Honderdste sterfdag van Dr. Abraham Kuyper

1920 – 8 november – 2020

Honderd jaar geleden, op maandag 8 november 1920, overleed dr. A. Kuyper (1837-1920). Hij werd op 12 november begraven op Oud Eik en Duinen te Den Haag.

Dr. A. Kuyper (1837-1920).

Op 14 november 1920 schreef zijn zoon, dr. H.H. Kuyper (1864-1945), een herdenkingsartikel in Kuypers kerkelijk weekblad De Heraut. Daarin gaf hij ook een beknopt overzicht van Kuypers belangrijkste geschriften. Dat verhaal nemen wij – in het kader van het ‘Kuyperjaar 2020’ – hieronder over.

Advertentie in ‘De Standaard’ en ‘De Heraut’.

Met stillen weemoed zet ik mij neder om in het blad, waaraan mijn vader tot het laatst zijn krachten heeft gewijd, een woord tot zijne nagedachtenis te schrijven, nu het God den Heere behaagd heeft hem van ons weg te nemen.

Dat het einde naderende was, wisten we, maar toch kwam het nog spoediger dan we hadden verwacht. Zaterdagavond begon plotseling de inzinking van kracht, die het ergste vreezen deed. Al matter en flauwer sloeg de pols, al meer ebde de levenskracht weg. In allerijl werden des Zondags zijn afwezige kinderen geroepen om over te komen. En in de ziekenkamer, die nu een sterfkamer geworden was, vonden zij Idenburg, die in deze bange dagen van krankheid met zeldzame trouw hem telkens bezocht en door zijn liefde verkwikt heeft.

Na de huiselijke godsdienstoefening (foto: ‘Gedenkboek dr. A. Kuyper’).

En toen kwam het nooit te vergeten afscheid. Spreken kon de kranke reeds lang niet meer. Maar wel was het bewustzijn nog helder. En door bewegen van het hoofd kon hij te kennen geven wat hij wilde. Hij liet allen, een voor een, bij zich komen en boog het hoofd naar hen toe om nog een laatste teeken van liefde hun te geven. En toen bad Idenburg, dat God hem in vrede tot Zich nemen zou en hem een zachten uitgang zou geven.

Zoo was het afscheid. De nacht, die volgde, was rustig. Hij sluimerde in, de hand vasthoudende van zijne dochter, die zoo trouw hem verpleegde. In den morgen was het bewustzijn weer weggezonken. Maar ’s middags klaarde het nog eens op. Het laatste levensteeken was de wensch dat Idenburg komen zou. En toen deze gekomen was, ging langzaam de levensvlam uit. Een bangen doodstrijd heeft God genadiglijk hem bespaard. Zoo zacht is hij heen gegaan, dat het wegvlieten van den laatsten ademtocht nauwelijks merkbaar was. Het hijgen van de benauwde borst, het onrustig bewegen der handen, die telkens naar de hand van zijn verpleegster zochten, is voorbij. En bij allen rouw in het hart om het verlies van hem, die is heengegaan, is er dank, dat God de Heere het gebed verhoord en zulk een zacht sterven hem geschonken heeft.

Door de straten (foto: ‘Gedenkboek dr. A. Kuyper’).

Hoe heilig zulk een sterfbed ook moge wezen voor zijne kinderen en hoe noode zij een vreemde daarbij zouden toelaten, toch heeft ons Gereformeerde volk, dat hem zoo liefhad, recht om ter weten, hoe dat einde was. Er is geen wankeling of twijfeling van zijn geloof geweest. Toen Idenburg nog enkele dagen voor zijn sterven vroeg, of hij vaststond in het geloof, boog hij bevestigend het hoofd. Ook tegenover zijne kinderen heeft hij meer dan eens gezegd, dat hij verlangde ontbonden te worden en met Christus te zijn. Hij wist, dat het einde naderde; zelfs wanneer zijne gedachten verward waren, was hij telkens met het einde bezig. Maar hij vreesde het sterven niet. Want hij wist in Wien hij geloofd had en zijn vertrouwen stond op den Heiland, die ook in de donkere vallei der schaduwen des doods hem niet verlaten zou. En dat geloof is niet beschaamd.

Zoo is hij heengegaan, en onze redactie voelt maar al te diep, welk een onherstelbaar verlies dit voor ons blad is. In het aangezicht van de Majesteit Gods, die in den dood zich openbaart, voegt het niet een mensch te prijzen. Maar de rijke gave Gods die Hij in dat menschenkind aan ons volk schonk mag, nu God hem wegnam, toch dankbaar door ons gewaardeerd worden. Om er Hem den lof en den dank voor toe te brengen.

Door de straten op weg naar Oud Eik en Duinen (foto: ‘Gedenkboek dr. A. Kuyper’).

En dat geldt wel inzonderheid voor hetgeen dr. Kuyper door ons blad heeft gedaan om de Gereformeerde beginselen weer ingang te doen vinden onder ons volk. [De staatsman]  Groen van Prinsterer waarschuwde dr. Kuyper, toen hij pas optrad, zich niet aan De Heraut te verbinden, omdat dit blad in slechten reuk stond. De toenmalige Heraut stierf dan ook aan bloedarmoede weg, maar nadat dr. Kuyper eerst [het politieke dagblad] De Standaard had opgericht, voelde hij de behoefte om een zelfstandig orgaan te hebben, waarin hij op kerkelijk gebied leiding kon geven, en zoo herrees De Heraut, 7 december 1877, als een Phoenix uit de asch. En al spoedig bleek welk een machtigen invloed De Heraut  op ons kerkelijk leven uitoefende. Zooals De Standaard het middel werd om ons volk politiek op te voeden, de Antirevolutionaire beginselen weer ingang te doen vinden en ons volk wakker te roepen voor den heiligen strijd voor de eere Gods in heel ons volksleven, zoo werd De Heraut pleitbezorger voor de Gereformeerde beginselen in ons kerkelijk leven; en ’t is aan dr. Kuypers arbeid niet het minst te danken, dat de  aloude Gereformeerde belijdenis weer in haar vollen rijkdom voor het leven van onzen tijd werd verstaan en dat de groote strijd kon worden aangebonden om de Kerk vrij te maken van de banden, waarin zij lag  gekneld.

De begrafenis (foto: ‘Gedenkboek dr. A. Kuyper’).

Schier onafgebroken heeft dr. Kuyper al die jaren zijn beste krachten aan ons blad gewijd. Hoe het mogelijk was te midden van een zoo veel omvattenden werkkring, die meer dan menschelijke kracht eischte, den tijd te vinden om elke week een rijkdom van artikelen voor ons blad te schrijven, valt bijna niet te begrijpen. En toch welde altoos even frisch en klaar de stroom van gedachten uit zijn pen en hoofd op. En daarbij bleek vooral, welk een meesterschap hij bezat over de taal en de uitdrukking der gedachten. Wie het niet wist, zou het nooit geloofd hebben, dat de Staatsman (link), die in De Standaard met veldheersblik den geheelen politieken toestand overzag en de meest pakkende leuzen wist te vinden voor den aanval tegen den vijand, dezelfde man was, die in De Heraut als dogmaticus optrad en zijn breede volgreeksen  schreef over de moeilijkste theologische problemen; dat de redacteur, die in De Standaard zijn schitterend vernuft  deed spelen in de [rubriek] Driestarren, dezelfde was, die in De Heraut zijn innig mystieke meditatiën schreef, die de teerste uitingen waren van het verborgen zieleleven met God. En toch was er ook bij die rijke verscheidenheid in onderwerp en dictie altoos de diepere eenheid van doel en geestesrichting; want dat doel was geen ander, dan om op elk terrein des levens God weer tot Zijn eere te doen komen en Zijne ordinantiën te handhaven…

Een van de sprekers (foto: ‘Gedenkboek dr. A. Kuyper’).

Aan het program, door dr. Kuyper zelf in zijn eerste leader in De Heraut geteekend, is hij altoos trouw gebleven. Zijn doel bij de stichting van De Heraut was, zooals hij schreef, om de Gereformeerde beginselen weer onder ons volk bekend te maken. Aan de overheersching van een uit Duitsland tot ons gekomen Theologie wilde hij een einde maken. Ons volk had een eigen, een echt Nederlandsche Theologie, de aloud-Gereformeerde of Calvinistische, en dáárheen moest het weer worden teruggeleid. Nog leefde die Theologie voort in het hart van het volk, maar  in de wetenschappelijke wereld, ook in den kring der predikanten, telde ze niet meer mee. Het was de ‘nachtschool’ die afgetrapt moest worden.

Maar dr. Kuyper, die zelf te Beesd, Utrecht en te Amsterdam met deze ‘verachte Gereformeerden’ in aanraking was gekomen en in dien kring het beste en vroomste deel van ons volk had leeren kennen, sloot van  ganscher harte zich bij hen aan, werd de bezielde tolk van hun geloof, en deed de kracht van hun belijdenis weer herleven. Doch tegelijk sprak hij reeds in dit eerste artikel het uit dat, al moest, om den grondslag voor een betere Theologie te vinden, teruggekeerd naar de belijdenis onzer vaderen, daarom aan repristinatie niet mocht gedacht worden. Wie Gereformeerd is, schreef hij, moet altoos reformeeren. De belijdenis, die eeuwen lang had stilgelegen, moest ontwikkeld, moest in verband gezet met het denken van onze eeuw, moest een antwoord geven op de behoeften van onzen tijd.

Dat program, heeft hij in ons blad met bezieling ten uitvoer gebracht. Een Dogmatiek, waarin deze nieuwe ontwikkeling der Gereformeerde waarheid over onzen tijd  ons geboden werd, heeft hij, helaas, ons niet gegeven. Zijn college-dictaten, in druk verschenen, geven slechts een flauw denkbeeld van wat deze Dogmatiek had kunnen zijn. Maar wel schonk hij in zijn volgreeksen in De Heraut ons een schat van dogmatische studie, waardoor de Gereformeerde belijdenis weer beter werd verstaan. In: Dat de  genade particulier is, nam hij het op voor wat Calvijn het cor ecclesiae [het hart van de Kerk] noemde, de leer der predestinatie [voorbeschikking] Gods.In een nieuwe volgreeks over de Leer der Verbonden  heeft hij de verbondsgedachte weer onder ons volk in eere gebracht en daarmede een kostelijk tegengif geschonken tegen een eenzijdige opvatting der predestinatie, die tot individualisme moest leiden. En hetzelfde doel werd beoogd, toen hij vervolgens over de Practijk der Godzaligheid handelde. Was daarmee de aansluiting gezocht aan wat het hart der Gereformeerde Theologie is, niet minder bleek hoe Calvinistisch dr. Kuyper was, toen hij daarna handelde over Het Werk van den Heiligen Geest. Warfield, in zijn lezingen over Calvijn zegt, dat Calvijn bij uitnemendheid de theoloog van den Heiligen Geest is geweest. En van dr. Kuyper kan hetzelfde gezegd worden.

Na zoo de grondslagen eerst gelegd te hebben, gaf dr. Kuyper toen, in zijn uiteenzetting van den Heidelbergschen Catechismus [in: E Voto Dordraceno], de saamvatting van heel zijn theologisch stelsel in aansluiting aan hetgeen onze belijdenisgeschriften aan kostelijkst ons hadden geboden.

Nog breeder werd de vlucht toen hij, in een latere volgreeks, het leerstuk van De Gemeene Gratie [de Algemene Genade] behandelde, dat in windselen reeds bij Calvijn te vinden was, maar nu voor het eerst in zijn vollen omvang ontwikkeld werd en waarvan de  beteekenis voor heel het maatschappelijk leven werd uiteengezet.

Nadat zijn ministeriële arbeid een viertal jaren hem gedwongen had zijn persarbeid te laten rusten volgde, na zijn terugkeer van de reis om de oude wereldzee, de nieuwe reeks: Pro Rege, onder welken bezielenden titel ons geteekend werd, hoe op elk terrein van het leven de strijd voor Christus’ Koningschap moest worden gevoerd.

Naast de gemeene gratie, waardoor God het zondebederf stuit en toch nog uit deze gevallen wereld zich eere weet te bereiden, kwam nu het hoogere beginsel tot zijn recht, de taak van Christus’ Kerk om als een zuurdeeg heel de maatschappij in al hare vertakkingen te doordringen en te kerstenen. En als vanzelf volgde daarop als sluitstuk op het gebouw de volgreeks Van de Voleinding, waarin getoond werd,  hoe de wedergeboorte van hemel en aarde, het volkomen herstel van het Koninkrijk Gods, eerst aan het einde der eeuwen te wachten is, niet door onze daad, maar door een herscheppende daad van den Heere onzen God. Daarmee was ook de arbeid van dr. Kuyper voleindigd. Wel begon hij een nieuwe volgreeks, waarin hij het leerstuk der Kerk wilde behandelen, maar de geestkracht zonk weg, de arbeid werd steeds moeilijker, de helderheid van den geest ging allengs schuil. En midden in dezen arbeid nam God hem weg.

Over de beteekenis van dezen dogmatischen arbeid in ons blad zal eerst in de toekomst kunnen geoordeeld worden. Bijna al deze volgreeksen hebben langduriger bestaan gehad dan een [vluchtig] krantenartikel. Ze zijn afzonderlijk uitgegeven en vormen het hoofddeel van dr. Kuypers geestelijke nalatenschap. En wie weet, hoeveel deze werken er toe hebben bijgedragen om de Gereformeerde Theologie weer in eere te brengen, zal hem daarvoor wel het meest dankbaar wezen.

Het verwijt van intellectualisme tegen dr. Kuyper ingebracht, behoeft, voor wie zijn arbeid in De Heraut kent, wel nauwelijks wederlegd te worden. Van dorre, intellectualistische scholastiek was niemand meer afkeerig dan hij. Altoos weer zocht hij de aansluiting van het dogma aan het leven. En welk een diepe achtergrond van mystiek onder deze Theologie schuilt, bleek wel het best uit zijne meditatiën, die voor zo menigeen tot steun en troost zijn geweest.

Welk een verlies het heengaan van dr. Kuyper voor ons blad is, behoeft wel niet gezegd te worden. Zijn plaats is niet te vervangen. Het volle vertrouwen, dat hij van ons volk genoot; de eminente gaven hem geschonken; de klaarheid en helderheid van zijn inzicht; de wondere zeggingskracht van zijn woord; de rijkdom zijner gedachten – dit alles is te zeldzaam in één persoon vereenigd, dan dat zijn evenknie zou kunnen worden gevonden.

Dr. A. Kuyper als minister-president (1901-1905). Foto: ‘Gedenkboek dr. A. Kuyper’.

Maar De Heraut, die zijn schepping is, blijft trouw aan de beginselen, waarvoor hij het pleit heeft gevoerd. Hij zelf heeft niet gewild, dat met zijn dood zijn blad zou ophouden. In zijn testament heeft hij bepaald, dat zijn blad zou blijven bestaan, maar ook – dat was zijn laatste wensch – dat het steeds dienstbaar zou blijven aan de Gereformeerde beginselen. Aan dien wensch zal onze redactie voldoen. Uit handen van onzen leider nemen we het vaandel over, dat hij stervende ons overgaf, en we zullen het trouw en ongerept bewaren.”