‘Houd dit voor ogen: Ik ben met jullie, alle dagen’

Jubileumdienst in honderdjarige ‘Wilhelminakerk’ te Bussum.

Ter gelegenheid van het feit dat de protestantse, voormalig gereformeerde Wilhelminakerk in Bussum honderd jaar bestaat (de eerste dienst werd precies een eeuw geleden gehouden), werd op zondag 31 mei 2026 het eeuwfeest tijdens een goed bezochte dankdienst herdacht.

Het tijdens de jubileumdienst gepresenteerde gedenkboekje. We komen er morgen op terug.

Voorganger in de dienst was ds. Saskia van Meggelen, de organisten waren Bram Brandemann en Gert-Jan Mostert. Het projectkoor 100 jaar Wilhelminakerk onder leiding van Marga Melerna, en verder Lydia Buitelaar en lector Anne Marie Hille Ris Lambers verleenden medewerking aan de dienst.

Inleidend woord van de predikant.

Honderd jaar Wilhelminakerk! Niemand van de nu aanwezigen in de dienst was erbij toen in 1926 de eerste dienst in deze kerk gehouden werd (vorig jaar nog wél!). We zijn mensen van de tijd. Een eeuw Wilhelminakerk is wel iets om te vieren! De kerk werd destijds gebouwd als een ‘gereformeerde kathedraal’. Tijdens een snelle rondvraag door de predikant bleek dat velen in de kerk van oorsprong gereformeerd waren, net als er velen waren van hervormde herkomst en ook een flink aantal die een rooms-katholieke achtergrond hadden. ‘En nu zitten we hier bij elkaar als een ratjetoe van mensen’. Velen werden hier gedoopt, deden er belijdenis en trouwden er en lieten er hun kinderen dopen. We zijn dankbaar voor deze plek, voor dit huis, waar je mag zijn wie je bent!

Bij het begin van de dienst…

Liederen en lezingen.

Tijdens de dienst werden onder meer de volgende liederen gezongen. In wisselzang begon de dienst met lied 280 (‘De vreugde voert ons naar dit huis, waar ‘t woord aan ons geschiedt’); vervolgens werd psalm 150 gezongen (‘Loof God, loof Hem overal’) en zong Lydia Buitelaar lied 84a (‘Wat hou ik van uw huis, Heer van de hemelse legers’). Ook lied 704 (‘Dank, dank nu allen God’) en lied 971 (‘God wil aan ons telkens weer tonen dat Hij genadig is en trouw’) werden gezongen, en als slotlied klonk lied 150a (‘Geprezen zij God!’).

De lezingen waren achtereenvolgens genomen uit het Oude Testament: psalm 150 (‘Halleluja, loof God in Zijn heilige woning’) en uit het Nieuwe Testament: Matteüs 28 de verzen 16 tot 20 (over ‘de uitzending van de leerlingen’). Het verdere verloop van de dienst kan worden gevolgd in de Orde van Dienst.

De verkondiging.

Tijdens de verkondiging…

De voorganger sprak vervolgens woorden van de volgende strekking:

Als er één lied is dat we op deze zondag kunnen zingen dan is het wel psalm 150. Na 149 psalmen, waarin heel het leven met God is gedeeld, klinkt nu het slotakkoord: Loof Adonai. Psalm 150 is overzichtelijk: ‘waar, waarom en waarmee’. Waar wil God geloofd zijn”? In Zijn heilige woning, in Zijn machtig gewelf, in het aardse en in het hemelse heiligdom. En zo’n plek is hier. Een heilige plek waar het mysterie huist van een Aanwezigheid die meer is dan wij kunnen bevatten. Verborgen en nabij. Dit is de plek om Hem te loven.

Waarom? Nou, om wie Hij is, de grote God van hemel en aarde. Een mens is een stofje in het heelal en toch het voorwerp van Zijn liefde. Zo hoog de hemel is boven de aarde, zo groot is Zijn goedertierenheid over ons, sterfelijke mensen. Daarom: Halleluja, loof God! En ook om wat hij doet worden we opgeroepen om Hem te loven. Zijn krachtige daden, Zijn trouw door de tijden heen, hoe Hij zich een volk schiep en het leidde; hoe Hij mensen riep en roept om beeldragers van Hem te zijn.

Waarmee zullen wij hem loven? Dan komt het instrumentarium van destijds voorbij: de sjofar voorop, de hoorn (als muziekinstrument en als signaal). Op Grote Verzoendag mocht het volk opnieuw met God beginnen. Daarom loven wij God, omdat Hij ons steeds een nieuw begin geeft. Waar de sjofar klinkt leef je in de ruimte van Zijn genade.

Ook horen we van tamroerijn en dans, en daarmee wordt de bijdrage van vrouwen geïntroduceerd. Toen deze kerk werd geopend was het nog een bolwerk waar mannen de dienst uitmaakten. Wat is er veel veranderd in die honderd jaar! De emancipatie van vrouwen en ieder gender, heel dat spectrum van kleuren heeft hier een plek. Een plek waar wij het mysterie van de mens hoog houden.

Het interieur van de Wilhelminakerk.

Uiteindelijk komt de psalm bij iets eenvoudigers en diepers: onze eigen adem. Alles wat adem heeft, love Adonai! Dat is iets wijds, heel de mensheid, heel de schepping; en het is intiem, de adem in ons, die God ons heeft ingeblazen. Als wij God loven, dan geven wij Hem terug wat wij van Hem ontvangen hebben. Soms met woorden, soms met muziek met onze stem, soms ook woordeloos: een zucht van verrukking, een zwijgen in aanbidding. Be still, for the Holy One is here.

Nu is dit een kerk en geen synagoge of tempel. En wij vormen samen deze kerk, het lichaam van Christus, met Hem als het hoofd, die ons Zijn geest gaf en ons inschakelt om ledenmaten te zijn van Zijn lichaam.

Een van onze gemeenteleden vertelde mij wat ons doopvont voor haar betekent. Zij is hier zelf gedoopt, 86 jaar geleden. in de tijd dat ze kinderen kregen woonden ze in Oegstgeest. Toen vroeg ze de kerkenraad haar kinderen hier te mogen dopen. Nu kijkt ze elke zondag naar het doopvont en dat is voor haar het teken van Gods trouw voor haar en haar kinderen. Voor wij Hem konden antwoorden, was Hij ons al voor met Zijn liefde. Luther schreef in vertwijfeling: ‘Ik ben gedoopt!’ Dat is een geweldig houvast en een krachtige herinnering.

Na zijn opstanding stuurde Jezus de discipelen de wereld in, vroeger het ‘Zendingsbevel’ genoemd. Wij spreken nu liever van ‘missionair gemeente zijn’: uitnodigend, vertalend in woorden en manieren van deze tijd willen wij met woorden en daden de liefde van Jezus laten zien. Elke zaterdag is er open kerk, komen er mensen binnen, ze steken een kaarsje aan, schrijven een gebed op. En we hebben ook contact met de kinderen via school. We willen een open kerk zijn, ook voor kinderen.

Maquette van de Wilhelminakerk…

De opdracht van de Levende was leerlingen te maken door te dopen en te leren. In de afgelopen 100 jaren is dat veelvuldig gedaan. De doop werd vaak gevolgd door het doen van belijdenis, het beamen van je eigen doop. Belijdenis doen zagen we vroeger misschien als afsluiting, maar leerling blijf je heel je leven, wat we elke week oefenen in diensten en in bijeenkomsten en momenten van samenzijn. Zo stellig als dat ‘Zendingsbevel’ vroeger klonk, zo kunnen we het niet meer geloven. In Matteüs staat gelukkig: ‘sommigen twijfelden’, maar Jezus kwam hen tegemoet en nam hen toch in dienst. Onze twijfel is geen struikelblok voor God om ons in dienst te nemen. Want geloof is niet alleen vinden maar ook zoeken, niet alleen weten maar ook vertrouwen, hopen ook als het oog niet ziet.

Het sacrament van het Avondmaal helpt ons daarbij. Steeds opnieuw ontvangen we brood en wijn als proviand voor onderweg. Dan reiken we elkaar de hand en geven we elkaar de vredegroet.

Tot slot: de Levende spreekt: ‘Houd dit voor ogen. Ik ben met jullie tot aan de voltooiing van de wereld’. Hoe ziet het er over nog een keer 100 jaar uit? We hebben een eeuw lang hier ons geloof gevierd. Maar bestaan we dan nog? Wie weet! Ik houd het open! Onze gemeente vergrijst wel, maar er komen altijd weer mensen binnen. We hebben nog contact met jonge mensen Er zal heus ooit wel eens iemand zijn die het licht uit doet, maar dan gaat het gewoon ergens anders verder. God gaat met Zijn mensen verder.

100 jaar is 1.200 maanden, iets meer dan 5.217 weken, 36.524 dagen. Zoveel dagen was het! Dat laatste belooft Christus ons al die dagen: ‘Ik ben met jullie alle dagen!’ Denk niet alleen in de grote lijnen, maar denk vooral in dagen! Geen dag zijn wij zonder God. Verborgen aanwezig deelt Hij ons bestaan. De voltooiing van de wereld, daar loopt het op aan.

Vandaag vieren we een eeuw deze kerk. Honderd jaar van mensen die hier over de drempel kwamen en weer naar huis gingen. Kleine tekenen van Gods aanwezigheid. Met allen die ons voorgingen en met hen die na ons komen stemmen wij in met het loflied dat nooit verstomt:  Halleluja, Amen

In afwachting van het feestprogramma na de dienst…

Een feestelijk programma.

Na de dienst volgde een feestelijk programma. Zo werden toespraken gehouden door de burgemeester, de voorzitter van de Algemene Kerkenraad, en door de schrijver van het boekje over de Wilhelminakerk, dat tegelijk gepresenteerd werd. De eerste vier exemplaren werden aan enkele aanwezigen uitgereikt. We komen a.s. dinsdag op dit boekje nader terug.

De Wilhelminakerk wordt geïnterviewd.

Vervolgens werd de 100-jarige Wilhelminakerk in hoogst eigen persoon geïnterviewd. De Wilhelminakerk zelve was ter gelegenheid van het feestgedruis komen opdraven om de tweespraak tot een succes te maken en iets te vertellen over haar geschiedenis.

© 2026. GereformeerdeKerken.info

Een beeldverslag van de jubileumdienst in Bussum >

Translation into English:

Keep This in Mind: “I Am with You Always”.

Jubilee Service in the Centenary Wilhelmina Church in Bussum.

On the occasion of the hundredth anniversary of the Protestant, formerly ‘gereformeerde’ Wilhelmina Church in Bussum (the first service was held exactly one hundred years ago), the centenary was commemorated during a well-attended thanksgiving service on Sunday, May 31, 2026.

The service was led by Rev. Saskia van Meggelen. The organists were Bram Brandemann and Gert-Jan Mostert. The project choir “100 Years of the Wilhelmina Church,” conducted by Marga Melerna, as well as Lydia Buitelaar and lector Anne Marie Hille Ris Lambers, also participated in the service.

Introductory Remarks by the Minister.

One hundred years of the Wilhelmina Church! None of those present at the service had attended the first service in 1926 (although someone had been present at last year’s celebration!). We are people bound by time. A century of the Wilhelmina Church is certainly something worth celebrating. It was originally built as a “’gereformeerde’ cathedral.”

When those present were asked about their backgrounds, it became clear that many in the congregation came from a ‘gereformeerde’ tradition, many from the ‘Hervormde’ tradition, and many from a Roman Catholic background. “And now we are all sitting here together as a mixed assortment of people.”

Many were baptized here, made their profession of faith here, were married here, and later had their own children baptized here. We are grateful for this place, for this house, where you are allowed to be who you are.

Hymns and Scripture Readings.

During the service, among others, the following hymns were sung. The service began responsively with Hymn 280 (“Joy leads us to this house, where the Word comes to us”); this was followed by Psalm 150 (“Praise God, praise Him everywhere”), and Lydia Buitelaar sang Hymn 84a (“How I love Your house, Lord of the heavenly hosts”).

Hymn 704 (“Now thank we all our God”) and Hymn 971 (“God wishes again and again to show us that He is gracious and faithful”) were also sung, and the closing hymn was Hymn 150a (“Praised be God!”).

The Scripture readings were taken successively from the Old Testament: Psalm 150 (“Hallelujah, praise God in His holy sanctuary”), and from the New Testament: Matthew 28:16–20 (concerning “the commissioning of the disciples”).

The remainder of the service can be followed in the Order of Service.

The Sermon.

The minister spoke along the following lines:

If there is one song we can sing on this Sunday, it is Psalm 150. After 149 psalms in which the whole of life has been shared with God, the final chord now sounds: “Praise Adonai.” Psalm 150 is straightforward: where, why, and with what.

Where is God to be praised? In His holy dwelling, in His mighty firmament, in the earthly and heavenly sanctuary. And such a place is here. A holy place where the mystery dwells of a presence greater than we can comprehend. Hidden and near. This is the place to praise Him.

Why? Because of who He is, the great God of heaven and earth. A human being is but a speck in the universe, yet still the object of His love. As high as the heavens are above the earth, so great is His loving-kindness toward us mortal people. Therefore: Hallelujah, praise God.

And we are also called to praise Him because of what He does. His mighty deeds, His faithfulness throughout the ages, how He created a people for Himself and led them; how He called—and still calls—people to be bearers of His image.

With what shall we praise Him? Then the instruments of ancient times pass before us: first the shofar, the horn, both a musical instrument and a signal. On the Day of Atonement the people were allowed to begin anew with God. Therefore we praise God, because He continually grants us a new beginning. Where the shofar sounds, one lives in the space of His grace.

We also hear of tambourines and dancing, and with that the contribution of women is introduced. When this church was opened, it was still a stronghold where men dominated church life. How much has changed. The emancipation of women and of every gender has given that spectrum of colors a place here—a place where we uphold the mystery of human beings.

Ultimately the psalm arrives at something simpler and deeper: our own breath. “Let everything that has breath praise Adonai!” That is something vast—humanity and all creation—and yet intimate. The breath within us, breathed into us by God. When we praise God, we return to Him what we have received from Him. Sometimes with words, sometimes with music and our voices, sometimes also without words: a sigh of wonder, a silence in adoration. Be still, for the Holy One is here.

Now this is a church and not a synagogue or temple. Together we form this church, the body of Christ, with Him as the head. He has given us His Spirit and engages us to be members of His body.

One of our congregation members told me what our baptismal font means to her. She herself was baptized here, eighty-six years ago. Later, when she had children, she lived in Oegstgeest. She then asked if her children could be baptized here as well. Now she looks at the baptismal font every Sunday, and for her it is the sign of God’s faithfulness to her and to her children. Before we could answer Him, He had already preceded us with His love. Luther wrote in his despair: “I am baptized!” That is a tremendous anchor and a powerful reminder.

After His resurrection, Jesus sent the disciples into the world, formerly called the “Great Commission.” Today we prefer to speak of “being a missional congregation”: inviting people in, translating the message into the language and manner of our own time, and showing the love of Jesus through words and deeds.

Every Saturday the church is open. People come in, light a candle, write down a prayer, and we also maintain contact with children through the schools. We want to be an open church, also for children.

The command of the Living One was to make disciples through baptizing and teaching. Much of that has been done over the past hundred years. Baptism was often followed by a profession of faith, affirming one’s own baptism.

In the past, we may have viewed profession of faith as a conclusion [to catechism instruction], but one remains a disciple throughout life. We practice that every week in worship services, gatherings, and moments of fellowship.

As certain as the “Great Commission” once sounded, we can no longer believe it in quite the same way. Fortunately, Matthew says: “some doubted.” Yet Jesus came to them, met them where they were, and still enlisted them in His service.

Our doubt is not an obstacle for God to use us. Faith is not only finding but also searching; not only knowing but also trusting; hoping even when the eye cannot see.

The sacrament of Holy Communion helps us in this. Again and again we receive bread and wine as provisions for the journey. Then we extend our hands to one another and exchange the greeting of peace.

Finally, the Living One says: “Keep this in mind: I am with you until the completion of the world.”

What will things look like in another hundred years? For a century we have celebrated our faith here. But will we still exist then? Who knows! I leave the question open. Our congregation is aging, but new people continue to come in. We still have contact with younger people.

Someday someone will surely turn out the lights here, but then it will simply continue somewhere else. God continues with His people.

One hundred years is 1,200 months, a little over 5,217 weeks, and 36,524 days. That is how many days it has been! And Christ promises us this for all those days: “I am with you every day!”

Do not think only in terms of the grand sweep of history; think especially in terms of days. Not a single day are we without God. Hidden yet present, He shares our existence. The completion of the world is what everything moves toward.

Today we celebrate a century of this church. One hundred years of people crossing this threshold and returning home again. Small signs of God’s presence. Together with all who have gone before us and all who will come after us, let us join in the song of praise that never falls silent:

Hallelujah, Amen.

A Festive Program.

After the service, a festive program followed. Speeches were given by the mayor, the chairperson of the General Church Council, and by the author of a booklet about the Wilhelmina Church, which was officially presented on this occasion.

The first four copies were handed to several attendees. We will return to this booklet in more detail next Tuesday.

Afterward, the hundred-year-old Wilhelmina Church itself was interviewed in person. The Wilhelmina Church had appeared specially for the festivities in order to make the dialogue a success and to tell something about its own history.

A video report of the jubilee service in Bussum > (see the link at the end of the Dutch version of this article).