Kerk en Israël in de stad Groningen (2)

‘Evangelie en Israël’ na de Tweede Wereldoorlog in de stad Groningen.

1. De kerkelijke situatie in de stad Groningen (1945 tot 1982).

( < Naar deel 1 – Back to Part 1  ) – De Gereformeerde Kerk te Groningen groeide –  na de aanvankelijke halvering door de Vrijmaking van 1944 –  weer zodanig, dat besloten werd de kerk in 1957 te splitsen in vier zelfstandige kerken: Groningen-Zuid (de moederkerk), Groningen-Noord, Groningen-Oost en Groningen-West.

Deel 3 van het ‘Rapport Kerksplitsing’ van de Gereformeerde Kerk te Groningen (1957).

 De kerkenraadsmoderamina van deze vier kerken kwamen regelmatig als het ‘Groot Moderamen’ bijeen om over gezamenlijke zaken te spreken. Opmerkelijk is dat in het ‘Splitsingsrapport’ en in het rapport ‘Splitsingsbesluiten’ met geen woord gerept wordt over samenwerking van de vier kerken ter zake van de Zending onder Joden.

Hoe dan ook, twaalf jaar later stagneerde de groei van een aantal van de vier kerken. Vandaar dat in 1969 de kerken van Noord en Oost werden samengevoegd tot De Gereformeerde Kerk te Groningen Noord/Oost. De verdere kerkelijke samenvoegingen doen er in het verband van dit verhaal niet toe.

2. De naoorlogse context en het ontstaan van de Arbeid onder Israël (ca. 1945–1948).

De Tweede Wereldoorlog had een blijvende breuk geslagen in de verhouding tussen kerk en jodendom. Binnen de Gereformeerde Kerken werd na 1945 in toenemende mate beseft dat de klassieke zendingstaal en -praktijk niet ongewijzigd konden worden voortgezet. De Shoah maakte iedere vorm van kerkelijke arbeid onder het joodse volk moreel beladen en theologisch problematisch. Tegelijk werd juist in deze jaren een sterk besef gevoeld dat de kerk zich niet aan haar roeping mocht onttrekken.

Nadat het Generale ‘Deputaatschap voor de Zending onder de Joden’ enige tijd gevestigd was in een gebouw aan de Pauwenlaan 16 in Den Haag, verhuisde het naar het gereformeerde Zendingscentrum te Baarn.

In deze spanningsvolle context kreeg de gereformeerde ‘Arbeid onder Israël’ een nieuwe impuls. Landelijk werd het werk gecoördineerd vanuit Baarn, waar het Deputaatschap voor de Evangelieverkondiging onder Israël functioneerde. Dit bureau verzorgde voorlichting, publicaties en de uitzending van predikanten en werkers. Plaatselijke kerken werden aangemoedigd om het werk financieel te steunen en lokaal draagvlak te creëren door middel van donateurswerving en verspreiding van het blad Evangelie en Israël.

Ook in Groningen kreeg deze oproep gehoor. De stad kende voor de oorlog een aanzienlijke Joodse gemeenschap, waarvan na 1945 slechts een klein deel was overgebleven. Deze leegte was tastbaar aanwezig en vormde een morele achtergrond waartegen de gereformeerde arbeid gestalte kreeg. Het werk begon bescheiden, zonder vaste structuren of kerkelijke commissies, en was in hoge mate afhankelijk van individuele inzet. Om orde in de werkzaamheden te brengen werd per 1 september 1945 de ‘Commissie voor de Zending onder de Joden van de Gereformeerde Kerk te Groningen’ opgericht.

Kenmerkend voor deze beginfase was het sterke accent op persoonlijke betrokkenheid. Niet programma’s of beleidsnota’s, maar mensen droegen het werk. De overtuiging leefde dat trouw en volharding belangrijker waren dan zichtbare resultaten. Deze mentaliteit zou decennialang het karakter van het Groningse werk bepalen.

  • Notities uit de praktijk (ca. 1945 tot 1948).

Ouderling (later dominee) C. Morgenstern (1911-1979).

Op 8 september 1945 kwam het bestuur van de ‘Commissie voor de Zending onder de Joden van de Gereformeerde Kerk te Groningen’ voor het eerst bijeen aan huis bij en onder voorzitterschap van ouderling (later dominee) C. Morgenstern (1911-1979), die veel belangstelling had voor de evangelisatie onder Joden. Aan de hand van enkele brieven van ds. Van Nes legde hij uit hoe hij had gedacht dat de commissie zou gaan werken. Grote moeilijkheid was het in bezit krijgen van adressen van teruggekeerde Joden. Secretaris Blömer zou proberen deze van de (zeer omstreden) Joodsche Raad te verkrijgen. Natuurlijk moesten ook medewerkers worden gezocht voor de huisbezoeken bij de Joodse mensen en voor de verspreiding van onder meer de Messiasbode, die – in de oorlog verboden – in 1945 weer van de persen rolde.

Een aantal bijeenkomsten van de Groninger ‘Commissie voor de Zending onder Joden’ vond plaats in de Zuiderkerk, totdat dit in 1954 niet meer kon, omdat de kerk intussen aan de ‘vrijgemaakten’ was toegevallen. (foto: Wikipedia).

Regelmatig werden bestuursvergaderingen met de medewerkers gehouden. De eerste vond plaats op 10 november 1945.  Afgesproken  werd dat de inmiddels toegetreden medewerkers twee aan twee de bezoeken zouden brengen. Ds. Van Nes had beloofd in maart 1946 naar Groningen te komen om een cursus voor de medewerkers te geven. In dat verband werd in april 1946 ‘oprechte blijdschap’ uitgesproken dat ook enkele dames als medewerker bezoeken brachten. Een tegenvaller vond men het betrekkelijk geringe aantal abonnementen op de Messiasbode. Een circulaire in het kerkblad had bijna 200 nieuwe abonnees opgeleverd, maar vóór de oorlog waren het er 800, wist men. Vijfhonderd abonnees moest toch mogelijk zijn, dacht men.

Ds. Jac. van Nes (1886-1949), ‘Zendeling onder de Joden’.

Op 8 en 9 mei 1946 was ds. Van Nes in Groningen. “Ds. Van Nes vertelde ons [in de Zuiderkerk] hoe de handelwijze der Joden is wanneer familieleden van hen de Christus als Messias aannemen. Zulk een familielid is voor hen als een gestorvene”. Ook vertelde de predikant van alles over de geschiedenis van het Joodse volk en over hun religie.

In september 1946 werd duidelijk dat het aantal medewerkers om de huisbezoeken af te leggen en de lectuur te verspreiden erg gering was. Dat probleem wilde men voorleggen aan de wijkraden van de kerk. Een van de oorzaken van het kleine aantal verspreiders was natuurlijk de Vrijmaking, die in Groningen in 1944 had plaatsgehad, waardoor het ledental van de Gereformeerde Kerk bijna was gehalveerd. De secretaris kreeg opdracht alle wijkraden in te lichten “over het verschijnsel onwetendheid of zelfs lauwheid ten opzichte van de Jodenzending onder de gemeenteleden”. Het aantal abonnees op de Messiasbode was echter een flinke meevaller: in 1947 telde men in totaal ongeveer 900 gemeenteleden die zich daarvoor hadden aangemeld. Daardoor konden veel gratis nummers van het blad (onder meer) bij Joodse mensen worden bezorgd.

Op 21 mei 1948 was ds. Van Nes weer in de stad. Samen met de commissieleden en de nog steeds weinige medewerkers besprak men een aantal bezoekrapporten. Getracht zou worden in januari 1949 een vergadering te beleggen waar ds. Van Nes een onderwerp zou inleiden waarbij ook Joodse mensen zouden worden uitgenodigd.

_____________________

3. De opbouwfase: organisatie, mensen en middelen (1949 tot 1955).

De Synagoge in de Groninger Folkingestraat (foto: P.B. Kramer, Groninger Archieven).

Vanaf het einde van de jaren veertig begon de gereformeerde ‘Arbeid onder Israël’ in Groningen meer vaste vormen aan te nemen. In deze periode trad de heer Blömer naar voren als centrale figuur. Hij zou gedurende een kwart eeuw het gezicht van het werk in de stad blijven. Blömer begon, zoals later werd teruggeblikt, ‘met niets’, maar wist in de loop der jaren een breed netwerk van vrijwilligers en donateurs op te bouwen.

De kern van de organisatie werd gevormd door huisbezoek bij gemeenteleden. Dit gold als het aangewezen middel om belangstelling te wekken, donateurs te werven en het kerkvolk te informeren over het werk onder Israël. De stad werd daartoe ingedeeld in wijken, elk met een eigen wijkhoofd. Deze wijkhoofden coördineerden het huisbezoek, deelden kwitanties uit en fungeerden als aanspreekpunt voor collectanten en donateurs.

Het huisbezoek bij Joodse mensen rustte in de praktijk grotendeels op de schouders van vrouwen. Zij gingen, vaak jarenlang, trouw langs dezelfde adressen van Joodse stadgenoten. Uit notulen en verslagen blijkt dat hun inzet werd geprezen, maar tegelijk als vanzelfsprekend werd beschouwd. Hun arbeid was intensief en emotioneel belastend: afwijzing, onverschilligheid en soms openlijke vijandigheid kwamen regelmatig voor. Toch bleef men benadrukken dat volharding noodzakelijk was en dat teleurstellingen bij het werk hoorden.

De kop van de ‘Messiasbode’. Het blad werd in 1949 na het overlijden van ds. Van Nes opgeheven.

Parallel aan de huisbezoeken ontwikkelde zich een eenvoudige financiële structuur. Donateurs betaalden een jaarlijkse bijdrage, meestal gekoppeld aan een abonnement op ‘Licht en Leven’ of het ‘Zendingsblad van de Gereformeerde Kerken in Nederland’, met een bijgesloten katern over de Jodenzending. De opbrengsten werden grotendeels afgedragen aan het landelijke bureau in Baarn, terwijl een klein deel werd gebruikt voor lokale kosten, zoals verzending en administratie. Jaarverslagen laten zien dat de inkomsten in deze jaren gestaag toenamen, wat werd gezien als een bevestiging van Gods zegen over het werk.

De taal die in deze fase werd gebruikt, weerspiegelt een sterk missionair zelfbewustzijn. Er werd gesproken over roeping, plicht en trouw, maar ook over “tegenstand” en “verharding”. Tegelijk klinkt in sommige notities al een zekere verlegenheid door: men voelde aan dat de verhouding tot het Joodse volk niet eenvoudig was en dat het werk meer vroeg dan ijver alleen.

Ook organisatorisch was het werk kwetsbaar. Het steunde op een kleine kern van zeer betrokken mensen en kende nauwelijks formele verankering binnen de kerkelijke structuren. Toch werd deze kwetsbaarheid aanvankelijk niet als probleem ervaren. Integendeel, men zag juist in de kleinschaligheid en persoonlijke inzet de kracht van het werk.

  • Notities uit de praktijk (1949 tot 1955).

Ds. E.I.F. Nawijn (1901-1972). Foto: met dank aan de heer G. Kuiper te Appingedam.

Tijdens de vergadering van oktober 1949 deelde voorzitter Morgenstern mee dat ‘onze jodenzendeling’, ds. Van Nes, was overleden. Morgenstern was in die tijd zelf in Den Haag en had de begrafenis kunnen bijwonen. Ds. E.I.F. Nawijn (1901-1972) van ‘s-Gravenhage-Oost was ds. Van Nes opgevolgd.

Ondertussen was de Groninger ouderling Morgenstern theologie gaan studeren om in 1953 predikant te Wetsinge-Sauwerd te worden. Ds. Th. Delleman (1898-1977) van Groningen werd nu waarnemend voorzitter van de Commissie voor de Zending onder Joden.

Ds. Th. Delleman (1898-1977).

Ds. Delleman had de Amsterdamse predikant voor Zending onder Joden uitgenodigd om in Groningen een lezing te houden over ‘de terugkeer der Joden naar Palestina en de wederkomst van Christus’. Deze ds. B.D. Smeenk (1908-2002) sprak op 16 januari 1951 een rede uit in het CJMV-gebouw, dat tot de laatste plaats bezet was. Er moesten stoelen worden bij gezet. Ook de dag daarna hield ds. Smeenk een toespraak, ditmaal in het gereformeerde evangelisatiecentrum in het Stalstraatje. Ook nu werden weer bezoekrapporten besproken, Verder vond ‘een zeer geanimeerde bespreking’ plaats over ‘het leed dat het Joodsche volk heeft ondervonden’. Ds. Smeenk raadde aan het Evangelie van Lucas in tijdschriftformaat aan te schaffen ter verspreiding op de bezoekadressen.

Ds. B.D. Smeenk (1908-2002).

In januari 1952 was de Amsterdamse predikant voor de Jodenzending aanwezig in de persoon van ds. C. Kapteyn (1895-1965). Hij sprak met de medewerkers over een bezoek dat hij aan Joodse adressen had gebracht. ‘Een vrouw had hij zeer ernstig kunnen spreken en haar kunnen vertroosten’. Ook twee vrouwelijke bezoeksters vertelden over hun gesprekken met veertien Joodse mensen.

Ds. C. Kapteyn Dzn. (1895-1965).

Een merkwaardige brief kwam in april 1952 uit Fremont, Michigan. Mevrouw Lawrence-Buitendorp vroeg aan ds. Delleman of hij naar de synagoge in de Folkingestraat wilde gaan, omdat ze ‘de bijbel en de gereformeerde geloofsleer’ daarheen gestuurd hadden. De briefschrijfster verrichtte namelijk jodenzendingswerk voor de Christian Reformed Church. Zij en haar man waren bij gelegenheid zelf ook drie maal in de synagoge geweest ‘om te getuigen voor Jezus’ en vroegen nu de predikant ‘om met de rabbi te gaan praten’. Ds. Delleman heeft overigens niet aan dat verzoek voldaan.

In oktober 1953 was ds. Kapteyn uit Amsterdam weer in de stad. Hij had verscheidene Joodse voorwerpen meegenomen: ‘bijbelrollen, een gebedsmantel, gedenkcedels, gebedsriemen en een bazuin’, om aan de hand daarvan iets te vertellen over het Joodse leven.

Ds. F. Vroon (1918-1971).

In oktober 1954 deelde de penningmeester van de commissie het een en ander mee over de stand van de financiën. Hij vertelde ook, dat vóór de ‘Vrijmaking’, de kerkscheuring in 1944, door de Commissie voor Zending onder Joden een kapitaal was gevormd, maar het hele bedrag was door de toenmalige penningmeester geheel overgedragen aan de ‘vrijgemaakte’ kerk. De nieuwe commissievoorzitter, ds. F. Vroon (1918-1971), zou de boekhouder van de Gereformeerde Kerk ‘vragen of er nog iets van te redden was’. Tegelijk werd ook besloten kinderbijbels aan te schaffen voor de huisbezoeken.

___________________________

Naar deel 3 >

© 2026. GereformeerdeKerken.info

Translation into English:

Church and Israel in the City of Groningen (2).

‘Gospel and Israel’ after the Second World War in the city of Groningen.

  1. The ecclesiastical situation in the city of Groningen (1945–1982).

( < Back to Part 1 ) – The ‘Gereformeerde’ Church in Groningen grew again after the Liberation (Vrijmaking) of 1944 to such an extent that in 1957 it was decided to divide the church into four independent congregations: Groningen-South (the mother church), Groningen-North, Groningen-East, and Groningen-West.

The consistorial moderamina of these four churches met regularly as the “Great Moderamen” to discuss joint matters. Remarkably, neither the “Report on the Division” nor the report “Decisions on the Division” mentioned a single word about “cooperation of the four churches regarding mission among the Jews.”

Twelve years later, growth in some of the four congregations stagnated. Therefore, in 1969 the churches of North and East were merged into The ‘Gereformeerde’ Church of Groningen North/East. Further ecclesiastical mergers are not relevant within the scope of this account.

  1. The postwar context and the emergence of the work (c. 1945–1948).

The Second World War had created a lasting rupture in the relationship between church and Judaism. Within the ‘Gereformeerde’ Churches, there was increasing awareness after 1945 that classical missionary language and practice could not simply continue unchanged. The Shoah rendered every form of church work among the Jewish people morally charged and theologically problematic. At the same time, precisely in these years there was a strong sense that the church must not withdraw from its calling.

Within this tense context, ‘gereformeerde’ “Work among Israel” received new impetus. Nationally, the work was coordinated from Baarn, where the Deputation for the Proclamation of the Gospel among Israel operated. This office provided information, publications, and the sending of ministers and workers. Local churches were encouraged to support the work financially and to create local backing through donor recruitment and distribution of the magazine Gospel and Israel.

In Groningen, this call was also heeded. Before the war, the city had a substantial Jewish community, of which only a small portion remained after 1945. This absence was tangibly present and formed a moral backdrop against which the ‘gereformeerde’ work took shape. The work began modestly, without fixed structures or church committees, and depended largely on individual initiative. In order to bring some order into the activities, the “Committee for Mission among the Jews of the ‘Gereformeerde’ Church of Groningen” was established on 1 September 1945.

Characteristic of this initial phase was the strong emphasis on personal involvement. Not programs or policy papers, but people carried the work. There was a living conviction that faithfulness and perseverance were more important than visible results. This mentality would determine the character of the Groningen work for decades.

* Notes from practice (c. 1945–1948).

On 8 September 1945, the board of the “Committee for Mission among the Jews of the ‘Gereformeerde’ Church of Groningen” met for the first time under the chairmanship of elder (later minister) C. Morgenstern (1911–1979), who had great interest in evangelization among Jews. On the basis of several letters from Rev. Van Nes, he explained how he thought the committee should operate.

A major difficulty was obtaining addresses of Jews who had returned after the war. Secretary Blömer would attempt to acquire these from the Jewish Council. Naturally, workers also had to be recruited for home visits to Jewish people and for distributing, among other materials, The Messiah’s Messenger (Messiasbode), which—prohibited during the war—was printed again in 1945.

Board meetings were regularly held together with the workers. The first took place on 10 November 1945. It was agreed that the newly joined workers would make visits in pairs. Rev. Van Nes had promised to come to Groningen in March 1946 to give a course for the workers. In that context, in April 1946 “sincere joy” was expressed that several women were also making visits as workers.

A disappointment was the relatively small number of subscriptions to The Messiah’s Messenger. A circular in the church bulletin had produced almost 200 new subscribers, but before the war there had been 800. Five hundred subscribers should surely be possible, they thought.

On 8 and 9 May 1946, Rev. Van Nes was in Groningen. “Rev. Van Nes told us how the Jews act when members of their family accept Christ as Messiah. Such a family member is for them as one deceased.” The minister also spoke extensively about the history of the Jewish people and their religion.

In September 1946 it became clear that the number of workers available for home visits and literature distribution was very small. The committee intended to present this problem to the district councils of the church. One cause of the limited number of distributors was, of course, the Liberation (Vrijmaking), the church schism of 1944 in Groningen, which had nearly halved church membership.

The secretary was instructed to write to all district councils “about the phenomenon of ignorance or even indifference among congregation members with respect to mission among the Jews.” The number of subscribers to The Messiah’s Messenger, however, proved a considerable encouragement: in 1947 there were about 900 congregation members who had signed up. This made it possible to deliver many free copies of the magazine to Jewish people.

On 21 May 1948, Rev. Van Nes again visited the city. Together with the committee members and the still small number of workers, several visit reports were discussed. It was decided to attempt to organize a meeting in January 1949 at which Rev. Van Nes would introduce a topic, to which Jewish people would also be invited.

  1. The phase of consolidation: organization, people, and resources (1949–1955).

From the late 1940s onward, ‘gereformeerde’ “Work among Israel” in Groningen began to assume more fixed forms. During this period, Mr. Blömer emerged as the central figure. For a quarter of a century, he would remain the face of the work in the city. Blömer began, as later recalled, “with nothing,” but over the years succeeded in building a broad network of volunteers and donors.

The core of the organization consisted of home visits to congregation members. This was considered the appropriate means to generate interest, recruit donors, and inform church members about the work among Israel. For this purpose, the city was divided into districts, each with its own district head. These district heads coordinated home visits, distributed receipts, and served as contact persons for collectors and donors.

Home visits to Jewish people in practice rested largely on the shoulders of women. Often for many years, they faithfully visited the same addresses of Jewish fellow citizens. Minutes and reports show that their dedication was praised, yet at the same time regarded as self-evident. The work was intensive and emotionally demanding: rejection, indifference, and sometimes open hostility were regularly encountered. Nevertheless, it was continually emphasized that perseverance was necessary and that disappointments were part of the work.

Alongside the home visits, a simple financial structure developed. Donors paid an annual contribution, usually linked to a subscription to Light and Life (Licht en Leven) or the Mission Magazine of the ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands, which included a supplement about mission among the Jews. The proceeds were largely transferred to the national office in Baarn, while a small portion was used for local costs such as postage and administration. Annual reports show that income steadily increased during these years, which was seen as confirmation of God’s blessing on the work.

The language used in this phase reflects a strong missionary self-awareness. There was talk of calling, duty, and faithfulness, but also of “opposition” and “hardening.” At the same time, in some notes a certain hesitation can already be heard: it was felt that the relationship with the Jewish people was not simple and that the work required more than zeal alone.

Organizationally, the work remained vulnerable. It depended on a small core of deeply committed individuals and had little formal embedding within church structures. Yet initially this vulnerability was not experienced as a problem. On the contrary, small scale and personal commitment were seen as the very strength of the work.

* Notes from practice (1949–1955).

At the meeting of October 1949, chairman Morgenstern announced that “our missionary to the Jews,” Rev. Van Nes, had died. Morgenstern himself was in The Hague at the time and had attended the funeral. Rev. E.I.F. Nawijn (1901–1972) of The Hague-East succeeded Rev. Van Nes.

Meanwhile, the Groningen elder Morgenstern had begun studying theology and in 1953 became minister in Wetsinge-Sauwerd. Rev. Th. Delleman (1898–1977) of Groningen now became acting chairman of the Committee for Mission among the Jews.

Rev. Delleman invited the Amsterdam minister for Mission among the Jews to give a lecture in Groningen on “the return of the Jews to Palestine and the Second Coming of Christ.” Rev. B.D. Smeenk (1908–2002) delivered an address on 16 January 1951 in the CJMV building, which was filled to the last seat; extra chairs had to be brought in. The following day Rev. Smeenk again gave a lecture, this time in the ‘gereformeerd’ evangelism center in Stalstraatje. Visit reports were discussed once more. In addition, “a very lively discussion” took place about “the suffering the Jewish people have endured.” Rev. Smeenk recommended purchasing the Gospel of Luke in magazine format for distribution at visiting addresses.

In January 1952, the Amsterdam minister for Jewish mission present was Rev. C. Kapteyn (1895–1965). He spoke with the workers about a visit he had made to Jewish addresses. “He had been able to speak very seriously with a woman and comfort her.” Two female visitors also reported on their conversations with fourteen Jewish people.

A remarkable letter arrived in April 1952 from Fremont, Michigan. Mrs. Lawrence-Buitendorp asked Rev. Delleman whether he would go to the synagogue on Folkingestraat, because they had sent “the Bible and the ‘gereformeerde’ confession” there. The letter writer was engaged in Jewish mission work for the Christian Reformed Church. She and her husband had themselves visited the synagogue on three occasions “to testify for Jesus” and now asked the minister “to go and speak with the rabbi.”

In October 1953, Rev. Kapteyn was again in the city. He had brought several Jewish objects: “Torah scrolls, a prayer shawl, memorial slips, phylacteries, and a shofar,” in order to explain aspects of Jewish life on the basis of these items.

In October 1954, the treasurer of the committee reported on the financial situation. He also mentioned that before the “Liberation,” the church schism of 1944, capital had been formed by the Committee for Mission among the Jews, but the entire amount had been transferred by the former treasurer to the “Liberated” church. The new committee chairman, Rev. F. Vroon (1918–1971), would ask the bookkeeper of the ‘Gereformeerde’ Church “whether anything could still be recovered.” At the same time, it was decided to purchase children’s Bibles for home visits.

To Part 3 >

© 2026. GereformeerdeKerken.info