Van Sloterdijk naar Amsterdam (1887-1997)

Inleiding.

De ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)’ te Sloterdijk werd op 9 oktober 1887 geïnstitueerd en behoorde vanaf 1892 tot de Gereformeerde Kerken in Nederland. In september 1924 veranderde de naam in Gereformeerde Kerk te Amsterdam-West (Sloterdijk) en per 1 juli 1957 werd die kerk in tweeën gesplitst: de Gereformeerde Kerk te Amsterdam-West en de Gereformeerde Kerk te Amsterdam-Slotermeer/Geuzenveld. Uiteindelijk werden beide kerken in 1998 weer bij de Gereformeerde Kerk te Amsterdam gevoegd. De geschiedenis van deze kerken volgen we van 1887 tot 1997. Honderd jaar!

Kaart: Google.

Het dorp Sloterdijk.

Om het veenweidegebied rond Sloten te beschermen werd vanaf de eerste helft van de 13e eeuw langs de zuidkant van het nog niet drooggemaakte IJ de Spaarndammerdijk aangelegd. In diezelfde tijd werd in de Slochter (ook Slooter genoemd) een dam aangelegd, de Slooterdam genaamd. Het gevolg was dat de handel in en met dat gebied groeide; in 1465 werd dan ook een Waag gebouwd. In 1479 werd een kerk gesticht, die echter in 1573 door de Watergeuzen vernield werd. In 1664 werd de hervormde Petruskerk in gebruik genomen, die er vandaag de dag nog steeds staat. De aanleg van de Haarlemmertrekvaart, in 1631, bracht het dorp Sloterdijk nog meer welvaart, en langs het jaagpad werd toen een tolhuis geplaatst. Op 20 september 1839 reed de eerste trein van Sloterdijk naar Haarlem. Vanaf 1882 reed een stoomtram – later een paardentram – langs de Haarlemmerweg naar Amsterdam. In 1916 werd deze laatste paardentram in Amsterdam geëlektrificeerd.

De Doleantie te Sloterdijk.

De hervormde Petruskerk te Sloterdijk.

Verscheidene bewoners van Sloterdijk waren niet tevreden over de vrijzinnige prediking in de hervormde Petruskerk in het dorp. Er werd verteld dat ‘de Christus der Schriften van de kansel werd geweerd en dat het modernisme er hoogtij vierde’. Geen wonder dat de toenmalige Christelijke Gereformeerde Gemeente van Amsterdam (op 14 oktober 1835 geïnstitueerd) begon met evangelisatiearbeid in Sloterdijk. In het gebouw ‘De Kazerne’ aan de Spaarndammerdijk huurde de evangelisatiecommissie een kamer waar men geregeld Bijbellezingen hield.

Toen in Amsterdam de Doleantie plaatsvond, namen enkele van de broeders in ‘De Kazerne’ te Sloterdijk op initiatief van een van hen, broeder LeConte, contact op met de geschorste Dolerende ‘benauwde broederen’ in de hoofdstad en bezochten het in januari 1887 in Amsterdam gehouden Gereformeerd Kerkelijk Congres, waar 1.500 bezorgde hervormden uit het hele land bijeenkwamen om te bespreken wat hen te doen stond, namelijk het ‘ter hand nemen van de reformatie van de Nederlandsche Hervormde Kerk’. Ook de Sloterdijkse broeders stuurden vervolgens een schrijven aan hun hervormde kerkenraad met het verzoek ‘de Reformatie der kerk ter hand te nemen en het synodale juk der hiërarchie af te werpen’, dat in stand gehouden werd door het ‘Algemeen Reglement’, dat de overheid in 1816 ‘wederrechtelijk’ in de kerk had ingevoerd in plaats van de aloude Dordtse Kerkorde uit 1619. De hervormde kerkenraad piekerde er echter niet over aan het verzoek te voldoen.

Ds. B. van Schelven (1847-1928.

Onder leiding van ds. B. van Schelven (1847-1928) uit Amsterdam riep men toen de leden van de Hervormde Gemeente van Sloterdijk in vergadering bijeen. Een gering aantal gaf aan de oproep gehoor. Dezen beloofden plechtig de ‘Drie Formulieren van Eenigheid’ (de gereformeerde belijdenisgeschriften) te aanvaarden als basis van hun kerkelijk belijden. Ook werden daar onder leiding van ds. Van Schelven de toekomstige kerkenraadsleden gekozen: LeConte en Van Weerdhuizen als ouderlingen en br. Halsema als diaken. Op zondag 9 oktober 1887 werden zij – opnieuw door ds. Van Schelven – in het ambt bevestigd. Daartoe waren de leden samengekomen in Het Tolhuis aan de Haarlemmerweg. De predikant hield bij die gelegenheid een preek over de Brief van Judas, de verzen 24 en 25: “Hem nu, Die machtig is u van struikelen te bewaren, en onstraffelijk te stellen voor Zijn heerlijkheid, in vreugde, den alleen wijzen God, onzen Zaligmaker, zij heerlijkheid en majesteit, kracht en macht, beide nu en in alle eeuwigheid. Amen”. Met de bevestiging in het ambt was de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) te Sloterdijk een feit.

Het vroegere Tolhuis te Sloterdijk.

Op het verkrijgen van rechtspersoonlijkheid hoefde de kerk echter niet te rekenen. Die zou men op grond van de toen bestaande wetgeving niet krijgen. Vandaar dat ook in Sloterdijk de Vereeniging  ‘De Kerkelijke Kas’ werd opgericht, uitsluitend bestaande uit leden van de Dolerende kerk. Daarmee ‘wenscht de Gereformeerde Kerk thans de haar toebehoorende goederen in eigen beheer te nemen, en wenscht de onroerende goederen op haar naam te hebben gesteld’. Op 30 mei 1889  werd De Kerkelijke Kas door koning Willem III goedgekeurd.

Dat de kerkenraad van de Christelijke Gereformeerde Gemeente te Amsterdam ‘not amused’ was over deze toenadering tot de Dolerenden, spreekt voor zich. Die kerkenraad besloot dan ook de evangelisatiebijeenkomsten in ‘De Kazerne’ te beëindigen. Wel kon het meubilair uit ‘De Kazerne’, na veel overleg, door de Dolerenden worden overgenomen; daarvoor betaalden ze aan de Amsterdamse Christelijke Gereformeerde Gemeente een bedrag van fl. 60.

‘De duivel op de vlucht’.

Niet alleen de instituering van de kerk vond in het zogenaamde Tolhuis aan de Haarlemmerweg plaats, maar vanaf die 9de oktober 1887 werden daar tot 1890 ook de Dolerende kerkdiensten gehouden: men huurde voor dat doel in dat gebouw voor fl. 2 per week een kamer. Aanvankelijk sloten zich niet meer dan twintig personen bij de Dolerende gemeente aan.

Klein, dus ongevaarlijk zou men zeggen. Men ontmoette in Sloterdijk aanvankelijk echter veel vijandschap. Hun voormalige hervormde geloofsgenoten lieten zich niet onbetuigd en zo is het wel voorgekomen dat tijdens de preken voor de ramen van het Tolhuis gescholden en gevloekt werd, zodat de voorganger meer dan eens een psalm liet zingen ‘om de duivel en zijn getrouwe trawanten op de vlucht te drijven’. Het viel trouwens niet mee om in het Tolhuis aan de Haarlemmerweg predikanten te krijgen die op zondag een dienst leidden. Vaak kwamen er Dolerende ouderlingen uit Amsterdam die ‘een stichtelijk woord’ spraken, of ging een van de vele oefenaars in die omgeving voor. Bovendien gingen zo nu en dan evangelisten van de ‘Vereeniging Vrienden der Waarheid’ in een dienst voor. Ook financieel kon men de eindjes nauwelijks aan elkaar knopen. Aan de zondagse sprekers kon slechts fl. 1,50 per dienst worden uitgekeerd, en ook de lokaalhuur kon alleen met hulp van ‘Deputaten voor Hulpbehoevende Kerken’ voldaan worden.

Sloterdijk lang geleden.

Tijdelijk…

Van 1891 tot juli 1898 was de eerste vaste voorganger van de Dolerende gemeente de oefenaar J. van ’t Hof (1865-1965). In de Doleantietijd was hij – afkomstig van de Veluwe – naar de IJpolder getrokken om werk te zoeken in de landbouw. Ouderling van Weerdhuizen ontmoette hem en ontdekte dat hij veel Bijbelkennis bezat en een vrome inborst had en dat hij de gemeente heel goed zou kunnen leiden. Overeengekomen werd dat hij in Voorthuizen een tijdje theologisch onderwijs kreeg, waarna hij door de classis werd onderzocht en als oefenaar – lerend ouderling – toegelaten werd. Zo kwam hij naar Sloterdijk terug. Voor fl. 3,25 per maand gaf hij catechisatie en eens per drie weken ging hij de gemeente als lerend ouderling voor; enkele maanden later eens per twee weken.

In die tijd vond de landelijke ineensmelting plaats tussen de ‘Christelijke Gereformeerde Kerk’ en de ‘Nederduitsche Gereformerde Kerken’, waardoor de ‘Gereformeerde Kerken in Nederland’ ontstonden. Ook de Dolerende kerk van Sloterdijk sloot zich bij de verenigde kerken aan en heette sindsdien dus ‘Gereformeerde Kerk te Sloterdijk’.

Dat veranderde echter verder niet veel aan de gang van zaken in Sloterdijk, al bleven problemen niet uit. Sommige gemeenteleden hadden tabak van het ongeregeld voorgaan van ‘echte’ predikanten en de zeldzame vieringen van het avondmaal en de onregelmatige bediening van de doop. Zij liepen liever naar de dichtstbijzijnde Amsterdamse gereformeerde kerk, waar immers bekende dolerende predikanten optraden, aanvankelijk in ‘de lokalen’, maar al snel in heuse grote kerkgebouwen, zoals de Keizersgrachtkerk die met haar 1.600 zitplaatsen in 1888 in gebruik genomen was. Zelfs nog in 1897 moest een ouderling van Sloterdijk worden vermaand omdat hij de Amsterdamse predikanten naliep. Uiteindelijk was het mede hierom dat oefenaar Van ’t Hof in 1898 vertrok.

Een eigen kerk en een dominee.

De hulpkerk die van 1890 tot 1923 dienst deed.

Oefenaar Van ’t Hof heeft de kerkzaal in het Tolhuis nooit van binnen gezien, want nog vóór de kerkenraad hem benoemde, was men al bezig met plannen voor de bouw van een eigen kerk. Die kwam te staan aan de Haarlemmerweg en werd op 6 november 1890 in gebruik genomen. Dáár zou lerend ouderling Van ’t Hof zijn dienstwerk in praktijk brengen.

Na het vertrek van oefenaar ’t Hof werd onmiddellijk uitgekeken naar het beroepen van een predikant. Het probleem was dat de kerk te Sloterdijk als traktement slechts fl. 500 per jaar kon geven. Het beroepingswerk verliep echter geheel ongedacht. Toen ds. W.F.A. Winckel (1852-1945) in 1900 per trein op weg was van de kerk te Barneveld – waar hij gepreekt had – naar Zetten, waar hij juist eervol ontslag genomen had als regent van het Gereformeerd Gymnasium om daarna in Amsterdam te gaan wonen, had iemand hem eerbiedig gevraagd of hij misschien predikant was (want hij las De Heraut, het kerkelijk weekblad van dr. A. Kuyper (1837-1920). Dat kon ds. Winckel natuurlijk niet ontkennen en van het een kwam het ander: hem werd gezegd dat in Sloterdijk een predikant nodig was, maar dat die kerk slechts fl. 500 traktement kon betalen. Voor ds. Winckel was dat geen probleem, want hij had kort daarvoor geconstateerd dat hij naast zijn andere inkomsten nog fl. 500 miste om de touwtjes aan elkaar te kunnen knopen. Na kennismaking in Sloterdijk volgde het beroep en zo deed ds. Winkel op 2 september 1900 intrede.

In Sloterdijk bestond ook een christelijke school, die naast het kerkgebouw aan de Haarlemmerweg stond. De school telde  in 1905 156 leerlingen, waarvoor een Suppletiefonds was opgericht, met als doel onvermogende ouders de mogelijkheid te geven het schoolgeld voor hun kinderen te betalen. Het fonds bracht jaarlijks fl. 400 op. Het hoofd van de school was toen J.S. Westerveld (1870-1937), die bijgestaan werd door twee hulponderwijzers en twee onderwijzeressen, ‘waarvan ene onderwijs geeft in het handwerken’.

Sinds 28 februari 1903 bestond hier trouwens ook een christelijke Mannenvereniging, ‘ter verbreiding van nuttige kennis over het kerkelijk, staatkundig en maatschappelijk leven’.

De Winckel bleef de gemeente trouw totdat hij op 1 oktober 1922 wegens emeritaat afscheid nam.

Ds. W.F.A. Winckel (1852-1945) was de eerste predikant van Dolerend Sloterdijk.

Het kerkelijk leven ging daarna meer geregeld haar gang. Er kwam dus een mannenvereniging, het evangelisatiewerk werd ter hand genomen, waarvoor een zondagsschool in het leven geroepen werd. De kerk begon te groeien en bovendien werd ten westen van Amsterdam stevig gebouwd, waardoor het terechte vermoeden postvatte dat een deel van de daar heentrekkende bewoners onder de kerk van Sloterdijk zouden komen te ressorteren. Het nadeel was echter vooralsnog dat de afstand tussen de kerk te Sloterdijk en de nieuwe wijken in Amsterdam groot was. Veel nieuwe bewoners kerkten daarom liever in Amsterdam. De kerkenraad probeerde daarom in 1921 overigens tevergeefs diensten te mogen houden in de Openbare School in de Van Rijnstraat, dichter naar de stad. Vandaar dat plannen voor een nieuwe kerk gemaakt werden.

Juist in die tijd werd de nieuwe predikant verwelkomd. Slechts een paar maanden na het vertrek van ds. Winckel nam  ds. Y. van der Zee (1888-1967) van Nieuw-Vennep het beroep naar Sloterdijk namelijk aan, waar hij op 15 april 1923 intrede deed. ‘Ds. Van der Zee heeft gedurende drieëntwintig jaar de gemeente trouw gediend. Hij was een man uit één stuk. Het was een patriarchale figuur, die evenwel altijd bereid was naar anderen te luisteren en zijn hele leven jeugdig en lenig van geest gebleven is, met een warm hart voor de evangelisatie, die hij dan ook mede krachtig ter hand genomen heeft’.

Nieuwe kerken in ‘Amsterdam-West’.

Ds. Y. van der Zee (1888-1967)

Een maand na de intrede van ds. Van der Zee werd op 13 mei 1923 de laatste dienst gehouden in de houten kerk aan de Haarlemmerweg. Inmiddels waren namelijk de al in het vat zittende plannen voor een nieuwe kerk gerealiseerd. De kleine kerk aan de Haarlemmerweg was met haar tweehonderd zitplaatsen te klein geworden voor de groeiende gemeente.

De nieuwe houten hulpkerk aan de Haarlemmerweg / Adm. De Ruyterweg, die van 1923 tot 1954 in gebruik was (tekening: ‘Kerk in een bewogen eeuw’, door Rob Has).

De nieuwe houten kerk (steevast ‘hulpkerk’ genoemd) werd op Eerste Pinksterdag 20 mei 1923 in gebruik genomen en ‘stond aan de Haarlemmerweg, terzijde van de Admiraal De Ruyterweg’ (maar werd later naar het eind van de Admiraal De Ruyterweg verplaatst, wat trouwens honderd zitplaatsen kostte) en kon maar liefst ongeveer 650 kerkgangers herbergen. De gemeente was ondertussen echter inmiddels al tot bijna 1.000 leden gegroeid. De hulpkerk was uiteraard als tijdelijk bedoeld, maar het heeft niet minder dan 31 jaar geduurd voordat ze werd vervangen door de latere Pniëlkerk.

Op 2 september 1924 veranderde de kerk van Sloterdijk van naam. De kerk was nu zozeer op weg stadskerk te worden, dat de kerkenraad besloot de naam van de kerk te veranderen in ‘Gereformeerde Kerk te Amsterdam-West (aanvankelijk vaak met de toevoeging Sloterdijk)’.

Tijdens de ambtsperiode van ds. Van der Zee breidde de gemeente zich sterk uit naar de kant van wat later ‘Nieuw West’ heette. Deze uitbreiding maakte ook meer vergadergelegenheid nodig. Vandaar dat op een terrein gelegen tussen de Vasco da Gamastraat, de Cabotstraat en de Willem Schoutenstraat een wijklokaal gebouwd werd, dat 400 zitplaatsen telde en op 14 maart 1926 in gebruik genomen werd.  Al heel gauw  was het nodig daar dubbele diensten te houden.

De bouw van de gereformeerde Bethelkerk.

Ondertussen was de kerkenraad al bezig met plannen om een tweede kerk te bouwen, naast het wijkgebouw. Deze nieuwe ‘Bethelkerk’ werd onder architectuur van A.E.C. Roest ontworpen en werd gesitueerd aan de Vasco da Gamastraat. De kerk met haar 1.000 zitplaatsen werd gebouwd in de stijl van de ’Amsterdamse School’ en werd op 21 juni 1929 in gebruik genomen. De eigenaardige situatie was nu ontstaan dat het oudste deel van de gemeente zich nog steeds moest behelpen met een houten hulpkerk op de hoek van de Haarlemmerweg met de Van Gentstraat en dat het jongste deel was ondergebracht in een prachtig kerkgebouw, de ‘Bethelkerk’.

Behalve de kerk groeide ook het evangelisatiewerk: er konden na verloop van tijd zes zondagsschoolklassen gevormd worden en er werden openluchtsamenkomsten  gehouden op het Columbusplein en later in het Jan van Galenpark. Ook de straatprediking met medewerking van de bekende evangelisten N. Baas en D. Schotvanger vond in die jaren plaats.

De Bethelkerk.

De crisisjaren…

De dertiger jaren waren zowel voor de gemeenteleden als voor de kerk zelf een zware tijd. Werkloosheid en armoede grepen om zich heen; de diaconie had de handen vol (en de beurs leeg) aan ondersteuning van behoeftigen, zowel door geldelijke bijdragen als vooral ook door de uitdeling van ‘kleding en dekking’. De kerkelijke bijdragen verminderden in deze periode uiteraard sterk, waardoor ook de huishoudbeurs van de kerk op de proef gesteld werd. De predikanten stemden in met een verlaging van hun traktement met 10%. De predikanten in deze tijd waren ds. B. van der Werff (1872-1947) die ‘West’ van 1927 tot 1935 diende en ds. J.B. van der Sijs (1902-1978) die van 1937 tot 1955 aan de kerk van Amsterdam-West verbonden was.

Toch bloeide in de crisisjaren het verenigingsleven. Zo waren er bijvoorbeeld vier jongelingsverenigingen met meer dan zestig jongens; vier knapenverenigingen met zeventig jochies, terwijl de twee ‘jongemeisjesverenigingen’ dertig leden telden.

Ds. . J.B. van der Sijs (1902-1978).

… en de Tweede Wereldoorlog.

De gemeenteleden van de Gereformeerde Kerk te Amsterdam-West maakten natuurlijk ook in de oorlog een zware tijd door, ook al leed de kerk materieel gezien geen schade. Dat scheelde echter niet veel, want gedurende de hongerwinter van 1944 op 1945 moest de hulpkerk een aantal nachten worden bewaakt, omdat deze anders door kou-lijdende stedelingen zou zijn afgebroken om gebruikt te worden als brandhout. De kerkelijke verenigingen werden door de Duitsers verboden, maar ze werden zonder veel problemen omgezet in kleinere Bijbelkringen die bij de leden thuis met hun vergaderingen verder gingen. ‘Er werd een totaal aantal van zesenzestig Bijbelkringen bereikt’.

In het geheim werkte er een ‘Commissie voor Bijzondere Noden’, die in opdracht van de kerkenraad zorgde dat velen gesteund werden met de opbrengst van de ‘collecten voor arbeid in eigen kring’. Een andere commissie zorgde voor geregelde correspondentie met gemeenteleden die in Duitsland verbleven. Razzia’s zorgden voor veel spanningen; het kerkelijk leven werd gehinderd door de verplichte verduistering, door de kou, de verkorte kerkdiensten, het luchtalarm tijdens de diensten, het bemoeilijken of het staken van allerlei kerkenwerk zoals de catechisaties en het evangelisatiewerk. Veel gemeenteleden moesten onderduiken of hebben in de oorlog zelf Joden verborgen. Sommigen betaalden met hun leven. Ongeveer vijftien gemeenteleden maakten het einde van de oorlog niet mee…

Behalve ds. Y. van der Zee was in de oorlog ook ds. G. Meynen (1908-1969) aan de kerk van Amsterdam-West verbonden, en wel van 1942 tot 1945.

Ds. G. Meynen (1908-1969).

Het kerkelijk leven van 1945 tot de kerksplitsing in 1957.

Was de Dolerende kerk in 1887 met ongeveer 20 leden begonnen, in 1922 werd het getal van 1.000 leden bereikt. Nog geen vijf jaar later was het ledental in 1927 tot 2.000 gestegen en in het eerste oorlogsjaar al tot 3.000. In 1948 werd het aantal van 4.000 leden gehaald en daarna ging het nog weer met sprongen omhoog tot in 1952 het getal van 5.000 leden werd overschreden. De ontwikkeling van het kerkelijk leven stond ondertussen niet stil. De Nieuwe Bijbelvertaling (van 1951 van het Nederlands Bijbel Genootschap) werd in 1952 ingevoerd, liturgische formulieren en (uitbreiding van) nieuwe liederenbundels wisselden elkaar af; in 1948 werd begonnen met het ritmisch (op lange en korte noten) zingen van een beperkt aantal psalmen; men was aan het ritmisch zingen al enigszins gewend doordat de gezangenbundel van 1933 al was ingevoerd: die werd voor het grootste deel ritmisch gezongen.

Ds. H. Hasper (1886-1974).

Wat betreft de psalmen werd – in plaats van de Statenberijming van 1773 – de berijming van de bekende ds. H. Hasper (1886-1974) niet zonder enige problemen ‘beproefd’, zoals dat heette. Sommige gemeenteleden weigerden daardoor zelfs de diensten bij te wonen en ook elders in het land liep het niet vlotjes; de synode besloot uiteindelijk de berijming-Hasper niet in te voeren.

Vooral het evangelisatiewerk van de kerk van Amsterdam-West werd een zeer uitgebreid arbeidsveld. In het kerkelijk seizoen van 1950 op 1951 waren er onder meer 9 zondagsscholen met 1900 kinderen en 150 medewerkers; 8 jeugdclubs met 150 kinderen en 25 medewerkers; bestonden drie afdelingen van ‘Bijbel en jeugd’ met 45 leden en acht medewerkers; was er een huisbezoekcommissie met 43 medewerkers, die dat seizoen meer dan 350 bezoeken aflegden; werd op twee plaatsen een zgn. ‘Parkprediking’ gehouden waar 2.200 mensen op af kwamen; bestond een evangelisatiezangkoor met 125 leden dat twintig uitvoeringen hield en werden wekelijks door dertig medewerkers 1.350 Elisabeth Bodes verspreid.

Voortgaande groei en de kerksplitsing van 1957.

De bouw van de Pniëlkerk, die in 1954 in gebruik genomen werd..

De sterke groei van de jaren na 1952 was al begonnen toen de kerk van Amsterdam-West zich nog telkens moest behelpen met de oude houten hulpkerk! Inmiddels was sterke behoefte ontstaan aan een nieuw kerkgebouw voor de nieuw gebouwde tuinsteden. Uiteindelijk kon de in 1923 in gebruik genomen hulpkerk aan de Haarlemmerweg/Adm. De Ruyterweg in 1954 vervangen worden door de voor een half miljoen gulden aanbestede nieuwe Pniëlkerk aan de Bios- en Lommerweg en in 1957 kwam in het nieuwe gedeelte Slotermeer/Geuzenveld de semipermanente ‘Sionskerk’ gereed.  Maar toen was de kerksplitsing juist kort tevoren een feit geworden.

Ondertussen groeide de kerk flink door. Deze drastische groei van na de oorlog was het gevolg van de aanleg van de tuinsteden Slotermeer en Geuzenveld. Eind 1954 telde de de Kerk van Amsterdam-West 6.143 zielen. Dat jaar gaf de grootste groei te zien, al waren de beide jaren daarna wat dat betreft ook niet mis. In 1957 steeg het totale aantal leden tot 7.455. De kerkenraad bestond dat jaar uit zes predikanten, 108 ouderlingen en 30 diakenen. Kortom: de gemeente was toen zo groot geworden dat besloten werd over te gaan tot kerksplitsing per 1 juli 1957. Zodoende ontstond een dochtergemeente in de vorm van een zelfstandige kerk, die de naam ‘Gereformeerde Kerk te Amsterdam-Slotermeer/Geuzenveld’ ontving. Na de splitsing hield de Gereformeerde Kerk te Amsterdam-West 4.840 leden over, terwijl de nieuwe ‘Gereformeerde Kerk te Amsterdam-Slotermeer/Geuzenveld’ dat jaar 2.615 leden telde.

De Pniëlkerk.

Met de groei van het ledental was uiteraard ook een toename van het aantal predikanten gepaard gegaan. Vijf maanden voor de splitsing was het predikantenaantal juist op zes gebracht. Na de splitsing hield Amsterdam-West er vier en kreeg Amsterdam-Slotermeer/Geuzenveld er twee.

Groei, groei, groei! Toen alle zorgen rond de nieuwbouw en de kerksplitsing achter de rug waren werd ook de oude ‘Bethelkerk’ eens flink onder handen genomen. Een prachtig vernieuwd orgel werd in gebruik gesteld. Ook de vergaderlokalen werden ingrijpend vernieuwd,  wat voor een groot deel gebeurde door eigen krachten uit de gemeente. En met groot succes, want de kosten, die eigenlijk fl. 35.000 bedroegen, konden worden beperkt tot fl. 15.000 door besparing aan werkloon en materiaal.

Maar… in de ‘Bethelkerk’ uit 1929 kwamen langzamerhand lege plaatsen. De leegloop was daar net als in het centrum van de stad sluipenderwijs begonnen…

1. Gereformeerde Kerk te Amsterdam-West (1957-1997) in het kort.

Het kerkzegel van de Gereformeerde Kerk te Amsterdam-West (1957-1997).

Na de kerksplitsing veranderde er veel. Veel gereformeerden (en anderen) verhuisden in de jaren ’60 naar de nieuwe wijken aan de rand van de stad. Ds. Wiersema verzuchtte in 1963: ‘Welke predikant zou naar Amsterdam willen? Ja, dat was vroeger zo; toen was Amsterdam het hoogste ideaal voor een predikant, maar we hebben nu wel anders geleerd’. In 1957 telde de kerk van West zoals gezegd vier predikanten. Door de krimp verminderde dat aantal langzaam maar zeker. Toen ds. E. de Vries (1916-2006) in 1965 vertrok werd de vierde predikantsplaats opgeheven. Drie predikanten waren er toen nog: ds. M. Wilschut (1913-1977), ds. C. van der Tas (1913-1975) en ds. J. Végh (1925-2016).

Na het vertrek van de predikanten Van der Tas en Végh, beiden in 1970, werd de derde predikantsplaats opgeheven en in 1979 ook de tweede. In 1985 werd bovendien de vacature van ds. H. Peper (1931-2013) niet meer opgevuld. Daarna werden hulppredikanten benoemd.

De Bethelkerk werd eerst verkleind en daarna – in 1990 – verkocht. Het vinden van ambtsdragers werd moeilijker. ‘Het verdriet van de mensen, die het groot-zijn hebben meegemaakt, is groot. Het valt niet mee steeds stappen terug te moeten doen’.

In 1997 werd de kerk van Amsterdam-West uiteindelijk samengevoegd met de Gereformeerde Kerk te Amsterdam, en verhuisde de Pniëlkerk dus mee.

2. Gereformeerde Kerk te Amsterdam-Slotermeer/Geuzenveld (1957-1997) in het kort.

Kerkzegel van de Gereformeerde Kerk te Amsterdam-Slotermeer/Geuzenveld.

Toen in oktober 1956 het kerksplitsingsrapport verscheen, bleek uit de besprekingen dat de kerksplitsing in eerste instantie verworpen werd, maar uiteindelijk bleek een splitsing onvermijdelijk. Wel werden echter voorwaarden aan de verzelfstandiging van de kerk van Amsterdam-Slotermeer/Geuzenveld verbonden. Besloten werd dat de nieuwe kerk tot 1977 de financiële verplichting had om jaarlijks een bijdrage te leveren aan de gemeente van Oud-West (de kerk van Amsterdam-West dus), die immers veel leden kwijtraakte. De grens tussen beide kerken kwam bij de splitsing per 1 juli 1957 te liggen bij de Ringdijk.

De Sionskerk.

Vlak voor de kerksplitsing was nog een nieuwe kerk opgeleverd, de Sionskerk aan de Dr. H. Colijnstraat. Op 25 april 1956 werd de eerste paal (van de 52) de grond in geslagen, bijgewoond door een honderdtal gemeenteleden. Ds. A. Ferwerda (1921-1967) legde op 22 september 1956 de eerste steen en op 23 maart 1957 konden nieuwsgierige gemeenteleden de vorderingen van de kerkbouw in ogenschouw nemen. Op 5 juli 1957, vier dagen na de kerksplitsing, werd de Sionskerk als kerkgebouw van de Gereformeerde Kerk te Amsterdam-Slotermeer/Geuzenveld in gebruik genomen.

Een tweede kerkzaal bleek echter nodig. Aanvankelijk werd De Olijftak aan de Arthur van Schendelstraat, het in 1956 gebouwde kerkgebouw van de Doopsgezinde gemeente, voor fl. 2.950 per jaar gehuurd, maar uiteindelijk, na lang onderhandelen, in 1969 – met de bijbehorende grond en de pastorie – voor fl. 435.000 door de Gereformeerde Kerk gekocht. De Olijftak is evenals de ‘Sionskerk’ een zgn. ‘basement church’: gelijkvloers zijn de zaaltjes voor bijv. het jeugdwerk, terwijl de kerkzaal zelf één hoog ligt.

De Olijftak.

Veel indruk maakte het plotseling overlijden van ds. Ferwerda op 6 mei 1967, ruim een week voordat zijn twaalf en een halfjarig predikantschap bij de kerk van Amsterdam-Sloterdijk/Geuzenveld zou worden gevierd. Hij werd 45 jaar oud. Begeleid door honderden gemeenteleden werd zijn lichaam ten grave gedragen.

Ds. A. Ferwerda (1921-1967).

Ook van deze kerk liep het ledental terug. Op 31 dec 1958 telde de kerk nog 3.119 leden (waarvan 1.703 doopleden = 57,8%), maar in 1981 waren het er nog 968 (waarvan 320 doopleden = 32,4%). Als oorzaak van de daling van het ledental werd onder meer aangegeven dat ‘jonge gezinnen te kleine woningen bewoonden, zodat ze moesten verhuizen wegens ruimtegebrek’. Daarnaast trad ook langzaam maar zeker vergrijzing op, zoals aan de percentages doopleden te zien is. Voor de enthousiaste jeugdouderlingen was 40 tot 50% van de gereformeerde jongeren niet bereikbaar.

Ook de kerk van Amsterdam-Slotermeer/Geuzenveld werd in 1997 bij de Gereformeerde Kerk van Amsterdam gevoegd. De Olijftak was toen al verkocht en in 2006 werd de ‘Sionskerk’ overgedaan aan een Turkse culturele stichting.

De ledentallen.

De ledentallen van de verschillende achtereenvolgende kerken tussen 1907 en 1997.

Bronnen:

H. Fidder, Jubileum in Amsterdam-West, in: Centraal Weekblad ten dienste van de Gereformeerde Kerken in Nederland, 10e jrg. nr. 41, 20 oktober 1962

W.E. Hoekstra, Zilveren jubileum van de Gereformeerde Kerk van Amsterdam-Slotermeer/Geuzenveld. 1957-1982.  Amsterdam, g.j. [1982]

G.J. Mink (F.D. Kraan, red.), Kerk in een bewogen eeuw. 1887 – 9 oktober – 1987. Amsterdam, 1987

N.N. Jubileum Jaarboekje  9 oktober 1887 – 9 oktober 1927. Amsterdam, 1927

(Met dank aan de heer G. Kuiper te Appingedam voor toezending van enige predikantsgegevens).

© 2017. GereformeerdeKerken.info