Kerk en Israël in de stad Groningen (3)

4. Huisbezoek, draagvlak en vermoeidheid (1955–1965).

( < Naar deel 2 – Back to Part 2 ) – In de loop van de jaren vijftig werd steeds duidelijker dat het huisbezoek, hoewel gezien als het hart van de arbeid, tegelijk haar kwetsbaarste schakel vormde.

De Synagoge in de Groninger Folkingestraat (foto: P.B. Kramer, Groninger Archieven).

De verslagen uit deze periode tonen een terugkerend patroon: een kleine groep trouwe medewerksters droeg het werk, terwijl het steeds moeilijker werd om nieuwe krachten te vinden en vast te houden.

Opvallend is dat het huisbezoek aanvankelijk vooral door vrouwen werd verricht. In interne toespraken werd dit soms met lichte ironie benoemd: men had aanvankelijk gedacht dat alleen mannen voor dit werk geschikt waren, maar moest erkennen dat juist de vrouwen blijk gaven van volharding en trouw. Zij bezochten adressen van Joodse mensen waar afwijzing of onverschilligheid de regel was en hielden jarenlang contact met dezelfde gezinnen. Deze loyaliteit werd geprezen, maar ging voor hen gepaard met een hoge belasting.

De bezoekrapporten uit deze jaren geven een indringend beeld. Er wordt gesproken over “welwillend luisteren”, maar vaker nog over “bittere afkerigheid”. Sommige bezoeken werden als “geheel overbodig” bestempeld, omdat de bezochte adressen duidelijk maakten geen prijs te stellen op contact. Toch bleef men vasthouden aan het principe dat men moest blijven gaan, zolang er geen expliciet verbod werd uitgesproken.

Ds. F. Vroon (1918-1971)  was enige jaren (tot 1957) voorzitter van de Commissie voor de Jodenzending in Groningen.

Naast het bezoek aan Joodse adressen bleef het huisbezoek onder gereformeerde gemeenteleden een belangrijke pijler. Hier ging het niet om evangelisatie in strikte zin, maar om voorlichting en fondswerving. Het ideaal werd herhaaldelijk verwoord als: in elk gereformeerd gezin een Jodenzendingsblad. In de praktijk bleek dit ideaal echter moeilijk te realiseren. Verhuizingen, kerksplitsingen en wijkherindelingen ondermijnden de continuïteit. Administraties raakten versnipperd, wijkstructuren moesten opnieuw worden ingericht en bestaande netwerken vielen uiteen. In de verslagen klinkt frustratie door over het wegvallen van centrale figuren en het gebrek aan opvolging. Waar voorheen in een kerkwijk één persoon het overzicht hield, moest sinds de kerksplitsing van 1957 per kerk (het waren er toen vier!) en per wijk opnieuw structuur worden opgebouwd.

Financieel bleef het werk in deze periode opmerkelijk stabiel. Jaarlijks werd een aanzienlijk bedrag afgedragen aan ‘Baarn’, en de opbrengst van collecten op Eerste Kerstdag werd nauwkeurig bijgehouden en vergeleken tussen wijken. Deze cijfers fungeerden niet alleen als verantwoording, maar ook als thermometer voor betrokkenheid. Wanneer een wijk “onder peil” bleef, werd dit expliciet benoemd en als probleem aangemerkt.

Toch nam de vermoeidheid toe. In notulen wordt herhaaldelijk melding gemaakt van medewerksters die “het bijltje erbij neerleggen” omdat zij het werk te zwaar vonden. De reactie hierop bleef meestal praktisch: men zocht vervanging, herschikte taken of probeerde nieuwe mensen te werven. Een diepere reflectie op de vraag of de gekozen werkwijze nog houdbaar was, bleef grotendeels uit.

  • Uit de praktijk (1955-1965).

De Messiasbode was in 1949 opgeheven, omdat toen ds. Van Nes, de redacteur, overleed.  Het blad ‘Licht en Leven’ volgde de Messiasbode op.

Enkele voorbeelden van de reacties van Joodse mensen op de komst van de gereformeerde bezoek(st)ers: “N.N. heeft geen interesse, liet de bezoekers niet boven wegens visite” ♦ “De oude dame was zeer vriendelijk, maar wilde ons niet binnenlaten en niet spreken over godsdienst” ♦ “Ze las [het zendingsblad] ‘Licht en Leven’ [de voortzetting van de Messiasbode], maar wilde toch Jodin blijven” ♦ ‘Ze wens geen bezoek. Erg vijandig” ♦ “Ik heb geen tijd om de bladen te lezen” ♦ “De heer X. is [onlangs] voor het laatst bezocht; hij had geen belang bij de gereformeerde zieltjeswinnerij. In 1960 overleed hij” ♦ “Hij is een vrijidenker. We mochten nog wel eens terugkomen” ♦ “Hij moet niets van het christendom hebben. Wil ‘Licht en Leven’ beslist niet lezen” ♦ “Hij wil ‘Licht en Leven’ perse niet meer ontvangen. Is geheel afkerig. Is lid van Joodse kerkenraad” ♦ “Wenst ‘Licht en Leven’ niet meer te ontvangen. ‘Het is een minderwaardig blad’”.

De bezorging van ‘Licht en Leven’ en van het Zendingsblad van de Gereformeerde Kerken (met een katern over de Jodenzending) liep ook niet vlot. Een van de bezorgsters zei nogal eens tegenkanting te ondervinden. Bovendien bleek dat de komende Kerksplitsing van 1957 problemen opleverde: er zou een flinke verandering moeten worden aangebracht in de organisatie van het bezoek- en verspreidingswerk, omdat voor elk van de vier zelfstandige Kerken een centrale administratie met wijkhoofden en wat dies meer moest worden opgezet. Bovendien was in het voorgaande jaar (1956) niet aan abonneewerving gedaan, vanwege het gebrek aan bezorg(st)ers. In 1957 – het eerste jaar van de Kerksplitsing – werden geen commissievergaderingen gehouden.

Ds. W. Reeskamp (1910-1984).

Omdat ds. Vroon in 1957 vertrok naar de kerk van Rotterdam werd diens opvolger, ds. W. Reeskamp (1910-1984), gevraagd om als voorzitter op te treden. Deze zegde toe dit te zullen doen en trad begin 1959 als zodanig aan. Gebleken was ondertussen dat toch steeds meer dames zich aanmeldden als bezoekster. “Het is gebleken dat de mannentrots vervangen moest worden door een gevoel van overwonnen te zijn door het zwakke geslacht”. Eerst had het bestuur van de commissie hen als proef Joodse weduwen laten bezoeken. (…) De dames werkten getrouw hun lijstjes af. Ze toonden, boven de meeste heren, getrouwheid in hun werk”.

Secretaris Blömer schreef op 1 november 1958 een brief aan de kerkenraad van de Kerk van Zuid ‘over de verontrustende gang van zaken betreffende het werk der Jodenzendingscommissie in uw Kerk’. Wijkhoofden en bezorgers ‘die zich hadden aangemeld, maar zich nog vóór zij met hun werk begonnen waren, al weer terugtrokken’, waren er de oorzaak van dat veel werk bleef liggen. Blömer dreigde: ‘Als binnen korte tijd niet voorzien is in de vacatures zal de commissie tot haar spijt genoodzaakt zijn het werk der Jodenzending alleen voor de drie andere kerken te verrichten’. Ook andere kerkenraden moesten worden gemaand medewerkers te zoeken.

De financiële resultaten per jaar van de Jodenzending in Groningen.

Steeds vaker kwamen de financiën aan de orde. Vanaf 1959 werd geregeld bijgehouden wat in de vier kerken de stand van zaken was met betrekking tot de financiële opbrengsten en daarmee in verband het aantal contribuanten, die een betaald abonnement op (bijvoorbeeld) ‘Licht en Leven’ namen, zodat daarmee een gratis abonnement aan Joodse mensen kon worden gegeven. De collecteopbrengsten werden wijksgewijs vergeleken en in januari 1962 moest bijvoorbeeld geconstateerd worden ‘dat Oost geheel aan lager wal geraakt is’. Ook werden weer regelmatig huisbezoeken besproken, terwijl  begonnen was met het houden van voorlichtingsvergaderingen met jeugdkringen en vrouwenverenigingen.

Aan het eind van deze periode moest – zoals al opgemerkt –  toch geconstateerd worden dat ‘huisbezoek bij de Joodse mensen in 1963 en 1964 niet heeft plaatsgehad’. Ook waren er in die jaren geen vergaderingen van de Commissie gehouden. De contacten met wijkhoofden in de vier Kerken werden door Blömer individueel onderhouden.

____________________________

5. Groei, professionalisering en spanningen (1965–1969).

Het Zendingscentrum te Baarn,  waar het bureau van het Deputaatschap voor de Arbeid onder Joden gevestigd was.

In de tweede helft van de jaren zestig bereikte de gereformeerde ‘Arbeid onder Israël’ in Groningen numeriek een hoogtepunt. Het aantal contribuanten in de kerkelijke gemeente steeg tot boven de tweeduizend, en de jaarlijkse afdrachten aan het landelijke bureau in Baarn namen navenant toe. Deze groei werd met dankbaarheid vastgesteld en gold als bevestiging dat het werk zijn waarde had bewezen.

Tegelijk veranderde het karakter van de arbeid. Waar in de beginjaren persoonlijke inzet en improvisatie de boventoon voerden, kwam er nu meer aandacht voor professionalisering en propaganda. Dia-avonden, geluidsbanden en visuele presentaties werden ingezet om belangstelling te wekken bij verenigingen, jeugdkringen en vrouwenorganisaties. De al eerder aangeschafte joodse religieuze voorwerpen – zoals een mezoeza, gebedsriemen en een haggada – paste in deze ontwikkeling. Zij dienden als tastbare illustraties bij lezingen over joodse gebruiken.

Een mezoeza.

Deze vorm van voorlichting bleek effectief. Verslagen melden dat dergelijke avonden veel belangstelling trokken en nieuwe wijkhoofden en medewerksters opleverden. Tegelijk groeide de afstand tussen de voorlichting binnen de kerk en het daadwerkelijke contact met Joodse mensen. Huisbezoek aan Joodse adressen vond in deze jaren steeds minder plaats. In sommige jaarverslagen wordt expliciet vermeld dat dit geheel was stilgevallen…

De nadruk verschoof daarmee ongemerkt van ontmoeting naar organisatie. Het werk werd steeds meer gedragen door administratieve processen: het innen van bijdragen, het verzenden van bladen en het afdragen van gelden. De commissie functioneerde efficiënt, maar werd ook afhankelijk van enkele sleutelfiguren, in het bijzonder van Blömer, die secretaris, penningmeester en organisator in één persoon was.

Een gebedsriem.

De jaarverslagen uit deze periode laten zien dat het financiële fundament nog solide was, maar dat de betrokkenheid langzaam maar zeker afnam. De werving van nieuwe contribuanten kwam vrijwel tot stilstand, en men moest het vooral hebben van bestaande donateurs. Landelijk werd dezelfde ontwikkeling gesignaleerd: het aantal abonnees op de zendingsbladen daalde, terwijl de totale inkomsten nog licht stegen door hogere bijdragen.

De jaren tot 1969 vormen daarmee een scharnierpunt. Enerzijds was er sprake van institutionele volwassenheid en financiële stabiliteit, anderzijds tekenden zich duidelijke grenzen af. Het werk was afhankelijk geworden van enkelen, het huisbezoek kwijnde weg en de oorspronkelijke missionaire urgentie maakte plaats voor beheer en instandhouding.

6. Overdracht, eenmansbestuur en verschraling (1969–1980).

Het jaar 1969 markeert een duidelijke breuk in de geschiedenis van de gereformeerde ‘Arbeid onder Israël’ in Groningen. Na vijfentwintig jaar intensieve betrokkenheid moest de heer Blömer zijn werkzaamheden neerleggen wegens gezondheidsproblemen en een voorgenomen verhuizing. In een brief aan het ‘Groot Moderamen’ werd de (nog drie) kerken dringend gevraagd iemand te polsen die het werk per 1 januari 1970 kon overnemen.

Deze overgang verliep formeel correct, maar inhoudelijk moeizaam. In de persoon van I. Wissmann  in de wijk Vinkhuizen – gemeentelid van de gereformeerde Regenboog in die wijk – werd een opvolger gevonden die bereid was het werk op zich te nemen. Anders dan zijn voorganger kon hij echter niet steunen op een functionerende commissie. Pogingen om opnieuw een bredere structuur op te bouwen strandden, waardoor Wissmann het werk feitelijk als eenmansbestuur voortzette.

Het 500 pagina’s tellende boek over ‘Het Jodendom’ van ds. J. van Nes (1886-1949).

Zijn werkzaamheden waren omvangrijk en tijdrovend. Jaarlijks verzorgde hij de inning van donaties, deels via giro en bank, deels via kwitanties. Daarnaast organiseerde hij vijfmaal per jaar de verzending van het blad Evangelie en Israël. Voor de praktische uitvoering was hij aangewezen op wijkhoofden, maar juist daar begonnen de problemen zich op te stapelen. In steeds meer wijken bleek het onmogelijk om mensen te vinden die deze taak wilden of konden vervullen.

De donateurswerving, die in eerdere jaren nog als essentieel werd gezien, kwam vrijwel geheel tot stilstand. Het aantal donateurs stabiliseerde zich of liep langzaam terug. Hoewel de inkomsten op peil bleven door trouwe gevers en incidentele giften, verdween de dynamiek die het werk in eerdere decennia had gekenmerkt.

In zijn correspondentie met het bureau in Baarn gaf Wissmann openhartig uiting aan zijn zorgen. Hij signaleerde dezelfde ontwikkeling die landelijk werd waargenomen: dalende aantallen abonnees, hogere kosten en een groeiende nadruk op kwaliteit boven kwantiteit. De toon van het werk veranderde daarmee ook inhoudelijk. Waar vroeger werd gesproken over uitbreiding en werving, ging het nu om behoud en concentratie.

Het logo van het Deputaatschap ‘Kerk en Israël’.

Deze fase kenmerkt zich door verschraling. Het werk bleef functioneren, maar verloor zijn plaats in het bredere kerkelijke leven. Huisbezoek vooral bij Joodse adressen, ooit de kern van de arbeid, was al jaren niet meer aan de orde. Voorlichting en ontmoeting beperkten zich tot incidentele activiteiten, terwijl de administratie het zwaartepunt vormde.

  • Uit de praktijk (1969-1980).

Per 1 januari nam de heer I. Wissmann het werk van Blömer dus over. Vergaderingen met een commissie of iets dergelijks waren er niet meer. Wissmann stond er vrijwel alleen voor. De samenvoeging van de Gereformeerde Kerken van Groningen-Noord en Oost als Groningen Noord/Oost (in 1969) had opnieuw een administratieve drempel opgeworpen. Ook in het landelijk Bureau voor Evangelie en Israël was een kink in de kabel gekomen. De heer Holvast, die zich jarenlang, sinds 1947, voor deze arbeid had ingezet was ‘lichamelijk en geestelijk overspannen’. Er was in die tijd geen vervanging vanwege de bezuinigingen die door de generale synode waren ingevoerd.

De heer A. Holvast was administrateur en bureausecretaris van het ‘Deputaatschap Kerk en Israël’ van 1947 tot 1984.

Dat het werk, landelijk en plaatselijk, stagneerde bleek wel uit de brief van 8 maart 1972 van het Bureau Evangelie en Israël (de heer Holvast had zijn werk daar weer opgepakt). Na de mededeling dat het Bureau het aantal aan Groningen toegestuurde zendingsbladen voor verspreiding onder Joodse mensen met 200 exemplaren had teruggebracht naar 1.700 en dat het aantal contributies van gemeenteleden in Groningen was teruggelopen, stelde Holvast vast: “Wij zullen het heel gewoon in de kwaliteit moeten zoeken en niet slechts denken in grote aantallen abonnees”. Ondertussen zwoegde de heer Wissmann in zijn eentje voort.

___________________________

7. Centralisatie en einde van de plaatselijke arbeid (1981–1982).

In 1981 trok Wissmann de conclusie dat de situatie onhoudbaar was geworden. In een brief aan het Groot Moderamen van De Gereformeerde Kerken in de stad Groningen gaf hij aan ontheven te willen worden van zijn taak. Hij beschreef hoe hij het werk elf jaar lang vrijwel alleen had gedragen, gemiddeld twee avonden per week, zonder structurele ondersteuning vanuit een commissie of kerkenraad.

De kern van het probleem lag bij de wijkstructuur. In meerdere wijken ontbraken inmiddels al lange tijd wijkhoofden, waardoor niet alleen de werving, maar zelfs de inning van bestaande bijdragen vastliep. De administratieve last werd steeds zwaarder, terwijl het draagvlak steeds smaller werd.

Een deel van het vroegere landelijk dienstencentrum van de Gereformeerde Kerken in Nederland aan de Burgemeester De Beaufortweg 18 te Leusden.

In overleg met het Bureau Kerk en Israël in Leusden werd besloten het ledenbestand en de financiële afhandeling over te dragen aan het landelijke bureau. Deze stap paste in een bredere ontwikkeling: ook elders in het land werden plaatselijke structuren afgebouwd en vervangen door centrale incasso en administratie. De machtiging voor verzending tegen het periodiekentarief werd ingetrokken, girorekeningen opgeheven en resterende gelden overgemaakt.

Met de overdracht in 1982 kwam een einde aan de zelfstandige Groningse organisatie voor de Evangelieverkondiging onder Israël. Wat resteerde was een financieel-administratieve relatie tussen individuele donateurs en het landelijke bureau. Het lokale karakter van het werk verdween daarmee vrijwel volledig.

Opmerkelijk is dat deze afsluiting geruisloos verliep. Er zijn geen aanwijzingen voor uitgebreide evaluaties of publieke verantwoording. De beëindiging lijkt te zijn aanvaard als een logisch gevolg van ontwikkelingen die al jaren gaande waren.

8. Slotbeschouwing: betrokkenheid, grenzen en nalatenschap.

De geschiedenis van het generale ‘Deputaatschap Kerk en Israël’ werd uitvoerig in dit interessante boek beschreven.

De geschiedenis van de gereformeerde ‘Arbeid onder Israël’ in Groningen laat zich lezen als een verhaal van grote betrokkenheid, maar ook van structurele kwetsbaarheid. Gedurende bijna vier decennia werd het werk gedragen door een relatief kleine groep zeer toegewijde mensen, die hun inzet vaak als roeping verstonden.

Kenmerkend is de spanning tussen idealen en realiteit. Het ideaal van persoonlijke ontmoeting en trouw huisbezoek botste steeds opnieuw met afwijzing, vermoeidheid en organisatorische beperkingen. Waar de cijfers aanvankelijk groei lieten zien, bleek deze groei moeilijk duurzaam te maken zonder voortdurende instroom van nieuwe medewerkers.

Ook de veranderende theologische en maatschappelijke context speelde een rol. De verhouding tussen Kerk en Israël werd na de oorlog steeds complexer. Missionaire taal maakte geleidelijk plaats voor begrippen als ontmoeting, respect en dialoog. Deze verschuiving werkte door in de praktijk, maar werd niet altijd expliciet doordacht op plaatselijk niveau.

Kortom: de relatie Kerk en Israël is tussen 1926 en 2026 totaal veranderd. Veel kerkleden ervaren tegenwoordig de scherpe toon van destijds (zoals bijvoorbeeld: “Joden kunnen alleen werkelijk deel uitmaken van de Nederlandse natie als ze zich bekeren tot Christus”) als pijnlijk, evenals de doop van onderduikers na de bevrijding. Gevolg is dat de gereformeerde Jodenzending tussen 1896 en 1964 vaak onbenoemd blijft in de kerkelijke geschiedschrijving, hoewel toch duidelijk vermeld in de archiefbronnen.

Tenslotte toont deze geschiedenis de grenzen van vrijwillige kerkelijke arbeid. Zolang er sterke persoonlijkheden waren die het werk droegen, bleef het (deels) functioneren. Zodra deze wegvielen, bleek de institutionele bedding onvoldoende om het werk zelfstandig voort te zetten.

Het generale ‘Deputaatschap Kerk en Israël’ publiceerde voor de kerkleden in 1990 deze brochure met een korte geschiedenis van het kerkelijk denken over Israël. Dit in verband met een in 1990 ingevoerde wijziging in de gereformeerde kerkorde ten opzichte van de verhouding van de Gereformeerde Kerken ten aanzien van Israël.

Toch is het nalatenschap niet gering. Generaties gemeenteleden werden via het werk betrokken bij de vragen rond Kerk en Israël. Er werd financieel substantieel bijgedragen aan landelijke en internationale initiatieven, en het bewustzijn van de bijzondere plaats van Israël in het kerkelijk denken werd blijvend gevoed.

Althans in die zin vormt deze geschiedenis geen mislukking, maar een afgeronde episode: een tijdgebonden vorm van kerkelijke betrokkenheid, ontstaan uit naoorlogs besef en geëindigd in een nieuwe werkelijkheid waarin andere vormen van relatie en verantwoordelijkheid zijn gezocht.

Bronnen onder meer:

Acta van de Synodale Vergaderingen Nederduitsche Gereformeerde Kerken 1887-1892. Kampen, 1985

Archief van De Gereformeerde Kerk te Groningen-Zuid, inventaris nummer 1110 tot en met 1126. Groningen, Groninger Archieven.

Nadia Arsinie, De Jodendominee. Jacob van Nes en de Gereformeerde Jodenzending. g.p., 2007

Gemeenten en Predikanten van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Leusden, 1992

Groningsch Kerkblad [het van oorsprong door Kerk A gepubliceerde weekblad bestemd voor de gereformeerden in de stad Groningen]. Groningen, div. jrg.

Handelingen en Verslagen van de Algemene Synoden van de Christelijke Afgescheidene Gereformeerde kerk (1836-1869). Houten/Utrecht, 1984

Jaarboek ten dienste van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Goes, div. jrg.

Jaarboekje / Gids (ten dienst van het Gereformeerd Kerkelijk leven) van de Gereformeerde Kerk te Groningen (-Zuid). Groningen, div. jrg.

G.J. van Klinken, Opvattingen in de Gereformeerde Kerken in Nederland over het Jodendom, 1896-1990. Kampen, 1996

F. Rozemond, Deputaatschap Kerk en Israël, Inventaris 94 Rijksarchief Utrecht. Utrecht, 1996

C. Stam, e.a. (red.), Belijnd Verleden. Honderd jaar Gereformeerde Kerk [te Groningen] nader bekeken [aan de hand van de berichtgeving in de van oorsprong Dolerende Groninger Kerkbode, bestemd voor de gereformeerden in de provincie Groningen]. Groningen, 1988

H.L. van Stegeren-Keizer, Een Kerk op zoek naar Israël. Geschiedenis van het Deputaatschap voor Kerk en Israël van De Gereformeerde Kerken in Nederland, 1875-1985. Kampen, 1993

J. van Vliet en G. van Klinken, Neocalvinisme en gereformeerde Jodenzending, in: Documentatieblad voor de Nederlandse Kerkgeschiedenis na 1800, jrg. 2022. Utrecht, 2022

© 2026. GereformeerdeKerken.info

Translation into English:

Church and Israel in the City of Groningen (3)

4. Home Visitation, Support Base and Fatigue (1955–1965).

( < Back to Part 2 ) – In the course of the 1950s it became increasingly clear that home visitation, although regarded as the heart of the work, at the same time formed its most vulnerable link.

The reports from this period show a recurring pattern: a small group of loyal female workers carried the work, while it became increasingly difficult to find and retain new helpers.

It is striking that the home visits were initially carried out mainly by women. In internal speeches this was sometimes mentioned with mild irony: at first it had been assumed that only men were suited for this work, but it had to be acknowledged that it was precisely the women who showed perseverance and loyalty. They visited addresses of Jewish people where rejection or indifference was the rule and maintained contact with the same families for years. This loyalty was praised, but it also came with a heavy burden.

The visitation reports from these years give a vivid picture. They speak of “willing listening,” but more often of “bitter aversion.” Some visits were labeled “entirely unnecessary,” because the addresses visited clearly indicated that they did not appreciate contact. Nevertheless, the principle was maintained that one should continue visiting as long as no explicit prohibition had been expressed.

Alongside visits to Jewish addresses, home visitation among members of the ‘Gereformeerde’ Churches remained an important pillar. Here the aim was not evangelization in the strict sense, but information and fundraising. The ideal was repeatedly expressed as: a Jewish mission magazine in every ‘gereformeerde’ family. In practice, however, this ideal proved difficult to realize. Relocations, church divisions, and district reorganizations undermined continuity. Administrations became fragmented, district structures had to be reorganized, and existing networks fell apart. The reports reveal frustration about the loss of central figures and the lack of successors. Whereas previously one person in a church district had maintained oversight, since the church split of 1957 a new structure had to be built for each church and each district.

Financially, the work remained remarkably stable during this period. Each year a considerable amount was transferred to “Baarn,” and the proceeds of the collections on Christmas Day were carefully recorded and compared between districts. These figures functioned not only as accountability but also as a thermometer of involvement. When a district remained “below standard,” this was explicitly mentioned and regarded as a problem.

Nevertheless, fatigue increased. Minutes repeatedly mention female workers who “laid down the axe” because they found the work too heavy. The response was usually practical: replacement was sought, tasks were reshuffled, or attempts were made to recruit new people. Deeper reflection on whether the chosen method of working was still sustainable largely failed to materialize.

From Practice (1955–1965).

A few examples of the reactions of Jewish people to the arrival of the ‘gereformeerde’ visitors:

  • “N.N. has no interest, did not allow the visitors upstairs because he had company.”

  • “The elderly lady was very friendly, but would not let us in and did not want to talk about religion.”

  • “She read [the mission magazine] Light and Life [the continuation of The Messiah Messenger], but still wanted to remain Jewish.”

  • “She does not want visits. Very hostile.”

  • “I have no time to read the magazines.”

  • “Mr. X. was visited for the last time [recently]; he had no interest in ‘gereformeerde’ soul-winning. In 1960 he died.”

  • “He is a freethinker. We may come back again sometime.”

  • “He wants nothing to do with Christianity. Definitely does not want to read Light and Life.”

  • “He absolutely no longer wants to receive Light and Life. Completely hostile. Is a member of the Jewish church council.”

  • “Does not wish to receive Light and Life anymore. ‘It is an inferior magazine.’”

The distribution of Light and Life and of the Mission Magazine of the ‘Gereformeerde’ Churches (with a section on the Jewish mission) did not run smoothly. One of the distributors often encountered resistance. Moreover, the upcoming Church Split of 1957 caused problems: considerable changes would have to be made in the organization of the visitation and distribution work, because for each of the four independent Churches a central administration with district heads and similar structures had to be established. In addition, no effort had been made in the previous year (1956) to recruit subscribers, due to the lack of distributors. In 1957—the first year of the Church Split—no committee meetings were held.

Because Rev. Vroon left in 1957 for the church of Rotterdam, his successor, Rev. W. Reeskamp (1910–1984), was asked to act as chairman. He agreed and assumed the position at the beginning of 1959. Meanwhile it had become clear that more and more women were volunteering as visitors. “It appeared that male pride had to be replaced by a feeling of having been overcome by the weaker sex.” Initially the committee board had allowed them, as a trial, to visit Jewish widows. (…) The women faithfully worked through their lists. “Above most of the gentlemen they showed faithfulness in their work.”

On 1 November 1958 secretary Blömer wrote a letter to the church council of the South Church “about the alarming course of events concerning the work of the Jewish Mission Committee in your Church.” District heads and distributors “who had registered, but withdrew again even before beginning their work” were the reason that much work remained undone. Blömer threatened: “If the vacancies are not filled within a short time, the committee will be compelled, much to its regret, to carry out the work of the Jewish mission only for the other three churches.” Other church councils also had to be urged to find workers.

Financial matters increasingly came up for discussion. From 1959 onward careful records were kept of the situation in the four churches regarding financial proceeds and, in connection with this, the number of contributors who took out a paid subscription to (for example) Light and Life, so that a free subscription could be given to Jewish people. The proceeds of collections were compared by district, and in January 1962 it had to be concluded, for example, “that East has completely fallen behind.” Home visits were again regularly discussed, while informational meetings had begun to be organized with youth groups and women’s associations.

At the end of this period it had to be stated—as already noted—that “home visitation among Jewish people did not take place in 1963 and 1964.” No committee meetings were held in those years either. Contacts with the district heads in the four Churches were maintained individually by Blömer.

__________________________

5. Growth, Professionalization and Tensions (1965–1969).

In the second half of the 1960s the  ‘gereformeerde’ “Work among Israel” in Groningen reached a numerical peak. The number of contributors rose to more than two thousand, and the annual transfers to the national office in Baarn increased accordingly. This growth was noted with gratitude and regarded as confirmation that the work had proven its value.

At the same time the character of the work changed. Whereas in the early years personal commitment and improvisation had predominated, more attention was now given to professionalization and propaganda. Slide evenings, audio recordings and visual presentations were used to generate interest among associations, youth groups and women’s organizations. The Jewish religious objects that had previously been acquired—such as a mezuzah, phylacteries, and a haggadah—fit into this development. They served as tangible illustrations during lectures on Jewish customs.

This form of education proved effective. Reports mention that such evenings attracted considerable interest and produced new district heads and workers. At the same time the distance between information work within the church and actual contact with Jewish people increased. Home visitation to Jewish addresses took place less and less during these years. Some annual reports explicitly state that it had come to a complete standstill.

The emphasis thus shifted almost imperceptibly from encounter to organization. The work increasingly came to depend on administrative processes: collecting contributions, sending out magazines, and transferring funds. The committee functioned efficiently, but it also became dependent on a few key figures, especially Blömer, who combined the roles of secretary, treasurer and organizer in one person.

The annual reports from this period show that the financial foundation was still solid, but that involvement was gradually declining. The recruitment of new contributors almost came to a standstill, and the work relied mainly on existing donors. The same development was observed nationwide: the number of subscribers to the mission magazines declined, while total income still rose slightly because of higher contributions.

The years up to 1969 therefore form a turning point. On the one hand there was institutional maturity and financial stability; on the other hand clear limits became visible. The work had become dependent on a few individuals, home visitation was fading away, and the original missionary urgency gave way to management and maintenance.

6. Transfer, One-Man Leadership and Decline (1969–1980).

The year 1969 marks a clear turning point in the history of the ‘gereformeerde’ “Work among Israel” in Groningen. After twenty-five years of intensive involvement, Mr. Blömer had to lay down his duties because of health problems and a planned move. In a letter to the Groot Moderamen, the (still three) churches were urgently asked to approach someone who could take over the work as of 1 January 1970.

This transition proceeded formally correctly but was difficult in substance. In the person of I. Wissmann, in the Vinkhuizen district, a successor was found who was willing to take on the work. Unlike his predecessor, however, he could not rely on a functioning committee. Attempts to rebuild a broader structure failed, with the result that Wissmann effectively continued the work as a one-man administration.

His activities were extensive and time-consuming. Each year he arranged the collection of donations, partly through giro and bank transfers, partly through receipts. In addition, five times a year he organized the distribution of the magazine Evangelie en Israël. For the practical implementation he depended on district heads, but it was precisely there that problems began to accumulate. In an increasing number of districts it proved impossible to find people who were willing or able to carry out this task.

The recruitment of donors, which in earlier years had still been considered essential, came almost completely to a standstill. The number of donors stabilized or slowly declined. Although income remained at the same level thanks to loyal contributors and occasional gifts, the dynamism that had characterized the work in earlier decades disappeared.

In his correspondence with the office in Baarn, Wissmann spoke openly about his concerns. He observed the same development that was being noticed nationally: declining numbers of subscribers, higher costs, and a growing emphasis on quality rather than quantity. The tone of the work also changed in substance. Whereas previously there had been talk of expansion and recruitment, the focus now shifted to preservation and concentration.

This phase is characterized by impoverishment. The work continued to function, but it lost its place within the broader life of the church. Home visits—especially to Jewish addresses, once the core of the work—had not been carried out for years. Information and meetings were limited to occasional activities, while administration formed the main focus.

From practice (1969–1980).

As of 1 January, Mr. I. Wissmann therefore took over Blömer’s work. Meetings with a committee or anything similar no longer took place. Wissmann was almost entirely on his own. The merger of the ‘Gereformeerde’ Churches of Groningen-North and East into Groningen North/East had once again created an administrative hurdle. There were also difficulties at the national Bureau for Evangelie en Israël. Mr. Holvast, who had devoted himself to this work for many years, since 1947, had become “physically and mentally exhausted.” At that time there was no replacement because of the austerity measures introduced by the general synod.

That the work, both nationally and locally, was stagnating was evident from the letter of 8 March 1972 from the Bureau Evangelie en Israël (Mr. Holvast had resumed his work there). After informing Groningen that the Bureau had reduced the number of mission magazines sent there for distribution among Jewish people by 200 copies, bringing the total to 1,700, and that the number of contributions from church members in Groningen had declined, Holvast concluded:
“We will simply have to look for it in quality and not merely think in terms of large numbers of subscribers.”
Meanwhile Mr. Wissmann continued to toil on alone.

________________________

7. Centralization and the End of Local Work (1981–1982).

In 1981 Wissmann concluded that the situation had become untenable. In a letter to the Groot Moderamen of the ‘Gereformeerde’ Churches in the city of Groningen he indicated that he wished to be relieved of his task. He described how he had carried the work almost single-handedly for eleven years, on average two evenings per week, without structural support from a committee or church council.

The core of the problem lay in the district structure. In several districts there had long been no district heads, with the result that not only recruitment but even the collection of existing contributions had stalled. The administrative burden became increasingly heavy while the support base became steadily narrower.

In consultation with the Bureau Kerk en Israël in Leusden it was decided to transfer the membership list and the financial administration to the national office. This step fit into a broader development: elsewhere in the country local structures were also being dismantled and replaced by centralized collection and administration. The authorization for mailing at the periodical rate was withdrawn, giro accounts were closed, and the remaining funds were transferred.

With this transfer in 1982, the independent Groningen organization for the proclamation of the Gospel among Israel came to an end. What remained was a financial-administrative relationship between individual donors and the national office. The local character of the work thus almost completely disappeared.

Remarkably, this conclusion took place quietly. There are no indications of extensive evaluations or public accountability. The termination seems to have been accepted as a logical consequence of developments that had already been underway for years.

8. Concluding Reflection: Commitment, Limits and Legacy.

The history of the ‘gereformeerde’ “Work among Israel” in Groningen can be read as a story of great commitment, but also of structural vulnerability. For nearly four decades the work was carried by a relatively small group of highly dedicated people who often understood their efforts as a calling.

Characteristic is the tension between ideals and reality. The ideal of personal encounter and faithful home visitation repeatedly clashed with rejection, fatigue, and organizational limitations. While the figures initially showed growth, this growth proved difficult to sustain without a continuous influx of new workers.

The changing theological and social context also played a role. The relationship between Church and Israel became increasingly complex after the war. Missionary language gradually gave way to concepts such as encounter, respect, and dialogue. This shift affected practice, but it was not always explicitly reflected upon at the local level.

As already noted earlier, the relationship between Church and Israel changed completely between 1926 and 2026. Many church members today experience the sharp tone of that time (for example: “Jews can only truly become part of the Dutch nation if they convert to Christ”) as painful, as well as the baptism of people who had been in hiding after the liberation. As a result, the ‘Gereformeerde’ mission to the Jews between 1896 and 1964 often remains unmentioned in church historiography, even though it is clearly documented in the archival sources.

Finally, this history demonstrates the limits of voluntary church work. As long as there were strong personalities who carried the work, it continued to function. Once they disappeared, the institutional framework proved insufficient to sustain the work independently.

Yet the legacy is not insignificant. Generations of church members became involved through this work in questions concerning Church and Israel. Substantial financial contributions were made to national and international initiatives, and awareness of the special place of Israel in church thinking was continually fostered.

At least in that sense, this history does not represent a failure but a completed episode: a time-bound form of church engagement, arising from postwar awareness and ending in a new reality in which other forms of relationship and responsibility were sought.