De kosters en de barre winter van 1963

door J.W. Ooms (1914-1974)

Een kerk overziet men met één blik, doch slechts kinderen houden uitsluitend dat totaalbeeld voor ogen, schreef Herman de Man lang geleden in zijn grote roman ‘De Koets’. In dat totaalbeeld komt de koster voor als een belangrijk personage in het van gesteente opgetrokken Beth El, het huis Gods.

De koster van de Ebbingekerk (1852-1920) te  Groningen was heel trots op zijn kerkgebouw!

Een koster die in de kerk woont…

Het mag dan waar zijn, dat in de protestantse kerken de koster – de custor of bewaker – een minder hoogwaardig dienaarsambt heeft dan in de rooms-katholieke kerkwereld, waar hij onder leiding van de pastoor staat en het recht heeft tijdens de godsdienstoefening de geestelijke kleding te dragen, niettemin zijn onze kosters uiterst belangrijk.

Toch horen wij in het officiële kerkelijke leven niet zoveel over hen. Hier en daar duikt in de een of andere kerkbode wel eens een berichtje op over een koster, maar vaak komt zoiets toch niet voor.

In de afgelopen weken [de eerste maanden van 1963] hebben wij er tientallen organen op nagekeken. Onder het nieuws van gereformeerd Heerlen vonden wij, dat de kosterswoning onder handen genomen wordt en daarom de familie Rottier momenteel in de kerk woont.  De koster wordt in dat korte bericht sterkte toegewenst. Waaruit wij menen te mogen opmaken dat wonen in de kerk ook niet alles is.

Het interierur van de voormalige gereformeerde kerk te Heerlen.

Verder lazen wij in een kerkenraadsverslag van Lexmond, dat de stoelen, welke rond de avondmaalstafel geplaatst plegen te worden, zeer hinderlijk piepen. Het verslag bericht ons dat de kerkenraad het besluit neemt, de koster te vragen hier iets tegen te doen.

Dan lezen we in de Utrechtse Kerkbode ook nog iets over en van een koster: “De koster van de Noorderkerk verzoekt degenen die eigendommen heeft, deze zo spoedig mogelijk op te halen. Het moet beslist deze week gebeuren, daar anders de eigendommen gaan verdwijnen”. En terwijl wij erover piekerden, of iedereen die eigendommen heeft, deze in de Utrechtse Noorderkerk heeft opgeslagen, zochten we verder naar berichten over kosters.

Weliswaar lazen we nog, dat een predikant er melding van maakt, dat twee paar wanten, een paar handschoenen en een sjaal bij de  koster te bekomen zijn (naar wij vermoeden voor zover hij eigenaar van deze textielgoederen is), maar daar is het bij gebleven. De kosters blijken enigszins ‘de stillen in het kerkelijk land’ te zijn.

De koster hield het interieur van de (vorige) kerk te Lexmond keurig netjes!

Tegenheden des kosters lot…

Toch verdienen ze ten volle, genoemd en geprezen te worden. De barre winter van 1963 zal vooral talrijke kosters destijds nog lang geheugd hebben. En we mogen zeggen: ze wisten van wanten! Niet alleen letterlijk, al bleven vaak handschoenen achter in de kerk; de kosters zorgden dan meestal wel, dat de vergeetachtigen hun wanten kregen en niet al te zeer onthand en met koude handen verder zouden moeten leven.

Ook figuurlijk hebben ze van wanten geweten, onze kosters. De bittere koude van de winter van 1963 heeft vele kosters destijds heel veel nachtrust gekost. De lage temperaturen noodzaakten hen, de verwarmingsinstallatie reeds in het holst van de nacht in werking te brengen, of de capaciteit op te voeren, opdat op zondagmorgen de gemeente er niet al te koud bij zou zitten. Ook de verwarming van de catechisatielokalen en consistoriekamers heeft extra zorgen gebaard. En velen hebben voortdurend geworsteld met het ontdooid houden van waterleidingen en afvoerbuizen, het ruimen van bergen sneeuw, het stroef maken van aanvankelijk spiegelgladde toegangspaden naar het kerkgebouw, en alles wat de strenge winter voor de kosters opleverde.

De meesten hebben vele maanden een misèreleven geleid. Tekort aan nachtrust, kou lijden, strijd tegen grote hoeveelheden binnengelopen sneeuw, zand en pekel. En terwijl zij deden wat mogelijk was om de kerk zo goed mogelijk te onderhouden en de gemeente een draaglijke ontvangst te bereiden, moesten ze vaak mopperaars aanhoren, die klaagzangen aanhieven over kou in de kerk, over tocht en over reumatiektemperatuur.

Het interieur van de gereformeerde Noorderkerk te Utrecht.

Wat een narigheid in zo’n barre winter. Dan denken we bijvoorbeeld aan de koster, die zo trots was op de nieuwe vloerbedekking in de kerkenraadskamer. Maar de ambtsdragers, die op een avond ter kerkenraadsvergadering kwamen met veel pekel aan hun schoenen, knakten des kosters trots: sterk uitgebeten stonden de voetstappen der ouderlingen op de vloerbedekking. Het bleken onuitwasbare en onuitwisbare voetsporen te zijn. De koster heeft met verdriet in het hart niets anders kunnen doen dan de héle vloerbedekking te pekelen, zodat weer een egaal geheel verkregen werd. Maar uiteraard moest hij verder leven met een vloerbedekking welke een zouteloze kleur vertoonde.

Vergeten we ook de kosters niet, die de zorg hadden over torenuurwerken. De strenge vorst bracht menig raderwerk tot stilstand; een spillegang verdraagt een uitzonderlijk lage temperatuur nauwelijks. En dan die kosters maar telefoontjes krijgen: ‘Zeg, weet je dat de torenklok stilstaat?’

Veel tegenheden zijn des kosters lot geweest, in die strenge winter van 1963…

Bron:

J.W. Ooms, De kosters en de barre winter. In: Centraal Weekblad voor de Gereformeerde Kerken in Nederland. 11e jrg. nr. 11, 16 maart 1963

(* J.W. Ooms (1914-1974), was een Nederlandse schrijver en vertaler van tal van jeugdboeken en streekromans die zich afspelen in de Alblasserwaard. Ooms werkte onder meer mee aan het ‘tijdschrift voor het christelijk gezin’ Op den Uitkijk. Hij schreef bovenstaand verhaal in 1963. )