“De wederoprigting der Chr. Gereformeerde Kerk in Vriesland”

door ds. S. van Velzen.

Inleiding.

Aan het begin van het eerste notulenboek (uit 1836) van de gereformeerde Particuliere Synode Friesland (toen provinciale vergadering geheten) schreef de eerste Friese Afgescheiden predikant, ds. S. van Velzen (1809-1896) de hieronder volgende inleiding, waarin hij de aanleiding tot de Afscheiding in Friesland onder woorden bracht.

De handtekening van ds. S. van Velzen.

De redactie van GereformeerdeKerken.info bracht de ‘tussenkoppen’ aan en voegde illustraties toe, evenals hier en daar enkele aanvullende opmerkingen tussen [].

Verhaal van de wederoprigting der Christelijke Gereformeerde Kerk in Vriesland.

Door ds. S. van Velzen.

“Sints de laatste helft der vorige eeuw was ook in deze provincie, evenals in de andere deelen van Nederland, het bederf meer en meer in de Gereformeerde Kerk [sinds 1816 ‘Nederlandsche Hervormde Kerk’ genaamd] doorgedrongen. Langzamerhand werden de getrouwe en regtzinnige leeraars door anderen vervangen, die den waarachtigen leer, gelijk zij van God en Zijn Woord geopenbaard is, en in de formulieren der Gereformeerde Kerk vervat wordt, verloochenden, om in plaats daarvan hunne dwalingen in te voeren, welke ontrouw jegens God en de gemeente straffeloos geduld werd, en vooral na de scheiding van Kerk en Staat in het laatste tiental jaren der achttiende eeuw zich sterker openbaarde.

‘De vijand ging door met onkruid zaaien’.

Van nu af aan werden de Godzaligen in den lande gedurig geërgerd door de neologische gevoelens welke in leerredenen en geschriften geopenbaard werden. Sommigen waarschuwden wel over het verval en getuigden tegen het bederf, terwijl velen over deze treurige toestand der kerk bekommerd waren.  Maar toch ging de vijand desongeacht voort met volle handen het onkruid te zaaien, zoodat zelfs in den jare 1806 en 1807 door de Synode van Vriesland een besluit werd gemaakt, waarbij een gezangboek ten gebruike bij de openbare Godsdienstoefeningen werd ingevoerd, in hetwelk de verderfelijke tijdgeest tot ondermijning der Waarheid en verspreiding van zielsverpestende dwalingen, duidelijk geopenbaard werden.

Ds. S. van Velzen (1809-1896).

En toen vele ledematen, nevens enkele predikanten, hunne afkeer van deze gezangen te kennen gaven, maakte die synode een nieuw besluit, waarbij de predikanten en leden van de kerkeraden gedwongen werden, indien zij niet liever gecensureerd wilden worden, om de gezangen te gebruiken. Na dien tijd zijn de gezangen in alle gemeenten aangenomen, maar heeft ook tevens een geest van vijandschap tegen Christus en Zijn volk bijna de geheele kerk ingenomen. De weinige Godzaligen waren meestal in eene diepe slaap en toonden zich bevreesd voor de eer van hunne Koning Jezus te strijden, terwijl de vijanden met list hunne  kunstenarijen in het werk stelden om de kerk geheel en al te verwoesten.

‘De Regering der Kerk geheel omver geworpen’.

Daardoor gelukte het hun in den jare 1816 de regering der kerk geheel en al omver te werpen. Onder begunstiging van de wereldlijke overheid werd de gemeente van alle invloed op het bestuur en de aangelegenheden der kerk beroofd, terwijl de regeering aan eenige weinigen opgedragen werd, die niet van de gemeente, dus ook niet van God, maar van den wereldlijken Koning geroepen waren.

Van nu af werden de regten der gemeente vertrapt, de vroegere instellingen werden verbroken. Het eedformulier, waarbij de aankomende predikanten verpligt werden tot de prediking en handhaving der Gereformeerde leer, werd vervangen door een nieuw, in hetwelk aan alle predikanten vrijheid vergund werd om de Waarheid te vervloeken en volgens hunne eigene overtuiging te prediken, terwijl eene menigte van verordeningen in de kerk werden ingevoerd, waarvan velen regtstreeks streden tegen Gods Woord en de gereformeerde leer, die daarop gegrond is, of ook louter volgens menschelijke willekeur waren ingerigt.

‘De grouwelijkste dwalingen verkondigd’.

En hoewel door dit alles de Gereformeerde Kerk werkelijk ontbonden was, nogthans was er niemand die voor de eere Gods en het heil der Gemeente streed. De weinige regtzinnige en Godzalige leeraars toch waren bevreesd om zich krachtig tegen den vijand te verzetten, terwijl de bijzondere lidmaten onkundig werden gelaten van de snoode handelingen die door de regeering der kerk gepleegd werden. Het kon echter niet anders of het gezaaide onkruid moest weldra openbaar worden.

Ds. H. de Cock, de eerste Afgescheiden predikant in Nederland. (Illustratie: Handboek ten dienste van de Gereformeerde Kerken in Nederland, 1905).

Spoedig toch was het zoo ver gekomen dat een predikant die de zuivere gereformeerde leer verkondigde eene zeldzaamheid werd. Schier overal werden de grouwelijkste dwalingen verkondigd. Het leerstuk der eeuwige verkiezing, der toerekening van Adams zonde en schuld, van ’s menschen onmagt en ellende, der Drieëenheid, der eeuwige generatie van den Zoon, der regtvaardigmaking en andere leerstukken die in de Cathechismus, Geloofsbelijdenis en Dordtsche Leerregels vermeld staan, werden alomme vervalscht, verdraaid of verloochend.

‘Vele uren reizen om de zuivere prediking te horen’.

Vandaar, dat vele godzalige mannen, zij die de zuivere prediking van het evangelie wenschten te hooren, vele uuren moesten reizen; vandaar ook dat velen in het gebruik der Bondszegelen werden verhinderd, en reeds begonnen te vreezen dat de Heere ons land geheel zoude verlaten om in de andere deelen der wereld zijne kerk opterigten. En zeker bestonden er groote redenen om dit te vrezen, dewijl niet slechts eene vreeselijke lauwheid en onverschilligheid bij de grootste menigte geopenbaard werd, maar ook reeds de leeraars opentlijk te kennen gaven, dat zij niet meer verbonden waren aan de Formulieren van Eenigheid.

In deze toestand werd het geroep der Godzaligen al meer en meer dringend tot den Heere, dat Hij zich toch over Zijn volk wilde ontfermen en getrouwde arbeiders in Zijne wijngaard wilde uitzenden. Maar ook verhoorde de Heere deze bede. In de naburige provincie Groningen was een man, welke de Heere had verkooren om het werk der Hervorming te beginnen. De weleerw. H. de Cock, leeraar te Ulrum, ontmaskerde opentlijk twee wolven welke de Schaapskooij van Christus hadden aangetast, doch werd ook daarom zoozeer gehaat dat het kerkbestuur weldra den moedigen strijder voor God en zijn volk van het leeraarsambt ontzette. Alle middelen werden door hem in het werk gesteld om Zijnen post te blijven behouden, doch alles te vergeefsch.

Een bekend boekje van ds. H. de Cock.

‘Het voorbeeld van ds. H. de Cock gevolgd’.

En toen nu eindelijk alle wegen beproefd waren, doch ook bevonden was dat van het klassikaal bestuur tot op de Synode toe alle de besturen in die Kerk zich vijandig betoonden tegen den Heere Christus en afkeerig van de Waarheid, toen ook zag de Weleerwaardige leeraar met zijne gemeente zich verpligt zich van die Kerk, welke zich de valsche kerk betoonde, aftescheiden en overeenkomstig Artikel 28 van de Nederlandsche Geloofs Belijdenis het ambt der geloovigen aan te nemen.

Weldra werd ook dit voorbeeld op andere plaatsen in Groningen gevolgd, zodat er alras verscheidene gemeenten aldaar gestigt werden. Door deze gebeurtenissen werden ook in onze provincie velen opmerkzaam gemaakt. Alhier toch was nog altijd een volk overgebleven, hetwelk wel verspreid was door alle plaatsen, maar nochtans verbonden door één geloof in Eenen Geest aan onzen Heer Jezus Christus. Deze hadden de gereformeerde leer bewaard, niettegenstaande vele huurlingen hun daarvan hadden zoeken te beroven, en verheugden zich thans met nieuwe vreugde wijl zij de verlossing zagen naderen.

‘Te Burum werd opnieuw de eerste gereformeerde gemeente gestigt’.

Het duurde dan ook niet lang of ook alhier stonden er sommigen op die zich van de Hervormde Kerk, gelijk die sinds 1816 bestaat, afscheidde. Te Burum werd de eerste gereformeerde gemeente opnieuw gesticht hetwelk geschiedde op zondag 21 juni 1835 en niet lang daarna werden te Bolsward [op 27 november 1835], Harlingen [op 1 december 1835], Minnertsga [ook op 1 december 1835], Hallum [op 7 januari 1836], Ferwerd [3 december 1835] en Leeuwarden [op 8 december 1835] gemeenten bevestigd. Nog echter was nergens in deze provincie een dienaar van genoemde kerk afgescheiden en aan de gestigte gemeenten toegevoegd. Doch ook hier behaagde het den Heere te voorzien. De predikant S. van Velzen te Drogeham getuigde opentlijk tegen de afval der kerk en verwierp ook eenigen tijd daarna de gezangen, door welk gedrag echter ook jegens hem de haat van het kerkbestuur dermate werd opgewekt, dat hij eerst geschorst en daarna van de dienst des Woords werd afgezet.

Het eerste kerkje van de Afgescheidenen in Leeuwarden (1842-1858).

De predikant echter scheidde zich [op 11 december 1835] met een gedeelte der gemeente af van de hervormde kerk van 1816, om weder te keren tot de oude paden door aan de opbouw der ware kerk mede te werken. Hierna [verbreidde] de Afscheiding zich meer en meer in deze provincie [..], zoodat achtereenvolgens nog op verscheidene plaatsen door den predikant S. van Velzen gemeenten zijn gesticht, zoals te Boornbergum [op 22 december 1835], te Hollum, Ferwoude, Oudega [op 11 februari 1836] en Wolvega [27 februari 1836].

‘De Afscheiding dringend noodzakelijk’.

Uit het hetgeen tot hiertoe gezegd is, blijkt het tevens genoegzaam hoe dringend noodzakelijk deze Afscheiding van de zoogenaamde Herv. Kerk van 1816 is. Duidelijk ook wordt zulks geleerd in Gods Woord, bijvoorbeeld in den tweeden brief van Paulus aan die van Corinthen, hoofdstuk 6 vers 14-18 en aan de Romeinen 16 vers 17, waarom ook in het 28ste artikel der Ned. Geloofs Belijdenis, ‘dat een ieder schuldig is zich aftescheiden van de valsche kerk en te voegen bij de ware kerk’, al [ware ook de magistraten en placaten der princen daartegen], dat nu trouwens die hervormde kerk van 1816 blijkens de kenmerken die daarvan worden opgegeven in het 29ste artikel der Geloofs Belijdenis, de valsche kerk is.

Dit is duidelijk gebleken, zoowel uit de schriften en daden van derzelven leeraars, alsook uit hetgeen daaromtrent (…) van verschillende afgescheidene leeraars is aangetoond. Desniettemin blijven nu nog vele gelovigen van verre staan, die werkeloos dezen strijd tegen het Rijk des Satans aanschouwen, terwijl daarenboven de overheden en wereldsche magten, op [velerlei] wijzen, de opbouw van Zion tegenwerken. Daardoor Zijn de gemeentes reeds op vele plaatsen geplaagd met geregtsdienaars, geldboeten en soldaten, waardoor alle zamenkomsten van meer dan twintig personen worden verhinderd.

Het Afgescheiden kerkje te Oudega (Small.), aan de Achterwei. In 1909 werd het verkocht aan de Chr. Geref. Gemeente te Drachten en steen voor steen afgebroken en per schip vervoerd naar de nieuwe standplaats aan de Noorderdwarsvaart in Drachten. In Oudega werd namelijk een nieuwe kerk in gebruik genomen.

‘Vrees niet, o Israël, want Ik hebbe u verlost’.

Hoe echter ook de wereld moge razen en woeden, de Heere heeft gezegd: Vrees niet o Israël, want Ik hebbe u verlost. Gij zijt Mijne, de Heere, de Christus is de rots waarop Zijne gemeente is gebouwd en daarom zullen de machten der helle dezelfde niet overweldigen”.

Bron:

Acta van de Particuliere Synode der Gereformeerde Kerken in de provincie Friesland. Tresoar, Leeuwarden