De Gereformeerde Kerk te Oppenhuizen c.a. (1)

De Afscheiding.

De Afscheiding van 1834 vond in de Zuidwesthoek van Friesland betrekkelijk weinig weerklank. Toch sloten zich destijds ook in Oppenhuizen en het ’tweelingdorp’ Uitwellingerga enkele inwoners aan bij de Christelijke Afgescheidene (later Christelijke Gereformeerde) Kerk. Omdat er in de beide dorpen nog geen eigen gemeente bestond, kerkten zij in Sneek.

Kaart: Google.

Het geïsoleerde dorp.

Oppenhuizen en Uitwellingerga lagen in de negentiende eeuw tamelijk geïsoleerd. De bevolking was sterk op elkaar aangewezen. Men kende elkaar door en door, burenhulp was vanzelfsprekend maar vreemdelingen werden niet altijd met open armen ontvangen.

Nog tot in de jaren veertig van de twintigste eeuw werd verteld dat een jongeman die als vrijer naar Oppenhuizen kwam, het niet altijd gemakkelijk had. Wie een meisje uit het dorp bezocht of probeerde te bezoeken, liep soms letterlijk risico. Het was een overblijfsel van de oude houding: “Wat hebben wij hier met u, o vreemdeling, te doen?”

De hervormde kerk te Oppenhuizen.

Ook het water en het winterse ijs speelden een belangrijke rol in het dorpsleven. De bewoners stonden bekend als uitstekende schaatsers en zeilers. Dat ondervonden de opvarenden van een schip dat in 1889 probeerde het dichtgevroren vaarwater open te breken. Omdat dit op een zondagmiddag gebeurde, beschouwde de bevolking het ook als een grove schending van de zondagsrust. Het schip werd bekogeld met grote stenen – ook geen bij uitstek zondagse bezigheid – en liep aanzienlijke schade op. Bij het daaropvolgende justitiële onderzoek bleek echter dat de dorpelingen “zo dicht waren als een pot”: niemand wilde verklaringen afleggen en er kon dus niemand worden vervolgd. In 1932 deed zich een soortgelijk incident voor.

Aan het geografische isolement kwam op 10 augustus 1860 grotendeels een einde. Op die dag werd de weg van Sneek naar het Zuideinde bij Uitwellingerga officieel geopend. Voor de aanleg waren vijf bruggen nodig geweest, terwijl over het laatste grote water een veerpont de verbinding verzorgde.

De hervormde gemeente.

De hervormde kerk te Uitwellingerga.

Van 1799 tot 1802 was ds. A. Schotsman, zoon van de bekende ds. Nicolaas Schotsman, hervormd predikant van Oppenhuizen en Uitwellingerga. In deze periode had de geest van de ‘Verlichting’ de gemeente nog nauwelijks beïnvloed. Evenals zijn vader was ds. Schotsman een uitgesproken orthodox predikant.

Na zijn vertrek werd hij opgevolgd door ds. W. Ferwerda. Deze was beroepen door de zogenoemde floreenplichtigen: grondbezitters die in Friesland floreenrente betaalden en daardoor onder meer het recht hadden een predikant te kiezen. Deze groep voelde zich doorgaans aangetrokken tot de meer liberale, vrijzinnige richting binnen de Hervormde Kerk, en dat gold ook voor ds. Ferwerda.

Hij behoorde tot de zogenoemde Groninger Richting. De aanhangers daarvan legden minder nadruk op Christus als de goddelijke Verlosser en zagen Hem vooral als ‘het volmaakte voorbeeld van deugd en menselijkheid’. De gemeente zelf bleef echter grotendeels orthodox in haar geloofsbeleving.

Ds. M. Sjoers.

Na enkele andere predikanten kwam in 1873 ds. M. Sjoers naar Oppenhuizen en Uitwellingerga. Hij diende de gemeente tot 1876 en was eveneens een orthodox predikant. Bovendien zette hij zich krachtig in voor de stichting van een christelijke (een hervormde) lagere school. Niet iedereen stelde dat op prijs. In een ongepubliceerd manuscript werd hij daarom spottend aangeduid als “de trompetter van de dompers”.

Zijn opvolger was ds. G.H. van Kasteel (1850-1931), die van 1877 tot 1880 aan de gemeente verbonden was. Hij stond toen al sympathiek tegenover de denkbeelden van dr. A. Kuyper (1837-1920). Later zou hij een bekende predikant in de kring van de Doleantie worden. Ook de predikanten die na hem kwamen, waren allen van orthodoxe richting.

Ds. G.H. van Kasteel (1850-1931) als hervormd predikant in Oppenhuizen.

De Doleantie.

Intussen namen binnen de Nederlandse Hervormde Kerk de spanningen toe. Veel orthodoxe gemeenteleden en predikanten verzetten zich tegen de grote macht van de landelijke synode, die zij aanduidden als de synodale hiërarchie. Daarnaast bestond grote onvrede over het Algemeen Reglement van 1816, dat door koning Willem I aan de kerk was opgelegd en daarmee de eeuwenoude gereformeerde Dordtse Kerkorde had vervangen. Volgens de bezwaarden bood het ‘Algemeen Reglement‘ te veel ruimte aan de vrijzinnigheid, ondermijnde het het gereformeerde karakter van de kerk en beknotte het de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeenten.

Enkele jaren vóór de Doleantie werd in Oppenhuizen en Uitwellingerga overigens een belangrijke wijziging doorgevoerd. De kerkenraad maakte een einde aan het oude systeem waarbij de floreenplichtigen de predikant kozen. Voortaan nam de kerkenraad deze taak zelf op zich, zoals dat naar gereformeerde opvatting ook behoorde.

De Doleantie van 1886 kreeg in deze streek daardoor aanzienlijk meer invloed dan de Afscheiding van 1834.

Een rustig straatje in Oppenhuizen, lang geleden.

Toen bekend werd dat de vroegere hervormde predikant van Oppenhuizen, ds. G.H. van Kasteel, zich op 7 juli 1886 in Kollum bij de Doleantie had aangesloten, ontstond het plan hem uit te nodigen om weer ‘es in Oppenhuizen te komen preken. De initiatiefnemers vroegen de kerkvoogdij schriftelijk toestemming om de hervormde kerk daarvoor beschikbaar te stellen. Nadat een tweede verzoek eveneens was afgewezen, bleek duidelijk dat de kerkvoogdij daaraan geen medewerking wilde verlenen.

De hervormde kerkenraad probeerde vervolgens de ontstane verdeeldheid te overbruggen en stelde een commissie in om met de bezwaarden in gesprek te gaan. Daarbij werd gevraagd of zij de hervormde kerkenraad nog als wettige kerkenraad erkenden.

Hun antwoord was helder: “Wij erkennen en eren de kerkenraad als een van God ingestelde instelling, mits zij Jezus Christus erkennen, en optreden tegen alle menselijke verordeningen die tegen Zijn koninklijke Majesteit indruisen. Omdat de kerkenraad het gezag van Jezus Christus verwerpt, mogen noch kunnen wij de kerkenraad erkennen.”

Ds. A. van Griethuijsen stond van 1881 tot zijn overlijden in 1894 als hervormd predikant in Oppenhuizen en Uitwellingerga.

De correspondentie hield daarmee niet op. Ook in 1889 werden nog verscheidene brieven gewisseld. Op 18 februari van dat jaar riepen de bezwaarden de kerkenraad op de “Reformatie der Kerk” ter hand te nemen door te breken met de synodale hiërarchie, het Algemeen Reglement terzijde te stellen en ‘opnieuw kracht en geldigheid te verlenen aan de Dordtse Kerkorde’. ‘Niet koning Willem I’, zo schreven zij, ‘maar Christus is Koning van de Kerk’.

De briefschrijvers vonden het onbegrijpelijk dat een orthodoxe kerkenraad vasthield aan een kerkorde die volgens hen juist de vrijzinnigheid beschermde. Maar voor de kerkenraad – voorzitter ds. A. van Griethuijsen – was de maat uiteindelijk vol. De kerkenraad verklaarde niet langer lijdelijk te kunnen toezien hoe de gemeente door de zogenoemde “Reformatie” steeds verder uiteengereten werd. De ondertekenaars van de brieven werden daarom wegens ‘verstoring van orde en rust’ uit het lidmaatschap van de Hervormde Kerk ontzet.

Daarmee was de breuk definitief. In de jaren 1892 en 1893 stroomden de bedankjes voor het lidmaatschap van de Hervormde Kerk bij de kerkenraad binnen.

Eigen diensten.

In de schuur achter het huis (rechts) aan de Buorren 62 in Uitwellingerga werden de eerste Dolerende kerkdiensten gehouden.

De verwijdering tussen de hervormde gemeente en de bezwaarden leidde er uiteindelijk toe dat een kleine groep besloot zelfstandig kerkdiensten te gaan beleggen. Tot de voortrekkers behoorden F. de Jong, W. Koopmans, S. Steenstra, G. Jongmans en S. Cuperus.

Op 27 november 1892 kwamen zij bijeen om, zoals in de notulen staat, “de treurige toestand onzer plaats op kerkelijk gebied” te bespreken. De vergadering besloot eigen kerkdiensten te organiseren.

De eerste samenkomst vond plaats op zondag 11 december 1892 in een eenvoudig hok achter de winkel waarin later Sj. Dotinga woonde, aan de Buorren 62 te Uitwellingerga. De omstandigheden waren verre van ideaal, maar men achtte het van groter belang dat het Woord werd verkondigd dan dat men over een passend kerkgebouw beschikte.

Het tijdstip was veelzeggend. Slechts enkele maanden eerder, op 17 juni 1892, waren de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken (dolerende) landelijk verenigd tot De Gereformeerde Kerken in Nederland. Daardoor veranderde ook de situatie in Oppenhuizen en Uitwellingerga ingrijpend.

Ds. P.N. Kruyswijk (1855-1902).

Al vóór deze Vereniging van 1892 had de Dolerende predikant van Sneek, ds.  P.N. Kruyswijk (1855-1902), herhaaldelijk aangedrongen op de instituering van een zelfstandige Gereformeerde Kerk voor de beide dorpen. Niet iedereen was daarvan overtuigd. Sommigen vonden de groep nog te klein, terwijl anderen liever in Sneek bleven kerken bij de (vroegere) Christelijke Gereformeerde Gemeente, maar inmiddels (tot 1906) Gereformeerde Kerk te Sneek A genoemd

Na de landelijke Vereniging van 1892 ging de classis Sneek zich echter actief met de zaak bemoeien. Zij benoemde twee consulenten: ds. J.H. Landwehr (1864-1930) van Sneek A en ds. Kruyswijk van Sneek B (de letters ‘A’ en ‘B’ vormden de tijdelijke onderscheiding van de twee landelijk gefuseerde kerken, totdat ook plaatselijk de eenheid een feit werd; in Sneek was dat in 1906). Onder hun leiding werden plannen gemaakt om de jonge gemeente verder op te bouwen.

De belangstelling voor de kerkdiensten nam intussen toe. Het kleine lokaal achter de winkel bleek al spoedig te klein, zodat de samenkomsten werden verplaatst naar de schuur van G. Schriemer, later bekend als het pakhuis van Van der Veen.

Ds. J.H. Landwehr (1864-1930).

De classis stelde bovendien een preekrooster op, zodat regelmatig gereformeerde predikanten konden voorgaan. Ds. Landwehr leidde de eerste dienst op 11 december 1892 en vervolgens werd iedere zondag een classispredikant beschikbaar gesteld.

Over de plaats van samenkomst werd later met enige humor opgemerkt: “Aangenaam was de plaats van samenkomst niet; aan de ene kant van de schutting de koeien, aan de andere kant de gemeente.”

Zelfs in deze beginperiode deden zich echter al verschillen van inzicht voor. Zo wilden sommige gemeenteleden stemmen door handopsteken, omdat zij meenden dat deze wijze rechtstreeks aansloot bij de praktijk die in het bijbelboek Handelingen wordt beschreven.

De Gereformeerde Kerk te Oppenhuizen c.a. (1893).

Hoewel de gemeente nog klein was, groeide de overtuiging dat het tijd was om tot officiële instituering over te gaan, door de bevestiging van ambtsdragers. Op 31 januari 1893 besloten de 21 aanwezige manslidmaten een verzoek te richten aan de classis Sneek om een consulent aan te wijzen die hen bij de vorming van een zelfstandige gemeente kon begeleiden.

Op 16 maart 1893 belegden de beide consulenten, ds. Landwehr en ds. Kruyswijk, daarom een gemeentevergadering. Ds. Kruyswijk stelde daar de beslissende vraag of men wilde overgaan tot de verkiezing van een kerkenraad.

‘De Bazuin’, 21 april 1893.

De uitslag liet weinig twijfel bestaan. Van de 26 aanwezige manslidmaten stemden achttien vóór instituering. Twee stemden tegen en vijf brachten een blanco stem uit. De aanwezigen waren deels afkomstig uit de vroegere Christelijke Gereformeerde Gemeente van Sneek en deels uit de kring van de Sneker Dolerenden.

Nog geen maand later, op 12 april 1893, werd De Gereformeerde Kerk te Oppenhuizen c.a. officieel geïnstitueerd. Van een Dolerende Kerk was toen geen sprake meer. Sinds de Vereniging van 1892 maakte de nieuwe gemeente immers deel uit van De Gereformeerde Kerken in Nederland.

Tot ouderlingen werden op 12 april gekozen: S. Steenstra en F. de Jong en tot diakenen : G. Jongmans en W. Koopmans. Zij werden tijdens de dienst op diezelfde dag in het ambt bevestigd en daarmee beschikte de jonge gemeente over haar eerste kerkenraad.

Nieuwe vragen…

Vrijwel onmiddellijk dienden zich nieuwe vragen aan. Zou de gemeente een eigen predikant beroepen? En was het verantwoord een eigen kerkgebouw te bouwen?

Voor een kleine gemeente waren dat ingrijpende besluiten. Toch bleek al spoedig dat het vertrouwen groot was. D.T. Jongbloed stelde een stuk grond beschikbaar voor de bouw van een kerk, terwijl een ‘liberaal’ — of, zoals men toen zei, vrijzinnig-hervormde — inwoner van Sneek bereid was een lening te verstrekken. Daarmee leek de weg naar een eigen kerkgebouw geopend.

Naar deel 2 >

© 2026. GereformeerdeKerken.info

Translation into English:

The ‘Gereformeerde’ Church at Oppenhuizen c.a. (1).

The Secession.

The Secession of 1834 found comparatively little support in the southwestern region of Friesland. Nevertheless, a number of residents of Oppenhuizen and its “twin village” of Uitwellingerga joined the Christian Seceded Church (later the Christian Reformed Church) at that time. Since neither village yet had its own congregation, they attended services in Sneek.

The Isolated Village.

During the nineteenth century, Oppenhuizen and Uitwellingerga were fairly isolated. The inhabitants depended heavily on one another. Everyone knew each other intimately, neighbors naturally helped one another, but strangers were not always welcomed with open arms.

As late as the 1940s, people still recounted that a young man courting a girl in Oppenhuizen did not always have an easy time. Anyone who visited—or even attempted to visit—a local girl sometimes ran a literal risk. It was a remnant of the old attitude: “What have we to do with you here, stranger?”

The surrounding waters and the winter ice also played an important role in village life. The inhabitants were renowned as excellent skaters and sailors. This became evident to the crew of a vessel that, in 1889, attempted to break open the frozen waterway. Because this took place on a Sunday afternoon, the villagers regarded it as a serious violation of the Sabbath. The ship was pelted with large stones—not exactly a Sunday activity either—and suffered considerable damage. During the subsequent judicial investigation, however, it became apparent that the villagers were “as tight as a jar”: no one was willing to make a statement, and consequently no one could be prosecuted. A similar incident occurred again in 1932.

The village’s geographical isolation largely came to an end on 10 August 1860, when the road from Sneek to the Zuideinde at Uitwellingerga was officially opened. The project had required the construction of five bridges, while a ferry provided the crossing over the final stretch of open water.

The ‘Hervormde’ Congregation.

From 1799 to 1802, Rev. A. Schotsman, son of the well-known Rev. Nicolaas Schotsman, served as minister of the ‘Hervormde’ congregation of Oppenhuizen and Uitwellingerga. During this period, the spirit of the Enlightenment had scarcely influenced the congregation. Like his father, Rev. Schotsman was a decidedly orthodox minister.

After his departure, he was succeeded by Rev. W. Ferwerda, who had been called by the so-called floreenplichtigen—landowners in Friesland who paid floreen tax and thereby possessed, among other privileges, the right to choose the minister. This group generally favored the more liberal, modernist wing of the ‘Hervormde’ Church, and this was also true of Rev. Ferwerda.

He belonged to the so-called Groningen School. Its adherents placed less emphasis on Christ as the divine Redeemer and regarded Him primarily as “the perfect example of virtue and humanity.” The congregation itself, however, largely remained orthodox in its faith and practice.

After several other ministers, Rev. M. Sjoers came to Oppenhuizen and Uitwellingerga in 1873. He served until 1876 and was likewise an orthodox minister. In addition, he worked energetically to establish a Christian (‘Hervormde’) elementary school. Not everyone appreciated these efforts. In an unpublished manuscript he was therefore mockingly referred to as “the trumpeter of the killjoys.”

His successor was Rev. G. H. van Kasteel (1850–1931), who served the congregation from 1877 to 1880. By then he was already sympathetic to the ideas of Dr. Abraham Kuyper (1837–1920). He would later become a well-known minister within the Doleantie movement. The ministers who followed him were likewise all of orthodox persuasion.

The Doleantie.

Meanwhile, tensions within the ‘Hervormde’ Church continued to increase. Many orthodox church members and ministers opposed the extensive authority exercised by the national synod, which they referred to as the synodical hierarchy. There was also widespread dissatisfaction with the General Regulation of 1816, imposed on the church by King William I, which had replaced the centuries-old Church Order of Dordrecht. According to the objectors, the General Regulation allowed too much room for liberal theology, undermined the ‘gereformeerde’ character of the church, and restricted the autonomy of the local congregations.

A few years before the Doleantie, an important change was introduced in Oppenhuizen and Uitwellingerga. The church council abolished the old system under which the floreenplichtigen selected the minister. From then on, the church council itself assumed this responsibility, in accordance with the ‘gereformeerde’ understanding of church government.

As a result, the Doleantie of 1886 exerted considerably more influence in this region than the Secession of 1834 had done.

When it became known that the former minister of Oppenhuizen, Rev. G. H. van Kasteel, had joined the Doleantie in Kollum on 7 July 1886, plans were made to invite him to preach once again in Oppenhuizen. The organizers submitted a written request to the church wardens asking permission to use the ‘Hervormde’ church building. After a second request was likewise refused, it became clear that the church wardens had no intention of cooperating.

The ‘Hervormde’ church council then attempted to bridge the growing division by appointing a committee to meet with the objectors. They asked whether the dissenters still recognized the ‘Hervormde’ church council as the lawful church council.

Their reply was unequivocal:

“We acknowledge and honor the church council as an institution ordained by God, provided that it acknowledges Jesus Christ and acts against all human ordinances that are contrary to His royal Majesty. Since the church council rejects the authority of Jesus Christ, we neither may nor can recognize the church council.”

The correspondence did not end there. Several more letters were exchanged in 1889. On 18 February of that year, the objectors urged the church council to undertake the “Reformation of the Church” by breaking with the synodical hierarchy, setting aside the General Regulation, and “once again giving force and validity to the Church Order of Dordrecht.”

“It is not King William I,” they wrote, “but Christ who is King of the Church.”

The letter writers found it incomprehensible that an orthodox church council continued to uphold a church order which, in their opinion, served primarily to protect liberal theology. For the church council, however—under the chairmanship of Rev. A. van Griethuijsen—the measure was finally full. The council declared that it could no longer stand by passively while the congregation was being torn apart by the so-called “Reformation.” The signatories of the letters were therefore expelled from membership in the ‘Hervormde’ Church for “disturbing the order and peace” of the congregation.

The breach was now complete. During 1892 and 1893, numerous resignations from membership in the ‘Hervormde’ Church were submitted to the church council.

Independent Services.

The growing estrangement between the ‘Hervormde’ congregation and the objectors eventually led a small group to begin holding worship services independently. Among the pioneers were F. de Jong, W. Koopmans, S. Steenstra, G. Jongmans, and S. Cuperus.

On 27 November 1892, they met together to discuss, as the minutes record, “the deplorable ecclesiastical condition of our locality.” The meeting resolved to organize their own worship services.

The first service was held on Sunday, 11 December 1892, in a simple shed behind the shop where Sj. Dotinga would later live, at Buorren 62 in Uitwellingerga. The circumstances were far from ideal, but those gathered considered the preaching of God’s Word to be of greater importance than possessing a suitable church building.

The timing was significant. Only a few months earlier, on 17 June 1892, the Christian Reformed Church and the ‘Nederduitsche Gereformeerde’ (Doleantie) had united nationally to form The ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands (De Gereformeerde Kerken in Nederland). This fundamentally changed the situation in Oppenhuizen and Uitwellingerga as well.

Even before this Union of 1892, the Doleantie minister from Sneek, Rev. P. N. Kruyswijk (1855–1902), had repeatedly urged the establishment of an independent ‘gereformeerde’ church for the two villages. Not everyone was convinced. Some believed the group was still too small, while others preferred to continue attending services in Sneek with the former Christian Reformed Congregation, which after the union was temporarily known as ‘Gereformeerde’ Church A (until 1906).

Following the national union, the Classis of Sneek became actively involved. It appointed two advisers (consulents): Rev. J. H. Landwehr (1864–1930) of Sneek A and Rev. Kruyswijk of Sneek B. (The designations A and B temporarily distinguished the two nationally united church bodies until local unification had also been achieved; in Sneek this did not occur until 1906.) Under their leadership, plans were developed to strengthen the young congregation.

Attendance at the worship services steadily increased. The small room behind the shop soon proved inadequate, and the services were moved to the barn of G. Schriemer, later known as Van der Veen’s warehouse.

The classis also prepared a preaching schedule, ensuring that ‘gereforeerde’ ministers could regularly conduct the services. Rev. Landwehr led the first service on 11 December 1892, after which a minister was made available every Sunday.

Looking back, people later remarked humorously about the meeting place:

“The place of worship was not particularly pleasant; on one side of the fence were the cows, and on the other side the congregation.”

Even during these early days, however, differences of opinion already emerged. Some members wished to vote by a show of hands because they believed this method most closely reflected the practice described in the Book of Acts.

The ‘Gereformeerde’ Church at Oppenhuizen c.a. (1893).

Although the congregation was still small, there was a growing conviction that the time had come to proceed with its official organization through the ordination of office-bearers. On 31 January 1893, the 21 male communicant members present decided to submit a request to the Classis of Sneek asking it to appoint an adviser who could guide them in forming an independent congregation.

Accordingly, on 16 March 1893, the two advisers, Rev. Landwehr and Rev. Kruyswijk, convened a congregational meeting. At that meeting Rev. Kruyswijk posed the decisive question of whether the congregation wished to proceed with the election of a church council.

The outcome left little room for doubt. Of the 26 male communicant members present, eighteen voted in favor of organizing the congregation, two voted against, and five cast blank ballots. Those present came partly from the former Christian Reformed Congregation of Sneek and partly from the circle of the Sneek Doleantie movement.

Less than a month later, on 12 April 1893, The ‘Gereformeerde’ Church at Oppenhuizen c.a. was officially instituted. There was no longer any question of it being a Doleantie church. Since the Union of 1892, the new congregation formed part of The ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands.

On 12 April, S. Steenstra and F. de Jong were elected as elders, while G. Jongmans and W. Koopmans were elected as deacons. They were ordained to office during the service held that same day, and thus the young congregation received its first church council.

New Questions…

Almost immediately, new questions arose. Should the congregation call its own minister? And was it wise to build a church of its own?

For such a small congregation, these were weighty decisions. Yet it soon became apparent that confidence was high. D. T. Jongbloed made a plot of land available for the construction of a church, while a liberal—or, as people then said, liberal ‘Hervormde’ —resident of Sneek was willing to provide a loan. This appeared to open the way toward the construction of their own church building.

To Part 2 >