Van ‘Classis’ naar ‘Synode’ in Amerika (25)

De eerste kerkelijke vergaderingen van de ‘Christian Reformed Church’.

( < Naar deel 24 – Back to Part 24 ) –  In onze serie over de kerkelijke vergaderingen van de naar Amerika geëmigreerde  Afgescheidenen, sinds 1857 behorende tot de toen opgerichte Christian Reformed Church (zoals nader uitgelegd in deel 1), gaan we verder met de vergadering van 12 januari 1865. Tussen [] staan verhelderende of aanvullende opmerkingen van de redactie van GereformeerdeKerken.info.

  • In deze aflevering geven we de derde zitting weer van de vergadering van 12 januari 1865. De eerste twee zittingen publiceerden we in het vorige deel (24)

___________________________

Derde Zitting (donderdag 12 januari 1865).

De morgenzitting is geopend met het zingen van psalm 119 vers 6 en met gebed door br. ouderling A. Krabshuis.

Art. 16 –  In de vorige zitting kwam ter sprake of ds. K. van den Bosch wettig leraar van Noordeloos is, ja of nee. Nu komt deze zaak weer ter tafel. Van weerskanten wordt er veel over gesproken. Ds. Van den Bosch, hoe tegenstrijdig dat ook klinkt, bestrijdt deze wettigheid ten sterkste, volgens de afgevaardigden van die gemeente. Anderen daarentegen, die met de geschiedenis van opkomst en voortgang van die gemeente bekend zijn, beweren even  stellig het tegendeel. Vooral wordt hier in aanmerking genomen de oorspronkelijke roeping vanuit Nederland van ds. K. van den Bosch door die gemeente. Men merkt echter op dat die gemeente tijdelijk vervallen is en ineengesmolten met de gemeente Zeeland. Daardoor ging haar leraar natuurlijk met haar naar die gemeente over. Anderen voerden daarentegen weer aan dat er altijd nog enige leden te Noordeloos overbleven, en dat er zelfs een ouderling, die in Zeeland verkozen was, het opzicht had over die gemeente en daar voorging en ‘een stichtelijk woord’ sprak.

Sommigen oordeelden dat bij de nieuwe organisatie en stichting van de gemeente te Zeeland en de scheiding van de beide gemeenten Noordeloos en Zeeland, ds. K. van den Bosch tot zijn oorspronkelijke gemeente terugkeerde en dus leraar van Noordeloos bleef.

Ds. K. van den Bosch (1818-1897), die in 1856 predikant te Noordeloos, Michigan, werd.

Men kon de zaak door al die redeneringen over en weer dus niet beëindigen en partijen bevredigen. Daarop wordt het in rondvraag gebracht en bleek dat de meerderheid oordeelde, dat ds. Van den Bosch aangemerkt moest worden als wettig leraar van de gemeente te Noordeloos, waarop dat besluit aangenomen werd. Ds. Van den Bosch en ouderling P. Heyboer bleven daartegen protesteren, maar hebben dit later weer ingetrokken.

Art. 17 – Men gaat over tot de behandeling van de gemeentelijke zaken. Vriesland brengt een zaak ter tafel met betrekking tot de weduwe van Jan Robbers, lidmaat van haar gemeente, die opnieuw getrouwd was met een zekere Evert Sprik, behorende tot de Dutch Reformed Church, onder voorwaarde dat ieder vrijelijk bij zijn eigen kerkgenootschap kon blijven en ter kerke gaan; doch dat de vrouw vermoedelijk uit scrupuleusheid niet meer in de kerk komt en bovendien is aangesloten bij de Dutch Reformed Church. De afgevaardigden van Vriesland vragen nu inlichtingen over hoe nu met haar te handelen. De vergadering oordeelt haar nog enige tijd te vermanen en bij volharding aan de gemeente bekend te maken dat zij niet meer tot de gemeente behoort, en haar tevens een afscheidsbrief aan huis te zenden.

Art. 18 – De afgevaardigden van Vriesland vragen toestemming van de classis om een herder en leraar te beroepen, en delen mee dat zij een gemeentevergadering hebben gehouden en daarop hebben voorgesteld om een leraar met halve werktijd te beroepen op een traktement van 350 dollar, en vragen nu of deze zaak ordelijk en wettig geschied is. De vergadering oordeelt van ja en dus wordt toestemming [‘handopening’]  gegeven, onder voorwaarde dat zij een leraar beroepen en beloven hem zoveel traktement te geven als zij kunnen en dan aan de beroepen predikant over te laten of hij het op die voet kan aannemen, ja of nee. En als hij dit niet kan, te proberen om met een andere gemeente te combineren. Wat betreft de pastorie  of het door die gemeente te bouwen woonhuis van de leraar, heeft elke gemeente beloofd hiertoe vrijwillig te zullen bijdragen.

Art. 19 –  De afgevaardigden van de gemeente Zeeland verzoeken om voor hun gemeente een consulent te hebben, en stellen voor of als zodanig ds. Van der Werp kan worden benoemd. Dit wordt in rondvraag gebracht en er wordt algemeen mee ingestemd.

Ds. W.H. van Leeuwen (1807-1882).

Art. 20 – Men gaat over tot de behandeling van algemene zaken. In een brief van de gemeente te Paterson, maakt deze gemeente bezwaar tegen de aangenomen naam van ons kerkgenootschap en stelt voor om de naam aan te nemen van Hollandsch Gereformeerd, en dat vooral om ons te onderscheiden van de kerk in het Oosten. De vergadering besluit om onderzoek te doen bij de landsregering of dit gebeuren kan op grond van het reglement, en wat dit moet kosten. Hiertoe is verkozen br. Garvelink van de gemeente te Graafschap.

Art. 21 – Voorgesteld wordt of het niet billijk is dat, wanneer een gemeente een leraar uit Nederland beroepen heeft, en tot haar is overgekomen, en die leraar vertrekt al spoedig naar een andere gemeente, dat die roepende gemeente dan de helft in de onkosten van de overtocht meebetaalt. De vergadering oordeelt dat men hier geen bepaling van mag maken, maar dat hierbij alle christelijkheid en billijkheid in aanmerking genomen worde.

Art. 22 – De Afgevaardigde ds. Van Leeuwen brengt een paar brieven ter tafel, ingekomen van eenige personen van de Lage Prairie in de staat Illinois, die aan de vergadering worden voorgelezen. Daaruit blijkt onder andere dat zij te kennen geven om zich met ons te verenigen en ze verzoeken dat aldaar een gemeente gesticht mag worden. De vergadering gaat over tot de benoeming van een commissie, waartoe verkozen worden ds. W.H. van Leeuwen en de br. ouderling J. de Jonge van de gemeente  te Grand Rapids, aan wie daartoe een Instructiebrief wordt verstrekt, om namens de classis daar een gemeente te stichten en verder te handelen naar bevind van zaken en van hun zaken en werkzaamheden aldaar verricht, verslag te doen op de volgende Classicale Vergadering.

Art. 24 [de nummering van de artikelen gaat hier in de fout- red.] – Tevens wordt door ds. Van Leeuwen een brief in het midden gebracht van enige leden te Grand Haven, die aan de vergadering wordt voorgelezen. Zij verzoeken dat er een commissie naar hen mag overkomen om werkzaam te zijn om als het mogelijk is een gemeente te stichten. De vergadering benoemt daartoe  ds. Van der Werp en een broeder Ouderling van de gemeente Graafschap.

Ds. Douwe J. van der Werp (1811-1876).

Art. 25 – Aan de vergadering wordt overhandigd een lijst van de gecollecteerde gelden ter opleiding van studenten tot het leraarsambt; gebleken is dat het de somma van $ 198.34 bedraagt. Nog is daarna ontvangen: van de gemeente Graafschap $ 10.28; van de gemeente Zeeland $ 2.84; van de gemeente Vriesland $ 7; van de gemeente Noordeloos $ 3. Totaal $ 23.12; zodat de totale som bedraagt $ 221.46.

Art. 26 – Ingevolge Art. 26 van de vorige notulen is gebleken dat voor het achterstallige traktement van ds. Van den Bosch is ingekomen van de gemeente Vriesland het bedrag van $ 40 en van de gemeente Noordeloos $ 12.50, terwijl de afgevaardigden van de gemeente Zeeland op zich nemen om pogingen aan te wenden bij hun gemeente dat zij het hunne daartoe ook bijdragen. De classis zal zorgen dat het restant als liefdegaven zal worden geïnd.

Art. 28 – De vergadering besluit, zolang het aantal leraren onder ons zo klein is, dat de leraars om de beurt de vergaderring zullen voorzitten. De vergadering wordt daarop finaal gesloten met het zingen van psalm 90 vers 9 en dankzegging door de preses, ds. Van der Werp.

Namens de Classicale Vergadering:

D.J. van der Werp (preses) en P. Heyboer (scriba).

Bron:

Minutes of the Highest Assembly of the Christian Reformed Church 1857-1880. Grand Rapids, 1937

Translation into English:

From “Classis” to “Synod” in America (25)

The first ecclesiastical assemblies of the Christian Reformed Church.

( < Back to Part 24 ) –  In our series about the church assemblies of the Seceders who emigrated to America and, since 1857, belonged to the newly established Christian Reformed Church (as explained further in Part 1), we continue with the meeting of January 12, 1865. Bracketed text [] contains clarifying or supplementary notes by the editors of GereformeerdeKerken.info.

  • In this installment we present the third session of the meeting of January 12, 1865. The first two sessions were published in the previous part (24).

_________________________

Third Session (Thursday, January 12, 1865).

The morning session was opened with the singing of Psalm 119:6 and with prayer by Elder A. Krabshuis.

Art. 16 – In the previous session the question arose whether Rev. K. van den Bosch is or is not the lawful minister of Noordeloos. This matter now comes again to the table. Much discussion takes place on both sides. Rev. Van den Bosch, contradictory as it may sound, contests this legality most strongly, according to the delegates of that congregation. Others, however, who are familiar with the history of the origin and development of that congregation, assert just as firmly the opposite. Particular consideration is given to the original calling of Rev. K. van den Bosch by that congregation from the Netherlands.

It is noted, however, that the congregation temporarily declined and merged with the Zeeland congregation. Consequently, its minister naturally transferred with it to that congregation. On the other hand, others argued that some members always remained in Noordeloos, and that even an elder, who had been elected in Zeeland, exercised oversight over that congregation and conducted services there, speaking “an edifying word.”

Some judged that at the new organization and founding of the Zeeland congregation, and the separation of the two congregations Noordeloos and Zeeland, Rev. K. van den Bosch returned to his original congregation and thus remained minister of Noordeloos.

The matter could not be resolved or the parties satisfied through all these back-and-forth arguments. Therefore it was put to a vote, and it appeared that the majority judged that Rev. Van den Bosch must be regarded as the lawful minister of the congregation of Noordeloos; and the decision was adopted on that basis. Rev. Van den Bosch and Elder P. Heyboer continued to protest against it, but later withdrew their protest.

Art. 17 –  The assembly moves on to congregational matters. Vriesland brings forward a case concerning the widow of Jan Robbers, a member of their congregation, who had remarried a certain Evert Sprik, belonging to the Dutch Reformed Church, on the condition that each could freely remain within and attend his or her own church denomination; but the woman, apparently out of scrupulousness, no longer comes to church and moreover has joined the Dutch Reformed Church. The delegates of Vriesland now ask for guidance on how to deal with her.

The assembly judges that she should still be admonished for some time, and if she persists, it should be announced to the congregation that she no longer belongs to it, and she should also be sent a letter of dismissal to her home.

Art. 18 –  The delegates of Vriesland ask the classis for permission to call a minister, and report that they have held a congregational meeting at which they proposed to call a minister for half-time service on a salary of $350. They now ask whether this has taken place in a proper and lawful manner. The assembly judges that it has, and therefore grants permission (“handopening”), on the condition that they call a minister and promise to give him as much salary as they can, leaving it to the called minister to decide whether he can accept the call on that basis or not. And if he cannot, they should attempt to form a combination with another congregation.

As for the parsonage or the house to be built by the congregation for the minister, each congregation has promised to contribute voluntarily.

Art. 19 – The delegates from the municipality of Zeeland request to have a consultant for their congregation and propose that Rev. Van der Werp be appointed as such. This is brought up during the round of questions, and there is general agreement with the proposal.

Art. 20 – The assembly moves on to general matters. In a letter from the congregation of Paterson, that congregation objects to the adopted name of our denomination and proposes taking the name “Hollandsch Gereformeerd” (“Dutch Reformed”), particularly in order to distinguish us from the church in the East. The assembly decides to investigate with the national government whether this can be done according to the regulations and what it would cost. Brother Garvelink of the congregation of Graafschap is elected for this purpose.

Art. 21 – It is proposed to consider whether it is reasonable that when a congregation has called a minister from the Netherlands, and he has come over, and the minister soon departs to another congregation, the calling congregation should then pay half of the travel expenses. The assembly judges that no rule should be made regarding this, but that all Christian virtue and fairness should be taken into consideration.

Art. 22 –  Delegate Rev. Van Leeuwen presents a couple of letters from some persons of the Lage Prairie in the state of Illinois, which are read to the assembly. From them it appears, among other things, that they express their desire to unite with us and request that a congregation may be established there.

The assembly proceeds to appoint a committee, consisting of Rev. W. H. van Leeuwen and Elder J. de Jonge of the Grand Rapids congregation. They are provided with an Instruction Letter to establish a congregation there on behalf of the classis, to act further according to circumstances, and to report on their affairs and activities there at the next Classical Meeting.

Art. 24 –  [The numbering of the articles is incorrect here – Ed.]
Rev. Van Leeuwen also presents a letter from some members at Grand Haven, which is read to the assembly. They request that a committee may be sent to them in order to work toward establishing a congregation, if possible. The assembly appoints Rev. Van der Werp and an elder from the Graafschap congregation for this purpose.

Art. 25 – A list is presented to the assembly of the funds collected for the training of students for the ministry; it appears that it amounts to $198.34. Additionally received: from the Graafschap congregation $10.28; from Zeeland $2.84; from Vriesland $7; from Noordeloos $3. Total $23.12; so that the full amount is $221.46.

Art. 26 –  In accordance with Art. 26 of the previous minutes, it appears that for the overdue salary of Rev. Van den Bosch, the congregation of Vriesland has contributed $40 and Noordeloos $12.50, while the delegates of the Zeeland congregation undertake to make efforts in their congregation that they may also contribute their share. The classis will ensure that the remainder will be collected as gifts of charity.

Art. 28 –  The assembly decides that, as long as the number of ministers among us is so small, the ministers will preside over the meetings in turn. The assembly is then finally closed with the singing of Psalm 90:9 and with thanksgiving by the president, Rev. Van der Werp.

On behalf of the Classical Assembly:

D. J. van der Werp (president) and P. Heyboer (scribe).

Source:

Minutes of the Highest Assembly of the Christian Reformed Church 1857–1880. Grand Rapids, 1937.