De geboorte van de Gereformeerde Kerk te Noordeloos

Inleiding.

De ‘Gereformeerde Kerk te Noordeloos’ ontstond in oktober 1892 uit de plaatselijke vereniging tussen de ‘Christelijke Afgescheidene Gemeente’ (ontstaan op  13 januari 1836) en de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk’ (ontstaan uit de Doleantie op 22 september 1890). Omdat de eerste kerkengroep ‘in 1892 het kerkverband verbrak’, herdacht de Gereformeerde Kerk te Noordeloos in 2015 haar 125-jarig bestaan sinds de plaatselijke Doleantie in 1890.

Noordeloos, Noordzijde in ongeveer 1900.
Noordeloos, Noordzijde in ongeveer 1900.

Conventikels.

Noordeloos was in de tijd van de Afscheiding een dorp met ongeveer zevenhonderd inwoners, gelegen tussen de Lek en de Waal, in het zuidoosten van de provincie Zuid-Holland, ongeveer tien kilometer ten noorden van Gorinchem. Landbouw en veeteelt waren de voornaamste middelen van bestaan, maar er waren onder meer ook molenaars, schoenmakers en kleermakers werkzaam.

Net als op veel andere plaatsen werden in Noordeloos en omgeving al vóór de Afscheiding van 1834 zgn. conventikels gehouden; gezelschappen waar men, buiten de door hen (als vrijzinnig beschouwde) hervormde gemeente om, bijeenkwam om uit de bijbel te lezen, te zingen, te bidden en te luisteren naar voorgelezen preken van ‘oudvaders’ (orthodoxe predikanten uit de zeventiende en achttiende eeuw). Deze bijeenkomsten werden ‘s zondags op meerdere plaatsen gehouden en werden aanvankelijk door rond de zeventig, maar later door nog ongeveer twintig personen bijgewoond; ook werd elke week catechisatie gegeven. Een bekende ‘oefenaar’ die Noordeloos in die tijd aandeed was Jan Willem Vijgeboom (1773-1845), toen verbonden aan de Afgescheiden gemeente van Sint Jan ten Heere en Aagtekerke op het Zeeuwse Walcheren.

De hervormde predikant van Noordeloos, ds. H.A. Matthes, hield het classicaal bestuur goed op de hoogte van wat in zijn gemeente op dit gebied gebeurde. Zo rapporteerde hij dat Vijgeboom op 9 september 1835 ten huize van Andries Vogel ‘geoefend’ had. Vogel had kort daarvoor, samen met tien anderen, zijn naam uit het lidmatenregister van de hervormde gemeente laten doorhalen; dat was bij voorbaat verdacht. Hoe dan ook, bij die huisgodsdienstoefening waren tweehonderd mensen aanwezig geweest, véél meer dan volgens de door de overheid van kracht verklaarde wet uit de Napoleontische tijd toegestaan was; twintig was het maximum! Matthes had de burgemeester van de gemeente, Gerdessen Timmermans, vooraf op de hoogte gesteld van de bijeenkomst, maar deze dacht er niet over in te grijpen: hij zei zijn eigen instructies te kennen en de dominee moest de zíjne maar zien op te volgen. Na Timmermans’ overlijden sloot zijn echtgenote zich bij de Afgescheidenen aan.

Instituering.

Ds. G.F. Gezelle Meerburg (1806-1855)
Ds. G.F. Gezelle Meerburg (1806-1855)

Op 13 januari 1836 bevestigde ds. G.F. Gezelle Meerburg (1806-1855) van Almkerk de eerste kerkenraad van de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Noordeloos. Ds. Gezelle Meerburg 9 was een van de zes ‘Vaders der Afscheiding’, en had zich in 1835 aan de Hervormde Kerk onttrokken als Afgescheiden predikant van de gemeente te Almkerk-Nieuwendijk. De eerste kerkenraad van Noordeloos bestond uit twee ouderlingen: Klaas Middelkoop (56 jaar oud) en Andries Vogel (61 jaar), terwijl als diakenen in het ambt waren bevestigd de 30-jarige Willem van Asch en Cornelis den Hartog, die 37 jaar oud was.

Vervolgingen.

Maar de hervormde classis blééf actief! Toen de door de overheid gestelde regels in Noordeloos al snel tóch overtreden werden, repte de officier van justitie uit Gorinchem zich naar Noordeloos en vroeg de hervormde predikant om inlichtingen; deze was maar al te graag bereid die onder ede te verstrekken. Hij verklaarde dat ‘ongeoorloofde godsdienstoefeningen’ hadden plaatsgevonden in de huizen van Andries Vogel, Huibert van den Dool en Frederik van Holten. Ds. Gezelle Meerburg was daarbij meerdere malen voorgegaan, waarbij eens zelfs meer dan tachtig personen aanwezig geweest waren.

Dit alles was dan ook de reden dat de Afgescheiden kerkenraad van Noordeloos én ds. Gezelle Meerburg voor het gerecht gedaagd werden. De predikant kreeg fl. 100 boete en Andries Vogel moest fl. 90 betalen. Andere boetes meegerekend – voor soortgelijke overtredingen opgelegd – moest Vogel in totaal meer dan fl. 330 betalen. Hij wilde de boetes echter niet voldoen, zodat op 3 juni 1836 deurwaarder Wapperom uit Papendrecht, samen met veldwachter Pennock van Noordeloos hem een dwangbevel overhandigde. De inboedel van zijn huis (waaronder een aantal paarden en koeien) werd beschreven zodat deze kon worden onteigend als hij de verschuldigde penningen niet ophoestte. In zijn huis werd bovendien in ‘een oude onvervoerbare kleerkast’ fl. 280 aan contant geld gevonden, dat in beslag genomen werd. Het was door Vogel geleend geld; de onteigening daarvan bracht hem in financiële moeilijkheden. Over die zaak ontstond later onenigheid in de kerkenraad, waarop de provinciale synode van de Afgescheidenen uiteindelijk meende – niet met ieders instemming! – Andries Vogel uit het ambt te moeten ontzetten. Niet lang daarna overleed hij.

Verzoeken om erkenning.

Verscheidene gemeenteleden richtten zich op 10 oktober 1836 in een adres tot koning Willem I, met het verzoek hun godsdienstoefeningen te mogen houden zónder daarvoor vervolgd te worden. In het rekest verklaarden ze, dat ze zich weliswaar aan de hervormde kerk hadden onttrokken, maar dat ze als Afgescheiden Gemeente wilden gehoorzamen aan de aloude Dordtse Kerkorde (die voor de hervormde kerk niet meer gold, omdat ze in 1816 door de overheid was vervangen door het ‘Algemeen Reglement’). Het verzoek werd echter afgewezen.

Tweeëneenhalf jaar later, in maart 1839, werd opnieuw een verzoek ingediend. De burgemeester had de handtekeningen van de ondertekenaars gelegaliseerd en bovendien verklaard dat de rekwestranten bedoelden ‘God te dienen en zich als rustige en stille inwoners te gedragen’.  Ook op dit verzoekschrift ging de overheid niet in.

Maar omdat de aanhouder wint, werd op 29 januari 1841 opnieuw een verzoekschrift tot de Koning gericht, ditmaal aan Willem II, die ten opzichte van de Afgescheidenen een minder stringent beleid voerde dan zijn voorganger. Drieënzeventig ondertekenaars telde het verzoekschrift, onder wie de voltallige kerkenraad van dat moment. Dit rekest werd op 1 april 1841 ingewilligd!

Een eigen kerk (1841).

Zodra in 1841 de koninklijke erkenning van de Christelijke Afgescheidene Gemeente afkwam ging  men op zoek naar een stuk grond om een kerk te bouwen. Voor fl. 26 per jaar bleek het mogelijk een perceel in erfpacht te verkrijgen; het contract werd op 30 augustus 1841 getekend werd. De voorwaarden voor de erfpacht waren echter niet van gevaar ontbloot: de eigenaar van de grond kon het land terugvorderen en eisen dat de op de grond gebouwde kerk binnen drie maanden zou worden afgebroken. Van dat recht werd echter geen gebruik gemaakt. Volgens A.J. van der Aa (in zijn in 1847 gepubliceerde ‘Aardrijkskundig Woordenboek’) was het kerkje een klein, vierkant gebouw zonder toren, maar met ‘een nette pastorie’ er naast. Het kerkje werd in 1841 gebouwd; we weten dat omdat bij de sloop voor nieuwbouw in het dakgebint dat jaartal aangetroffen werd. Het kerkje stond op dezelfde plaats als waar tegenwoordig de christelijke gereformeerde kerk staat: aan het Noordeinde.

De eerste predikant (1842-1847).

Ds. A.J. Betten (1813-1900)
Ds. A.J. Betten (1813-1900)

Ook wilde men een eigen predikant beroepen, zodat de kerkelijke gemeente voluit kon gaan functioneren. Op 12 juli 1842 behandelde de classis het verzoek van Noordeloos om Antonie Jacob Betten (1813-1900) te mogen beroepen. Deze had zich in november 1835 te Utrecht onttrokken aan de hervormde kerk en zich bij de Afscheiding gevoegd. Ds. H.P. Scholte (1805-1868) had hem enkele jaren later opgeleid tot predikant. Wannéér hij in Noordeloos precies in het ambt bevestigd werd is niet bekend (vermoedelijk kort na juli), maar in oktober 1842 was hij in ieder geval lang en breed in Noordeloos aan het werk. Ds. Betten had volgens de berichten een goede ingang in zijn gemeente en als we de verhalen mogen geloven bloeide het geestelijk leven. Maar net als zijn leermeester ds. Scholte, vertrok óók ds. Betten in 1847 naar Amerika.

Naar Amerika…

In die tijd emigreerden veel Afgescheidenen naar Amerika: door ongerustheid over de economische, godsdienstige en sociale toestand van ons land, besloten velen naar het land van de onbegrensde mogelijkheden af te reizen. Ook een aantal Afgescheiden predikanten wendde de steven westwaarts. We hoeven alleen maar te denken aan ds. A.C. van Raalte (1811-1876) die met zijn volgelingen vanuit de Christelijke Afgescheidene Gemeente van Arnhem en Velp in 1847 naar Michigan toog en daar het stadje Holland stichtte; en aan ds. C. van der Meulen (1800-1876) die datzelfde jaar vanuit Goes ook naar Michigan vertrok en daar, vlak bij Holland, het stadje Zeeland stichtte. Ook ds. H.P. Scholte vertrok dus; híj reisde helemaal door naar Iowa en stichtte daar de stad Pella.

In hun kielzog vertrokken vele ándere Afgescheidenen, wat sommige gemeenten in ons land veel leden kostte. Met de ‘Nagasaki’ vertrokken ds. Betten en zijn gezin ook naar Amerika, samen met ongeveer vijftig leden van de gemeente van Noordeloos, waar ze zich, net als ds. Scholte, in Pella vestigden. Ds. Betten overleed in 1900 in Orange-City, ver naar het noordwesten in diezelfde staat.

(Overigens bestaat in de Amerikaanse staat Michigan ook een dorpje ‘Noordeloos’, dat in 1855 door Nederlandse Afgescheiden immigranten gesticht werd. Het jaar daarop beriepen ze ds. Koene van den Bosch (1818-1897), die toen nét twee jaar Afgescheiden predikant in het Nederlandse Noordeloos was. Noordeloos in Michigan werd bevolkt door Nederlandse immigranten, voornamelijk afkomstig uit de provincie Groningen.)

Bij het vertrek van ds. Betten en zijn mede-emigranten vond kennelijk een boedelscheiding plaats tussen de vertrekkenden en de achterblijvenden. Kerk en pastorie – mede-eigendom van de vertrekkende gemeenteleden – moesten worden geveild (een bootreis naar Amerika kost tenslotte ook geld).  Het achterblijvende deel van de gemeente kon de prijs van de kerkelijke goederen niet opbrengen en daarom werden beide gebouwen op 13 maart 1847 ten behoeve van de gemeente gekocht door Gijsbert de Jong en Pieter van der Tak. De kerk bracht op de veiling fl. 825 op (plus fl. 150 voor het interieur), terwijl  voor de pastorie fl. 600 werd neergeteld. In 1852 kon de Afgescheiden Gemeente (toen met ongeveer 140 lidmaten) beide gebouwen terugkopen, waarvoor in totaal fl. 1.875 betaald werd. Kerk en pastorie waren aan elkaar gebouwd met de consistorie er tussenin.

De tijd tot 1856.

Ds. H.R. Koopman (1848-1851).

Ds. Betten was dus in 1847 naar Amerika vertrokken. Het jaar daarop verklaarde theologisch student Hendrik Ruine Koopman (1824-1884) zich bereid in de gemeente voor te gaan. Hij deed zijn studie bij   ds. W.A. Kok (1805-1891) te Hoogeveen, want pas in 1854 kwam er een officiële Theologische School in Kampen. Dat was voor hem een mooie voorbereiding op zijn latere predikantschap. Maar kennelijk vatte hij zijn werk wat ruim op: hij deed ‘predikingen, catechisatiën en huisbezoekingen’, waardoor zijn studie in het gedrang kwam; de classis waarschuwde hem daar dan ook voor. Gelukkig kwam het allemaal goed en kon hij op 4 mei 1850, na enkele dagen eerder voor zijn examen geslaagd te zijn, in het ambt van predikant van de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Noordeloos worden bevestigd. Dat gebeurde door zijn leermeester ds. W.A. Kok van Hoogeveen. De intreepreek van ds. Koopman was naar aanleiding van Psalm 51: 14b en 15 (‘De vrijmoedige geest ondersteune mij. Zo zal ik den overtreders Uw wegen leren; en de zondaars zullen zich tot U bekeren’).

Ds. H.R. Koopman (1824-1884).
Ds. H.R. Koopman (1824-1884).

Van de kerkenraadsnotulen uit die tijd worden we niet veel wijzer; deze zijn zeer summier. Wel weten we bijvoorbeeld dat er geen orgel in de kerk was en dat de kerkzang dus door een voorzanger begeleid werd. Verder werd voorafgaande aan het avondmaal huisbezoek gedaan (een praktijk die in de Gereformeerde Kerken lang volgehouden werd). Wat de catechisaties betreft werd door de predikant het ‘Kort Begrip’ gebruikt (een vereenvoudigde en verkorte versie van de Heidelbergse Catechismus, een van de gereformeerde belijdenisgeschriften).

De verhouding tussen de Afgescheiden gemeente en die van de hervormden in het dorp was in deze periode kennelijk bedroevend. De hervormde predikant ds. J.P. de Keyser had bij de doop van een uit de Afgescheiden Gemeente naar de hervormde kerk teruggekeerd gemeentelid opgemerkt dat de ouders er op dienden toe te zien dat hun kind in de hervormde kerk werd opgevoed en niet verleid zou worden door de ‘duivel van de sektegeest, die bende van zogenaamde rechtzinnigen’.

Ds. Koopman bleef slechts tot 1851 in de gemeente van Noordeloos werkzaam. Aan zijn vertrek werkten ‘schaduwzijden in het leven van de predikant’ mee. Twee ambtsdragers onttrokken zich in die tijd aan de gemeente en de predikant trouwde in 1850 met zijn dienstbode. Door dit alles vertrok hij al in 1851 naar Sleeuwijk en later naar Pernis (1860). Vandaar sloot hij zich in 1866 aan bij de ‘Dutch Reformed Church’ in het Amerikaanse stadje Lage Prairie (later ‘South Holland’ genoemd), in de staat Illinois. Het jaar daarop ging hij naar Pella in Iowa en in 1870 reisde hij weer terug naar Lage Prairie, om negen jaar later predikant te worden in Paterson N.J. Daar overleed hij in 1884.

Vacant (1851-1854).

Ook na het vertrek van ds. Koopman beleefde de gemeente roerige tijden. Twee problemen lagen daaraan ten grondslag. Ten eerste het feit dat de kerkenraad nogmaals erkenning bij de overheid wilde vragen, hoewel dat ook al in 1841 gebeurd was. Men vreesde namelijk dat die erkenning door de gang van zaken rond de veiling van kerk en pastorie niet meer geldig was. De oude tegenstelling tussen voor- en tegenstanders van het vragen van erkenning dook toen weer op. Verscheidene ‘bezwaarden’ onttrokken zich aan de gemeente en keerden naar de hervormde kerk terug.

Maar ook het beroepen van een dominee leverde problemen op. Hoewel de gemeente er in maart 1852 mee akkoord ging een predikant te beroepen en bovendien instemde met het kerkenraadsvoorstel geld in te zamelen voor de bouw van een nieuwe pastorie, verliep het beroepingswerk niet gladjes. Het kerkenraadsbeleid riep kritiek op, zelfs zozeer, dat de provinciale synode er aan te pas moest komen om de gemoederen te bedaren. Sterker nog, de kerkenraad stapte in zijn geheel op, waardoor nieuwe ambtsdragers gekozen moesten worden. Medestanders van afgetreden kerkenraadsleden erkenden sommige nieuw verkozenen niet en bleven daarna uit de kerkdiensten weg.

Ondanks alle problemen werd op 7 september 1853 besloten een beroep uit te brengen op ds. Koene van den Bosch (1818-1897), die dit aannam. Het traktement werd op fl. 400 per jaar gesteld. Koenes jeugd was niet makkelijk geweest. Hij kwam uit een arm gezin en moest aanvankelijk als schaapherder de kost verdienen. ‘In die tijd kende ik geen God voor mijn hart noch had ik eenige zelfkennis’. Maar op 21-jarige leeftijd werd hij bekeerd en besloot toen dominee te worden. Drentse predikanten leidden hem op. Zijn ouders vertrokken omstreeks 1850 naar Amerika, ds. A.C. van Raalte achterna. Koene bleef in Nederland achter.

Ds. K. van den Bosch (1818-1897).
Ds. K. van den Bosch (1818-1897).

Ook als predikant te Elburg (in 1847 en 1848) kende hij grote armoede. Na van 1848 tot begin 1854 in Apeldoorn predikant te zijn geweest, werd hij in Noordeloos op 26 februari 1854 door ds. J.F. Zeebuijt (1795-1879) van Leerdam in het ambt bevestigd. De gemeente was intussen gegroeid tot ruim 180 leden, die woonachtig waren in Noordeloos en meerdere dorpen in de omgeving. Ds. Van den Bosch koesterde al langer het voornemen net als zijn ouders naar Amerika te gaan. Toen in 1855 een welgesteld gemeentelid vanuit Noordeloos naar Amerika vertrok en hem fl. 1.000 als lening ter hand stelde, kon hij de overtocht naar de in Michigan gestichte nederzetting Noordeloos betalen. Op 13 maart 1856 preekte hij afscheid. En vertrok samen met enkele gemeenteleden naar het land van de onbegrensde mogelijkheden. Tot nog toe hadden ál Noordeloos’ predikanten de steven naar Amerika gewend… Het leven van ds. Van den Bosch ging in Amerika overigens niet van een leien dakje. Hij overleed in 1897.

De tijd tot de Doleantie (1856 tot 1886).

Ds. G.B. Mos (1811-1870).
Ds. G.B. Mos (1811-1870).

Een drie jaar durende vacante periode brak aan. Verscheidene beroepen werden tevergeefs uitgebracht, waaronder zelfs een drietal op ds. H.A. Jonkman (1825-1898) van Herwijnen. Ds. G.B. Mos (1811-1870) van Schoonhoven nam het op hem uitgebrachte beroep echter aan. Op 27 februari 1859 werd hij door ds. J.H. Meijer (1812-1891) van het Zuid-Hollandse Langerak in het ambt bevestigd, waarna hij intrede deed naar aanleiding van 1 Kor. 2:2 (‘Want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u, dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd‘). Zijn traktement bedroeg fl. 600 per jaar, dat per kwartaal uitbetaald werd. Ds. Mos stond hier langer dan zijn voorgangers. Maar ook over zíjn ambtsperiode is door de zeer summiere kerkenraadsnotulen nauwelijks iets bekend. Op 2 december 1866 preekte hij afscheid wegens het door hem aangenomen beroep naar de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Staphorst.

Op 10 november 1867 werd hij opgevolgd door kandidaat G. Bramer (1837-1901), die door ds. J.W. te Bokkel (1815-1888) van Ommen bevestigd werd. Ds. Bramer vertrok echter al na twee jaar naar het Friese Idskenhuizen.

Christelijke Gereformeerde Gemeente (1869).

Ds. E. van de Kamp (1827-1912).
Ds. E. van de Kamp (1827-1912).

Zeven jaar lang, namelijk van 1870 tot 1877 stond zijn opvolger ds. E. van de Kamp (1827-1912) te Noordeloos. De gemeente heette overigens intussen niet meer ‘Christelijke Afgescheidene Gemeente’, maar ‘Christelijke Gereformeerde Gemeente’. Dat kwam omdat in 1869 een landelijke hereniging plaatsvond tussen de Christelijke Afgescheidenen en de Gereformeerde Kerk onder het Kruis. Men had afgesproken dat de nieuwe naam van de verenigde kerk zou zijn: ’Christelijke Gereformeerde Kerk’.

Ook over ds. Van de Kamps ambtsperiode in Noordeloos weten we weinig. In hoeverre de verhalen op waarheid berustten die na zijn vertrek in november 1877 op de classis de ronde deden, namelijk dat de kerkenraad zijn predikant honger had laten leiden door hem slechts fl. 600 traktement toe te kennen, is moeilijk te zeggen (de kerkenraad ontkende het in ieder geval). Maar het was wel de reden dat de classis geen ‘handopening’ (toestemming) wilde geven om een opvolger te benoemen. De kerkenraad was daar behoorlijk ontstemd over, maar beloofde het traktement op te schroeven tot fl. 700 en te gelegener tijd tot fl. 800 per jaar.

Vacant.

Een vier jaar durende vacante periode brak aan. Uit die tijd is bekend dat nog steeds veel gemeenteleden in dorpen in de omgeving woonden en voor de twee kerkdiensten dus naar Noordeloos moesten lopen. Vandaar dat men tussen beide diensten vaak in de kerk bleef en daar het meegebrachte broodje at. Al snel ontstond de gewoonte de tijd in de consistorie te doden, of liever: nuttig te maken, door als gezelschap met elkaar ‘over de leidingen des Heeren in het leven van Zijn volk’ te spreken, of te luisteren naar een preek van een van de ‘oudvaders’.

In de kerkenraad werden in mei 1878 daartegen echter bezwaren ingebracht, ‘aangezien zij meer tot óntstichting dienden dan tot stichting, door de houding die sommige vrouwelijke personen aannamen’. Ook werden de ‘oudvaders’ door sommige aanwezigen verworpen ten gunste van de eígen inbreng die soms op hoge toon verkondigd werd. De ouderlingen gingen daarom beurtelings toezicht houden. Mochten de samenkomsten schade opleveren voor het kerkelijk leven, dan zou de kerkenraad het gezelschap opheffen.

Ds. Jonkman komt.

Handtekening van ds. Jonkman. Van hem is geen portret bekend.
Handtekening van ds. Jonkman. Van hem is geen portret bekend.

Eindelijk kwam de vroeger al zo hartelijk gewenste ds. H.A. Jonkman (1825-1898) in 1881 tóch als predikant naar Noordeloos. Opmerkelijk was dat ds. Jonkman nog het oude predikantsgewaad droeg (waarover aan het eind van de jaren ’30 onder Afgescheidenen met overgave gestreden werd): driekante steek, bef, zwarte rok, kuitbroek met kousen, schoenen met gesp). Zijn ambtsperiode in Noordeloos begón niet goed: zijn vrouw overleed al na zeven weken, waarna zijn oudste dochter het talrijke gezin verzorgde. De predikant bracht de rust in de gemeente terug, maar in de Doleantietijd koos hij de zijde van hen die zich vóór en in 1892 teweer stelden tégen het landelijk samengaan van de Christelijke Gereformeerde Kerk met de Nederduitsche Gereformeerde Kerken (afkomstig uit de Doleantie). Daarover hierna meer.

De Doleantie te Noordeloos (1890).

Op 1 juni 1888 scheidde een viertal leden van de hervormde gemeente te Noordeloos zich van die kerk af. Het waren J. Duym Dzn., J. Duym Fzn., D. Duym en A. van der Ham. Ze hadden hun kerkenraad een brief geschreven met het verzoek ‘de Reformatie der Kerk ter hand te nemen en met de synodale hiërarchie te breken’. De hervormde kerkenraad (minus een van de leden) wilde daaraan echter geen gevolg geven. Maar daar bleef het niet bij, want enkele maanden later, op 26 september 1888, werd in het hervormde kerkgebouw van Noordeloos een bijeenkomst gehouden over deze zaak, waarbij ook de dolerende predikanten ds. W.F.A. Winckel (1852-1945) van Oudewater en ds. C.W.J. van Lummel (1856-1940) van Waarder aanwezig waren. Bovendien schreef de dolerende classis Gouda op 3 november 1888, op verzoek van drie daar aanwezige broeders uit Noordeloos, een brief aan de hervormde kerkenraad. Daarin werd opnieuw opgeroepen de reformatie ter hand te nemen en met de synodale hiërarchie te breken. Geen van beide acties had succes. J. Duym Fzn. schreef daarop in augustus 1890 aan alle hervormde gemeenteleden in het dorp een vlugschrift waarin hij de gemeenteleden persoonlijk opriep met het synodaal bestuur te breken.

Het bericht van reformatie in de (dolerende) Zuidholandsche Kerkbode van 6 september 1890.
Het bericht van reformatie in de (dolerende) Zuidhollandsche Kerkbode van 6 september 1890.

Aanvankelijk sloten de Dolerenden van Noordeloos zich aan bij de op 24 januari 1888 geïnstitueerde Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende) in het nabijgelegen Ottoland. Zo werd bijvoorbeeld het kind van de familie J. Duym Dzn. uit Noordeloos daar gedoopt. Maar al gauw wilde men ook in Noordeloos een Dolerende Kerk institueren. Daartoe werden op 26 augustus 1890 onder leiding van consulent ds. Winckel vijf kerkenraadsleden gekozen die, ook door ds. Winckel, op 21 september 1890 in het ambt bevestigd werden. Daarmee was de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)’ te Noordeloos geïnstitueerd. De eerste notulen van de Dolerenden zeggen: ‘Men was genoodzaakt om tot dien stap, den 26sten augustus 1890, over te gaan, omdat de kerkeraad der gemeente, hoe dikwijls ook aangezocht om het onschriftuurlijke juk der synodale wetten af te werpen, volstandig bleef weigeren en zoo stonden de geloovigen voor de keuze om óf hun kerk steeds meer van het fundament van de ‘Drie Formulieren van Eenigheid’ te laten afdwalen óf om andere ambtsdragers te kiezen’. Vandaar dat men tot het laatste besloot.

Afgesproken werd vooralsnog regelmatig huisbezoek te doen bij de hervormde gemeenteleden om met hen over ‘de plicht tot doleren’ te spreken. En wat de Dolerende gemeente zélf betreft werd  besloten godsdienstonderwijzer M. van Oostende uit Ottoland te vragen eens in de twee weken in Noordeloos een stichtelijk woord te spreken. Hij ging daarmee akkoord (Van Oostende was als godsdienstonderwijzer van 1888 tot 1896 verbonden aan de kerk van Ottoland in combinatie met die van Molenaarsgraaf). Overigens gingen ook regelmatig predikanten voor: zo bediende ds. W.F.A. Winckel de doop op 22 oktober en ging ds. J.C. Sikkel (1855-1920) van Den Haag op 12 april 1891 voor.

Ds. W.F.A. Winckel (1852-1945) van Oudewater institueerde in 1890 de Dolerende Kerk te Noordeloos.
Ds. W.F.A. Winckel (1852-1945) van Oudewater institueerde in 1890 de Dolerende Kerk te Noordeloos.

Vereniging met de Christelijke Gereformeerden? Nee én ja…

Al vrij vlot na de Doleantie werd op landelijk synodaal niveau gesproken over de mogelijkheid om tot fusie tussen beide kerkengroepen te komen. Die besprekingen verliepen relatief vlot, zodat op 17 juni 1892 de landelijke eenwording een feit werd: de Gereformeerde Kerken in Nederland waren sindsdien een feit. Besloten werd ook dat, waar plaatselijk nog geen ineensmelting bereikt kon worden, de oudste van de twee kerken (in Noordeloos de Christelijke Gereformeerde Gemeente van ds. Jonkman) voorlopig ‘Gereformeerde Kerk A’ genoemd zou worden, en de jongste (in Noordeloos de Dolerenden) ‘Gereformeerde Kerk B’.

Toen de landelijke besprekingen al enige tijd bezig waren, vroeg ook de Dolerende kerkenraad van Noordeloos op 17 oktober 1890 aan de kerkenraad van de plaatselijke Christelijke Gereformeerde Gemeente eens samen te vergaderen over een mogelijk plaatselijke ineensmelting. De christelijke gereformeerden gingen daar onder leiding van ds. Jonkman van harte op in. Men schreef: ‘Nu de eenheid tusschen beide Kerkengroepen zij geboren, mogen wij niet meer gescheiden van elkander leven. Zulks zou in strijd staan met onze gereformeerde belijdenis’. En: ‘de vergadering verliep buitengewoon goed. De verzamelde broeders zongen hun diepe dank uit voor het feit, dat men elkaar gevonden had’. De christelijke gereformeerden stelden hun kerkgebouw voor de dolerende diensten ter beschikking en ook werd afgesproken dat de Dolerende ouders hun kinderen naar de catechisatie van ds. Jonkman zouden sturen. Uit dit alles bleek de overeenstemming dus duidelijk.

Nee…!

Maar toch liep het ánders. Want tijdens de christelijke gereformeerde kerkenraad van 7 juli 1892, enkele weken na de landelijke kerkenfusie, verklaarde ds. Jonkman zich met de eenwording van beide kerken toch níet te kunnen verenigen. Volgens hem werd door de Ineensmelting van beide kerken ‘de Afscheiding als Werk Gods’ ontkend en bovendien had hij bezwaar tegen het feit dat de aanduiding ‘Christelijk’ uit de kerknaam verdwenen was. Besloten was immers dat de verenigde kerk de naam ‘Gereformeerde Kerken in Nederland’ zou dragen. Ds. Jonkman wilde blijven wat hij was, namelijk ‘Christelijk Gereformeerd’.

De christelijke gereformeerde kerkenraad ‘kon nog niet tot een voldoende besluit komen’ en besloot toen de manslidmaten om hun mening te vragen. Die vergadering vond plaats op 14 juli 1892 in de kerk van Noordeloos: “De getrouwe opkomst was zeer verblijdend. (…) Bij opname der stemmen wordt zeer klaar en duidelijk de keus der gemeente, als uit één mond: ‘Christelijke Gereformeerde Gemeente’ en maar één stem voor ‘Gereformeerde Kerken in Nederland’.” Het gevolg was dat de gemeente van ds. Jonkman in Noordeloos als zodanig geheel zelfstandig bleef voortbestaan, en nu niet meer als ‘Gereformeerde Kerk A’ (want de band met ‘De Gereformeerde Kerken in Nederland’ werd verbroken), maar als ‘blijvend Christelijke Gereformeerde Gemeente’.

En ja…!

Maar niet iedereen ging met die weigering akkoord, want er waren ook vóórstanders van de vereniging met de Dolerenden. Op 10 november 1892 scheidden zich enkele gezinnen van de Christelijke Gereformeerde Gemeente af, onder wie het gezin van ouderling B. Bikker. Ook de gezinnen van G. van Wijgerden, P. Blokland en H.E. Holl wilden met de Dolerenden verenigen en volgden hun ouderling. Verder waren er vier of vijf leden die er nog over wilden nadenken.

De hierboven genoemde, van de Christelijke Gereformeerde Gemeente afgescheiden gezinnen vormden op 23 november 1892, alsnog de ‘Gereformeerde Kerk A’. Dat gebeurde in de woning van J. Duym Fzn., onder leiding van ds. L.A. Smilde (1859-1930), christelijke gereformeerd predikant te Leerdam. Toen werden naast de overgekomen ouderling B. Bikker (hij was en bleef ambtsdrager) enkele nieuwe kerkenraadsleden gekozen en in het ambt bevestigd. Daarmee was de kleine kerkenraad van de wel zeer kleine Kerk A weer compleet (Van Wijgerden, die als diaken gekozen werd, keerde echter in 1898 naar de Christelijke Gereformeerde Gemeente terug).

In 1893 bouwden de gereformeerden een eigen kerk aan de Botersloot.
In 1893 bouwden de gereformeerden een eigen kerk aan de Botersloot.

Het was niet moeilijk te voorspellen dat de Dolerende kerkenraad (van Kerk B) en de kleine kerkenraad van Kerk A alsnog samen vergaderden om tot volledig samengaan te komen. Dat gebeurde op 12 december 1892. Besloten werd tot fusie en als kerkgebouw het lokaal van Kerk B (de vroegere Dolerenden) te gebruiken. Tien dagen later werd de officiële fusie-akte getekend. Deze gefuseerde kleine Gereformeerde Kerk te Noordeloos telde volgens het Jaarboekje van 1893 slechts 25 leden…!

De Gereformeerde Kerk te Noordeloos vanaf 1892.

Het voormalig Dolerende kerkgebouwtje bleek niet geschikt om het kerkelijk leven tot ontplooiing te brengen. Vandaar dat de manslidmaten op voorstel van de kerkenraad besloten tot de bouw van een nieuwe kerk, wat echter door de burgerlijke gemeente aanvankelijk werd afgewezen, omdat de plaats waar men de kerk wilde bouwen minder dan tweehonderd meter verwijderd was van de hervormde kerk; dat was wettelijk gezien niet toegestaan. Kennelijk vernietigden Gedeputeerde Staten het raadsbesluit, want al op 17 mei 1893 gaf de burgerlijke gemeente van Noordeloos alsnog toestemming.

Bikker nam toen afscheid van Noordeloos, want de kerkenraad van de op zijn initiatief op 22 mei 1893 geïnstitueerde Gereformeerde Kerk te Meerkerk vroeg hem daar ouderling te worden, waarin hij toestemde. Hij kreeg de preekstoel uit de oude B-kerk mee!

Het ineterieurv an de oude gereformeerde kerk aan de Botersloot.
Het interieur van de oude gereformeerde kerk aan de Botersloot (foto: RCE).

In Noordeloos vorderde de bouw van de nieuwe kerk aan de Botersloot snel. Op 3 juli 1893 was de eerste steen gelegd en bouwmeester J. Duym Dzn leverde dermate snel werk dat de kerk al op 22 oktober met een preek door ds. Smilde van Leerdam in gebruik genomen kon worden.

Met de komst van de eerste dominee ging het echter lang niet zo vlot. Pas in 1934 trad de eerste eigen predikant aan, in de persoon van ds. C. Houtman (1909-1993), die daar tot 1940 stond en toen naar Maarssen vertrok.

Het ledental van de Kerk tot 2013.

De ledentallen van de Gereformeerde Kerk tussen 1893 en 2013.
De ledentallen van de Gereformeerde Kerk tussen 1893 en 2013.

Ontmoetingskerk Noordeloos

De gereformeerde Ontmoetingskerk te Noordeloos, die in 1998 in gebruik gneomen werd.
De gereformeerde Ontmoetingskerk te Noordeloos, die in 1998 in gebruik genomen werd.

Lees ook: Noordeloos (Michigan): dorp en kerk

Bronnen en literatuur:

C. Smits, De Afscheiding van 1834, deel 2, Dordrecht, 1974

B. de Romph, Om ’s Heeren ghuis in Uw gebouwd. 150 jaar geschiedenis van de Christelijke Gereformeerde Kerk te Noordeloos, 1836-1986. Noordeloos 1986

H. van Vuren, 100 jaar Gereformeerde Kerk Noordeloos, 1890-1990. Noordeloos, 1990

(Met dank aan de heer G. Kuiper te Appingedam voor het verstrekken van enige inlichtingen)

© 2016, GereformeerdeKerken.info