De geschiedenis van de protestantse, voormalig gereformeerde Nassaukerk aan de De Wittenkade 111 te Amsterdam is meer dan de geschiedenis van een kerkgebouw. Zij weerspiegelt de ontwikkeling van het gereformeerde protestantisme in Amsterdam en laat zien hoe een traditionele wijkkerk zich in de loop van een eeuw ontwikkelde tot een open protestantse gemeenschap met een belangrijke maatschappelijke en culturele functie in de stad.

Ontstaan in een groeiende stad.
De Nassaukerk ontstond in de traditie van De Gereformeerde Kerken in Nederland, die waren voortgekomen uit de Doleantie van 1886 onder leiding van dr. A. Kuyper (1837-1920). In de decennia rond 1900 bouwden de gereformeerden in Amsterdam een uitgebreid netwerk op van kerken, scholen, verenigingen en maatschappelijke instellingen. Tegelijkertijd groeide Amsterdam sterk. Vooral de nieuwe wijken in Amsterdam-West trokken veel bewoners, waaronder grote aantallen gereformeerden.
De Staatsliedenbuurt ontwikkelde zich tot een dichtbebouwde arbeiderswijk, maar beschikte nog niet over een groot gereformeerd kerkgebouw. Daarom besloot de Gereformeerde Kerk van Amsterdam in de jaren twintig hier een nieuw kerkelijk centrum te stichten. De beschikbare bouwlocatie in de Staatsliedenbuurt vormde een van de laatste mogelijkheden om in deze wijk een grote kerk te realiseren.
Een opmerkelijk ontwerp.
In 1924 schreef de Gereformeerde Kerk van Amsterdam een architectuurprijsvraag uit voor het nieuwe gebouw. Opmerkelijk genoeg werd de opdracht niet gegund aan een architect uit gereformeerde kring, maar aan de rooms-katholieke architect H.G. Krijgsman uit Zeist. Dat was in die tijd ongebruikelijk en leidde tot enige discussie. Toch werd zijn ontwerp, ingediend onder het motto Vrede, als het beste en meest uitvoerbare plan beoordeeld.
Krijgsman ontwierp een kerk in met elementen van de ‘Amsterdamse School’, de architectuurstroming die in die jaren het stadsbeeld van Amsterdam sterk beïnvloedde. De bouw begon in 1925 met het leggen van de eerste steen. De uitvoering van het werk werd opgedragen aan de aannemers S.H. Verschuur en D. Keuris uit Zeist. De bouw nam ongeveer vijftien maanden in beslag.

De kerk werd gebouwd op een terrein dat werd begrensd door de Wittenkade, de Korte Nassaustraat en de Wittenstraat. Het gebouw kreeg een vrijwel vierkante plattegrond en bood plaats aan ongeveer 950 kerkgangers. Daarvan bevonden zich circa 600 zitplaatsen in de hoofdruimte en ongeveer 350 op de galerijen die langs drie zijden van de kerk waren aangebracht.
Het dak werd gevormd door een groot boogvormig houten gewelf dat werd gedragen door eveneens boogvormige ijzeren kapspanten. Daarmee kreeg het interieur een opvallende ruimtelijke werking. Het kerkgebouw ontving van drie zijden daglicht door middel van betrekkelijk kleine vensters met gekleurd glas-in-lood, waarbij ook in de raamvormen de gebogen lijnen van het gebouw werden doorgezet.
De centraal opgezette kerkzaal bevorderde de betrokkenheid van de gemeente bij de eredienst. Voor de eigenlijke kerkruimte lag een verhoogd platform dat niet door een afscheiding van het schip was gescheiden. Rechts van de opgang bevond zich de voorlezersstoel, terwijl links een vast doopvont was geplaatst, hetgeen voor gereformeerde kerken niet vanzelfsprekend was. Op het podium stond het spreekgestoelte, uitgevoerd in een sobere maar monumentale vorm. Boven dit spreekgestoelte werd een orgelgalerij aangebracht, bestemd voor een later te plaatsen kerkorgel.

Aan weerszijden van het kerkgebouw verrezen tegelijkertijd bijgebouwen waarin de consistorie, catechisatielokalen, kerkeraadskamer en andere dienstruimten werden ondergebracht. Daarnaast werden zes woningen gebouwd. De hoofdingang werd aangebracht aan de Wittenkade en kreeg door een vooruitstekend bouwdeel een bijzonder accent in het gevelbeeld. Ook aan de Wittenstraat en de Korte Nassaustraat bevonden zich toegangen.
Een opvallend element was de toren die midden op het gebouw werd geplaatst. Deze bereikte een hoogte van ongeveer vijfentwintig meter boven het maaiveld. In de toren werden een luidklok en een torenuurwerk aangebracht, waarbij het gemeentebestuur van Amsterdam het uurwerk beschikbaar stelde.
Het interieur werd door tijdgenoten omschreven als sober, rustig en verzorgd van toon. Hoewel de decoratie beperkt bleef, was de architectuur rijker en expressiever dan gebruikelijk binnen de gereformeerde traditie. Mogelijk hield dit verband met de katholieke achtergrond van de architect. Daarmee nam de Nassaukerk een bijzondere plaats in binnen de gereformeerde kerkbouw van haar tijd.
De plechtige ingebruikneming op 18 juni 1926.

Op vrijdag 18 juni 1926 vond onder grote belangstelling de plechtige ingebruikneming van de Nassaukerk plaats, die onder leiding stond van ds. S.G. de Graaf (1889-1955). De opening werd bijgewoond door vertegenwoordigers van kerk en overheid. Onder de aanwezigen bevonden zich burgemeester W. de Vlugt, de directeur van de afdeling Publieke Werken J.J. Roovers, talrijke predikanten en leden van de kerkenraad en andere kerkelijke colleges van de Gereformeerde Kerk van Amsterdam.

Tijdens deze bijeenkomst droeg de voorzitter van de commissie van beheer, H.W. Vermeulen, het nieuwe kerkgebouw officieel over aan de kerkenraad. In zijn toespraak herinnerde hij aan de wordingsgeschiedenis van de kerk en sprak hij zijn dank uit aan allen die aan de totstandkoming hadden meegewerkt. Daarbij noemde hij in het bijzonder het gemeentebestuur van Amsterdam, dat de grond in erfpacht beschikbaar had gesteld, de architect H.G. Krijgsman, de aannemers S.H. Verschuur en D. Keuris en het damescomité dat gelden had ingezameld voor het interieur en voor het zilveren avondmaalstel.

Namens de kerkeraad aanvaardde ds. B.A. Knoppers (1883-1968) het gebouw en sprak hij woorden van dank aan de Commissie van Beheer voor haar arbeid.

Vervolgens sprak ds. S.G. de Graaf, predikant van de wijk waarin de kerk was gebouwd, een dankwoord namens de bewoners van de buurt.

De kerk maar opheffen… ? (1940).
Al rond 1940 werd binnen de Gereformeerde Kerk van Amsterdam serieus overwogen om de Nassaukerk op te heffen, hoewel het kerkgebouw pas veertien jaar eerder was geopend. De kerk was in 1926 gebouwd voor de gereformeerden in de Staatsliedenbuurt en omliggende wijken, vanuit de verwachting dat het ledental verder zou groeien en een sterke wijkgerichte kerkstructuur nodig zou blijven.
Die groei bleef echter achter bij de verwachtingen. De gereformeerde bevolking in de buurt nam minder snel toe dan voorzien, de wijk kende veel verhuizingen en in de omgeving stonden meerdere gereformeerde kerken, waardoor het verzorgingsgebied van de Nassaukerk niet altijd duidelijk was. Daarnaast drukten de financiële lasten zwaar op de Amsterdamse Gereformeerde Kerk. Tegen deze achtergrond ontstond een bredere discussie over concentratie van kerkgebouwen en een herindeling van Amsterdam-West.
Hoewel de Nassaukerk rond 1940 daadwerkelijk in beeld kwam voor sluiting of afstoting, zorgden de Duitse bezetting en de oorlogsomstandigheden ervoor dat dergelijke reorganisatieplannen werden uitgesteld. Grote financiële en organisatorische besluiten waren in oorlogstijd namelijk moeilijk uitvoerbaar.
Uiteindelijk bleef de Nassaukerk behouden. In de naoorlogse jaren groeide zij uit tot een belangrijk centrum voor kerkelijk en maatschappelijk werk in de buurt en ontwikkelde zij zich – zoals we zullen zien – tot een markante protestantse kerk in Amsterdam-West.
Een gereformeerde volkskerk in de wijk.
Hoe dan ook, de Nassaukerk werd gebouwd als moderne gereformeerde volkskerk midden in een arbeiderswijk. Zij nam gedeeltelijk de functie over van oudere gereformeerde kerken in de Jordaan, waaronder de Bloemgrachtkerk, die na de opening van de Nassaukerk haar betekenis voor de Gereformeerde Kerk grotendeels verloor en gesloten werd.
Gedurende de eerste decennia van haar bestaan functioneerde de Nassaukerk als een klassieke gereformeerde wijkkerk binnen de verzuilde Nederlandse samenleving. Kerk, school, politiek en maatschappelijke organisaties waren nauw met elkaar verbonden en vormden samen ‘de gereformeerde zuil’.
De kerkelijke gemeente bestond voornamelijk uit gezinnen uit de omliggende arbeiders- en middenstandswijken. Kerkdiensten, catechisatie, jeugdwerk, verenigingen en gemeenteactiviteiten vormden het hart van het kerkelijke leven. Zoals veel gereformeerde kerken kende de Nassaukerk in deze periode een grote betrokkenheid van haar leden.
Ontkerkelijking en nieuwe oriëntatie.

Vanaf de jaren zestig veranderde het religieuze landschap van Amsterdam ingrijpend. Ontkerkelijking, individualisering en de verhuizing van veel gezinnen naar nieuwbouwwijken buiten de stad zorgden voor een afname van het aantal kerkleden.
Ook de Nassaukerk kreeg met deze ontwikkelingen te maken. In plaats van zich terug te trekken ontwikkelde de gemeente echter een nieuw profiel waarin geloof, maatschappelijke betrokkenheid en verantwoordelijkheid voor de buurt centraal kwamen te staan. De kerk bleef daardoor zichtbaar aanwezig in een wijk die bekendstond om haar sociale betrokkenheid en politieke activiteit.
Een pionier in kerkelijke samenwerking.

Een belangrijk keerpunt in de geschiedenis van de Nassaukerk vond plaats in 1982. In dat jaar fuseerde de gereformeerde Nassaukerkgemeente met de hervormde Prinsessekerkgemeente. Deze samenwerking was een vroege voorloper van het landelijke Samen-op-Weg-proces.
De Prinsessekerk werd afgestoten en de gezamenlijke gemeente ging verder in de Nassaukerk. De Nassaukerk werd daarmee een voorbeeld van kerkelijke hereniging nog voordat deze op nationaal niveau werd gerealiseerd.
Een open en betrokken buurtkerk.
Vanaf de jaren tachtig verwierf de Nassaukerk bekendheid als een progressieve en maatschappelijk geëngageerde protestantse gemeente. Tijdens de kraakbeweging en de vredesacties die de Staatsliedenbuurt kenmerkten, vervulde de kerk regelmatig een bemiddelende rol.
Daarnaast liep de gemeente voorop in gesprekken over inclusiviteit, sociale rechtvaardigheid en de positie van mensen met relaties van hetzelfde geslacht binnen de kerk. Tegelijkertijd bleven eredienst, pastoraat en diaconaat een centrale plaats innemen.

Op weg naar de Protestantse Kerk in Nederland.
In 2004 ontstond de Protestantse Kerk in Nederland (PKN) uit een fusie van de Nederlandse Hervormde Kerk, De Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk.
De Nassaukerk werd onderdeel van de Protestantse Kerk Amsterdam en daarmee van de nieuwe landelijke kerk. Daarmee eindigde haar bestaan als zelfstandige gereformeerde gemeente in historische zin, terwijl de protestantse traditie in bredere vorm werd voortgezet.
Kerk, buurtcentrum en culturele ontmoetingsplaats.
In de eenentwintigste eeuw ontwikkelde de Nassaukerk zich verder tot een combinatie van kerk, buurtcentrum en culturele ontmoetingsplaats. Het gebouw biedt ruimte aan kerkdiensten, concerten, lezingen, buurtactiviteiten en uiteenlopende culturele initiatieven.
Vanuit het jongerenwerk ontstond rond 2014 bovendien het initiatief Taizé in Amsterdam. De kerk presenteert zich tegenwoordig nadrukkelijk als een ontmoetingsplek voor zowel kerkleden als buurtbewoners.
Het eeuwfeest van 2026.
In 2026 viert de Nassaukerk haar honderdjarig bestaan. Tijdens dit jubileum wordt niet alleen stilgestaan bij de geschiedenis van het gebouw, maar vooral ook bij de ontwikkeling van de geloofsgemeenschap die er haar thuis vond.
Wat begon als een gereformeerde volkskerk voor een groeiende arbeiderswijk groeide uit tot een brede protestantse gemeenschap met een sterke maatschappelijke, culturele en spirituele functie.

Historische betekenis.
De Nassaukerk neemt een bijzondere plaats in binnen de religieuze geschiedenis van Amsterdam. Zij vertegenwoordigt een van de laatste grote gereformeerde kerkbouwprojecten van het interbellum, vormt een opvallend voorbeeld van een gebouw met daarin verwerkte elementen van Amsterdamse-School-architectuur binnen de gereformeerde traditie, en speelde vroegtijdig een rol in de toenadering tussen hervormden en gereformeerden.
Bovenal laat haar geschiedenis zien hoe Nederlandse kerken zich hebben aangepast aan een veranderende samenleving. De ontwikkeling van de Nassaukerk weerspiegelt de weg van de bloeitijd van de gereformeerde zuil, via de ontkerkelijking van de tweede helft van de twintigste eeuw, naar nieuwe vormen van kerk-zijn in de hedendaagse stad.
Bronnen onder meer:
Paula Irik, Een dapper zootje ongeregeld. Kerk zijn met en in de buurt. Gorinchem, 1995
Literatuur over de geschiedenis van De Gereformeerde Kerk te Amsterdam.
