Het ontstaan van de Gereformeerde Kerk te Brussel (1)

De Gereformeerde Kerk in Brussel werd op 30 december 1894 geïnstitueerd.

Kaart van België: Google.

Voorgeschiedenis.

In Brussel woonde sinds 1838 een beperkt aantal Nederlanders en Duitsers die samen hadden besloten als Lutheraensche Gemeente bijeen te komen. Als geloofsbelijdenis had deze gemeente de Onveranderde Augsburgse Confessie aangenomen. Drieëndertig jaar lang, van 1840 tot zijn sterven in 1873) was ds. H. van Maasdijk (1807-1873) als eerste predikant aan die gemeente verbonden.

Ds. H. Maasdijk (1807-1873).

De door de gemeente aangenomen belijdenis riep echter na verloop van tijd weerstanden op bij een deel van de gemeenteleden, die er op wezen dat zij ‘niet de uitdrukking van het geloof van velen der leden’ was. In 1857 kon de kerkenraad in samenspraak met de leden komen tot de formulering van een geloofsbelijdenis waarmee zowel Lutheranen als Calvinisten konden instemmen. Dat hield wel in dat het specifiek Lutherse karakter van de gemeente verdween. De naam van de gemeente veranderde uiteindelijk in ‘Nederlandse Evangelische Gemeente’.

Na het overlijden van ds. Van Maasdijk deed ’de voortreffelijke christen’ ds. N. de Jonge (1845-1898) op 10 mei 1874 intrede in de gemeente, die inmiddels ongeveer 1.900 leden telde. Het evangelisatiewerk lag hem zeer na aan het hart. Uit zijn werkzaamheid ontstond in Brussel op 1 november 1880 de Stads- en Landsevangelisatie. Door die arbeid  ontstonden in Brussel twee ‘Silo-gemeenten’. Door middel van een school voor evangelisten en via het door hem opgerichte Christelijk Volksblad verspreidde hij het evangelie in de wijde omgeving. De predikant werd als het ware zozeer in het werk ondergedompeld dat het hem niet langer mogelijk was het predikantswerk in Brussel met het evangelisatiewerk te verenigen. Dat was de reden dat hij op 31 december 1886 van de Brusselse ‘Nederlandse Evangelische Gemeente’ afscheid nam en zich verder bleef  toeleggen op het werk van de evangelisatie.

Ds. N. de Jonge (1845-1898).

Ds. De Jonge had met de gereformeerde belijdenis kennelijk niet veel op, althans getuige hetgeen gemeentelid K. Tensen in een verhaal over het ontstaan van de Gereformeerde Kerk van Brussel over zijn preken vertelde. Weliswaar was ds. De Jonge een welbespraakt predikant, maar Tensen merkte toch dat hij in zijn preken zo nu en dan een spottende opmerking ten beste gaf over de ‘doordrijvers’ die mensen van gereformeerde belijdenis volgens hem waren.

Ds. A. Pijnacker Hordijk (1851-1925).

Ook de volgende predikant, ‘de beminnelijke’ ds. A. Pijnacker Hordijk (1851-1925), die van 1887 tot 1891 aan de Brusselse ‘Nederlandse Evangelische Gemeente’ verbonden was, preekte naar de mening van Tensen niet (voldoende) overeenkomstig de gereformeerde belijdenis. Dat gold volgens Tensen ook voor zijn opvolger, ds. W. Hoek (1863-1926).

“Hoe beminnelijk en voortreffelijk deze predikanten ook waren, en hoezeer ze om hun christelijke levenswandel geprezen konden worden”, zo zei  gereformeerde Brusselse predikant ds. D.J. Couvée (1889-1978) later, “tóch wordt een kerk pas voldoende gekend aan haar belijdenis, aan de viering der sacramenten en aan de handhaving van de Schriftuurlijke tucht op leven en leer”.

A.G. van Deth (1825-1905). Foto: ‘Guido de Bres-kerk’.

Dat was ook de reden dat gemeentelid A.G. van Deth (1825-1905) – eigenaar van een delicatessenwinkel, en zijn zoon G. van Deth  zich gingen inzetten voor de instituering van een Gereformeerde Kerk in Brussel.

Contact met de Brusselse kerkenraad.

Om daartoe te komen traden zij op 5 januari 1891 voor het eerst in schriftelijk contact met de kerkenraad van hun Nederlandse Evangelische Gemeente in Brussel. Tevoren hadden zij over de instituering van een Gereformeerde Kerk in Brussel al  overleg gehad met dr. A. Kuyper (1837-1920). Deze hielp hen graag bij hun streven. Hij adviseerde hen in contract te treden met hun kerkenraad en hun gedachten aan hen voor te leggen. Kuyper bood aan de benodigde concept-brieven voor hen op te stellen. Dat aanbod aanvaardde men graag. En zo ging op 5 januari 1891 de eerste brief aan de kerkenraad de deur uit.

Dr. A. Kuyper (1837-1920).

Ze schreven in die brief over de zestiende eeuwse kerkhervorming, die in België aan zoveel protestantse martelaren het leven gekost had, ja, van waaruit het protestantisme zich over de Noordelijke Nederlanden verspreidde. Maar, schreven ze, die tijden waren voor de gereformeerde kerken in België gelukkiger dan de tegenwoordige tijd. Want de gereformeerde belijdenis werd niet meer in ere gehouden, de kennis van de gereformeerde leer, door het onderwijs uit de Heidelbergse Catechismus, werd niet meer in de harten geplant. ‘Waarom zou in onze kerken dat leven als van ouds niet opnieuw kunnen ontwaken?’

Vandaar dat de briefschrijvers ‘met bescheidenheid, maar niet minder met aandrang en vertrouwen, het ‘dringend verzoek’ tot de kerkenraad richtten om de Drie Formulieren van Enigheid (waaronder de Heidelbergse Catechismus) te aanvaarden, de laatstgenoemde om daarmee de jeugd te onderwijzen in de christelijke leer. Alleen op deze grondslag kon de kerk, volgens de briefschrijvers, overeind blijven ‘in het strijdperk tegen Rome, veilig tegen de verwatering van het oppervlakkig Methodisme (…) en in staat weerstand te bieden aan de wijsgerige woekerplanten van het rationalisme, die in schijnbaar orthodoxe vormen  thans welig tieren, om aan de Christelijke religie haar voedendste levenssappen te ontnemen’.

Het antwoord van de kerkenraad.

Het verzoek was duidelijk. Aanvankelijk kwam er vijf dagen later, op 10 januari 1891, een schrijven van ds. Pijnacker Hordijk, die bijna afscheid van de gemeente nam. Hij vond echter dat de kerken geen bolwerken mochten opwerpen tegenover andere christelijke kerken door een bepaalde belijdenis aan te hangen. Hij vreesde ‘de valse kerk meer te vinden bij hen die meer hechten aan bijzondere kerken, die steeds van menselijke namen en historische beperkte toestanden afhangen’, dan in kerken waar – zoals in die van Brussel – plaats was voor alle gelovigen.

Ook de kerkenraad antwoordde,  zij het na lange tijd, en wel op 30 september 1891. De kerkenraad wees op het bijzondere karakter van de Nederlandse Evangelische Gemeente in Brussel. Ze opende immers in 1858 de deuren voor belijders zowel uit de gereformeerde als uit de Lutherse of andere protestantse kerken. Ook wees men er op dat de Unie der Synodale Protestantse Evangelische Kerken van België, waarbij de kerk van Brussel aangesloten was, pogingen in het werk stelde toe te treden tot de ‘Panpresbyterian Council’, die de Belijdenis van Westminster aanhing; deze Belijdenis van Westminster – zo schreef de kerkenraad – werd geacht op één lijn te staan met de Nederlandsche Geloofsbelijdenis, een van de Drie Formulieren van Enigheid, geschreven door de protestantse martelaar ds. Guido de Bres (1522-1567).

Guido de Bres (1522-1567) schreef in 1561 de Nederlandse Geloofsbelijdenis, werd daarom gevangen genomen en op 31 mei 1567 opgehangen. Hij werd later de naamgever van de Gereformeerde Kerk te Brussel.

De kerkenraad wees er op dat hij (de kerkenraad) – door deze plannen – evenzeer prijs stelde op ‘een belijdend leven der gemeente’ als de briefschrijvers. Hij verklaarde zich bereid bij de vervulling van de bestaande predikantsvacature (door het vertrek van ds. Pijnacker Hordijk) te overwegen welke maatregelen getroffen zouden moeten worden om de onderwijzing in de Christelijke Waarheid in vruchtbaarheid te doen toenemen, al wist de kerkernaad niet zeker of de Heidelbergse Catechismus daarvoor de beste weg zou zijn.

De reactie van Van Deth c.s.

De briefschrijvers reageerden op 6 november 1891. Daarin wezen Van Deth c.s. erop ‘dat de kerk van Christus toch nooit iets anders kan bedoelen dan Hem toe te behoren. (…) Nu Christus niet meer op aarde is maar ten hemel voer, ontheft ons dit geenszins van de verplichting om onszelf en anderen rekenschap te geven van hetgeen we aangaande de Christus belijden’. Natuurlijk waren de briefschrijvers benieuwd naar de uitslag van de onderhandelingen over de aanvaarding van de Westminster Confessie, maar men vond het tegelijk vreemd dat de Belgische Kerk de belijdenis van haar eigen hervormer, Guido de Bres, zou ‘laten liggen’ met de bedoeling een andere belijdenis te aanvaarden. Graag wilden de briefschrijvers van de kerkenraad vernemen of zij uit de brief van de kerkenraad terecht de conclusie trokken dat ook de kerkenraad van oordeel was ‘dat ook onze kerk een belijdenis moet hebben en dat die belijdenis dan ook een gereformeerde zou moeten zijn’.

De kerkenraad reageerde nog eens.

Mogelijk door de langdurige vacante periode van de gemeente bleef het antwoord van de kerkenraad lang uit. Na een paar herinneringen kwam het uiteindelijk op 3 februari 1892. Uit het antwoord bleek echter dat de kerkenraad het niet eens was met de conclusie van de briefschrijvers. Uit het kerkenraadsantwoord bleek niet dat de kerkenraad vond dat de kerk van Brussel een gereformeerde belijdenis zou moeten hebben. De brief van de kerkenraad werd natuurlijk ook nu doorgestuurd naar dr. Kuyper in Amsterdam, die Van Deth meedeelde dat hij op grond van deze vage toezegging van de kerkenraad onmogelijk ouderling zou kunnen worden in de Nederlandse Evangelische Gemeente van Brussel.

In de omgeving van Brussel.

Los van de Belgische Kerk (juli 1893).

Het antwoord van de kerkenraad bevredigde dus niet. Dat was de reden dat zeven ondertekenaars een brief stuurden naar de kerkenraad van Brussel waarin werd meegedeeld dat men het lidmaatschap van de Nederlandse Evangelische Gemeente van Brussel opzegde. De zeven waren A.G. van Deth en zijn echtgenote mevr. W.G. van Deth-van den Heuvel, en hun drie kinderen G. van Deth A.zn., mej. D. van Deth en W. van Deth, schoonzus mej. A. van den Heuvel en de huishoudster mej. J.F. Ferwerda. In het schrijven werd de reden van hun uittreden nog eens in het kort onder woorden gebracht: “Het is nu duidelijk geworden dat uw kerk een kerk zonder belijdenis is, althans zonder die belijdenis waarvoor onze martelaren, ook hier in België, hun bloed vergoten”.

De kerkenraad antwoordde op 29 juli 1893 verbaasd op de stap. Hij vond dat er geen enkele verandering was in de leiding van de gemeente, waarvan sommigen van de ondertekenaars al ‘een lange reeks van jaren met kennis van toestanden lid waren’. De kerkenraad vroeg daarom bij welke kerk zij hun opgevraagde attestaties wilden afgeven. Op advies van dr. Kuyper antwoordden ze dat ze hun attestaties zouden inleveren bij de Gereformeerde Kerk te Brussel, ‘welke zij hopen dat eerlang, evenals van ouds, weer met haar schone belijdenis, als geïnstitueerde kerk zal kunnen optreden’. Als de kerkenraad daaraan niet zou kunnen voldoen, zouden ze graag bewijzen van lidmaatschap en toelating tot het avondmaal willen ontvangen. Aan dat laatste wilde de kerkenraad voldoen, omdat ‘De Gereformeerde Kerk te Brussel’ nog niet geïnstitueerd was, en dus op die naam ook geen attestaties konden worden afgegeven. De nu afgescheiden gereformeerden vormden op dat moment immers niet meer dan een huisgemeente.

Bij de Classis Dordrecht.

R. Husen schreef onder meer deze boeken.

A.G. van Deth was vermogend genoeg om godsdienstonderwijzer R. Husen, hoofd van een christelijke school, naar Utrecht over te laten komen om zijn kinderen catechisatie te geven. Husen werd later bekend als schrijver van onder meer zijn omvangrijke boeken ‘De Groote Hervormers’ en ‘Geschiedenis der Hervorming’. Maar bij welke kerk zouden de kinderen van Van Deth t.z.t. als belijdende leden moeten worden ingeschreven?  Natuurlijk moest dat in een Gereformeerde Kerk. Van Deth vroeg daarom de gereformeerde Particuliere Synode van Noord-Brabant en Limburg hun toe te staan ingeschreven te worden bij de Gereformeerde Kerk van Dordrecht C (de Gereformeerde Kerk Dordrecht C was van 1892 tot 1903 de tijdelijke naam van de Dordtse Dolerende Kerk, totdat de plaatselijke Gereformeerde Kerken A, B en C in 1903 samengingen in één ongedeelde Gereformeerde Kerk).

Dr. F.L. Rutgers (1836-1917).

Op advies van ‘de jurist der Doleantie’ en VU-hoogleraar, prof. dr. F.L. Rutgers (1836-1917) werd dat toegestaan, net als ook aan de al eerder ter sprake gekomen K. Tensen en zijn vrouw werd toegestaan hun kinderen in Dordrecht C te laten dopen. Een kerkenraadscommissie – bestaande uit ds. K. Fernhout (1858-1953) en ouderling Daane – spoorde vanuit Dordrecht naar Brussel om de beide kinderen van Van Deth in verband met hun belijdenis-doen te onderzoeken. Het hele gezin Van Deth werd op die dag (26 maart 1893) als gastleden in de kerk van Dordrecht C aan de avondmaalstafel toegelaten. De predikant greep ook de kans om die dag voor te gaan in een dienst in de Evangelische Kapel aan de Boulevard Bisschoffsheim 40 (tegenwoordig een kerkgebouw van de Eglise Protestante de Bruxelles).

Nog geen aansluiting bij de GKN (1893).

Ds. K. Fernhout (1858-1953) van Dordrecht.

Maar niet iedereen kon wekelijks ‘de driedaagse reis’ naar Dordrecht ondernemen. Vandaar dat de heer Van Deth zijn plan, om ook in Brussel een Gereformeerde Kerk – als onderdeel van De Gereformeerde Kerken in Nederland – te stichten, niet liet varen. Op advies van ds. Fernhout van Dordrecht richtte hij zich op 4 augustus 1893 tot de Generale Synode van Dordrecht met het verzoek ‘om hulp en raad’ ten einde in Brussel de Gereformeerde Kerk te institueren en om als zodanig tot de Gereformeerde Kerken in Nederland te worden toegelaten. De Synode nam het verzoek echter niet in behandeling. Men achtte het beter dat de gereformeerden in Brussel zich zouden aansluiten bij de Belgische Christelijke Zendings Kerk (BCZK), waarmee de Gereformeerde Kerken in Nederland in officiële kerkelijke correspondentie stonden; wat zoveel betekende als wederzijdse erkenning als ‘kerk van Christus’.

Het uitvoerige synodeverslag voegt daaraan nog toe; ‘Twee broeders zijn van oordeel  dat naar aanleiding van wat door het verzoekschrift van den heer Van Deth c.s. en in de loop der discussies daarover, aangaande de Belgische Zendingskerk ter kennis van de synode kwam, door een commissie dient te worden onderzocht of onze Kerken nog langer correspondentie met de Belgische Zendingskerk kunnen onderhouden’. Ook dat verzoek werd afgewezen.

Van Deth was uiteraard teleurgesteld over de uitspraak van de synode. Er waren – schreef hij op de valreep nog aan de synode – in en rond Brussel gereformeerden genoeg om een eigen Gereformeerde Kerk te institueren, al waren er slechts enkelen van hen als belijdende leden aangesloten bij de Gereformeerde Kerk van Dordrecht. En niet iedereen kon telkens naar Dordrecht heen en terug reizen. Maar Van Deth en de zijnen waren zich ervan bewust dat de synode uiteenging en geen verandering van het besluit te verwachten was. Maar zij hadden in hun schrijven toch ‘met diepe smart’ willen wijzen ‘op het gebrekkige werk der synode’.

Ds. J.C. Sikkel (1855-1920).

Van Deth was niet de enige die teleurgesteld was. Ook anderen waren onbevredigd over het besluit, ‘Het volslagen gebrek aan presbyteriale kerkinrichting [bij de BCZK] te Brussel, waartoe de belijdenis verplicht, had tot kloeke handeling moeten nopen’, schreef ds. J.C. Sikkel (1855-1920) in het Hollands Kerkblad. ‘Ze was waarlijk, gelijk men weet, eene schepping van Calvijn’. Ook dr. A. Kuyper was fel tegenstander van aansluiting bij de BCZK. Hij zou – samen met zijn ‘alter ego’ dr. F.L. Rutgers de broeders in Brussel te hulp schieten!

Enkele vragen en adviezen.

Vooralsnog bleef voor de heer Van Deth weinig anders over dan de kerkenraad van Dordrecht te vragen enkele kerkenraadsleden naar Brussel te sturen om daar enige ouderlingen en diakenen ‘in hun dienstwerk in te leiden’, dus  in hun ambt te bevestigen en daarmee in Brussel de Gereformeerde Kerk te institueren, ‘opdat de sacramenten, waarvan wij sinds lang verstoken zijn, weder onder ons konden bediend worden’. De kerkenraad van Dordrecht vroeg echter eerst prof. Rutgers om advies. Deze adviseerde de kerkenraad  (vooral in verband met de officiële band van de Gereformeerde Kerken in Nederland met de Belgische Christelijke Zendingskerk)  inlichtingen in te winnen bij de door de generale synode benoemde ‘Deputaten voor de correspondentie met buitenlandse kerken’.

Ds. B. van Schelven (1847-1928).

Van Deth schreef toen een brief aan de Amsterdamse ds. B. van Schelven (1847-1928), lid van het hierboven genoemde Deputaatschap. Daarin schreef hij waarom men zich niet bij de Belgische Christelijke Zendingskerk kon en wilde aansluiten.

Maar Van Schelven had het beter gevonden als de broeders in Brussel een kerk geïnstitueerd zouden hebben en dan de generale synode zouden hebben gevraagd om daarmee in correspondentie te treden als buitenlandse kerk. Van Deth stond heel wat anders voor ogen: een Gereformeerde Kerk in Brussel die behoorde tot het kerkverband van De Gereformeerde Kerken in Nederland.

De kerk in Brussel geïnstitueerd (1894).

Daarom besloten de Brusselse broeders tot kerkinstituering over te gaan. Dat besluit viel op zondagavond 16 december 1894 na de kerkdienst. Twee jaar lang hadden de gereformeerden van Brussel nu hun huissamenkomsten gehouden waarin regelmatig voorgegaan werd door predikanten ‘en andere voorgangers’ die hen ‘gesticht en onderwezen’ hadden overeenkomstig de gereformeerde belijdenis, zoals die in de Drie Formulieren van Enigheid was samengevat.

Daartoe kwamen ze opnieuw bijeen op zondag 23 december. Eerst werd gelezen uit Titus 1 vers 4 en verder en uit 1 Timotheüs 3, en na een gebed uitgesproken te hebben, besloten ze ’krachtens het ambt der geloovigen’ de Gereformeerde Kerk te Brussel ‘tot openbaring te doen komen, met het voornemen om zoveel mogelijk kerkelijk te leven’ volgens de Dordtse Kerkorde van 1618 en 1619. Dit schriftelijke besluit werd door twintig manslidmaten ondertekend.

Een oude uitgave van de Dordtse Kerkorde.

Uit een voordracht van vier personen werden twee ouderlingen gekozen: A.G. van Deth en K. Tensen Wzn. Zij namen hun benoeming aan. Vervolgens werd weer een viertal gevormd waaruit twee diakenen werden gekozen, zijnde G.P. Moen en G. van Deth Azn. Ook zij aanvaardden hun benoeming. Besloten werd hen op 23 december aan de gemeente voor te stellen. Dan konden eventueel nog bezwaren ingediend worden. Als die uitbleven zouden ze op 30 december 1894 in het ambt bevestigd worden, waarmee De Gereformeerde Kerk te Brussel zou zijn geïnstitueerd.

Ds. H.J. Reuijl (1862-1904) van Dordrecht C institueerde de Gereformeerde Kerk te Brussel door de bevestiging van ambtsdragers.

En zo gebeurde het, want bezwaren werden niet ingediend, integendeel. In de morgendienst op 30 december – die onder leiding stond van ds. H.J. Reuijl (1862-1904) van Dordrecht C – werden de verkozen ambtsdragers in hun ambt bevestigd. De classis Dordrecht besloot kort daarop de predikant als consulent van de jonge gemeente aan te wijzen, totdat ze haar eerste eigen predikant zou hebben.

Naar deel 2 >

© 2020. GereformeerdeKerken.info