Het verhaal van het ontstaan der Geref. Kerk te Lollum (1887)

En: binnenkort brouwen en begraven vanuit v/m. gereformeerde kerk Lollum?

De voormalig gereformeerde kerk in het Friese Lollum, de zogenoemde Greidhoeke Kathedraal (‘kathedraal van de Weidehoek’), wordt mogelijk het onderdak voor zowel een bierbrouwerij als een uitvaartvereniging. De kerk wordt al enige tijd door de Protestantse Gemeente niet meer voor kerkdiensten gebruikt.

Kaart: Google.

De Protestantse Gemeente te Lollum-Waaxens droeg de voormalig gereformeerde kerk enige tijd geleden over aan de Stichting Greidhoeke Kathedraal, die wil proberen de kerk voor andere doeleinden te gebruiken dan voor kerkdiensten. Deze worden namelijk al enige tijd alleen gehouden in de andere twee kerken van de Protestantse Gemeente, de Hubertustsjerke in Lollum en de Thomastsjerke in Waaksens. Deze werden overgedragen aan Stichting Doarpstsjerken [Dorpskerken-] Lollum-Waaksens. De Protestantse Gemeente te Lollum-Waaksens gebruikt deze kerken voor de erediensten, maar de voormalig gereformeerde kerk in Lollum dus niet meer, tenzij er behoefte is aan meer ruimte.

Brouwen…

Voor wat betreft de in de voormalig gereformeerde kerk in Lollum te vestigen een bierbrouwerij zijn de plannen volgens de initiatiefnemers Sipke en Sipko Dotinga kant en klaar, maar moeten vooral de financiën nog geregeld worden. De brouwers willen hun bier –  ‘Tsjerkebier’ (kerkbier) – beslist in een kerkgebouw brouwen. ‘Er staan veel kerken leeg en op deze manier kunnen we eraan bijdragen dat het erfgoed behouden blijft’, zo verklaarde hij tegenover het Friesch Dagblad.

… en begraven.

Inmiddels heeft ook een groep Friese uitvaartverenigingen te kennen gegeven mogelijk van de voormalig gereformeerde kerk in Lollum gebruik te maken als centrale plaats voor hun coöperatie.  Uitvaartverenigingen in Fryslân hebben het tegenwoordig niet gemakkelijk: ze kunnen moeilijk vrijwilligers vinden, en hebben steeds minder leden. Een groep Friese verenigingen wil middels een coöperatie de handen ineen slaan, om zo hun voortbestaan te verzekeren. De gereformeerde kerk in Lollum is nu dus in beeld als centrale plaats.

_____________

Het ontstaan van de Gereformeerde Kerk te Lollum en Waaxens.

De Gereformeerde Kerk in het Friese Lollum, ongeveer acht kilometer ten zuiden van Franeker, werd op 2 juli 1887 als ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)’ geïnstitueerd. Een belangrijke rol daarbij  speelde Arie Elshout (1829-1922), die als ouderling niet alleen in het gereformeerde Lollum een rol speelde, maar ook in de classis, de particuliere synode en zelfs op de generale synode.

De geschiedenis van de Doleantie te Lollum is door Elshout gelukkig zeer uitvoerig beschreven in de toenmalige (dolerende) Friesche Kerkbode. Wat door hém over de Doleantie te Lollum bekend is, werd hier en daar – en ook nu – als bron gebruikt.

Lollum.

Lollum is heel lang een erg geïsoleerd dorp gebleven. Halverwege de negentiende eeuw was het dorp door nog geen enkele weg te bereiken. Wilde men er om een of andere duistere reden toch beslist heen, dan moest men van Tzum of vanaf Achlum een tocht van een uur door de weilanden maken. In de zomer ging dan nog wel, maar ’s winters was het een ware martelgang. Predikanten die in die tijd door Lollums hervormde kerkenraad beroepen werden hadden zich met die zelfde ‘toegangsweg’ tevreden te stellen.

Met natte en vuile kleren kwam men na een uur zwoegen te bestemder plaatse. Een beroep aannemen zal daardoor wel eens niet zijn doorgegaan. Langzamerhand werden de verbindingen met naburige dorpen beter, maar het duurde nog tot 1922 eer Lollum aan een doorgaande weg lag.

Arie Elshout komt naar Lollum.

De reden dat timmerman Arie Elshout Rzn. samen met een collega-ouderling naar Lollum moest was niet al te duister. De hervormde kerkenraad van Giessen-Rijswijk had beide broeders opgedragen naar het verre Lollum te gaan om daar ds. Van der Meulen te horen. Men wilde hem beroepen. Ze moesten diezelfde lange moeizame reis maken als hierboven al aangegeven werd. Maar ze kwamen op tijd in Lollums hervormde kerk aan en de preek van ds. Van der Meulen beviel zeer goed. Dat zou vast en zeker een beroep worden, zo schatten ze in. Helaas – zo bleek al direct – had de predikant intussen een beroep van het Groningse Losdorp aangenomen. Dus Giessen-Rijswijk kon het verder vergeten.

Ouderling Arie Elshout (1829-1922).

Toch was de reis van de vrijgezelle Arie Elshout niet voor niks. In Lollum ontmoette hij de weduwe Setske H. de Jong (1810-1899). Ze maakten kennis en correspondeerden met elkaar en zo kwam het dat timmerman Elshout al in 1867 na deugdelijk getrouwd te zijn definitief zijn intrek nam bij Setske in Lollum! Arie Elshout raakte al snel nauw betrokken bij het kerkelijke werk in het dorp. Hij werd ouderling, leidde er de zondagsschool en werd voorzitter van de Jongelings Vereniging (JV). Elshout zou een belangrijke rol gaan spelen bij de Doleantie in Lollum.

Het eerste conflict.

In oktober 1883 werd de hervormde gemeente van Lollum weer eens vacant. Ds. J. Verwey van Hoevelaken werd beroepen en hij nam het beroep aan; het was de bedoeling dat hij begin juli 1884 in Lollum in het ambt bevestigd zou worden. Maar vier weken daarvoor – er was dus nog geen predikant – zou in Lollums hervormde kerk een vacaturebeurt vervuld worden door de vrijzinnige ringpredikant ds. R. de Haas van het nabijgelegen Winsum (een ‘ring’ is een deel van de classis). Velen in de gemeente van Lollum, die over het algemeen orthodox was, wilden uit nieuwsgierigheid  zo’n ‘moderne’ predikant wel eens een keer horen. Toen de kerkenraad dit vernam besloot hij, bij wijze van uitzondering, voor deze keer onder het gehoor te komen van de predikant.

Arie Elshout woonde in het linkergedeelte van dit huis, vlak bij de hervormde kerk.

Wat ds. De Haas preekte.

Ds. De Haas preekte over Mattheus 7 vers 26 tot 37. Het thema van de preek was: ‘Een huis op een rotssteen of op het zand gebouwd’. Je kon in de kerk een speld horen vallen, want de kerkgangers in Lollum hoorden nu dingen, waarover men nooit eerder had gehoord, zoals: ‘De mens, die naar het voorbeeld van Jezus (de grote Meester) alléen naar het gewéten handelde en níet naar overleveringen of geschriften, díe was de man die zijn huis op een steenrots had gebouwd! ‘Het gewéten’- zo riep ds. De Haas van de preekstoel – is de enige betrouwbare openbaring aan de mens’. Eeuwen lang, zo ging hij verder, had de christelijke kerk de mensen in ketenen van slavernij gevangen gehouden, eerst lange tijd onder een vleselijke Paus. ‘’t Is waar’, zo sprak ds. De Haas verder, ‘’t Is waar, Luther, Zwingli en anderen, húnne namen worden met ere genoemd, want zíj waren het die ons van de vleselijke paus verlosten’.

Maar daarna kromp het hart van de kerkenraadsleden ineen: de predikant zei toen namelijk dat de genoemde hervormers, Luther, Zwingli, en anderen zoals Calvijn, geen kracht genoeg hadden gehad om tegen de slavernij weerstand te bieden. Want zij bléven zich met hun volgelingen buigen onder een papíeren Paus, namelijk ‘de Bijbel, gelijk die daar voor mij op de kansel ligt’.

Maar gelukkig, zo ging hij voort, was in deze 19de eeuw een nieuw licht opgegaan: zij, modernen, hadden de boeien verbroken en afgeworpen! ‘Ja, als Jezus nu hier was, dan zoude hij zeggen: ‘Gíj, modernen, gíj zijt Mijne volgelingen! Gíj zijt Christenen’. Zíj, modernen hadden op de rotssteen gebouwd, maar de orthodoxen, die zich aan de geschríften hielden (zoals de Bijbel en de belijdenisschriften), waren de dwazen, want zíj bouwden op de zandgrond!

De hervormde kerk te Lollum (foto: Reliwiki, Andre van Dijk).

Ouderling Elshout leest de predikant de les.

De kerkdienst was geëindigd. Het grootste deel van de gemeenteleden bleef zitten, omdat men terecht verwachtte, dat hierover het laatste woord nog niet gesproken was. En inderdaad, ouderling Elshout had onder de nazang (de psalm na de preek) staande plaatsgenomen tegen het deurtje van het doophek om de preekstoel. Toen de predikant van  de kansel was afgekomen, sprak Elshout hem ongeveer als volgt toe, terwijl hij hem eerst bij de pols en later bij een knoop van zijn jas vasthield: ‘Mijnheer, u wist toch zeker wel, dat het hier het gebouw eener Christelijke gemeente is? Hoe zijt gij dan hier als zulkeen, gelijk wij u hebben gehoord, ingekomen?’ Ds. De Haas antwoordde: ‘Ik ben hier als predikant der Hervormde Kerk, als evangeliedienaar, gekomen en heb aldus ook gesproken’ .

Ouderling Elshout zei toen ‘dat het Christendom zijne bepaalde grenzen heeft en dat de ringpredikant zich door zijn preek had laten kennen als iemand die helemaal buiten de grenzen van het Christendom stond en dwaalde in de onzekerheden van een nieuwerwets heidendom’, enz. De kerkgangers lieten duidelijk blijken, het met de woorden van de ouderling eens te zijn.

Ds. De Haas begon er ‘enigszins forsch’ op aan te dringen, dat hij weg wilde en dat men hem door moest laten. De kerkvoogden stonden echter aan de andere kant van het deurtje van de dooptuin. De predikant dacht hen als getuigen te kunnen nemen van het feit dat ouderling Elshout hem de uitgang versperde. Een van de kerkvoogden zei toen op bescheiden toon: ‘Gij mijnheer, hebt ons daar straks zóoveel doen hooren dat ons heeft geërgerd, Gij moogt ook nú wel eens hooren, wat daar tegenóover staat en waar wíj ons hier aan houden’.

Daarna las ouderling Elshout – zodat ieder in de kerk het goed kon horen – het ondertekeningsformulier voor, dat destijds ook door ds. De Haas ondertekend was om predikant te kunnen worden,  en men verklaarde hem – met de gemeenteleden als getuigen – voor iemand, die zijn eenmaal afgelegde belofte had geschonden; Elshout zei er zelfs nog iets sterkers bij. De gemeente was stil en diep onder de indruk. Ds. De Haas vertrok.

De grafsteen van (onder meer) Arie Elshout en zijn vrouw op de begraafplaats te Lollum (foto: Graftombe). Arie overleed in 1922; zijn vrouw al in 1899.

Géén vrijzinnige ringpredikanten meer!

Zoals opgemerkt kwam ds. J. Verweij in 1884 naar Lollum. Hij had het beroep van de kerkenraad immers aangenomen. Twee jaar later, op 3 oktober 1886, preekte hij alweer afscheid en de Hervormde Gemeente van Lollum werd dus opnieuw vacant. Direct na het ontstaan van de vacature besloot de kerkenraad aan de ring Bolsward mee te delen dat het merendeel van de ringpredikanten, bekend als hele of halve loochenaars van de Bijbel als Gods onfeilbaar Woord, níet meer door de kerkenraad als predikers van Gods Woord werd erkend en dus ook niet meer als zodanig zou worden ontvangen.

De consulent, de orthodoxe dominee K. Bosma Rzn. van Kubaard, raadde de kerkenraad af dit besluit uit te voeren. Hij voorzag dan grote moeilijkheden. De vrijzinnige ringpredikanten zouden – zo werd toen afgesproken – vriendelijk verzocht worden hun preekbeurten af te staan, met andere woorden hun zou gevraagd worden: ‘Komt als het u belieft niet!’ De kerkenraad gaf dus toe en de consulent zou proberen de kwestie op een zachte wijze te regelen. Vier van de vijf onrechtzinnige ringpredikanten willigden het verzoek in, maar de vijfde weigerde, en dit was precies de bekende ds. De Haas van Winsum! Hij gaf te kennen, dat hij – zolang de vacature duurde – volgens de synodale Reglementen ook predikant was van Lollum.

Het interieur van de hervormde kerk te Lollum (foto: Reliwiki, Andre van Dijk).

Ds. De Haas genegeerd.

De kerkenraad besloot toen om, áls ds. De Haas tóch komen wilde en kwám, daar geen notitie van te nemen. Noch de kerkenraad, noch de voorlezer, noch de organist zouden in het kerkgebouw aanwezig zijn. Op zondagochtend 28 november 1886 kwam ds. De Haas ‘met een talrijk gevolg’ naar de kerk in Lollum. Van heinde en ver kwamen namelijk mensen opdagen om, zo zei men, ‘de intocht van het modernisme in Lollum op te luisteren’. Van de gemeente zélf was bijna niemand te zien. Een doodse stilte heerste er van de kant van Lollums bevolking, die scherp afstak bij het rumoer der vreemdelingen.

Na de afloop van de dienst klaagde ds. De Haas de kerkenraad aan bij het Classicaal Bestuur. Op sommige punten van de aanklacht was de classis het niet met ds. De Haas eens. Zo had hij geklaagd dat de kerkklok vóór de dienst niet geluid was en dat het orgel tijdens de dienst dicht was (op die narigheden waren het ‘Algemeen Reglement’ van 1816 en de overige kerkelijke reglementen niet berekend). Maar voor de rest vond de classis dat – ‘wegens verzuim in de waarneming zijner kerkelijke betrekkingen’ –  het eerste tuchtmiddel aan het adres van de kerkenraad gerechtvaardigd was: een schriftelijke ‘berisping’.

Ds. Guldenarm redder in nood?!

Op één man had de kerkenraad – die nog niet bereid was om te gaan doleren – de hoop gevestigd. Als de kerkenraad de zeer bekende ds. J.H. Guldenarm (1824-1907) nu eens beriep, die toen in Nijland (tussen Sneek en Bolsward) stond, dan hoopte men ‘met deze vermaarde predikant als kapitein aan boord de tocht in de troebele kerkelijke wateren misschien nog enige tijd te kunnen voortzetten’, zonder dat het tot een breuk met de hervormde kerk behoefde te komen. In de Doleantietijd waren veler ogen op hem gericht (hij kreeg in totaal 127 beroepen van talloze kerken).

Ds. J.H. Guldenarm (1824-1907).

Ds. Guldenarm werd door de kerkenraad van Lollum inderdaad beroepen en werd met aandrang verzocht om de beroeping aan te nemen. Men wees hem op de moeilijke positie, waarin de kerkenraad van Lollum verkeerde; hoe deze kerk het mikpunt der kerkelijke besturen leek te zijn geworden, en dat dit beroep zeker het laatste zou zijn, dat door de hervormde kerkenraad van Lollum zou worden uitgebracht; dan móest wel Doleantie volgen. Maar met hém als predikant  wilde men het nog wagen en dan zouden die gemeenteleden, die sympathie voor de Doleantie begonnen te voelen, zich ook wel rustig houden. Ds. Guldenarm was met Lollum bewogen, wist weinig raad te geven, gaf nog een en ander in overweging, maar bedankte voor het beroep en ging nog hetzelfde jaar – op 1 augustus 1887 – met emeritaat.

Wel of niet aan het avondmaal?

Op Pinksterzondag 29 mei 1887 kwam ds. De Haas van Winsum in Lollum weer een vacaturebeurt vervullen om zijn moderne leer nogmaals te verkondigen! De kerkenraad en het grootste deel van de gemeente bleven thuis. Maar veertien dagen later zou het Avondmaal gevierd worden. De consulent, die weliswaar als orthodox bekend stond, maar als lid van het classicaal bestuur destijds ook het berispend vonnis over de kerkenraad ondertekend had, zou het Avondmaal bedienen. De kerkenraad voelde zich bezwaard om met hem het Heilig Avondmaal te houden en deelde hem dit op een voorafgaande kerkenraadsvergadering mee. De consulent stelde zich toen echter helemaal tegenóver de kerkenraad op en verweet hem, dat hij door ‘broeder De Haas niet als predikant te erkennen, toonde het ambt van predikant te verachten’. Voor het eerst bleven de kerkenraadsleden die zondag van de Avondmaalstafel weg.

Door al deze ervaringen werd men in Lollum meer en meer rijp voor de Doleantie en bereid om de niet geringe offers te brengen, die gebracht zouden moeten worden, als ‘men ook op kerkelijk gebied zich alleen zou buigen onder het gezag van Christus’. Die offers waren onder meer het verlies van alle roerende en onroerende kerkelijke goederen.

In Doleantie (2 juli 1887).

Een der ouderlingen woonde het Synodaal Convent van de Nederduitsche Gereformeerde Kerken (doleerende) bij, dat op 28 juni tot en met 1 juli 1887 te Rotterdam gehouden werd. In een kerkenraadsvergadering  van 2 juli (het was op een zaterdagochtend) werd, naar aanleiding van hetgeen op het Convent door de al geïnstitueerde Dolerende kerken besproken was, besloten ook met het hervormde synodaal kerkverband te breken.

De brief van de dolerende kerkenraad aan de gemeenteleden (uit De Heraut van 17 juli 1887).

In de namiddag van die 2de juli werd aan alle hoofden van de huisgezinnen nog diezelfde middag een circulaire toegestuurd (hierboven afgebeeld), ondertekend door de vier kerkenraadsleden, de ouderlingen H.D. Boonstra en A. Elshout Rzn., en de diakenen S.L. Wijnia en Sietze S. de Vries. ’s Avonds kon men in de consistoriekamer komen om instemming met de daad van de kerkenraad te betuigen. Sommigen maakten hiervan gebruik, maar er kwam  onder andere ook een briefje binnen, waar in stond, dat ‘ondergetekende ‘om financieele redenen’ geene instemming met de daad van de kerkenraad kan betuigen’.

De volgende ochtend, zondag 3 juli 1887, bepleitte ouderling Elshout in de samenkomst der gemeente, uitgaande van Efeze 4 vers 12, de uittreding uit de synodale kerkinrichting (deze tekst luidde: ‘Tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus’).

‘Uw volk is mijn volk, uw God is mijn God’.

De dolerende ds. J.C. Sikkel (1855-1920) van Hijlaard, ten zuidwesten van Leeuwarden, werd tot consulent benoemd en sprak enkele dagen daarna tijdens een ‘weekdienst’ met de leden van de gemeente in het gebouw van de christelijke school  over de geschiedenis van Naomi met haar beide schoondochters Orpa en Ruth, staande op de grenzen van het land der Moabieten en van Israël. Hij beantwoordde verschillende vragen, die aan hem gesteld werden en die betrekking hadden op de gevolgen van de Doleantie. ‘Voor menigeen ging er meer licht op’. Ook werden de gemeenteleden door de ouderlingen tijdens het huisbezoek voorgelicht.

Ds. J.C. Sikkel (1855-1920), die al op 17 januari 1887 met zijn gemeente te Hijlaard in Doleantie ging.

Ongeveer 90% van de hervormde gemeenteleden sloot zich samen met de kerkenraad bij de Doleantie aan en werden lid van de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk  (doleerende)‘ te Lollum. Het classicaal bestuur kon dat natuurlijk niet op zijn beloop laten en begon zich met de gang van zaken te bemoeien. Maar het ging met de Dolerende kerk van Lollum betrekkelijk goed. De collecten en vrijwillige bijdragen vermeerderden zozeer, dat men zich over zijn financiële bezwaren van vroeger spoedig had te schamen.

Een eigen kerk en de eerste predikant!

De eerste gereformeerde kerk van Lollum. In 1915 werd de kerk aan Pingjum verkocht en daar weer opgebouwd (op de foto). Mogelijk is de toren er in Pingjum bijgekomen.

Nog bijna een jaar lang kon de Dolerende gemeente haar kerkdiensten en weekdiensten in het oude hervormde kerkgebouw houden. Daarna kerkte men nog ongeveer zes à zeven maanden in het schoolgebouw, totdat op 19 januari 1890 een nieuw kerkgebouw – buiten de kom van het dorp – in gebruik genomen kon worden. Een echtpaar schonk het bouwterrein voor de kerk en de pastorie, en bovendien fl. 1.000 als eerste gift voor de bouw. De kosten voor de kerkbouw werden geheel door vrijwillige giften uit de gemeente gedekt. In 1892 voegde de Dolerende kerk te Lollum en Waaxens (want dat was de officiële naam) zich bij de dat jaar ontstane ‘Gereformeerde Kerken in Nederland’. Dit was het gevolg van de fusie van de Dolerenden met de uit de Afscheiding van 1834 ontstane Christelijke Gereformeerde Kerk.

De eerste predikant van de kerk te Lollum was kandidaat P.J. Wijminga (1858-1913), leerling van de (Dolerende) Vrije Universiteit te Amsterdam. Hij werd op 2 september 1888 door prof. dr. A. Kuyper sr. (1837-1920) himself in het ambt bevestigd. De kerk zat uiteraard tot de rand toe vol.

En verder…

De gereformeerde kerk te Lollum die in 1915 in gebruik genomen werd en in 2015 buiten gebruik gesteld werd..

Het kerkje werd al snel te klein. Vandaar dat de kerkenraad in 1914 besloot een nieuwe grotere kerk te stichten. Deze nieuwe kerk werd onder architectuur van A. Nauta (1882-1946) gebouwd aan de Waaxenserweg 4 en kon op 26 oktober 1915 in gebruik genomen worden.

Een oude foto van het interieur van de gereformeerde kerk te Lollum.

Het oude kerkje werd gekocht door de op 31 oktober 1893 ontstane Gereformeerde Kerk te Pingjum. Het werd afgebroken en in Pingjum steen voor steen opnieuw opgebouwd aan de Pibemalaan, en daar in 1916 in gebruik genomen. Daardoor konden we toch nog  gewaar worden hoe het eerste dolerende kerkje in Lollum er uit zag!

Een recentere foto van het interieur van de gereformeerde kerk (foto: Reliwiki, Andre van Dijk).

Ledentallen van de Gereformeerde Kerk te Lollum en Waaksens.

De ledentallen van de Gereformeerde Kerk te Lollum (de hervormde gemeente had in 2015 in totaal 115 leden).

 

Bronnen onder meer:

A. Algra, De Historie gaat door Het Eigen Dorp, deel 2, Leeuwarden, g.j.

A. Elshout Rzn., Autobiografie, in de Friesche Kerkbode, Leeuwarden

G.H. van Kasteel, Voor vijf-en-twintig jaren. Bladzijden uit de geschiedenis der Doleantie in Friesland. Sneek, g.j.

A. Kuyper (red.), De Heraut, Amsterdam, 1887

© 2017. GereformeerdeKerken.info