voordat in 1892 de landelijke kerkfusie tussen de Christelijke Gereformeerde Kerk (uit de Afscheiding) en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken (uit de Doleantie) plaatsvond en beide kerken samengingen als ‘De Gereformeerde Kerken in Nederland’, roerden zich her en der in het land gemeenteleden van Christelijke Gereformeerde Gemeenten die niets van die fusie moesten hebben. Ze vonden onder meer dat de Christelijke Gereformeerde Kerk door de fusie met de Dolerenden ‘verkocht en begraven’ werd; dat de plaatselijke gemeenten niet eens geraadpleegd waren en dat de naam van Christus uit de nieuwe kerknaam, ‘De Gereformeerde Kerken in Nederland’, verdwenen was. De predikanten ds. F.P.L.C. van Lingen (1832-1913) te Zetten en ds. J. Wisse Czn. (1843-1921) van Den Haag waren de voornaamste woordvoerders in de kring van bezwaarden tegen deze Vereniging. Nog in hetzelfde jaar, 1892, werd door hen – samen met enkele gemeenten – de Christelijke Gereformeerde Kerk ‘voortgezet’.

Vlak voordat ds. Bajema in 1905 naar Oostzaan vertrok bleek dat een tweetal kerkenraadsleden uit Epe zo nu en dan christelijke gereformeerde kerkdiensten bijwoonden. Niet dat in Epe een Christelijke Gereformeerde Gemeente gesticht was, maar in het huis van een voormalige ambtsdrager werden zulke diensten gehouden.

De Christelijke School (1904).

De (aanvankelijke gereformeerde) Christelijk-Nationale School te Epe.
De (aanvankelijke gereformeerde) Christelijk-Nationale School te Epe.

In 1904 werd door de gereformeerde kerkenraad in Epe een Christelijke School gesticht. Omdat in de loop der jaren steeds meer Hervormde ouders hun kinderen toevertrouwden aan deze Gereformeerde School, besloot het bestuur zich aan te sluiten bij de ‘Ver. voor Chr. Nationaal Schoolonderwijs’ (C.N.S.). De grondslag van de school werd hierdoor positief-Christelijk zonder kerkelijk etiket. Jammer was dat ds. Bajema en de hoofdonderwijzer van de school niet goed met elkaar overweg konden.

In december 1904 vroeg ds. Bajema ‘hem vrij te laten in de op hem gedane roeping’. Hij had namelijk een beroep ontvangen van de Gereformeerde Kerk te Oostzaan. Op 19 maart 1905 deed hij intrede in Oostzaan na enkele dagen eerder afscheid genomen te hebben van zijn gemeente in Epe.

Vacant (1905-1911).

Het zou zes jaar duren eer in 1911 de volgende predikant zou aantreden. In de tussentijd kwamen onder anderen oefenaar Vleesch uit Kampen en ene Koopsen uit Harderwijk geregeld langs om in de diensten voor te gaan. Soms preekten er ‘echte’ predikanten. Ook mochten zo nu en dan studenten uit Kampen of uit Amsterdam komen preken ‘mits men van die broeders een goed getuigenis hebbe’. Tijdens de leesdiensten werden net als vroeger de ‘oude schrijvers’ vaak weer uit de kast getrokken, al werd tijdens de kerkvisitatie in oktober 1906 er op aangedrongen daar voorzichtig mee te zijn.

Een nieuwe kerk! (1908).

De nieuwe kerk aan de Beekstraat die in 1908 in gebruik genomen werd.
De nieuwe kerk aan de Beekstraat die in 1908 in gebruik genomen werd.

De pastorie stond na het vertrek van ds. Bajema leeg, en omdat er geen kopers voor waren, werd het huis jarenlang verhuurd. Terwijl men ondertussen bleef zoeken naar een predikant, kreeg timmerman G. Ter Haar, tevens ouderling, opdracht een schetsplan te maken voor de al lang in de planning zittende nieuwe kerk te maken. Het gebouw moest honderdveertig zitplaatsen tellen, en ter gelegenheid daarvan werd de bouwcommissie weer leven ingeblazen. Uiteindelijk kregen Ter Haar en Joh. J. Kasteel in 1907 opdracht aan de Beekstraat een nieuwe kerk gaan bouwen, die verwarmd zou worden met een gewone kachel. De totale kosten bedroegen uiteindelijk ongeveer fl. 4.700.

Prof. dr. A.G. Honig (1864-1940) van Kampen leidde de eerste kerkdienst op 1 november 1908. In datzelfde jaar werd het oude evangelisatielokaal aan het Molenpad gesloopt en de grond verkocht. Dat bracht samen ruim fl. 500 op. Wie weet werd het ‘doelmatiger’ orgel, dat nog geen maand vóór de ingebruikneming ‘zonder geldelijke bezwaren voor de gemeente’ verkregen werd, daarvan betaald (kennelijk had men in het evangelisatielokaal dus op een gegeven moment ook al een orgel, al was het instrument in de kerk aan de Beekstraat ‘doelmatiger’. Hoe dan ook, het orgel kwam op een galerij te staan.

De tweede predikant: dr. J.G. Geelkerken (1911-1915).

Na het vertrek van ds. Bajema werd geregeld naar een nieuwe predikant gezocht, ook al waren de financiën bezwaarlijk. Zo nu en dan  werd een predikant beroepen: zo bedankte in 1910 ds. G.H. van Kasteel (1850-1931), uit het Friese Oppenhuizen, evenals ds. G. de Jager (1876-1949) uit Bruinisse, die eveneens in 1910 bedankte. Het traktement moest kennelijk omhoog! Dat werd vastgesteld op fl. 800.

Dr. J.G. Geelkerken (1879-1960).
Dr. J.G. Geelkerken (1879-1960).

En toen kwam dr. J.G. Geelkerken (1879-1960) in beeld! Hij was afgestudeerd aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en had al een beroep op zak naar Purmerend, dat hij zelfs al had aangenomen. Maar door ziekte moest dat beroep ongedaan gemaakt worden. De artsen hadden hem voorgeschreven dat hij maar naar de Veluwe moest gaan, waar de ‘droge lucht voor hem verkieslijk’ was. In september 1910 nam dr. Geelkerken het beroep van Epe aan (de pastorie werd op zijn verzoek met twee kamers uitgebreid, wat meer dan fl. 1.700 kostte. De predikant deed op 5 februari 1911 intrede en gedurende zijn predikantschap, dat tot 1915 duurde, werd op zijn advies een groot aantal maatregelen genomen, zoals: natuurlijk moesten de broeders bij onderlinge geschillen de problemen eerst zelf onder vier ogen uitpraten ‘en het zoeken van de eer en de goede naam van de medebroeders, in het bijzonder die van de predikant’, moest natuurlijk nagestreefd worden. Het verhuren van zitplaatsen in de kerk (dat bracht geld op) werd door hem als onchristelijk afgewezen; de bijdragen moesten in plaats daarvan maar wat omhoog. Maar de verhuur bleef in Epe bestaan.

Om het kennisniveau van de gemeenteleden op te krikken (dat ‘over het algemeen niet op een hoog peil staat’) werd een uitleenbibliotheek met christelijk verantwoorde boeken opgericht (de mensen moesten méér lezen!); de ambtsdragers zouden in het vervolg een verklaring van trouw aan de belijdenisgeschriften moeten ondertekenen als ze in hun ambt bevestigd werden. Bij het huisbezoek moesten de ouderlingen ‘waken tegen het afglijden in het zog der lijdelijkheid en onmacht, voor zoverre als zij als dekmantel worden gebruikt’; kortom, de kerkelijke meelevendheid van de gemeente moest op peil blijven! En natuurlijk werden het opzicht en de tucht nieuw leven ingeblazen.

De predikant kreeg vanaf 1913 een aantal beroepen, waarvan hij in maart 1915 dat van Amsterdam-Overtoom aannam. Per 23 mei 1915 vertrok hij naar Amsterdam-Zuid (Oovertoom). De kerkenraad toonde ‘diepe smart’. In Amsterdam-Zuid wachtte de predikant een zware tijd…

De derde predikant: ds. P. Jukkenekke, J.P.zn. (1915-1926).

Ds. Jukkenekke ().
Ds. P. Jukkenekke (1878-1948).

Al snel was de vacature weer vervuld. Want op 31 oktober 1915 deed ds. P. Jukkenekke (1878-1947) van Kockengen intrede. Het traktement was inmiddels opgetrokken naar fl. 1.200 per jaar. Dominee hield de kerkelijke penningen trouwens goed in de gaten: toen de boekhouder in 1916 rapporteerde dat het voorgaande jaar een tekort van fl. 500 had opgeleverd, werden hij en de kerkenraad door de predikant berispt. Het tekort was te voorzien geweest; er hadden eerder maatregelen genomen moeten worden! Maar enkele maanden later was het tekort meer dan verdubbeld. Er werden extra collecten en een rondgang door de gemeente gehouden, welke laatste fl. 360 opbracht.

Ook ds. Jukkenekke had net als ds. Geelkerken bezwaar tegen het verhuren van zitplaatsen in de kerk. Het huis des Heeren werd op die manier tot een rovershol gemaakt. De verhuring was trouwens ook vaak oorzaak van het tekort aan zitplaatsen; kerkgangers die wél een plaats gehuurd hadden maar om een of andere reden niet in de kerk kwamen, lieten een plaats leeg! Niet erg efficiënt voor de zitplaatsenverdeling. In augustus 1923 trad de Commissie van Administratie en Financiën zelfs in haar geheel af; er was onder andere onenigheid met gemeenteleden over de zitplaatsenregeling. Hoe dan ook, de kerkenraad besloot in maart 1920 de kerk naar achteren uit te breiden; een besluit dat pas drie jaar later werd uitgevoerd. De kosten bedroegen ruim fl. 6.600.

Problemen met ‘onbeschofte’ catechisatiejeugd; de eredienst verzuimende gemeenteleden; moeite met het verkrijgen van ambtsdragers; de ordening van het archief door de predikant; de uitoefening van het opzicht en de tucht, óok bij die juffrouw uit Oene die verzocht werd ‘zich zóo te kleeden zoals een Christin behoort’; dit alles maakt duidelijk dat het in Epe over het algemeen niet anders ging dan bij kerken elders in het land.

Het interieur van de kerk die in 1908 in gebruik genomen werd (foto: 'Dankbaar gedenken').
Het interieur van de kerk die in 1908 in gebruik genomen werd (foto: ‘Dankbaar herdenken’).

De vierde predikant: ds. I. Tonkens (1927-1935).

Na een drietal vergeefse beroepen werd ds. I. Tonkens (1879-1935) uit het Friese Bergum beroepen, die de roeping aannam. Tevoren was nog uitvoerig gesproken over het traktement dat moest worden aangeboden; men kwam uiteindelijk uit op fl. 2.900; een aardige vooruitgang sinds ds. Jukkenekke in Epe begon. Desondanks kon men vaststellen dat de kerkelijke boekhouding over 1926 fl. bijna fl. 900 in de plus stond. Maar dat was te danken aan de vacature; toen hoefde immers geen traktement te worden uitbetaald. Het nadelig saldo keerde in 1927 dus gewoon terug.

Op 8 mei 1927 deed de nieuwe predikant intrede. Om te zorgen dat de ambtsdragers de gemeenteleden twee keer per jaar konden bezoeken werd de kerk van Epe in vier wijken verdeeld. Verder blies ook nu de predikant de evangelisatiearbeid weer nieuw leven in, waartoe destijds ook ds. Bajema een poging gewaagd had. En net als op zoveel plaatsen in het land protesteerde ook de kerkenraad van Epe bij het gemeentebestuur tegen de jaarlijkse kermis, die ‘diep betreurd wordt vanwege de wereldgelijkvormigheid die zich in onze Gemeente openbaart’. Maar de kermis ging gewoon door.

Een oud probleem deed zich ook tijdens de ambtsperiode van ds. Tonkens weer voor: het zitplaatsengebrek. De kerk groeide! In 1928 werd besloten een galerij aan te brengen, waar vijftig kerkgangers konden zitten. In totaal bood de kerk nu aan 350 gemeenteleden plaats. Geen wonder dat men al begon te denken aan de bouw van een nieuwe kerk.

Ds. I. Tonkens ().
Ds. I. Tonkens (1879-1935).

Voor wat de liturgie betreft werd tijdens de kerkvisitatie gesproken over onder meer de gebruikte prekenserie tijdens leesdiensten (‘Menigerlei Genade’, was het antwoord, ‘ook al is daarin ook niet alles goed’). Ook spraken kerkenraad en gemeente over het zingen van een psalm vóór de dienst; over een eventuele uitbreiding van het flinterdunne bundeltje ‘Eenige Gezangen’ nam men een afwachtende houding aan: je moest met die gezangen extra oppassen! Vóor je het wist zong je zuiver ‘menselijke vonden’, in plaats van de aan de bijbel ontleende psalmen. Zelfs de jongelui hikten tegen vernieuwingen aan: toen ds. Tonkens een nieuwe catechisatiemethode wilde gaan gebruiken wilde een zevental jongens er niet aan. Hun werd de keuze gelaten tussen meedoen of vertrekken; ze kozen wonderlijk genoeg voor het laatste. En of de ouders er nu bijgehaald werden of niet, het hielp niets, want enkele weken later waren ze nog steeds niet teruggekeerd.

Ook in het nabijgelegen Vaassen woonden gemeenteleden. De predikant stelde in oktober 1933 voor een bus te laten rijden om hen van Vaassen naar de kerk in Epe te vervoeren. Dat gebeurde – tot 1940, daarna mocht het niet meer – ook al waren de kosten hoog. De crisisjaren braken aan. De uitgaven van de kerk moesten beperkt worden; de predikant bood enkele keren aan zijn traktement tot in totaal fl. 300 te verlagen; wat de kerkenraad dankbaar stemde.

Op zondag 29 september 1935 preekte ds. Tonkens over Openbaringen 2 vers 1 tot 7. Als laatste zin van de preek sprak hij: ‘Nog enkele jaren, nog enkele maanden of weken slechts misschien, en ziet, wij plukken, wij proeven de vruchten van dien levensboom, en dat tot eeuwige lof van Gods Naam’.

De dag erna werd de predikant, terwijl hij per fiets uit Oene kwam, onwel en stierf nog dezelfde dag. Op 4 oktober werd hij onder grote belangstelling begraven, vanuit een dienst die onder leiding stond van ds. C.W.J. Teeuwen (1898-1964) van Heerde.

Ds. J. Vrolijk (1936-1942) en de nieuwe kerk (1938).

Ds. J. Vrolijk () legde op 20 november 1937 de eerste steen voor de nieuwe kerk.
Ds. J. Vrolijk (1905-199) legde op 20 november 1937 de eerste steen voor de nieuwe kerk (foto: ‘Dankbaar herdenken’)..

Op 7 juni 1936 werd de vacature, die door het overlijden van ds. Tonkens was ontstaan weer vervuld. Ds. J. Vrolijk (1905-1995) van Opperdoes nam het beroep aan. De predikant begon, net als anderen voor hem, met het in het leven roepen van de evangelisatiecommissie; maar een ander belangrijk besluit werd in 1937 genomen tijdens een gemeentevergadering. Toen werd namelijk unaniem goedgekeurd dat er een nieuwe kerk moest komen. De gemeente groeide, had rond die tijd ongeveer vijfhonderd leden en groeide in twee jaar tot over de zeshonderd. Een dertien leden tellende bouwcommissie werd in het leven geroepen. In juli 1937 was voor kerkbouw een bedrag van fl. 19.000 beschikbaar, deels bestaande uit giften en deels uit de plaatsing van aandelen onder de gemeenteleden. De kosten van de bouwplannen bedroegen rond de fl. 20.000, waarbij de aanleg van centrale verwarming inbegrepen was. Inkomsten en uitgaven  lagen dus niet ver uiteen.

De nieuwe kerk met de pastorie.
De nieuwe kerk met de pastorie.

Besloten werd de oude kerk aan de Beekstraat (uit 1908) te slopen en daar de nieuwe kerk neer te zetten. De eerste steen voor de nieuwe kerk werd door ds. Vrolijk op 20 november 1937 gelegd. Tijdens de bouw werden de kerkdiensten gehouden in het Nutsgebouw aan de Willem Tellstraat.  Dat duurde tot en met zondag 3 april 1938, want de week daarop, Palmzondag, werd de nieuwe kerk in gebruik genomen.

Ds. Vrolijk vertrok per 8 februari 1942 naar Rotterdam-Delfshaven. Zijn opvolger, ds. J. Rook (1909-1987) werd op 2 augustus 1942 aan de kerk van Epe verbonden. Met een nieuwe predikant en een nieuwe Regenboogkerk (die in 1965 en 2000 uitgebreid en verbouwd werd) kon de Gereformeerde Kerk te Epe haar weg vervolgen…

De ledentallen van de Gereformeerde Kerk te Epe tussen .
De ledentallen van de Gereformeerde Kerk te Epe tussen 1905 en 2015.

Bronnen onder meer:

H.J. Huizinga-Boelens, Dankbaar herdenken en gelovig vooruitzien. De geschiedenis van 100 jaar Gereformeerde Kerk Epe. Epe, g.j., [1988]

N.N., 125 jaar Gereformeerde Kerk van Heerde. 1835-1960. Heerde, g.j. [1960]

C. Smits, De Afscheiding van 1834, Negende deel, Dordrecht, 1991

C.W.J. Teeuwen, Wegen Gods in Gelre. Kampen, 1935

G. van der Tuuk, Handboek voor hervormde predikanten en kerkenraadsleden. Leeuwarden, 1843

© 2016. GereformeerdeKerken.info