De Nieuwe Kerk in de wijk Haveltermade te Meppel

Inleiding.

De kerkenraad van de Gereformeerde Kerk te Meppel was druk bezig met plannen om de Meppeler synagoge aan de Touwstraat om te bouwen tot de tweede gereformeerde kerk.

Kaart: Google.

Maar de burgerlijke gemeente Meppel kwam met een ander voorstel, namelijk het bouwen van een nieuwe kerk met wijkcentrum en jeugdgebouw in de nieuwbouwwijk Haveltermade voor gemeenschappelijk gebruik door de Gereformeerde Kerk en de Hervormde Gemeente. De Commissie van Beheer vond het idee om het samen met de Hervormde Gemeente te doen niet voor uitvoering vatbaar. En de kerkenraad bouwde ook liever in de Touwstraat / Noteboomstraat dan in de Haveltermade. ‘Na brede bespreking besloot de kerkenraad met achttien van de vierentwintig stemmen voor de Touwstraat.

Het voorstel van de burgerlijke gemeente ging dus niet door, maar ook het plan voor verbouw van de synagoge aan de Touwstraat niet, zoals we al eerder zagen. Het bleek namelijk dat de synagoge onderdeel was van een saneringsplan in Meppel.

Zo zou de verbouwde synagoge er uit zien, gezien vanaf de Noteboomstraat.

‘Een tweede kerk en een jeugdgebouw’.

De Gemeente Meppel had dus grond beschikbaar in de nieuwbouwwijk Haveltermade en vroeg de kerkenraad of men daar dan misschien zélf, zónder de Hervormde Gemeente, een kerk wilde bouwen. De Commissie van Beheer maakte daarvoor een plan, dat op de kerkenraad van 8 december 1955 uitvoerig besproken werd: 1. de bouw van een kerk in de wijk Haveltermade (de voorlopige kosten waren fl. 307.000 plus fl. 30.000 voor de grond) met ruimte voor 608 zitplaatsen, eventueel uit te breiden tot 700; en 2. de bouw van een jeugdcentrum, ‘in gedeelten’, naast het Klokkehuis (daarvan bedroegen de geschatte kosten fl. 140.000). Het Kokkehuis was een gebouw naast de gereformeerde kerk aan de Groenmarktstraat waar vergaderingen gehouden werden en dat eigendom was van de Stichting Eigen Gebouw, vele jaren eerder opgericht door de Gereformeerde Kerk.

Waarom tóch een kerk in de wijk Haveltermade? Omdat daar in de toekomst ongeveer een derde deel van de bevolking van Meppel zou wonen, maar ook omdat de synagoge in de Touwstraat onder het gemeentelijke saneringsplan bleek te vallen, zodat het onmogelijk zou worden daar een kerk te bouwen! De gemeente Meppel was bereid de in de Touwstraat aangekochte panden van de kerk over te nemen. Bij verkoop daarvan zou voor de kerkbouw in de wijk Haveltermade contant een bedrag van ongeveer fl. 57.000 beschikbaar komen. De Commissie rekende op aanvulling daarvan tot fl. 100.000 vanuit de kerkelijke gemeente. Jaarlijks zou dan gedurende vijftig jaar aan rente en aflossing fl. 8.500 nodig zijn. Daarmee ging de kerkenraad akkoord; nu de gemeentevergadering nog. Deze werd in april 1956 gehouden, want de Commissie van Beheer moest nog van alles uitzoeken, zoals de hoogte van de gemeentelijke subsidie voor kerkbouw (die ongeveer 20% zou bedragen). Ook moest optie verkregen worden op het terrein aan de Troelstralaan / Thorbeckelaan.

Al deze zaken werden op 26 april 1956 in de gemeentevergadering besproken. Daar werd ook voorgesteld een eenmalige dubbele kerkelijke bijdrage te geven. Voor de aanpassing van het Klokkehuis moest de kerkenraad het bestuur van de Stichting Eigen Gebouw vragen de eigendomsrechten van het Klokkehuis en de omliggende grond over te dragen aan de kerkenraad (het Klokkehuis stond sinds februari 1942 wel op naam van de kerkenraad, maar het Stichtingsbestuur was eigenaar gebleven; dat kwam door de toenmalige oorlogsomstandigheden en door de toenmalige hoge overschrijvingskosten).

Ds. Vellenga’s historisch overzicht.

De Meppeler predikant ds. IJ.K. Vellenga (1896-1968) gaf in het Kerkblaadje van 14 juli 1956 een duidelijk overzicht van de gang van zaken tot dan toe: ‘Mededelingen over de bouw van kerk en jeugdgebouw. In de eerste tijd werd daar veel over gesproken, maar langzamerhand werd het gewoon. Men spaarde. Eerst werd gediscussieerd over de urgentie van kerkbouw. Was er wel te spreken van gestadige vooruitgang in ledental, de laatste tien jaar van onze gemeente? En over de plaats van een eventuele kerk werd niet minder gesproken. Dit alles werd de laatste jaren [echter] doorkruist door de dringende vraag naar een jeugdgebouw. Dat laatste werd soms zo naar voren geschoven, dat een splitsing dreigde te ontstaan: een zgn. ‘kerkpartij’ en een zgn. ‘jeugdgebouwpartij’. Nog hoger kwamen de golven van welsprekendheid toen de kerkeraad besloot de synagoge te kopen, met de bedoeling deze om te toveren in een kerkgebouw (…). Maar allengs legden ook deze golven zich weer neer, om over te gaan tot een rustig kabbelend beekje met hier en daar een stroomversnelling op visites en verjaardagen. Men wachtte verder min of meer geduldig. Dat mindere geduld kwam uit onder meer in een langzame teruggang van de opbrengst der stuivers en kwartjes in de bussen en de collecten’.

Ds. Y.K. Vellenga (1896-1986)

‘(…) De nieuwe situatie is: De kerkeraad heeft besloten om bij de burgerlijke overheid stappen te ondernemen dat zij alles wat tot nu toe eigendom is van onze Kerk in de Touwstraat en de Noteboomstraat [de synagoge en enkele aangekochte panden] tegen de kostende prijs zou overnemen. Dat is het eerste. (…) Op de gemeentevergadering is geen enkele tegenstand tegen dit besluit openbaar geworden. Integendeel, het werd letterlijk met applaus begroet! Het tweede besluit, hiermee annex was, een nieuwe kerk te bouwen op een daartoe door de burgerlijke overheid ter beschikking gesteld stuk grond in het hart van Meppels nieuwe en zich steeds schoner ontplooiende wijk: het ‘Overjordaanse’ of wel de wijk Haveltermade. Na de heldere en overtuigende uiteenzettting door een ter zake kundige, met behulp van een prachtige plattegrond  (getekend door Paul Kuiper) kwam ook hiertegen geen enkel verweer op genoemde vergadering, maar volgde een tweede applaus’.

‘In bovenstaand historisch overzicht is even aangestipt een schijn van splitsing in de gelederen door de tegenstelling: kerk of jeugdgebouw. Bij het eerste plan [dat van de synagoge] zou dit geen moeite behoeven op te leveren, omdat daar een mogelijkheid bestond beide wensen te combineren. Aangespoord door excellente voorbeelden in andere plaatsen waren velen daar enthousiast over. Er is echter één ding, dat men daarbij over het hoofd zag: een bekende stedenbouwkundige, tevens meelevend lid van de hervormde kerk, heeft eens de opmerking gemaakt: ‘de Stad moet een hart hebben.’ (…) Als wij nu de situatie van Meppel van nu en straks even overzien, dan is de toepassing duidelijk: in die grote nieuwe wijk moet een hart komen. En nu wij de kans krijgen om midden in dat stadsdeel op een uitgezochte plaats een kerk te bouwen, zouden wij dan niet als één man zeggen: wij willen die wijk een hart geven, door er een gereformeerde kerk te plaatsen?’

‘Intussen blíjft de vraag naar een jeugdgebouw. Als gebouw niet voor een déel, maar voor de héle jeugd in onze woonplaats, ligt de plaats van de nieuw te bouwen kerk weer te excentrisch’. Daarom besloot de kerkeraad in contact te treden met de Stichting Eigen Gebouw, om samen te komen tot een behoorlijke voorziening voor het jeugdwerk van de Kerk op het terrein tussen Klokkehuis en kerk aan de Groenmarktstraat’. Tot zover ds. Vellenga.

Overal nieuwe kerken.

Twee niet geringe plannen dus! Was dat financieel te behappen? Overigens werd niet alleen de Gereformeerde Kerk in Meppel voor deze vraag gesteld. Want overal in het land was na de oorlog drukke bouwactiviteit ontstaan omdat na de stilstand door de crisisjaren en de oorlog de groei van de Gereformeerde Kerken nieuwbouw tot een dringende noodzakelijkheid maakte. De te verwachten bouwactiviteit in de jaren 1956 tot 1960 van de Gereformeerde Kerken in het algemeen zou een bedrag van ongeveer fl. 35.000.000 vergen!

Gelukkig was de gereformeerde Stichting Steun Kerkbouw (SSK) opgericht die, door het houden van jaarlijkse landelijke inzamelingsacties, de financiële nood her en der trachtte te verlichten. Bovendien was er de mogelijkheid van overheidssubsidie. Maar… móchten de Gereformeerde Kerken die overheidssubsidie eigenlijk wel aannemen? Ds. Vellenga was daar in het Kerkblaadje van 18 augustus 1956 duidelijk over: ‘Als een groep burgers bereid is een monumentaal gebouw te plaatsen dat het aanzien van een stad of dorp ten goede komt, en de overheid kan de totstandkoming van zulk een gebouw vergemakkelijken door op de een of andere wijze een faciliteit te verlenen, dunkt er mij wel aanleiding te zijn dat te bevorderen’.

Hoe dan ook: de plannen waren er door, maar het geld moest er nog wel komen. Want in augustus 1956 werd geconstateerd dat de opbrengsten van de ‘derde collecten’ laag waren. En een rondgang langs de huizen had, zo bleek in oktober 1956, ‘slechts’ fl. 24.000 opgebracht. De kerkenraad was weliswaar dankbaar, ‘maar het was niet genoeg om te voldoen aan de verwachtingen’. Ondertussen had de gemeente Meppel meegedeeld de synagoge en belendende gebouwen voor fl. 35.000 te willen overnemen. Kortom: de synagogeplannen waren definitief voorbij en men concentreerde zich nu op een nieuwe kerk in de wijk Haveltermade én op het nieuwe jeugdgebouw tussen de kerk en het Klokkehuis aan de Groenmarkt. De synagoge werd in 1960 afgebroken.

De synagoge te Meppel (die in 1960 werd afgebroken).

De ‘Stichting Eigen Gebouw’ en het Klokkehuis.

In verband met de plannen van een kerkelijk vergadercentrum in het Klokkehuis schreef de Meppeler predikant ds. A.C. Hofland in de Kerkblaadjes van november en december 1956 een aantal interessante artikelen over de geschiedenis van de ‘Stichting Eigen Gebouw’ en over die van het Klokkehuis; een geschiedenis die overigens niet door iedereen bejubeld werd. Ds. Hofland schreef onder meer: ‘De Stichting Eigen Gebouw is opgericht op 14 maart 1936 door de Gereformeerde Kerk en de beheerscommissie van het gebouw van de in Meppel gevestigde Gereformeerde Jongelings Vereeniging Timotheüs. Volgens artikel 3 van de Statuten is het doel van de Stichting ‘de verkrijging en exploitatie van een centraal vereenigingsgebouw in de gemeente Meppel ter bevordering van de belangen van christelijke organisaties, in het bijzonder die der Gereformeerde Kerk en der JV Timotheüs te Meppel’. Het bestuur van deze Stichting bestaat uit tien leden. (…) Om nu aan middelen te komen om een behoorlijk verenigingsgebouw te krijgen is destijds een bazarcommissie in het leven geroepen. (…)’

‘Deze bazarcommissie heeft twee keer een bazar georganiseerd. Door een aantal dames werd een Verjaringsfonds in het leven geroepen en de opbrengst van de bazars én van dit fonds is een deel geweest van het bedrag benodigd om het zogenaamde Klokkehuis [naast de kerk] te kopen. Het andere deel van het bedrag is gevonden door de verkoop van een perceel aan de Prinsengracht, eigendom van de JV Timotheüs [in het Lokaal Prinsengracht werden tot die tijd vele vergaderingen van allerlei gereformeerde verenigingen gehouden]. Dit alles ging niet zo vlug als ik het nu neerschrijf, en toen in 1940 de oorlog uitbrak was er geen kans om iets te ondernemen dat geleek op de bouw van een verenigingsgebouw, en daarvoor was het bedrag ook niet voldoende. De oorlog bracht nog andere moeilijkheden. In 1942 was het, meen ik, dat de Duitsers een besluit uitvaardigden dat alle gelden van niet-commerciële verenigingen in beslag genomen zouden worden (dit is onder andere ook gebeurd met het geld van de A.R.-Kiesvereniging). Om nu het bedrag van bazars, Verjaringsfonds en verkoop gebouw Timotheüs veilig te stellen, is het totale bedrag ter hand gesteld aan de Commissie van Administratie van de Gereformeerde Kerk [de latere Commissie van Beheer], aangezien de Kerken níet onder voornoemd besluit vielen. Van dit geld, dus opgebracht door bazars, Verjaringsfonds en de verkoop van het gebouw Timotheüs, heeft de kerkeraad destijds het Klokkehuis gekocht, en heeft de Commissie van Administratie dit gebouw na de oorlog een paar jaar geëxploiteerd’.

De gereformeerde kerk aan de Groenmarktstraat, die in 1897 in gebruik genomen werd.

‘Het huis, dat voorheen door de dames Klokke (vandaar de naam ‘Klokkehuis’) was gekocht, was een oud herenhuis, dat voor het doel waarvoor het gekocht was, geschikt moest worden gemaakt. Van de suite werd beneden een zaaltje gemaakt en het werd opgeknapt, terwijl boven twee vergaderruimten werden ingericht. Zonder zelfverheffing mag gezegd worden dat dit aantrekkelijke zaaltjes zijn. Er moest echter ook ruimte overblijven voor het woonhuis van de conciërge, zodat met de ruimte gewoekerd moest worden. Het verbeteren van het Kokkehuis is gebeurd met het geld dat ermee verdiend is [verhuur, etc.], en er is ook nog iets overgehouden, maar bij lange na niet voldoende om een nieuw verenigingsgebouw te bouwen’.

‘(…) Ons ideaal is steeds geweest een nieuw gebouw, of een uitbreiding, zodat aan de vraag voor vergaderruimte kon worden voldaan. (…) Om nu aan middelen te komen om uitbreiding aan dit werk te geven en t.z.t. een nieuw gebouw te stichten [op de open ruimte tussen de kerk en het Klokkehuis] heeft het bestuur in 1950 opnieuw het Verjaringsfonds in het leven geroepen. De actie van dit fonds was in de oorlog gestaakt en werd in 1950 dus opnieuw georganiseerd. (…) De belangstelling voor het Verjaringsfonds verslapt echter momenteel en dat is erg jammer, want door dit fonds konden we zo ongemerkt een stamkapitaal vormen’.

‘Alhoewel de kaarten, die [door het Verjaringsfonds] gezonden worden aan hen die jarig zijn, onzes inziens duidelijk aangeven voor welk doel de opbrengst besteed zal worden, zijn er tot onze spijt personen in de gemeente die [enerzijds] héél graag een nieuw centraal verenigingsgebouw wensen, maar [anderzijds] níet geven, of niet méér geven wanneer er op hun verjaardag iemand van het Verjaringsfonds komt om een bijdrage. (…) Het is voor hen die zich voor dit werk geven zeer ontmoedigend wanneer zij tevergeefs bij de jarige aankloppen. Dit doet het werk vastlopen. Is dus de exploitatie van het Klokkehuis één van de taken van het bestuur der Stichting; de tweede taak was het vormen van een reservoir voor nieuwbouw of uitbreiding. Er zijn natuurlijk méér mogelijkheden om aan geld te komen. Voor enige jaren heeft het Stichtingsbestuur gedacht aan het houden van een of meer bazars, maar onze zeer voorlopige plannen werden gekruist door de actie voor de kleuterschool en wij waren van mening dat díe actie voorrang had, en zijn wij maar bescheiden blijven doorgaan met het verzamelen van geld door middel van het Verjaringsfonds’.

Stevige kritiek op het Klokkehuisbestuur.

Het Klokkehuis aan de Groenmarkt.

Eén van de gemeenteleden reageerde kritisch op de bovenstaande artikelen. Hij vroeg zich af wát de heren van het Klokkehuisbestuur al die jaren eigenlijk concreet gedaan hadden. Hij schreef: ‘Voor zover mij bekend zijn de bazar en het Verjaringsfonds de enige acties geweest die voor het gebouw op touw gezet zijn. Hebben de heren dan verder hun tijd verdaan met praten op vergaderingen, waardoor al die tijd geen activiteiten ontplooid konden worden om eindelijk tot bouwen te komen? In de oorlog kon het niet; akkoord! Maar wat is er dan gedaan van 1936 tot 1940 en van 1945 tot 1956? Is het uw enige verdienste dat u het geld van de jeugd uit handen van de Duitsers gehouden hebt? Klopt u zich op de borst en vindt u dat een verdienste, omdat volgens uw zeggen de verantwoordelijke bestuurders van de A.R.-Kiesvereniging dat niet gedaan hebben?’

‘Laat ik u zeggen dat dit uw dure plícht was om het geld niet uit te leveren aan de Duitsers, en dat het ook uw dure plícht was niet onbekend te zijn, en dat het ook uw dure plícht was niet onbemind te zijn. Dat laatste had u kunnen voorkomen. U had actief moeten zijn. Het gebouw had er al lang moeten staan en dat had gekund. De gereformeerde mensen zijn nog offervaardig genoeg, vooral als het om de jeugd gaat. Want zij zijn de grote mensen van morgen die de fakkel van het geloof verder moeten dragen. Het gebouw is eigendom van de gereformeerde gemeenschap van Meppel. Dan kan ik mij niet anders voorstellen dan dat die gemeenschap over dat gebouw ook wat te vertellen wil hebben. Daarom lijkt het mij het beste dat u volgende week maar een rouwadvertentie plaatst van het overlijden van de Stichting en dan meteen de geboorteaankondiging publiceert van de Vereniging ‘Het Eigen Gebouw’, waar iedereen lid of donateur van kan worden (…); een vereniging waar men ook wat te vertellen heeft’.

‘(…) Heren bestuursleden: heft u zelf op, zowel figuurlijk als letterlijk en laat de jeugd het zélf doen. Mij dunkt dat ze ook wel eens wat ánders willen dan ‘inleidingen maken’ [op de JV]. Gereformeerde jeugd van Meppel: slaat uw handen ineen en ontketen acties om eindelijk te komen tot het stichten van een gebouw. Kunt u het zélf niet af: vraag dan ouderen u te helpen. Ze doen het vast als het om uw bestwil gaat en God zal u zegenen’. Tot zover de briefschrijver.

Iemand anders vond het bovenstaande verwijt nog niet genoeg en schreef: ‘Is het tweede Verjaringsfonds pas in 1950 opgericht? Vijf jaar na de oorlog? Is het werkelijk zo verbazingwekkend dat men zo langzamerhand niet veel meer geeft? Twintig jaar geen resultaten zien is lang! ‘De Stichting had ook nog gedacht aan het houden van bazars’, las ik. Kunt u uw gedachten niet omzetten in daden? Of zit u er op te wachten dat vandaag of morgen een ánder u weer voorgaat? (…) We hebben nu goed gezien, bestuur, dat u niet verder kunt komen dan wat dames langs de deuren te laten leuren en er over te denken een bazar te houden. Daarom lijkt het me goed (ik spreek namens vele anderen) uw zetel ter beschikking te stellen, want zó komen we niet verder’.

Nadere besluiten over het nieuwe verenigingsgebouw.

Na de kritische artikelen over de werkwijze van de Stichting Eigen Gebouw was de vereniging ‘Steun Actie Steengoed’ opgericht, die tot doel had spoedig te komen van de bouw van een verenigingsgebouw. Nadat de ‘Stichting Eigen Gebouw’ en ‘Steun Actie Steengoed’ hadden voldaan aan het in 1958 gedane verzoek van de kerkenraad te gaan samenwerken, besloot de raad voor het te bouwen verenigingsgebouw de grond tussen de kerk en het Klokkehuis ter beschikking te stellen. Alle gelden der deelnemende verenigingen werden afgedragen aan de penningmeester van de Stichting Eigen Gebouw.

De aandacht verplaatste zich nu echter vooral naar de bouw van de kerk in de wijk Haveltermade.

De Oude Kerk.

De nieuwe kerk in de wijk Haveltermade.

In een brief van 19 oktober 1956 had de Commissie van Beheer aan architect Plooy al meegedeeld dat de aanvullende actie voor het verkrijgen van een stamkapitaal fl. 100.000 had opgebracht zodat nu serieus over de bouw van een tweede kerk kon worden nagedacht. De Commissie had in Maassluis de Immanuelkerk bekeken: ‘Prachtig, maar de kosten zullen voor ons wel veel te hoog liggen. In Overschie was een soortgelijke kerk eenvoudiger uitgevoerd. De [achthoekige] vorm van die kerk wordt geprefereerd. De hervormde Maranathakerk in de Rivierenwijk in Amsterdam is ook in deze geest gebouwd: een kerk waar de kerkgangers rondom de preekstoel zitten’. De architect werd gevraagd een paar ontwerpen te maken waarin deze wens tot uitdrukking kwam. Natuurlijk wilde de architect méér weten dan alleen de gewenste vorm van het gebouw. Moest hij een kerk ontwerpen met 600 zitplaatsen ‘beneden’ en 100 op een galerij (waar het meubilair vooralsnog niet hoefde te worden aangebracht)? En moesten de vergaderlokalen achter de kerk gebouwd worden? En het orgel, moest dat aan de kanselwand worden aangebracht? Op hoeveel fietsen moest gerekend worden? En om de kerk zich te laten aanpassen aan de omgeving wilde Plooy graag een afdruk ontvangen van de bouwtekening van de nabijgelegen school.

Het eerste schetsplan.

Naar aanleiding van de antwoorden van de kerkenraad stuurde architect Plooy op 10 december 1956 een schetsplan van een kerk met als indeling een achthoekvorm met twee lange zijden (zoals in Maassluis); met 614 zitplaatsen op de begane grond en 100 op de galerij; met een ruim voorportaal als toegang tot het kerkruim; met aan drie kanten van de kerkzaal een uitgang; met twee ‘gemakkelijke trappen’ die vanuit het kerkruim toegang gaven tot de galerij; met de kansel en de ambtsdragersbanken op een verhoogd podium; met in de aanbouw drie vergaderlokalen, waarvan twee gescheiden door een harmonicawand. Verder werd in de plannen rekening gehouden met een predikantskamer, een toiletgroep, een bergplaats en een garderobe met buffet. En achter de vergaderlokalen de beide rijwielbergplaatsen. In totaal, zo schreef de architect op 18 augustus 1958, zouden de kosten dan op fl. 250.000 komen, maar de centrale verwarming, de verlichting, de bliksembeveiliging, allerlei akoestische werkzaamheden, de banken, het doopvont, de kansel, de knielbank, de tafels, de stoelen en de stoffering, de kosten van TNO en last but not least het honorarium van de architect, brachten de totaal-kosten op bijna fl. 360.000.

Links het Klokkehuis, daarnaast de vroegere rijtuigwerkplaats Van Werven en rechts de Oude Kerk aan de Groenmarktstraat.

De bouw van de kerk kan beginnen.

Architect Plooy was op 25 mei 1957 in de kerkenraad om toelichting te geven op de plannen. De kerkenraad ging akkoord. Na de komst van ds. Van Tuinen (in 1957) werd uiteindelijk op 6 december 1957 besloten met spoed over te gaan tot het bouwen van de tweede kerk. De plannen waren uitgewerkt, de kosten waren berekend (incl. grond fl. 390.000) en het bouwfonds omvatte nu fl. 100.000. Besloten werd een lening van fl. 250.000 te sluiten tegen een rente van 5 %; het voorstel om met bouwen te wachten tot de regering een besluit genomen zou hebben over de te verstrekken subsidie ‘werd beslist afgewezen’. Wel zouden de kerkelijke bijdragen met fl. 20.000 omhoog moeten. Ook de gemeentevergadering was voor.

De aanbesteding.

De aanbesteding (onder aannemers die lid waren van de Gereformeerde Kerken in Nederland) vond plaats in augustus en op de 21ste van die maand besprak de kerkenraad de uitkomst ervan. Op voorstel van de Commissie van Beheer werd besloten de bouw van de tweede kerk op te dragen aan de fa. H. Eikenaar en Zn. te Meppel voor een bedrag van fl. 183.380 (de hoogste inschrijver berekende maar liefst fl. 257.500). Het bouwterrein, ter grootte van ongeveer 1.500 m², werd door een besluit van de gemeenteraad op 2 september 1958 aan de Gereformeerde Kerk verkocht voor fl. 12,70 per m². ‘Met de Commissie van Beheer zal besproken worden de wens van de scriba om aparte toiletten voor de dames te hebben in de nieuwe kerk’. In januari 1959 werd afgesproken ook ‘een aantal luidklokjes in het torentje van de nieuwe kerk’ aan te brengen (dit besluit werd vijf jaar later veranderd in ‘één klok’). En hoewel in maart 1959 besloten was géen kruis op de kerk te plaatsen werd dit twee maanden later herzien: er kwam wél een kruis op het ‘torentje’ van de kerk.

De inrichting van de kerk.

De Nieuwe Kerk te Meppel in aanbouw.

Honderdtachtig gemeenteleden schreven op 14 mei 1959 in een gezamenlijke brief wat ze onder een ‘stijlvolle inrichting’ van de kerk verstonden: een open bijbel op de kansel, gebrandschilderde ramen vóór in de kerk, een vast doopvont, een vaste avondmaalstafel, een kruis in de kerk en een passende versiering met bloemen. Verscheidene kerkenraadsleden vonden deze gezamenlijke actie trouwens ‘een gevaarvolle daad, die licht groepsvorming en tweedracht in de gemeente tot gevolg kon hebben, vooral ook omdat men bij de ondernomen actie alleen steun had gezocht in het gebied dat volgens hen het rayon van de nieuwe kerk zou worden’; de briefschrijvers waren op deze bezwaren gewezen en getracht was ook nog hen ervan te weerhouden. Maar aan de andere kant werd er op gewezen dat ‘deze broeders naar het oordeel van de praeses goedwillende, meelevende leden der kerk zijn, die er zich niet van bewust geweest zijn dat zij door deze actie het andere deel der gemeente hebben losgelaten’. Omdat geen adres van een afzender werd vermeld zouden de ondertekenaars via het Kerkblaadje worden geantwoord. ‘Dit zal op een pastorale en tevens instruerende wijze geschieden’.

De Commissie van Beheer deelde nog mee dat tekeningen van de stoelen, de banken, het doopvont en de kleine vaste avondmaalstafel aan de kerkeraad ter goedkeuring zouden worden aangeboden. Over ‘de vaste avondmaalstafel’ ontspon zich trouwens een langdurige discussie. De Commissie van Beheer had zich een kleine tafel gedacht voor het plaatsen van het servies. Maar ds. Vellenga merkte op dat in de oudste christelijke kerken naast vaste doopvonten weliswaar ook tafels aanwezig waren, echter niet als liturgische herinneringen aan doop en avondmaal (‘versieringen’), maar als iedere zondag dienstdoende gebruiksvoorwerpen. En toen volgde een theologisch-exegetische verhandeling over versieringen in de eredienst, met het gevolg dat uiteindelijk tegen het plaatsen van een avondmaalstafel gestemd werd. Wel werd toestemming gegeven voor een bloementafel. Iemand bood aan een mooi bord te zullen maken waarop de vóór de dienst te zingen liederen zouden worden aangegeven, maar had die belofte later ingetrokken. Nu zou de Commissie van Beheer ervoor zorgen, want het tijdelijke ding was ‘onesthetisch’, vond men.

De financiële kant van de zaak.

In juni 1959 waren vijf offertes binnengekomen voor het nieuwe meubilair in de nieuwe kerk: banken, een preekstoel, een doopvont, een bloementafel en een rek voor de collectezakken;  besloten werd alles in blank eikenhout te laten uitvoeren. De offerte van de gebr. Van der Woerd (de meubelfabriek De Specht) te Rhenen stuurde de laagste inschrijving: ruim fl. 28.000. De banken waren in Rhenen al even geprobeerd; ‘ze zitten lekker’, maar voor de zekerheid zou nog een proefopstelling gemaakt worden. Ook werden tachtig stoelen (voorin de kerk te plaatsen) aangeschaft, evenals tafels en stoelen voor de zalen achter de kerk, en natuurlijk de vloerbedekking en verdere stoffering.

Op de gemeentevergadering van 30 september 1959 werd een overzicht gegeven van de financiële kant van de bouw van de nieuwe kerk. De totale kosten zouden ongeveer fl. 400.000 bedragen. Die gelden werden gefinancierd door de plaatsing van obligaties ter waarde van ongeveer fl. 139.000, een lening van fl. 100.000, een hypotheek van fl. 19.000, een subsidie van de gemeente Meppel van fl. 25.000 en de door het Damescomité gevormde spaarpot van ca. fl. 100.000. Daarbij was de opbrengst van de verkoop van de synagoge inbegrepen (die overigens commercieel gezien geen verlies had opleverd). Met nadruk werd er op gewezen dat ook de jeugd zich bijzonder actief had betoond. ‘Het gereformeerde volk valt wel mee wat geven betreft’, zo werd tevreden opgemerkt. Dat was maar goed ook, want men moest er rekening mee houden dat de kerkelijke bijdragen met ongeveer 25 % zouden moeten stijgen! Het orgel kon pas later geplaatst worden, ‘omdat het plaatsen ervan in een pas gebouwde kerk schadelijk is voor een dergelijk instrument’.

In de tussentijd hield de architect de bouwvorderingen nauwlettend in de gaten en tussen 30 oktober 1958 en 5 december 1959 kon hij de kerkenraad regelmatig meedelen dat de fa. Eikenaar recht had op 10 % van de betaling der aanneemsom, omdat de bouw overeenkomstig de afspraken was uitgevoerd. De bouw vorderde snel, maar toen de banken er eenmaal stonden, in november 1959, vonden sommigen dat ze ‘buitengewoon slecht’ zaten. ‘Doordat de banken van onderen dicht zijn is de tussenruimte tussen de zitting en de voorstaande bank veel te smal, zodat de benen geen gelegenheid hebben zich te strekken, met het gevolg dat dit redenen geeft tot rugklachten. Veel bezoekers doen gaarne hun benen over elkaar, doch bij de opstelling van de banken zoals dit nu is, is dit totaal onmogelijk’. Gelukkig kwam alles in orde.

Hoe moest de kerk heten?

De Nieuwe Kerk.

De gemeenteleden hadden gelegenheid gekregen een naam voor de kerk te bedenken. Genoemd werden Petrakerk, Runiakerk, Deltakerk en Koningskerk. Later kwamen er nog meer namen bij: Morgensterkerk, Kruiskerk, Noorderkerk en Nieuwe Kerk. Deze namen boden stof voor een langdurige discussie: de commissie stelde voor een keus te doen uit het tweetal Morgensterkerk en Koningskerk. Maar deze namen vonden niet veel bijval. Zo was de naam Koningskerk wél heel toepasselijk in de omgeving waar de straten de namen van staatslieden droegen, maar werd door historisch onderlegde broeders minder gewenst geacht omdat sinds april 1857 al een kerkje zo werd genoemd, namelijk doordat een zekere ‘bakker Koning’ zich toen afscheidde van de Meppeler Christelijke Afgescheidene Gemeente . Déze namen werden in elk geval afgevoerd. Vervolgens werd afgesproken de kerk een niet-symbolische naam te geven. Toen bleven over Noorderkerk en Nieuwe Kerk. Stemming besliste dat de kerk Noorderkerk genoemd zou worden. Maar daartegen waren geografische bezwaren, aangezien de inwoners van Meppel het noorden in een andere richting zochten. Ds. Van Tuinen vond dat aan de keuze van de namen onvoldoende bespreking vooraf gegaan was. ‘Uit de na de hernieuwde bespreking gehouden stemming blijkt dat de meerderheid der vergadering nu de naam Nieuwe Kerk verkiest bóven Noorderkerk. Aldus wordt besloten’. De nieuwe kerk heette dus in het vervolg Nieuwe Kerk! En als het ware automatisch veranderde de naam van de kerk aan de Groenmarktstraat in Oude Kerk!

De kerk in gebruik genomen.

Op 17 en 18 februari 1960 werd de Nieuwe Kerk in gebruik genomen. Het programma van woensdag 17 februari omvatte allereerst het zingen van psalm 150 de verzen 1, 2 en 3 en daarna een gebed en een Schriftlezing met een begroetingswoord door ds. J. van Tuinen. Vervolgens stond de overdracht van het kerkgebouw namens de Commissie van Beheer aan de kerkenraad op het programma, waarna psalm 100 de verzen 1, 2, 3 en 4 werden aangeheven. Daarna werd de kerk namens de kerkenraad door ds. J. van Tuinen aanvaard en zong het evangelisatiezangkoor psalm 84 en het Locus Iste (‘Deze plaats is door God geschapen’) van Anton Bruckner (1824-1896). Vervolgens hield ds. Vellenga een meditatie, waarna gezongen werd psalm 68 : 2, 9 en 10. Toen volgde het onvermijdelijke hoogtepunt: toespraken van de genodigden en de beantwoording ervan namens de kerkenraad. Na het zingen van psalm 98 : 1, 2 , 3 en 4 en het dankgebed, werd staande het eerste en vierde vers van psalm 138 aangeheven. Gezongen werd er wél! De gemeentezang werd begeleid door het muziekkorps De Bazuin.

Op donderdag 18 februari werd in principe hetzelfde programma ‘afgedraaid’, maar in plaats van de ‘overdracht’ werd nu ‘een woord namens de Commissie van Beheer’ gesproken, en in plaats van de ‘aanvaarding door ds. Van Tuinen’ volgde ‘een woord namens de kerkenraad’. De ‘toespraken der genodigden’ werden niet herhaald, maar vervangen door de ‘aanbieding van het avondmaalsstel’ en door andere geschenken namens het Damescomité, en in plaats van ‘de beantwoording van de toespraken der genodigden’ werd het doopvont aangeboden door de kinderen van de vijfde en zesde klas der lagere school, die daarvoor geld hadden ingezameld. Kortom, feestelijke dagen!

Het orgel.

In overleg met de Adviescommis-sie van de Vereniging van Organisten werden vijf orgelbouwers uitgenodigd aan de inschrijving voor de bouw van het orgel mee te doen. Uiteindelijk stuude alleen de fa. Leeflang uit Apeldoorn een offerte. Deze firma zou een orgel bouwen van tweeëntwintig stemmen voor een bedrag van fl. 55.000. De Adviescommissie vond die prijs echter te hoog. Na verder overleg bleek de heer Leeflang van oordeel dat, hoewel een orgel van tweeëntwintig stemmen meer mogelijkheden bood en gemakkelijker bespeelbaar was, een instrument van achttien stemmen ter waarde van fl. 46.000 óók ruim voldoende zou zijn voor deze kerk. De Adviescommissie was het daarmee eens. De levertijd was 2 tot 2 ½ jaar. Wel wilde men de speeltafel zo opstellen dat de organist zicht had op een in de kerk opgesteld zangkoor. De scriba was overigens voorstander van een orgel met tweeëntwintig stemmen: hij vond het niet juist ‘de vier stemmen, die leidden tot verfraaiing van het geluid’, weg te laten, en van latere aanbouw kwam tóch niets terecht, zo meende hij. Ds. Vellenga was het op zich wel met de scriba eens, ‘maar door het niet beschikken over goede organisten zullen die vier extra stemmen tóch niet tot hun recht komen’. Besloten werd toen het voorstel van de commissie uit te voeren.

In maart 1960 waren twee van de drie benoemde organisten teleurgesteld dat ‘zij niet betrokken waren bij de plannen voor de aanschaf van het orgel in de nieuwe kerk’. De organisten hadden echter inzage gehad in de dispositie van het orgel en waren daarmee geheel akkoord gegaan’, aldus de kerkenraad.

De orgels en de organisten.

Maar hoe moest de gemeentezang begeleid worden zolang het orgel er nog niet was? Aanvankelijk werd gebruik gemaakt van een tijdelijk afgestaan harmonium; het voorstel om een eigen harmonium of piano aan te schaffen werd afgeraden ‘omdat de middelen hiertoe ontbreken’. Gelukkig plaatste de leverancier van het kerkorgel in december 1960 tijdelijk een gebruikt orgel in de Nieuwe Kerk. Ds. Van Tuinen schreef in het Kerkblaadje van 7 januari 1961:  ‘Er is zóveel vaart achter de opstelling van het [tijdelijke] orgel gezet, dat zij vóor de jaarwisseling gereed was, en we verleden zondag door nieuwe klanken verrast konden worden, ‘nieuw‘ in onze oren dan. Voor onze organisten is dit een overgang als van een gewone fiets naar een bromfiets, in die zin dat ze niet meer behoeven te trappen en in hun werk door een motor gedragen worden. (…) Voor de gemeentezang is de ingebruikneming van het orgel verblijdend. Het geluid van het bejaarde instrument ondersteunt de zang aanmerkelijk krachtiger dan dat van het tot nu toe gebruikte harmonium. Al hebben we ook daarvan dankbaar gebruik gemaakt!’

Het orgel van de Nieuwe Kerk te Meppel.

In mei 1963 kwam ook een eind aan het gebruik van het oude vervangende orgel: ds. Vellenga schreef in het Kerkblaadje van zaterdag 25 mei 1963: ‘Het oude orgel in de Nieuwe Kerk was zondag geheel verdwenen. (…) Met veel kundigheid wisten de organisten de stramme spieren nog wel wat lenigheid te geven en de oude stem wat op te jutten, maar ieder kon bemerken dat de gebreken van de oude dag de overhand begonnen te krijgen. Verleden week is het vakkundig ontleed, in zijn delen de orgelgalerij af en de consistorie in gedragen en te ruste gelegd. En nu is het weg. Maar vandaag – ik schrijf dit op maandag – stond er bij het ochtendkrieken al een vrachtauto voor de kerk. Zeven vaardige mannen laadden alle mogelijke houtwerk uit, vulden er een goed deel van de gang en van de consistorie mee, pakten alles, dat tot het oude orgel behoord had, in de vrachtauto en begonnen meteen aan de opbouw van het nieuwe. (…) De orgelbouwers zeiden dat het nog wel enige weken zou duren voordat het orgel zich zal kunnen doen horen. Intussen kunnen we dan zondag vijf dingen tegelijk doen: horen naar de piano [die de gemeentezang een paar weken begeleidde], kijken naar de kast van het nieuwe orgel, geven in de collectezak, een melodie zingen, en denken aan wat we zingen. (Misschien kan iemand ondertussen ook nog een pepermunt in de mond houden. Dat zou dan het zesde, maar het minst-waardige zijn in de rij)’.

Het orgel in gebruik genomen.

De Nieuwe Kerk in de wijk Haveltermade.

Op dinsdag 2 juli 1963, ’s avonds om acht uur, werd het echte nieuwe orgel van de fa. Leeflang in gebruik genomen.

De dispositie was als volgt: hoofdwerk: Prestant 8’, Roerfluit 8’, Octaaf 4’, gedekte Fluit 4’, Vlakfluit 2’, Mixtuur 1 1/3, 5 st., Horizontale trompet 8’. Het rugwerk bestond uit een Holpijp 8’, Prestant 4’, Koppelfluit 4’, Octaaf 2’, Scherp 1’, 3 st., Tertiaan 2 st., Dulciaan 8’, Tremulant. Het pedaal: Subbas 16’, Prestant 8’, Quintaaf 4’-2’, 2 st., Fagot 16’.

Ds. Vellenga schreef: ‘Het mooie uiterlijk van dit instrument schept goede verwachtingen voor de klank! Deze verwachtingen worden nog versterkt door de naam van bouwer: de fa. Leeflang te Apeldoorn. Naast een paar korte toespraken, waaronder een (populaire) toelichting door de orgelbouwer, zal de zeer bekende organist Simon C. Jansen het orgel bespelen. Hij zal enige bekende stukken van Bach spelen en daarna veel gevraagde liedbewerkingen en koralen. Het geheel wordt afgewisseld met gezamenlijk zingen (psalmboek meenemen!). Het programma zal niet langer duren dan 1 ½ uur. (…)’. Dat was te doen.

Bronnen:

Archief van de Gereformeerde Kerk te Meppel. Drents Archief, Assen.

G.J. Kok, ‘… Die verenigde wat gescheiden was …’. Geschiedenis van de Gereformeerde Kerk te Meppel (1835-2005) met inventaris van het Archief. Groningen, 2014

© 2017. GereformeerdeKerken.info