De Gereformeerde Kerk te Hengelo (Ov.) – 1

Op 14 juni 1892 werd in het Overijsselse Hengelo de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) geïnstitueerd, drie dagen voordat het landelijke kerkgenootschap, waartoe ze behoorde, zich verenigde met de Christelijke Gereformeerde Kerk, op 17 juni 1892. Sindsdien heette ze De Gereformeerde Kerk te Hengelo (Ov.).

Kaart:  Google.

1. Even een Afgescheiden Gemeente in Hengelo.

Al in de jaren ’60 van de negentiende eeuw bestond in het Overijsselse Hengelo gedurende korte tijd een Christelijke Afgescheidene Gemeente, die echter na een kwijnend bestaan al gauw moest worden opgeheven. We weten over die gemeente nauwelijks iets, maar in de notulen van de eerste kerkenraadsvergadering van de pas verenigde Christelijke Gereformeerde Gemeente te Enschede (op 9 juli 1869) wordt daarvan onmiskenbaar melding gemaakt, al was die Hengelose gemeente toen al te niet gegaan.

De leden van de Afgescheiden Gemeente te Hengelo kwamen in de Enschedese notulen slechts ter sprake omdat beslist moest worden bij welke kerk de leden in het vervolg – nu de gemeente was opgeheven – zouden gaan behoren: tot die in Borne (waar een  Christelijke Gereformeerde Gemeente bestond) óf tot die in Enschede. Besloten werd dat ze zouden behoren tot de gemeente te Borne, omdat dat  dorp veel dichter bij Hengelo lag (1 uur gaans) dan Enschede (2 uur gaans). Ook worden we gewaar dat een diaken uit Borne in Hengelo  zo nu en dan een preek las en een gebed met de Hengelose leden deed. Maar geregelde diensten hielden ze er toen niet (meer).

Ds. H. de Cock (1801-1842), de eerste Afgescheiden predikant in Nederland. In Hengelo woonde slechts een handje vol Afgescheidenen, die zich aanvankelijk elders bij  Afgescheiden Gemeenten aansloten.

 Niet bij Borne maar bij Enschede.

Desondanks hebben de weinige christelijke gereformeerden van Hengelo toen niet bij de gemeente van Borne behoord. Toen de gemeente van Hengelo door teruglopend ledental moest worden opgeheven, voegde men zich namelijk als een soort van ‘wijkgemeente’ bij de gemeente van Enschede. Een gemeentelid uit Hengelo, br. Hensen, werd daar in de kerkenraad gekozen. Hij behartigde de belangen van zijn gereformeerde dorpsgenoten in de kerkenraad van Enschede.

Het bleek echter al gauw problematisch om op zondag vanuit Hengelo helemaal naar Enschede te moeten lopen.  Dus kwam men op het idee om met een aantal gereformeerden uit het nabijgelegen Delden af te spreken om samen in Hengelo een (zij het heel kleine) Christelijke Gereformeerde Gemeente te gaan vormen.

In het smalle Achter ’t Hofje in Enschede stond (bij de pijl) de kerk van de Christelijke Afgescheidene Gemeente, die in 1872 in gebruik genomen werd en waar de christelijke gereformeerden uit Hengelo kerkten.

Een classicale commissie naar Hengelo.

Dat voorstel werd op de classis gebracht, maar deze aarzelde en schoof de zaak op de lange baan. Het aantal leden zal naar haar oordeel te gering zijn geweest. Ook konden de gemeenteleden het in Hengelo kennelijk niet zo goed met elkaar vinden, want de onderlinge ruzies en verdachtmakingen waren niet van de lucht. Vandaar dat de kerkenraad van Enschede besloot een afvaardiging naar het dorp te sturen om orde op zaken te stellen. Zowel de gemeenteleden als ook ouderling Hensen – de hele ‘wijk’ – werden van het avondmaal afgehouden, en zelfs toen keerde de rust nog niet terug, zodat een tweede afvaardiging uit Enschede er op af ging. Vermoedelijk zijn de Hengelose gemeenteleden toen toch in de gemeente van Borne opgenomen. Dat heeft echter tot uiterlijk 9 februari 1887 geduurd, want toen werd de gemeente van Borne opgeheven, om pas in 1930 weer als Gereformeerde Kerk tot leven te komen.

2. De Doleantie.

Om een antwoord te krijgen op de vraag waar de ‘overgebleven’ Hengelose christelijke gereformeerden sindsdien gebleven zijn, moeten we eerst iets vertellen over de kerkelijke strijd in de hervormde kerk, die in de jaren ’80 van de negentiende eeuw al lange tijd woedde.

In di boekje legde dr. A. Kuyper (1837-1920) uit hoe de Doleantie in Amsterdam tot stand gekomen was.

Bij veel hervormden in ons land leefden bezwaren tegen de toenemende vrijzinnigheid in hun kerk en ook tegen de grote macht van de Algemeene Synode en haar Algemeene Synodale Commissie. Door de top-down structuur van de kerkregering werd de zelfstandigheid van de plaatselijke hervormde gemeenten danig beknot. Volgens veler oordeel werd dit alles veroorzaakt door het in 1816 door de overheid aan de kerk opgelegde Algemeen Reglement voor het Bestuur der Hervormde Kerk. Daar kwam bij dat de proponentsformule, die a.s. predikanten moesten ondertekenen alvorens in het ambt bevestigd te kunnen worden, aan de predikant alle gelegenheid gaf zelf te bepalen of de drie belijdenisgeschriften wel of niet gegrond waren op de Bijbel. Handhaving van deze Drie Formulieren van Eenigheid en de kerkelijke tucht was daardoor heel moeilijk en werd ook steeds minder  toegepast.

In Amsterdam  leidde de strijd van een groot deel van de hervormde kerkenraad tegen de kerkelijke regels in december 1886 tot hun ontzetting uit het ambt, waarna daar  op 16 december de Doleantie  plaatsvond, de tweede orthodoxe uittocht uit de hervormde kerk. De afgezette Amsterdamse kerkenraadsleden institueerden op die dag namelijk de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) als voortzetting van ‘de aloude kerk der Hervorming van de zestiende eeuw’. Het Algemeen Reglement werd afgeschaft en ‘opnieuw kracht en geldigheid verleend’ aan de door de overheid in 1816 afgeschafte Dordtse Kerkorde. Dit voorbeeld werd in het hele land door vele hervormde gemeenten c.q. gemeenteleden gevolgd.

De Doleantie in Hengelo.

Op een zolder ergens aan de Waarbekenweg kwamen de verontruste hervormden bij elkaar…

Hoewel volgens de hervormde kerkelijke archieven van Hengelo in elk geval geen sprake was van een massale uittocht, was  er toch een aantal gemeenteleden dat zich in die hervormde gemeente niet meer thuis voelde. In het dorp werden door hen daarom eigen bijeenkomsten gehouden. Gerrit Jan  Broeksma stelde in die tijd de zolder van zijn woning aan de Waarbekenweg voor dat doel beschikbaar.

Dat het in de zomer zo vlak onder de dakpannen erg warm en in de winter erg koud zal zijn geweest, laat zich raden. Toch kwamen ze trouw bij elkaar: de ruim 40 jaar oude bierbrouwersknecht Gerrit Jan Broeksma en zijn echtgenote (met vijf kinderen); de 35-jarige landbouwer Jan Langenhof (hij en zijn vrouw hadden een groot gezin en hij zou later ouderling en preses van de kerkenraad worden); de winkelier Evert Jan Oelering (die later diaken van de gemeente van Hengelo zou worden); fabrieksarbeider en later winkelier Jan Smelt en zijn echtgenote met hun zeven kinderen (ook hij zou later ouderling worden);  en de machinist Johannes Jacob Arnold, die enige jaren deel uit maakte van de gemeente maar in 1894 naar Borne verhuisde.

Gedoopt werd daar op de zolder niet, en evenmin werd er het avondmaal bediend. Wel werd gecollecteerd, namelijk voor de armen ‘en voor de kerk’.

Jan van Alphen.

De weldoener van de Hengelose gereformeerden: Jan van Alphen (1829-1911). Hij steunde de Hengelose Gereformeerde Kerk met financiële bijdragen.

Vermoedelijk woonde ook Jan van Alphen (1829-1911) zo nu en dan de bijeenkomst bij. Hij was niet de eerste de beste: raadslid van  de gemeente Hengelo, lid van de Provinciale Staten van Overijssel en zelfs lid van de Tweede Kamer, allemaal voor de ‘gereformeerde’ Anti-Revolutionaire Partij’ (ARP), een van de drie partijen die veel later het CDA zouden gaan vormen. Ook was hij wethouder geweest.

De instituering van de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) (1892).

Hoe dan ook, langzamerhand rijpten bij hen de plannen om in het dorp een eigen kerkelijke gemeente te stichten. Door contacten met de Dolerende predikant van Deventer, ds. H.J. Allaart (1864-1923), werd hun wens in 1892 aan de  classis Ommen voorgelegd. Deze gaf ds. Allaart (van wie geen foto bekend is) opdracht de kerkinstituering in Hengelo voor te bereiden en uit te voeren. Ds. Allaart  was predikant van de op 14 maart 1888 geïnstitueerde Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) te Deventer, zijn eerste gemeente.

De predikant liet er geen gras over groeien. Op 26 maart kwam hij naar Hengelo, waar in de woning van Broeksma de ambtsdragers gekozen werden. Op 20 mei werd onder leiding van ds. Allaart een bijeenkomst gehouden in de Beurs te Hengelo, waar hij een toespraak hield over de wettigheid van het verbreken van de band aan de reglementen van de Hervormde Kerk. Die kerk ‘zuchtte immers onder het juk van de synodale hiërarchie’, vanwege de binding aan het in 1816 door de overheid ingevoerde ’Algemeen Reglement voor het Bestuur der Hervormde Kerk’.

De eerste uitgave van het Algemeen Reglement van 1816.

In ieder geval kwamen de broeders en zusters  op dinsdag 14 juni 1892 opnieuw bijeen voor een kerkdienst, weer onder leiding van ds. Allaart. Er waren geen bezwaren ingediend tegen de verkozen ouderlingen en diakenen, zodat de predikant overging tot de bevestiging van deze ambtsdragers, waarmee de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) te Hengelo geïnstitueerd werd. De eerste ambtsdragers waren de ouderlingen J.J. Arnold en B.J. Oelering en de diaken was G. Goorhuis, terwijl als preses van de kerkenraad werd gekozen ouderling J. Langenhof en als scriba diaken J. Smelt.

Direct na de dienst kwam de kerkenraad onder leiding van ds. Allaart bijeen om officieel te besluiten: “De kerkeraad der Nederduitsche Gereformeerde Kerk van Hengelo (Ov.), verkozen krachtens het ambt der geloovigen op 26 mei 1892 en bevestigd op 14 juni daaraanvolgende, besluit in zijne vergadering van 14 juni 1892 voor de geheele Gereformeerde Kerk van Hengelo te breken met de synodale organisatie van 1816 en weer te keren tot de nimmer wettig afgeschafte Kerkorde van Dordrecht 1618-1619 en het verband te zullen zoeken met alle kerken, die naar die kerkorde leven”.

Aan H.M. de Koningin werd afschrift van het besluit gestuurd, evenals aan de burgemeester van de gemeente en aan de hervormde kerkvoogden van Hengelo. Na verloop van tijd kwamen, zo zeggen de notulen, attesten binnen van christelijke gereformeerden, die zich bij de Gereformeerde Kerk van Hengelo voegden! De Kerk van Borne, waarbij ze  zich voegden toen de gemeente van Hengelo te niet ging, bestond namelijk  al sinds  1887 niet meer. Nu hadden deze hierboven genoemde ‘overgebleven’ christelijke gereformeerden van Hengelo weer een ‘tehuis’!

Kerkbouw (1892).

Al heel snel na de instituering besloot de kerkenraad tot de bouw van een kerk. De zolder van Broeksma voldeed niet meer: het aantal bezoekers werd te groot. Al op de tweede kerkenraadsvergadering lag een begroting voor de bouw van een kerk op tafel, gemaakt aan de hand van de plannen van architect W. Elzinga. De kerk zou honderdvijftig zitplaatsen tellen, en de hele klus zou rond de fl. 7.500 gaan kosten. In juli 1892 werd de aanbesteding gehouden.

De gereformeerde kerk aan de Wolter ten Catestraat te Hengelo werd op 6 november 1892 in gebruik genomen.

Natuurlijk droegen alle gemeenteleden naar vermogen bij om de bouw mogelijk te maken, maar financieel gezien was het vooral aan de al genoemde J. van Alphen te danken dat de voor de kleine gemeente gewaagde plannen gerealiseerd konden  worden. Van Alphen zat goed in de slappe was vanwege een erfenis van zijn grootvader Jan Dijk, de eerste burgemeester van Hengelo.

Regelmatig zou hij de Gereformeerde Kerk van Hengelo uit de financiële sores halen. Ook nu, bij de kerkbouw: hij was namelijk eigenaar van een stuk grond met daarop een paar huizen aan de Wolter ten Catestraat. De huizen werden afgebroken en de stenen van de afbraak werden hergebruikt voor het leggen van het fundament van de kerk. Aan de bouw werd meegeholpen door  gemeenteleden. De kerk kon op zaterdag 6 november 1892 officieel in gebruik genomen worden!

Ds. C.J. van Binsbergen (1867-1952) van Enschede leidde de eerste dienst in de nieuwe kerk.

De eerste dienst werd de dag daarop gehouden, zondag 7 november 1892. In deze dienst ging ds. C.J. van Binsbergen (1867-1952) voor, predikant van de Gereformeerde Kerk te Enschede B, de vroegere Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende).

De Gereformeerde Kerk te Hengelo (1892).

Een opmerkelijke gang van zaken was het dus in Hengelo: op 14 juni 1892 werd daar de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) geïnstitueerd, en drie dagen later vond de landelijke vereniging plaats van de Christelijke Gereformeerde Kerk (uit de Afscheiding van 1834) en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken uit de Doleantie. De beide synodes hadden na jarenlange onderhandelingen uiteindelijk besloten samen verder te gaan als De Gereformeerde Kerken in Nederland. Dat gebeurde tijdens de gezamenlijke synode die op 17 juni 1892 in de Amsterdamse Keizersgrachtkerk gehouden werd. Daar werd de eenwording geproclameerd en symbolisch vorm gegeven door de handdruk van de twee ‘voormannen’: de hoogbejaarde ds. S. van Velzen (1809-1896) namens de Christelijke Gereformeerde Kerk, en dr. A. Kuyper (1837-1920) namens de Dolerende Kerken. De kerk van Hengelo sloot zich daarbij aan en is dus slechts drie dagen ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)’ geweest. Daarna heette ze De Gereformeerde Kerk te Hengelo.

De eerste predikant: ds. P. Zijlmans (van 1895 tot 1921).

Ds. P. Zijlmans (1863-1921).

De kerkenraad besloot onverwijld over te gaan tot het beroepen van een dominee. Verscheidene predikanten werden beroepen, maar telkens werd voor het beroep bedankt. Tot men ds. P. Zijlmans (1863-1921) uit Rozenburg  in het vizier kreeg. Men bracht een beroep op hem uit en de scriba schreef hem ‘te hopen dat de Heer hem deze roeping zo op het hart mocht binden, dat hij deze mocht aannemen’. En zie, de predikant reageerde positief. Ook wilde hij eerst graag even op bezoek komen om samen te spreken over ‘zaken die nodig zijn met het oog op dat hij met zijn gezin hier hoopt te komen’.

“Toen de kleine gemeente van Hengelo (Ov.) hem riep luidde het bescheid: Ja, ik kom tot u over. (…) Reeds den 3den november 1895 werd ds. Zijlmans te Hengelo in het ambt bevestigd. (…) Hoe groot het onderscheid ook was tusschen Rozenburgs en Hengelo’s Gereformeerde Kerk, die in Zijlmans haar eersten predikant ontving, het ging echter goed. Dat mag mee worden toegeschreven aan de wijze van optreden”.

Gemeenteleden vonden ‘dat ds. Zijlmans een prediker was, die door zijn Godsvrucht en bezielend spreken de gemeente te allen tijd wist te boeien. Zijn karakter was niet om ergens aanvallend op te treden. Liever trok hij zich bij kwesties terug. Nimmer zou hij zich op den voorgrond plaatsen, maar waar hij gevoelde dat er leed of moeite in eenig gezin dreigde, daar was hij de eerste, die troostte en bemoedigend optrad. Liever zou hij zichzelf bekrimpen, dan de gemeente te bezwaren’.

Hengelo, lang geleden…

Dit alles bleek bijvoorbeeld soms ook uit zijn milde houding ten aanzien van de tuchtoefening. Toen voor de kerkenraad eens een klacht gebracht werd over een ouderling die een bruiloft had georganiseerd, die tot diep in de nacht had geduurd, reageerde de predikant met de woorden, dat daar niets tegen was, zolang de Heere maar aanwezig was.

De kerk wordt te klein.

Al rond de eeuwwisseling, toen ds. Zijlmans nog slechts een paar jaar in Hengelo predikant was, werd de kerk te klein. De kerkenraad sprak dus over uitbreiding van het gebouw. Dat gold weliswaar voor de kerkzaal, maar ook voor de vergaderruimte! Om die laatste uit te breiden werd aan de Ziekenhuisstraat, vlak achter de kerk, een vergaderlokaal gebouwd. Toen de kerkzaal later moest worden uitgebreid, werd het vergaderlokaal bij de kerk getrokken.

Nóg later werd het nodig het aantal zitplaatsen opnieuw uit te breiden. Men besloot toen in de kerk een galerij te bouwen. Aannemer J. Brummelkamp was weliswaar rooms-katholiek, maar dat was voor de kerkenraad noch voor de predikant een bezwaar. Het aantal zitplaatsen in de uitgebreide kerk bedroeg 225. Jan van Alphen werd door de kerkenraad gevraagd bij deze verbouwingen financieel te helpen, wat hij telkens heeft gedaan.

De predikant ging ook geregeld in Borne voor, waar nog geen Gereformeerde Kerk bestond; deze werd pas in 1930 geïnstitueerd. Ook ging hij geregeld naar Delden om daar een dienst te leiden.  Daar was op 14 december 1905 een Gereformeerde Kerk gesticht; ds. Zijlmans werd daar de eerste consulent.

In de Ziekenhuisstraat is achter de vroegere (al lang afgebroken) kerk aan de Wolter ten Catestraat nog steeds een boograam te zien van de vergaderzaal die later bij de kerkzaal getrokken werd.

Het verenigingsleven.

In 1892 werd een Jongelingsvereniging (JV) opgericht, die de naam ‘Wees een Zegen’ droeg. Een jaar later volgden nog twee jongelingsverenigingen, te weten ‘Kennen en belijden’ en ‘Geloof en Roeping’. Ook werd een Meisjesvereniging opgericht, aanvankelijk Jongedochtersvereeniging genaamd, met de naam Ruth, die later wegens het grote aantal leden gesplitst werd in Ruth A en Ruth B. Op de verenigingen werd natuurlijk de bijbel bestudeerd en werden onderwerpen besproken uit de A.R.-politiek (de A.R.P. was de ‘gereformeerde’ Anti-Revolutionaire Partij, die later in het CDA opging), uit de  kerkgeschiedenis, de geloofsbelijdenis maar ook uit de vaderlandse geschiedenis en uit het maatschappelijk leven.

Een vrouwenvereniging kwam er ook,  Dorcas genaamd. De dames vervaardigden kleding voor de diaconie, die op een bepaald tijdstip aan de behoeftigen werd uitgedeeld. Dat was in de Gereformeerde Kerken behalve van sommige Vrouwenverenigingen jaren lang ook de doelstelling van nogal wat ‘Jongedochtersvereenigingen’.

In 1896 werd door een JV aan de kerkenraad gevraagd om een knapenvereniging op te richten. Die was bestemd voor jongens vanaf 12 jaar, die – zodra ze de leeftijd van 16 jaar bereikt hadden  – lid konden worden van de JV. Op de knapenvereniging konden ze daarop al vast worden voorbereid. De kerkenraad ging akkoord en de knapenvereniging kreeg de naam Samuel. In 1921 kwam er een tweede bij, Timotheüs, die wegens de grote belangstelling gesplitst werd in Timotheüs A en Timotheüs B.

De Knapenvereniging Timotheüs in de jaren ’30 (foto: ‘Honderd jaar Gereformeerde Kerk van Hengelo’).

Diaconaal werk.

Natuurlijk werd ook in de kerk van Hengelo vanaf het begin gecollecteerd voor de diaconie. Het waren slechts geringe bedragen die de kleine gemeente bijeenbracht; veel meer dan fl. 25 bracht een diaconiecollecte in een kerkdienst toen niet op. Daar stond tegenover dat weinig een beroep gedaan werd op diaconale ondersteuning. Ontving de diaconie die, dan onderzochten de diakenen de noodzaak van de ondersteuning. Rond 1900 bedroegen de jaarlijkse inkomsten van de diaconie ongeveer fl. 325, terwijl de uitgaven meestal rond de fl. 250 schommelden.

Evangelisatie.

In 1910 werd op de kerkenraad voorgesteld in Hengelo kerkelijk evangelisatiewerk op te zetten. Hoewel de kerkenraad er niet afwijzend tegenover stond, bleef het desondanks het werk van een aantal individuele gemeenteleden, die straatprediking wilden doen om vervolgens bij geïnteresseerde luisteraars op bezoek te gaan en nader contact te leggen. Al gauw bleek dat ook andere Gereformeerde Kerken of leden in de omgeving van Hengelo zich met het evangelisatiewerk bezighielden, wat op de classis aanleiding werd om het werk regelmatig ter sprake te brengen, zodat men overleg kon plegen over de uitvoering ervan. Maar desondanks werd het in Hengelo nog geen kerkelijk werk.

In 1917 kwamen enkele evangelisatiecommissies uit de omgeving in Hengelo bij elkaar. Daar richtte men een Ring van evangelisatiecomités op. In het jaarverslag over 1917 herinnerde de ‘ring’ eraan dat er in de kerken wel veel gedaan werd voor de Zending ver weg, maar “dat men niet zag op hen wien God naast hen plaatste en die zich in de naaste omgeving bevonden. Deze liet men op eigen wegen wandelen in den weg der verharding en van verwerping van het lieflijk evangelie om met een gedoopt hoofd het eeuwige verderf in te gaan”. Het werk zou langzaam maar zeker ook in Hengelo echter kerkelijk werk gaan worden.

De Enschedesestraatweg, lang geleden…

Allemaal orgels…

Het evangelisatiewerk mocht dan ‘slechts’ door een aantal vrijwilligers uitgevoerd worden, toch kreeg de Gereformeerde Kerk van Hengelo ‘de beschikking’ over een christelijke school, door velen in die tijd ‘een uitnemend middel tot evangelisatie’ genoemd. Als hoofd der school werd H. Breekveldt benoemd, die meteen ook maar even organist in de kerk werd. Vermoedelijk bespeelde hij een harmonium, want over een heus pijporgel is dan nog niets bekend. Maar men spaarde er ondertussen wel voor, georganiseerd  door  de in 1906 ingestelde orgelcommissie.  Ook werd informatie bij orgelbouwers gevraagd en  in 1908 werd het toen gebruikte orgel voor fl. 30 verkocht, en vervangen door een ander instrument. Vermoedelijk zal dat een pijporgel zijn geweest, want in 1915 werd plotseling melding gemaakt van een vergoeding van fl. 7,50 voor de ‘orgeltrapper’. Die ‘orgeltrapper’ moet niet onderschat worden. Hij was een machtig man, want als hij niet zorgde dat door zijn behoorlijk zware traparbeid lucht in de blaasbalg van het orgel werd geblazen, dan kon de organist wel naar huis gaan!

In 1921 was weer sprake van een nieuw orgel! Toen werd namelijk een orgel in gebruik genomen dat voor de prijs van fl. 5.800 gekocht was en dat vast en zeker ook weer een orgeltrapper nodig had.

Een pastorie (1916) en een stuk grond voor kerkbouw….

In 1916 kreeg de kerk de beschikking over een nieuwe pastorie, en wel aan de Schalkburgerstraat 16. Het huis kostte fl. 10.000, dat door de groeiende gemeente opgebracht werd. Het jaartraktement van de predikant was intussen opgekrikt naar fl. 3.000. Zelfs werd op zoek gegaan naar een stuk grond om een nieuwe kerk te bouwen! Deze werd immers, zoals we al zagen, te klein; verbouwingen en aanpassingen  zetten op het laatst geen zoden meer aan de dijk. Vandaar dat inlichtingen gevraagd werden over een stuk grond aan de Tuindorpstraat.

De nieuwe pastorie aan de Schalkburgerstraat.

Ds. Zijlmans overleden (1921).

In november 1920 verslechterde de gezondheidstoestand van de predikant; hij overleed enkele maanden later, in februari 1921. In een In Memoriam schreef ds. P.I. Jongbloed (1865-1926) van Deventer bij het overlijden van ds. Zijlman: “Bijna vijfentwintig jaren heeft hij zoo in Hengelo’s Gereformeerde Kerk gearbeid. Toen de overledene daar zijn intrede deed, den 3den november 1895, telde de gemeente nauwelijks 150 lidmaten, belijdende en doopleden samen; dit getal mag nu zeker op 750 worden gesteld. De geleidelijke, maar gestadige groei, voor het meerendeel veroorzaakt doordat vele gereformeerden van elders uit ons vaderland zich in Hengelo vestigden, was oorzaak dat hij meende in Hengelo te moeten blijven, hoewel uit beroepingen bleek dat ook andere gemeenten hem begeerden. (…) De band tusschen  gemeente en leeraar werd hoe langer hoe hechter, al kwam die gehechtheid ook niet altijd even duidelijk tevoorschijn”.

“Ook in de Kerken der classis Deventer was ds. P. Zijlmans gezien. Geregeld werd hij afgevaardigd naar de Particuliere Synode van Overijssel en vele deputaatschappen, onder andere dat van den arbeid onder de Nederlanders in Westfalen, werden hem opgedragen. In de vroegere jaren, later niet meer zoo, nam hij ijverig deel aan de behandeling der zaken die ter classicale tafel kwamen. Later zat hij meest zwijgend neer om zoo nu en dan met forsche stem zijn oordeel te geven. Vooral na eene voor enkele jaren doorstane longontsteking, werd dat stil zijn in gezelschap en op vergaderingen sterker. Sterk kwam ieder die geregeld met hem in aanraking kwam onder de indruk dat er iets was wat onzen collega drukte”.

“Ook sprak hij af en toe van vermoeidheid, die hem het gaan belette. Zijn dit misschien reeds symptomen geweest van de ongesteldheid die een eind aan zijn nog betrekkelijk jeugdig leven maakte? Hartverwijding, aderverkalking; bij die woorden welke zijne krankheid aanwijzen, weet ieder dat vele bezwaren en angstige benauwdheden zijn deel zijn geweest”.

“Den 25en Juli 1920 behandelde ds. Zijlmans in de avondgodsdienstoefening de 21ste zondagsafdeeling [van de Heidelbergse Catechismus]. Niemand die toen dien breeden man met krachtige stem hoorde prediken, heeft kunnen denken, dat dit de laatste maal zou zijn dat die mond zich op den kansel ontsloot om met warme woorden der gemeente van Christus de beloften Gods op het hart te binden. Toch zou dit de laatste keer zijn.”

Ds. E. Prinsen (1868-1937) van Enschede leidde de begrafenis van ds. Zijlmans.

Toen hij daarna met vakantie ging werd hij ‘zeer geschokt door het ziek- en sterfbed van een zijner naaste familieleden, die hem als een geslagene naar huis deed gaan’. Hem werd door de arts bedrust voorgeschreven. ‘Zoo was het dan nog plotseling dat ds. Zijlmans in den nacht van 25 februari 1921 de oogen sloot’. “Nadat in de pastorie en in de kerk door ds. E. Prinsen [1868-1937] van Enschede woorden van bemoediging en troost tot familie en gemeente waren uitgesproken, werd het stoffelijk overschot naar het kerkhof uitgedragen’. (…) De groote schare die het kerkhof vulde toonde wel dat ds. Zijlmans geliefd was bij de gemeente, maar dat hij ook bij hen die leven buiten den kring der gemeente een goede plaats in het hart gevonden had”.

Naar deel 2 >

© 2020. GereformeerdeKerken.info