Het ontstaan van de Gereformeerde Kerk te Haarlem en daarna (1)

Inleidend overzicht.

Haarlem is een van de weinige plaatsen waar de Gereformeerde Kerk door drie afgescheiden kerkformaties werd gevormd, twee vanuit de Afscheiding van 1834 en een vanuit de Doleantie van 1886.

Kaart: Google.

Op 1 januari 1859 werd aan het Spaarne namelijk een ‘Christelijke Afgescheidene Gemeente’ geïnstitueerd. Maar al eerder, vermoedelijk al voor 1848, was er een ‘Gereformeerde Gemeente onder ’t Kruis’ ontstaan. Beide gemeenten heetten sinds de landelijke vereniging van die kerkengroepen in juni 1869 weliswaar ‘Christelijke Gereformeerde Gemeente’, maar leidden vooralsnog een zelfstandig kerkelijk leven. Tenslotte werd in Haarlem op 3 juni 1887 als gevolg van de Doleantie, de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)’ geïnstitueerd.

1. De Christelijke Afgescheidene Gemeente (1859).

Al zo’n tien jaar vóórdat de Afscheiding van 1834 in Ulrum door ds. H. de Cock (1801-1842) een feit werd, kwamen in Haarlem verontruste hervormde gemeenteleden bijeen in huissamenkomsten, conventikels.

Fabrikant D.W. Rookmaker, woonachtig in de Frankestraat – waar hij zijn ‘fijnwasserij en linnenpakkerij’ bestierde – was als oefenaar in 1824 een van de belangrijkste leiders van de groep. Door tegenwerking van de burgerlijke overheid, die hem al snel het voorgaan in de bijeenkomsten verbood, staakte hij zijn arbeid, maar ondertussen groeide de groep Afgescheidenen gestaag. Het is niet bekend hoe het hen sindsdien verging. Voor zover bekend werden in Haarlem pas rond 1840 opnieuw huissamenkomsten gehouden, al is het niet bekend of dat de (weliswaar uitgedijde) groep-Rookmaker was.

Het tweede huis rechts in de Frankestraat was de woning van D.W. Rookmaker.

Deze ‘conventikels’ vonden net al vroeger plaats in huiskamers en op zolders van particuliere woningen bij gemeenteleden thuis, verspreid over heel de stad. Zo kwam men in de loop van de tijd bijeen in de Anthoniestraat, de Cornelissteeg en de Lakenstraat (in de woning van S. Tierrij), waar men samen psalmen zong, preken van ‘oudvaders’ las en elkaar over het geestelijk leven bevroeg. Het was in die tijd verboden zonder toestemming van de overheid bijeenkomsten te houden waar meer dan twintig personen aanwezig waren.

Een aantal leden van de Haarlemse groep bezocht in die tijd echter de kerkdiensten van de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Amsterdam. Daar was ds. S. van Velzen (1809-1896) vanaf 1839 predikant, tot hij in 1854 docent werd aan de dat jaar opgerichte Theologische School in Kampen. De afstand Haarlem-Amsterdam v.v. was echter uiteindelijk toch te groot, zodat na verloop van tijd het plan opgevat werd in Haarlem een eigen gemeente te institueren.

Oefenaar W. Bekker uit Weesp.

Ondertussen probeerden deze Afgescheidenen In 1846 oefenaar W. Bekker uit Weesp in Haarlem te laten voorgaan, maar de Amsterdamse kerkenraad verhinderde dat. Onder leiding van de Amsterdamse predikant ds. A.S. Entingh (1820-1898) werd uiteindelijk op 1 óf 14 januari 1859 in de Spaarnestad de ‘Christelijke Afgescheidene Gemeente’ geïnstitueerd. Daarbij waren ook leden van de groep van Tierrij betrokken. De instituering vond plaats in het toen als kerk in gebruik zijnde gebouw aan de toenmalige Achter-Nieuwegracht.

Ds. A.S. Entingh (1820-1898) institueerde de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Haarlem.

De eerste predikant: ds. A. Wagemaker (van 1859 tot 1862).

De kerkenraad liet er geen gras over groeien en beriep de eerste predikant in de persoon van ds. Pieter Wagemaker (1824-1906), ‘afkomstig uit een ongelovig gezin, doch krachtdadig bekeerd’, wat hem ‘op veel spot en vervolging van de wereld’ kwam te staan, ‘zodat hij telkens uit zijn brood gestoten werd en vaak zonder middelen van bestaan van de ene naar de nadere plaats werd gedreven’.

Ds. P. Wagemaker (1824-1906).

Hij oefende aanvankelijk ‘een nederig handwerk’ uit, maar wilde predikant worden. Een van de eerste Afgescheiden predikanten in ons land, ds. A. Brummelkamp (1811-1888) leidde hem op, zodat hij in 1854 kandidaat werd, zijn eerste beroep (naar Giessendam) kreeg en op 27 juni 1859 intrede in Haarlem deed, waar hij tot begin december 1862 bleef werken. ‘Als predikant behoorde ds. Wagemaker tot de meest gevierde predikers van zijnen tijd. Waar hij ook optrad stroomden de menschen toe om hem te hooren en God heeft velen onder zijnen dienst bekeerd’.

Bij zijn komst in Haarlem beloofde de kerkenraad hem fl. 600 traktement per jaar met ‘vrij wonen’. Ook werd hem een varken beloofd, wat er echter bij bleef, zodat hij bij zijn vertrek in 1862 daar naar informeerde. De predikant ‘eiste toen fl. 40, wat het varken zou hebben gekost’; met meerderheid van stemmen besloot de kerkenraad toen hem dat geld uit te keren. Hij vertrok in 1862 naar Vlaardingen nadat hij op 30 november dat jaar afscheid van Haarlem genomen had.

Een eigen kerkje (1863).

Kort na het vertrek van ds. Wagemaker kocht de kerkenraad voor een bedrag van fl. 5.600 een pand aan de (Gedempte) Oude Gracht, op de hoek met de Stoofsteeg, in plaats van het zaaltje aan de Achter-Nieuwegracht. Het geheel werd aangepast als kerkzaal en in de loop van de tijd verbouwd.

De Gedempte Oude Gracht in Haarlem, lang geleden. Van het kerkje is geen foto bekend.

In de vacaturetijd, 1862 tot 1864, ging de kerkenraad in zee met oefenaar D. van Dulst. Deze was kort daarvoor met ruzie uit de Haarlemse Kruisgemeente vertrokken als katechiseermeester en krankenbezoeker! Hij zocht toenadering tot de Christelijke Afgescheidene Gemeente, beleed schuld over wat in de Kruisgemeente gebeurd was, en werd na een proefperiode in 1860 ‘in liefde in de gemeente opgenomen’. Hij won al snel het vertrouwen, werd in 1861 ouderling en diende na het vertrek van ds. Wagemaker tussen 1862 en 1864 ook als voorganger. ‘Zijn werk werd in Haarlem bijzonder gewaardeerd’.

Ds. J.H. Donker (van 1864 tot 1868).

Maar na een vacaturetijd van ongeveer twee jaar sinds het vertrek van ds. Wagemaker, beriep de kerkenraad ds. J.H. Donker (1823-1875) van het Groningse Siddeburen (van hem is geen foto bekend). Deze deed op 2 oktober 1864 intrede in het nieuwe kerkgebouwtje aan de Gedempte Oude Gracht. Hij bleef tot 1868 aan de kerk van Haarlem verbonden en vertrok dat jaar naar Noordwijk-Binnen, na op 2 maart afscheid van Haarlem genomen te hebben.

Dat afscheid verliep ietwat ongewoon. Toen in 1867 het werk ds. Donker te zwaar werd en hij door ‘lichaamszwakte’ in de kerk voor nogal wat kerkgangers vaak onverstaanbaar was, vroeg de kerkenraad aan de classis of men een hulppredikant mocht beroepen. Ds. Donker had al gezegd dat hij gedurende de periode dat hij niet in de gemeente werkzaam zou zijn, geen traktement hoefde. Hij wilde namelijk graag vacante gemeenten gaan dienen als classicaal predikant. Wel wilde de predikant in Haarlem blijven wonen, waarmee de kerkenraad het eens was. Mocht de hulpprediker het vervelend vinden dat ds. Donker in de stad bleef wonen, dán wilde hij wel verhuizen. De classis wilde deze zaak echter alleen in behandeling nemen als ds. Donker eerst van de gemeente zou worden losgemaakt. Daarná mocht de kerkenraad een predikant beroepen op een traktement van fl. 700 en ‘vrij wonen’. Kort daarop beriep de classis Amsterdam ds. Donker inderdaad als classicaal predikant en hij nam het beroep aan. Tóch ging dat uiteindelijk niet door. Hij kreeg toen het al genoemde beroep van Noordwijk-Binnen, nam dat aan en preekte op 2 maart 1868 afscheid in Haarlem.

Intermezzo: Vereniging met de Kruisgemeenten (1869).

Dertig jaar eerder, vier jaar na de Afscheiding van 1834, was in de Afgescheiden gelederen een kerkscheuring ontstaan. Een groep plaatselijke gemeenten maakte zich uit de ‘Christelijke Afgescheidene Kerk’ los en begon een eigen kerkelijk leven als ‘Gereformeerde Kerk onder ’t Kruis’, met eigen kerkelijke vergaderingen. Dit had te maken met verschillen van inzicht over onder meer de vraag welke kerkorde de Afgescheiden Kerk zou aannemen (de Dordtse Kerkorde van 1619)  of ‘een eigen maaksel’); verder ging het over de kwestie van het ambtsgewaad (moesten predikanten gekleed gaan in het ambtsgewaad of niet?) en over de vraag of de Afgescheidenen erkenning bij de Overheid zouden aanvragen. Als men dat laatste deed verbeurde men de mogelijkheid de benaming ‘gereformeerd’ in de naam van de kerk te voeren; die betiteling behoorde volgens de overheid namelijk tot de Nederlandse Hervormde Kerk.

Het wel of niet dragen van het ambtsgewaad van de predikant was soms een punt van verschil (hier ds. W.A. Kok (1805-1891) van Hoogeveen.

Hoe dan ook, in 1838 ontstond dus een scheiding tussen de ‘Christelijk Afgescheidene Kerk’ en de ‘Gereformeerde Kerk onder ’t Kruis’. De laatste was voorstander van het ambtsgewaad, keerde zich tegen het vragen van erkenning door de overheid en wilde de Dordtse Kerkorde handhaven. Dán maar liever verder leven ‘onder het kruis van de vervolging’ door de overheid, zo vonden de uitgetreden broeders en zusters.

Maar in de jaren ’60 van de negentiende eeuw gingen de synodes van beide kerkengroepen overleggen om te proberen weer tot elkaar te komen en als één kerkgenootschap samen verder te gaan. In die tijd waren de meeste beletselen uit de jaren ‘30 niet meer actueel, en zo kon het gebeuren dat beide synodes in juni 1869 besloten landelijk en classicaal ineen te smelten als ‘Christelijke Gereformeerde Kerk’.

Ook in Haarlem was die kerkvereniging aan de orde, omdat hier immers niet alleen een ‘Christelijke Afgescheidene Gemeente’ bestond, maar ook een ‘Gereformeerde Gemeente onder ’t Kruis’, die in 1848 (of nog eerder) was geïnstitueerd (waarover meer in deel 2 van dit verhaal). Ook in Haarlem werden beide kerkengroepen in 1869 verenigd en de naam van beide kerken veranderde eveneens: allebei werden ze in het vervolg ‘Christelijke Gereformeerde Gemeente’ genoemd, maar de gemeente aan de Gedempte Oude Gracht (waarover we hierboven vertelden) gebruikte ter onderscheiding de toevoeging ‘afdeling Gedempte Oude Gracht’ en de Kruisgemeente heette sindsdien ‘Christelijke Gereformeerde Gemeente (afdeling Klein Heiligland)’, want daar stond hun kerkgebouw. Beide groepen behielden in Haarlem toen echter volledige zelfstandigheid.

Ds. D.J. te Grootenhuis (van 1869 tot 1877).

Na het vertrek van ds. Donker, in maart 1868, beriep de kerkenraad de derde predikant in de persoon van ds. D.J. te Grootenhuis (1834-1910) van Maassluis (van hem is geen foto bekend). Hij deed op 2 mei 1869 intrede in Haarlem, ruim een maand vóór de “samensmelting” (maar niet heus) van zijn gemeente (aan de Gedempte Oude Gracht) met die aan het Klein Heiligland.

Zicht op Haarlem, stad aan ’t Spaarne.

De Kruisgemeente stelde al in augustus 1869 voor te overleggen over samenvoeging van beide gemeenten. Ds. te Grootenhuis achtte dat op dat moment echter onverstandig, omdat de Kruisgemeente nogal wat schulden had. Zijn kerkenraad was het daarmee eens, al beloofde men wél de ‘afdeling Klein Heiligland’ in de komende tijd financieel te zullen bijstaan. Toch moest het volgens beide gemeenten ooit tot een échte samensmelting komen, zónder de toevoeging van die ‘afdelingsnaam’.

‘Jesaja 55 : 6a’.

Ds. te Grootenhuis zette zich zeer in voor de jeugdverenigingen in zijn gemeente. Hij nam direct na zijn komst in Haarlem het initiatief tot de oprichting van de ‘Gereformeerde Jongelings Vereniging Jesaja 55 : 6a’. Er wás op dat moment in de stad al een christelijke Jongelingsvereniging, maar die werkte op algemeen-christelijke grondslag. Waaróm ds. te Grootenhuis tot de oprichting van ‘Jesaja’ overging is niet met zekerheid te zeggen. Het zou kunnen zijn dat de leden van zijn gemeente zich in die ‘algemene vereniging’ niet thuis voelden, en daarom om een ‘eigen’ vereniging vroegen, of dat de predikant uit zichzélf daartoe overging om de jeugd zo op het rechte gereformeerde spoor te houden.

Hoe dan ook, op 23 november 1869 werd de Jongelings Vereenging ‘Zoekt den Heer, terwijl Hij te vinden is (Jesaja 55 : 6a)’ opgericht in aanwezigheid van zes leden. De kerkenraad van de Gedempte Oude Gracht was zeer in zijn sas met de JV, keurde het reglement goed en gaf de vereniging kosteloos het gebruik van de kerkenraadskamer. Het aantal leden groeide langzaam maar zeker. De leden hielden zich overigens uitsluitend bezig met ‘bijbelbespreking’ (dus niet met kerkgeschiedenis of met de belijdenisgeschriften e.d.), en kwamen drie of vier keer per week bijeen. ”Het vele vergaderen bleek men echter al spoedig niet meer te kunnen volhouden”. Na een paar jaar bleef er alleen nog de donderdagavond over en sinds 1877 werd op zondagavond vergaderd.

Ds. R.M. Polman (van 1877 tot 1880).

Na het afscheid van ds. te Grootenhuis – op 6 mei 1877 wegens vertrek naar de kerk van Wissenkerke – nam de kerkenraad het beroepingswerk weer ter hand. Ds. R.M. Polman (1843-1899) van Almelo nam het op hem uitgebrachte beroep aan en deed al op 29 juli 1877 intrede in Haarlem. Hij bleef daar slechts drie jaar. Op 26 september 1880 nam hij afscheid en vertrok naar de kerk van Houwerzijl en Zoutkamp.

Samengaan met zustergemeente mislukt (1880).

Al voordat de volgende predikant beroepen werd, had de kerkenraad van de (voormalige) Kruisgemeente aan het Klein Heiligland de zusterkerk aan de Gedempte Oude Gracht gevraagd overleg te plegen over de situatie waarin beide gemeenten verkeerden: men zat immers allebei zonder predikant. Zo opende zich in 1880 de mogelijkheid tot overleg tussen beide kerkenraden om meer te gaan samenwerken, sterker: eindelijk zelfs ook tot plaatselijke eenheid te komen! Ze waren tenslotte niet voor niets beide een ‘Christelijke Gereformeerde Gemeente’ – immers, al in 1869 was de landelijke en classicale eenheid gerealiseerd!

Kennelijk waren de twee zustergemeenten inderdaad van plan nu tot eenheid te komen. Want de beide kerkenraden vergaderden over de samenstelling van één gezamenlijke kerkenraad en bereikten daarover overeenstemming. Ook over de vraag welk van de twee kerkgebouwen men na de eventuele ineensmelting zou gebruiken werd men het eens. De plaatselijke ineensmelting leek een feit te worden! Maar toen het aankwam op het beroepen van een predikant, scheidden zich de wegen. De Gedempte Oude Gracht-gemeente beriep ds. R. Mulder (1844-1926) en de gemeente aan het Klein Heiligland ds. J. Schotel (1825-1914) van Scheveningen, die overigens pas in 1883 aantrad (over hem dus later meer). De gewenste eenheid viel (opnieuw) in duigen…

Ds. R. Mulder (van 1881 tot 1914).

Ds. R. Mulder (1844-1926).

De kerkenraad zette dus de hand weer aan de ploeg en beriep ds. R. Mulder van het Friese Burum. Deze bleef tot zijn emeritaat in 1914 aan de kerk van Haarlem verbonden. “Als eindelijk het beroep van Haarlem kwam kon men [in Burum] den leeraar niet loslaten en zelfs in het middernachtelijk uur vereenigde zich een groote schare in de Burumsche pastorie, om bij monde van ouderling Radema den Troon der Genade om onderwerping en berusting aan te roepen”.

Ook de predikant – die op 1 mei 1881 intrede deed – had tijd nodig om in Haarlem te wennen. “Er was, toen Mulder hier kwam, minder leven en meer verdeeldheid dan in Burum”. Maar “hij begon te werken. Te preeken. Te catechiseeren. Wéér met die wondere stem, zoo geheimzinnig in haar kracht, waardoor hij altoos nog meer zeide dan hij zeide”.

En ondertussen groeide zijn gemeente. Het kerkzaaltje aan de Gedempte Oude Gracht werd kort na zijn komst vervangen door een nieuw kerkgebouw op dezelfde plaats, dat nu ook het uiterlijk van een kerk had. Op 13 november 1883 werd de nieuwe kerk onder zijn leiding in gebruik genomen.

De nieuwe kerk aan de Gedempte Oude Gracht, die in 1883 in gebruik genomen werd.

“Het water begon te wassen. Al was de Oude Gracht gedempt, de oude gracht-gemeente werd een rivier. Steeds hooger was het water. En als ds. Mulder hier ruim dertig jaren gewerkt had, dertig jaren, hard en getrouw, was Haarlem niet meer het oude Haarlem (…) en was de gemeente aan de Oude Gracht tot een sterke kerk uitgegroeid, met vaste stijl en lijn en onder en achter allerlei kleur was déze grondverf te ontdekken: Behouden door Gods genade – verloren door eigen schuld”.

Er is echter meer over zijn ambtsperiode te zeggen. Ten eerste had hij te maken met de zusterkerk, de Christelijke Gereformeerde Gemeente aan het Klein Heiligland – waarover later meer – en bovendien ontstond tijdens zijn ambtsperiode in 1887 Haarlems Dolerende Kerk. Ook daarover later meer.

De Jongelingsvereniging ‘Jesaja’.

Bínnen de eigen kerkmuren had ds. Mulder het ook druk. De Jongelingsvereniging ‘Jesaja’, door ds. te Grootenhuis in 1869 opgericht, had in juli 1887 geprobeerd in contact te komen met de Jongelingsvereniging Timotheüs van de één maand eerder geïnstitueerde Dolerende Kerk. De jongens van Jesaja stelden voor samen te gaan als één Jongelingsvereniging. Maar in een schrijven van 8 augustus antwoordde Timotheüs dat ze daarover met de Amsterdamse Dolerende predikant ds. P. van Son (1838-1898) gesproken hadden, en dat deze had gewezen op het geheel verschillende uitgangspunt van de Doleantie en de Afscheiding. Hij adviseerde het niet te doen. Daarom hield het JV-bestuur van Timotheüs de boot af.

Daarvoor noemden de Dolerende jongens een aantal redenen: ‘Er is geen [gezamenlijke] vereniging denkbaar, waarop níet over Kerkgeschiedenis gesproken wordt, en dat indíen wij zulks deden, wij aanstonds in tegenspraak zouden vallen met uw vereniging, en dat is niet gewenscht’. ‘Jesaja’ van de Gedempte Oude Gracht-gemeente hield immers uitsluitend ‘Bijbelbesprekingen’, terwijl Timotheüs zich in haar vergaderingen ook druk bezighield met kerkgeschiedenis. Daardoor zou ‘de groote klove tussen de Afscheiding en de Doleantie’ alleen maar duidelijker aan het licht treden. Daar kreeg je maar gezeur van.

Ook vonden de Dolerende jongens dat het beter was af te wachten tot de landelijke vereniging tussen de beide kerken officieel tot stand gekomen zou zijn. De synodes moesten het eerst over ineensmelting van de kerken eens zijn.

Ds. J.E. Vonkenberg (1869-1934).

Maar al voordat het landelijk op 17 juni 1892 zover was, vergaderden beide verenigingen op 5 februari 1892 in de Fröbelschool in Haarlem. Het eerste gedeelte van de bijeenkomst werd voorgezeten door ds. Mulder. En de bekende ds. J.E. Vonkenberg (1869-1934), voorzitter van de landelijke ‘Bond van Jongelingsverenigingen op Gereformeerden Grondslag’, hield de verzamelde jongelui in zijn toespraak voor, dat het dringend nodig was ‘zich in deze tijden, waarin de geest des ongeloofs zich al driester openbaart, nauw aaneen te sluiten om zodoende een bolwerk te vormen tegen de macht des on- en bijgeloofs’. Daarin hoorde de liefde de hoofdrol te spelen, zei hij. “Daarom zag spreker ’t dan ook zoo gaarne dat onze Vereenigingen zich aaneensloten; dat wij niet op zoveel kleinigheden moesten zien, maar liever de minste moesten zijn in dergelijke zaken van ondergeschikt belang, zooals het al of niet behouden van den naam”; want ook dat laatste was een reden voor deze en gene niet te verenigen, óók in de kerk!

Voor de jongelui was toen het pleit toen beslecht. Nog tijdens de vergadering van 5 februari 1892 werd voorgesteld tot ineensmelting van beide JV’s over te gaan en als nieuwe naam te kiezen ‘Nathanaël’. “Bij stemming blijkt, dat dit met algemeene stemmen aangenomen is. De heer Vonkenberg eindigt, nadat gezongen was psalm 26 vers 6, deze vergadering met dankzegging”.

De JV ‘Nathanaël’ had de beschikking over een flinke bibibliotheek.

Tussen 1892 en 1916.

Zoals al eerder opgemerkt werd op 17 juni 1892 de landelijke vereniging tussen de Christelijke Gereformeerde Kerk (uit de Afscheiding) en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken uit de Doleantie) getekend. De beide synodes hadden afgesproken, dat in plaatsen waar niet zo snel tot ineensmelting tussen beide kerken besloten kon worden, men er daar langer over mocht doen, mits men maar bezig ging met onderhandelingen om tot daadwerkelijke ineensmelting te komen. Hoewel de toekomstige plaatselijke fusiepartners dan vooralsnog volledig zelfstandig bleven, zouden ze toch alvast ‘Gereformeerde Kerk’ heten. Om de plaatselijke gemeenten van elkaar te kunnen onderscheiden zouden ze achter de naam ‘Gereformeerde Kerk’ een letter toevoegen: A, B (en heel soms C).

Haarlem was een van die plaatsen waar de ineensmelting niet gemakkelijk verliep. Dat zou pas in 1916 daadwerkelijk lukken. Daarover later meer, maar nu alvast de opmerking dat in Haarlem tussen 1892 en 1916 dus drie ‘Gereformeerde Kerken’ waren: ‘Gereformeerde Kerk A’ (de gemeente aan de Gedempte Oude Gracht, waarover we hierboven telkens schreven); de ‘Gereformeerde Kerk B’ (de gemeente aan het Klein Heiligland; en ‘Gereformeerde Kerk C’, de Dolerende Kerk. Zodra de drie Haarlemse Gereformeerde Kerken tot ineensmelting zouden overgaan zouden de toevoegingen achter de  naam verdwijnen en was het gewoon ‘Gereformeerde Kerk te Haarlem’. Dan verdwenen de A, de B en de C. Dan was het één kerk met één kerkenraad. Daarover later meer.

Ds. S. Datema (van 1916 tot 1921).

Ds. S. Datema (1868-1957).

Ds. S. Datema (1868-1957) was de laatste predikant die door de Christelijke Gereformeerde Gemeente (afdeling Gedempte Oude Gracht) – sinds 1892 ‘Gereformeerde Kerk A’ – beroepen werd. Enkele maanden voordat A, B en C zouden verenigen (29 december 1916), deed hij intrede in Haarlem, namelijk op 16 april dat jaar.

Naar deel 2 >

© 2018. GereformeerdeKerken.info