De Keizersgrachtkerk te Amsterdam

De eerste Doleantiekerk in de hoofdstad.

Toen op 16 december 1886 in Amsterdam het kerkelijk conflict in de plaatselijke hervormde gemeente onder leiding van dr. A. Kuyper (1837-1920) tot de Doleantie en de instituering van de Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) leidde, bleven de kerkgebouwen in het bezit van de hervormde gemeente.

In Amsterdam was de Keizersgrachtkerk de eerste kerk van de Dolerenden (1888).

De Amsterdamse kerkenraad had zich al jaren lang verzet tegen de vrijzinnige – ‘moderne’ – opvattingen binnen de hervormde kerk in het algemeen en binnen de Amsterdamse hervormde gemeente in het bijzonder. Dit leidde uiteindelijk tot een hoog oplopend conflict met de hogere kerkelijke besturen. Om te voorkomen dat men de kerkelijke goederen  (zoals de kerkgebouwen en het archief) zou kwijtraken als het tot een breuk met de kerkelijke besturen zou komen, besloot de Amsterdamse kerkenraad tot een regeling waarbij de kerkelijke goederen in dat geval onder het beheer van de kerkenraad zouden blijven. Dit besluit werd door het classicaal bestuur als een revolutionaire daad beschouwd, waarop deze op 4 januari 1886 de tachtig kerkenraadsleden, die vóór het aannemen van die regeling gestemd hadden, schorste.

Dit betrof vijf predikanten (ds. H.W. van Loon (1846-1916), ds. P. van Son (1838-1919), ds. D.J. Karssen (1848-1926), ds. B. van Schelven (1847-1928) en ds. N.A. de Gaay Fortman (1845-1927)), 42 ouderlingen en 33 diakenen.

Dr. A. Kuyper (1837-1920).

Onder hen was ook (toen ouderling) dr. A. Kuyper. Weliswaar trachtten Kuyper en de zijnen de voor hen afgesloten ‘Nieuwe Kerk’ weer in bezit te krijgen door een paneel uit een toegangsdeur te breken, maar dit leidde niet tot het beoogde doel.

Dr. Kuyper en zijn medestanders maakten zich daarop vrij van  wat genoemd werd de ‘synodale hiërarchie’ en institueerden op 16 december 1886 in ’s Lands hoofdstad de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)’. Weliswaar was zij niet de eerste Dolerende Kerk in ons land, maar wel de bekendste en belangrijkste. Om ook elders in het land de vorming van Dolerende Kerken te bevorderen organiseerden de Amsterdamse Dolerenden het ‘Gereformeerd Kerkelijk Congres’, dat van 11 tot en met 14 januari 1887 in de hoofdstad gehouden werd. Daar kwamen zo’n 1.500 leden en vertegenwoordigers van hervormde kerkelijke besturen uit het hele land bijeen om ‘de reformatie der kerk’ ook elders in het land ter hand te nemen.

In ‘de lokalen’ en op zoek naar bouwgrond.

Gebouw ‘Plancius’ te Amsterdam, een van de lokalen waar de Dolerenden in de begintijd hun kerkdiensten hielden.

De Amsterdamse Dolerenden waren intussen voor het houden van hun kerkdiensten uitgeweken naar een aantal ‘lokalen’ elders in de stad, zoals Maison Stroucken (tegenwoordig Bellevue geheten) op de Leidse Kade, het tabaksveilinghuis Frascati in de Nes, in lokaal De Vereeniging in de Warmoesstraat en in gebouw Plancius aan de Plantage Kerklaan.

Ondertussen ging men op zoek naar geschikte locaties voor de bouw van een eigen kerk. Zo vestigde ds. N.A. de Gaay Fortman de aandacht op een stuk grond bij de molen De Gooyer tussen de Funenkade en de Zeeburgerstraat. De Dolerende kerkenraad vond dit perceel echter minder geschikt voor de bouw van een kerk, omdat het stuk grond gelegen was nabij een spoorlijn.

Ds. N.A. de Gaay Fortman (1845-1927).

In die tijd keek de kerkenraad ook uit naar een geschikte bewaarplaats voor de kerkelijke administratie, die zich aanvankelijk bevond in lokaal De Vereeniging in de Warmoesstraat. Toen een deftig herenhuis aan de Keizersgracht – compleet met dubbele stoep – te huur stond besloot de kerkenraad een deel daarvan te huren. Opvallend was de bij het herenhuis behorende grote tuin achter de woning, waarop ook stallen en een koetshuis stonden,  gelegen aan de Kerkstraat, achter de Keizersgracht. Men vroeg zich af of de nieuwe kerk misschien op die grond aan de Kerkstraat gebouwd kon worden.

De kerkenraad gaf daarom aan ‘architect’ J.W. Meijer opdracht tekeningen te maken voor een bedehuis aan de Kerkstraat. Meijer was geen architect van professie, maar een technisch zeer capabele officier van de Amsterdamse brandweer; maar omdat hij in 1879 de grote diamantslijperij Boas op Uilenburg ontworpen had, werd hij sindsdien als ‘architect-werktuigkundige’ een veelgevraagd ontwerper van woonhuizen en andere gebouwen.

Het plan van architect Meijer voor de kerk aan de Kerkstraat (ill.: ‘Honderd jaar Keizersgrachtkerk’).

Hoe dan ook, de plannen van Meijer werden bij Burgemeester en Wethouders ingediend, met het verzoek toestemming te verlenen voor de kerkbouw. Maar de buren aan de Kerkstraat kregen uiteraard lucht van de voornemens en tekenden bezwaar aan. Ze kregen gelijk, want een oude verordening uit de zeventiende eeuw – later ook in de politieverordening opgenomen – bepaalde dat in de omgeving van de tuinen aan de Kerkstraat niet mocht worden gebouwd.

De kerkenraad liet het er echter niet bij zitten en gaf de Vereeniging ‘De Kerkelijke Kas’ opdracht namens hem bij de gemeenteraad bezwaar aan te tekenen tegen de beslissing van Burgemeester en Wethouders. De Vereeniging ‘De Kerkelijke Kas’ was door de kerkenraad  opgericht om namens hem alle zaken te behartigen waarbij rechtspersoonlijkheid om de hoek kwam kijken; de Nederduitsche Gereformeerde Kerken konden op grond van de toenmalige wettelijke regels namelijk geen rechtspersoonlijkheid verkrijgen; een vereniging wel.

‘De Kerkelijke Kas’ gaf de obligaties uit die geld voor de kerkbouw moesten opbrengen en die geregeld werden uitgeloot.

Als bestuursleden van De Kerkelijke Kas verzochten W. Hovy (1840-1915) en Jhr. Mr. A.F. de Savornin Lohman (1837-1924) de gemeenteraad het besluit van B en W te vernietigen en alsnog toestemming voor de bouw te verlenen. Hovy was zelf lid van de gemeenteraad en bovendien een bekend en geharnast lid van de Dolerende Kerk. Maar op grond van allerlei binnengekomen bezwaarschriften besloot de gemeenteraad toch geen toestemming te verlenen, want ‘een kerk zou de fraaie ligging en de rust der tuinen teniet doen’.

Dan maar naar de Keizersgracht.

Het tweede huis van rechts (zonder klokgevel) werd door de Dolerende Kerk gekocht.

Ondertussen was het deftige huurhuis aan de Keizersgracht echter te koop gezet! Na enige aarzeling besloot de kerkenraad het herenhuis te kopen. Na enige aarzeling, want niet ver van het te koop staande herenhuis stond aan de Keizersgracht 489 nog een ander kerkgebouw, behorende tot de Christelijke Gereformeerde Gemeente, oorspronkelijk afkomstig uit de Afscheiding van 1834. Twee gereformeerde kerkgebouwen, dat zou makkelijk tot onduidelijkheid kunnen leiden. Maar veel andere mogelijkheden waren er niet, dus liet men het bezwaar tegen de Keizersgracht varen en werd de deftige woning begin 1888 voor de prijs van ongeveer fl. 75.000 gekocht.

“… Niet ver van het te koop staande herenhuis stond aan de Keizersgracht een ander kerkgebouw, behorende tot de Christelijke Gereformeerde Gemeente …”.

De plannen waren duidelijk: het herenhuis aan de Keizersgracht zou worden afgebroken en op die plaats zou de kerk gebouwd worden. Achter het bedehuis was verder voldoende ruimte voor de bouw van een gereformeerde school en – aan de Kerkstraat – voor een gebouw ten behoeve van het kerkelijk bureau. Dr. Kuyper was voorzitter van de inmiddels ingestelde bouwcommissie. Naar gewoonte van die tijd werd voor de kerkbouw een prijsvraag uitgeschreven onder gereformeerde architecten.

Er kwamen twee reacties: van architect Meijer, die eerder al een schets gemaakt had voor het kerkgebouw aan de Kerkstraat, en van de toen nog niet zo bekende bouwmeester Tjeerd Kuipers, die later vele gereformeerde kerken zou bouwen. Meijer had zijn plan ingestuurd onder de titel ‘Bouwkunst’ en Kuipers gaf het zijne het opschrift ‘Prediker 11 : 6a’ mee (“Zaai uw zaad in den morgenstond, en trek uw hand des avonds niet af“).

Architect G.B. Salm (1831-1897).

De kerkenraad vond de spoeling echter te dun en vroeg toen ook twee niet-gereformeerde architecten plannen in te sturen. Het waren A.L. van Gendt en G.B. Salm (1831-1897). De plannen werden door de kerkenraad ter beoordeling voorgelegd aan een aantal architecten te Den Haag. Ook dr. Kuyper had hierbij een flinke vinger in de pap. Hij wees Prediker 11 : 6a van Tjeerd Kuipers af omdat deze te jong was en te weinig ervaring had. ‘Bouwkunst’ van Meijer werd eveneens afgekeurd, maar het plan van architect Gerlof Salm, getiteld ‘Soli Deo Gloria’, werd geschikt geacht; hij kreeg de opdracht mits hij geheim zou houden dat zijn zoon Abraham Salm  (1857-1915) eraan had meegewerkt. Vader Salm was al bekend door zijn ontwerp van verscheidene opvallende gebouwen, zoals de kerk van de Vrije Gemeente aan de Weteringschans, tegenwoordig bekend als Paradiso.

Architect A. Salm (1857-1915).

Niet iedereen nam het Kuyper in dank af dat de opdracht niet naar een gereformeerde architect ging. Hij verdedigde deze keus echter door er op te wijzen dat ook Salomo besloten had de tempel te laten bouwen ‘door een heidenschen bouwmeester, die het wél naar den eisch van schoonheid en kunst kon doen‘. De kerkenraad zorgde er echter voor dat als aannemer de gereformeerde G.W. Venemans werd aangewezen.

Het mooie grachtenpand werd vervolgens met de grond gelijk gemaakt en de bouw van de kerk kon beginnen. De architect moet zich als een vis in het water gevoeld hebben, want de kerkenraad gaf hem volledige vrijheid om de bouwstijl naar eigen inzicht gestalte te geven. Als hij er maar om dacht dat er minstens 1.700 kerkgangers een plaats moesten kunnen vinden!

De bouw.

Hoewel over de bouw van de nieuwe kerk weinig opgetekend is, kunnen aan de voorgevel verscheidene historische bouwstijlen worden onderscheiden, zodat door sommigen gesproken werd van een ‘mengelmoes’ of een ‘rapsodie’ van stijlen. Was een gereformeerd kerkgebouw doorgaans sober van opzet en daarom vaak aangeduid als ‘timmermanskerk’ of ‘preekschuur’, deze nieuwe kerk viel juist op omdat in het ontwerp invloeden tot uiting kwamen van de gotiek (zoals het opvallende sierlijke roosvenster in de voorgevel, de spitsbogen, en de galerijen), en van de speelse Venetiaanse architectuur. Toch voegden het uiterlijk en de omvang van de kerk zich zonder problemen in de huizenrij van de Keizersgracht. Een gesmeed ijzeren sierhek sloot het monumentale portaal van de kerk af.

De Keizersgrachtkerk lang geleden (foto: Gebroeders Douwes).

Achter het middelste stuk van de voorgevel bevindt zich de kerkzaal terwijl achter de twee bescheiden torens de dubbele galerijen schuilgaan. Vooral die twee aan weerszijden boven elkaar gebouwde galerijen zorgden ervoor dat de eis van 1.700 zitplaatsen verwezenlijkt kon worden. Het orgel werd boven de preekstoel tegen de achterwand geplaatst – recht tegenover de hoofdingang – en bij het ontwerp van de kansel heeft de architect zich gehouden aan Kuypers wens er geen ‘afgesloten, hoge, holle, sombere bloemkelk’ van te maken, ‘waar halverwege een mens uitkomt’. De 1.700 kerkgangers kregen een zitplaats op uit Amerika ingevoerde opklapbare banken, ‘geschikt om eerbiedig neer te zitten’ en om elkaar makkelijk te kunnen passeren. De heer Stieltjes leverde ze graag.

Behalve de kerkzaal werden ook twee brede deuren in de voorgevel geplaatst, die door de traptorens toegang gaven tot het souterrain. Daarin bevonden zich, behalve een aantal dienstvertrekken, ook de kosterswoning, een kamer voor de dienstdoende predikant, en een ruime kamer voor de dopelingen, die door een afzonderlijke trap de dooptuin konden bereiken.

Het interieur van de Keizersgrachtkerk in 2009 door JvN gefotografeerd (Reliwiki).

De bouwkosten bedroegen nog net geen fl. 125.000. Als we beseffen dat de Amsterdamse Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) in de vier daarop volgende jaren nóg vier kerkgebouwen in gebruik nam, is duidelijk dat de Dolerende gemeenteleden er veel voor over hadden om de tijd van ‘de lokalen’ achter zich te laten. Tot 1892 werden achtereenvolgens namelijk nog gebouwd de Raamkerk (1889-1964) aan de Hugo de Grootkade, de Funenkerk (1889-1974) in de Zeeburgerstraat, de Boomslootkerk (1890-1934) aan de Rechtboomsloot en de Buiten Amstelkerk (1892-1962) in de Albert Cuypstraat. Van deze kerken is nu alleen de Keizersgrachtkerk nog over.

De Funenkerk (1889-1974) te Amsterdam.

De naam.

De gemeenteleden was gevraagd een naam voor de nieuwe kerk in te leveren. De kerkenraad zou daarover oordelen en een geschikte benaming uitkiezen. Dat gebeurde in de kerkenraad van september 1888. Verscheidene voorstellen waren binnengekomen, zoals Bochtkerk (want het kerkgebouw staat vlak bij een bocht in de Keizersgracht), Reformatiekerk (waarmee natuurlijk de Doleantie bedoeld werd), Grachtkerk, Twaalfde Kerk (na de elf hervormde), Galerijkerk, Portaalkerk (omdat de hoofdingang van de kerk ontsloten wordt door een hoog breed bordes met trap), Leidsche Kerk (het kerkgebouw staat in de buurt van de Leidsche Straat), Spiegelkerk (genoemd naar de Spiegelstraat) en Nieuwe Westerkerk. De kerkenraad zag niets in al die voorgestelde namen en besloot de kerk gewoon ‘Keizersgrachtkerk’ te noemen.

De kerk in gebruik genomen (1888).

De kansel van de Keizersgrachtkerk in 2009 (foto: JvN, Reliwiki).

Op 4 november 1888 werd de Keizersgrachtkerk, de eerste Dolerende kerk in Amsterdam, officieel in gebruik genomen. In de eerste van de op die zondag drie kerkdiensten ging om 10 uur ds. H.W. van Loon voor. Ds. P. van Son preekte om twee uur en ds. D.J. Karssen leidde de dienst van zes uur, alle drie oudgedienden. Noch ‘De Heraut’, het landelijke kerkblad van de Dolerende Nederduitsche Gereformeerde Kerken (onder redactie van dr. A. Kuyper), noch diens politieke dagblad (met veel kerknieuws) ‘De Standaard’ rapporteerden over deze eerste dienst. Gelukkig publiceerde de (dolerende) Amsterdamsche Kerkbode een week later een beknopte samenvatting van de dienst.

Onder leiding van ds. H.W. van Loon (1846-1916) werd de Keizersgrachtkerk op 4 november 1888 in  gebruik genomen.

Wel weten we dat er grote belangstelling was. Al twee uur voordat de eerste kerkdienst begon was het op de Keizersgracht een drukte van belang, zodat een agent van politie toezicht op de menigte hield. Op zijn beurt stelde de kerkenraad prijs op een ordelijk verloop van de kerkdienst; dat was de reden dat de geplande viering van het avondmaal in de eerste dienst werd verplaatst naar gebouw Frascati. Men was bang dat deze viering-aan-tafels-voorin-de-kerk teveel rumoer zou opleveren, vooral omdat de kerk ongetwijfeld geheel bezet zou zijn. Hoe dan ook, een uur voor aanvang van de dienst – direct na het openen van het smeedijzeren hek door koster J.C. van den Akker – was de kerk geheel gevuld. Ook de twee daarop volgende diensten waren helemaal bezet.

‘Amsterdamsche Kerkbode’, 11 november 1888.

Een kwartier voordat de dienst begon zette het orgel enkele psalmen in, waaronder psalm 66 vers 5. Daarna kon ds. Van Loon met de dienst beginnen. Hij had zijn preek zoals te doen gebruikelijk ingedeeld in drie gedeelten: ‘Een grote verandering, een uitnemend voorrecht en een heerlijke verwachting’. De kerkenraad kon wat betreft het verloop van de drie diensten op deze eerste zondag tevreden zijn. De (dolerende) Amsterdamsche Kerkbode  van 11 november 1888 constateerde voldaan dat de nieuwe kerk ‘voor het gehoor alleszins geschikt’ gebleken was en dat de uitgangen ‘zeer doelmatig’ waren geplaatst, want de grote menigte had na afloop van de diensten het kerkgebouw in betrekkelijk korte tijd kunnen verlaten.

Ds. W.H. Gispen (1833-1909).

In de eerste jaren waren het vooral ds. W.H. Gispen (1833-1909) en de al genoemde ds. B. van Schelven die in de Keizersgrachtkerk voorgingen. Ds. Gispen was sinds 1881 predikant bij de Amsterdamse Christelijke Gereformeerde Gemeente, terwijl ds. Van Schelven een van de afgezette Amsterdamse Dolerende predikanten was. Maar vanaf 1892 waren ze allemaal ‘gereformeerd’.

Ds. B. van Schelven (1847-1928).

Een vooraanstaande voorlezer…

Ook de Amsterdamse Dolerende Kerk had voorlezers in dienst. Hun taak was het om de Schriftgedeelten van die zondag voor te lezen. Een van de leden van dit bezoldigde College van Voorlezers was prof. dr. J. Woltjer (1849-1917) van de Vrije Universiteit; hij had in de begintijd al in lokaal Maison Stroucken dienst gedaan en  was voorwaar niet de eerste de beste, want hij had klassieke talen gestudeerd en behaalde in 1876 zijn doctoraal. Het jaar daarop promoveerde hij op het proefschrift ‘Lucretii philosophia cum fontibus comparata’ en werd hoogleraar.

Prof. dr. J. Woltjer (1849-1917).

Toen met Pinksteren eens een jonge predikant in de Keizersgrachtkerk zou preken overlegde hij in de kerkenraadskamer nog even met de voorlezer van dienst – zonder te weten dat het prof. Woltjer was. De predikant, die vermoedelijk niet aan de VU had gestudeerd, maar in Kampen,  drukte Woltjer op het hart het te lezen Schriftgedeelte vóór de dienst nog eens extra goed door te lezen, omdat in dat Bijbelgedeelte zoveel moeilijke namen voorkwamen. De voorlezer beloofde dit te zullen doen. Het verhaal vertelt niet wat de reactie van de jonge predikant was toen hij vernam dat de voorlezer prof. dr. Woltjer was…

‘Amsterdamsche Kerkbode’, 11 november 1888.

Een bekende kerk.

De Keizersgrachtkerk is een van de bekendste gereformeerde kerkgebouwen geworden. Eén van de belangrijkste gebeurtenissen vond daar plaats op 17 juni 1892, toen in deze kerk de landelijke Vereniging van de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken een feit werd. Op die dag vond hier namelijk de één dag durende generale synode plaats, waar de twee genoemde kerkgenootschappen het samengaan officieel bekrachtigden. Ze besloten  na jaren van niet altijd even soepel verlopen onderhandelingen samen als ‘De Gereformeerde Kerken in Nederland‘ verder te gaan.

De Keizersgrachtkerk is nog steeds in gebruik als kerkgebouw van de protestantse Keizersgrachtkerkgemeente te Amsterdam.

Bronnen onder meer:

A.C. de Gooijer, Honderd jaar Keizersgrachtkerk. Kampen, 1988

© 2019. GereformeerdeKerken.info