De Gereformeerde Kerk te Monster

Inleiding.

Op 18 oktober 1867 werd in het Zuid-Hollandse ’s-Gravenzande de ‘Gereformeerde Gemeente onder het Kruis’ geïnstitueerd. Dat gebeurde onder leiding van de Kruisgemeente te ’s-Gravenhage door ds. W.G. Smitt (1842-1912) aldaar, op verzoek van twintig belijdende leden te ‘s-Gravenzande.

Kaart: Google.

De Kruisgemeente te ’s-Gravenzande (1867).

Als ouderlingen werden die dag in het ambt bevestigd de tuinders Pieter Boon Gzn. te ’s-Gravenzande en Jan van der Marel te Monster. Diakenen waren koopman Dirk van der Hoeven te ’s-Gravenzande en tuinder Nols van Velden te Naaldwijk. Vanaf het begin in 1867 was oefenaar M. Bruininks (1827-1906) aan de gemeente van ’s-Gravenzande verbonden. Maar in het jaar daarop werd hij als predikant op Art. 8 van de Kerkorde (‘singuliere gaven’) aan de gemeente verbonden. Aan zijn jaartraktement van fl. 600 is af te lezen dat de gemeente behoorlijk draagkrachtig was.

Ds. M. Bruininks (1827-1906).

Dat blijkt ook uit het feit dat al het jaar daarop besloten werd tot de bouw van een kerk. In februari 1868 kocht gemeentelid Hendrik Verheul, weliswaar zonder beroep maar kennelijk goed in de slappe was, voor fl. 600 een stuk grond, gelegen aan het toenmalige Molenslop (tegenwoordig de Pieter Heusstraat) in het dorp. Toen dat geregeld was leende hij de kerkelijke gemeente óók nog eens een bedrag van fl. 7.000 om een kerk en een pastorie te bouwen, al was het kerkgebouw ‘weinig sierlijk’.

Het kerkje uit 1868 te ‘s-Gravenzande.

‘De gevel [was] van boven in ogiefvorm met een boog erboven afgewerkt. De ramen half romaans, half gotisch, met matglas bezet. In de kerk aan weerszijden de vierpersoons mannenbanken, in het midden de lange vrouwenbanken. In het [doop-] hekje aan één zijde de banken voor ouderlingen, diakenen, voorlezer, koster en enkele oud-ouderlingen; aan de andere zijde de domineesbank en een bank voor enkele vooraanstaande gemeenteleden’, zo beschreef ds. A.H. van Minnen (1866-1950), die daar van 1897 tot zijn emeritaat in 1938 stond, het eerste kerkgebouwtje. Het werd in de volksmond al gauw ‘het kerkje aan het fijne slop’ genoemd.

Christelijke Gereformeerde Gemeente te ’s-Gravenzande (1869).

Twee jaar na de instituering, in juni 1869 en nog tijdens de ambtsperiode van ds. Bruininks, ging de Kruisgemeente mee met de landelijke kerkenfusie tussen de Christelijke Afgescheidene Kerk en de Gereformeerde Kerk onder ’t Kruis. De nieuwe naam zou zijn: Christelijke Gereformeerde Kerk. Zo ontstond in dat jaar de ‘Christelijke Gereformeerde Gemeente te ’s-Gravenzande’.

Ds. N.J. Engelberts (1831-1918).

Het jaar daarop vertrok ds. Bruininks naar Amersfoort en werd hij opgevolgd door ds. N.J. Engelberts (1831-1918) van Zutphen. Deze was tot 1873 aan de gemeente verbonden, toen hij een beroep van de gemeente te Hazerswoude opvolgde en afscheid nam van ‘s-Gravenzande.

De instituering van de Christelijke Gereformeerde Gemeente te Monster (1874).

Toen ds. Engelberts in 1873 afscheid nam van ’s-Gravenzande en een nieuwe predikant beroepen moest worden, staken de ’s-Gravenzandse gemeenteleden die in Monster woonachtig waren, de koppen bij elkaar. Was dit misschien het juiste moment om een zelfstandige gemeente te worden? Daarvoor waren immers meerdere redenen: ten eerste de afstand tot ’s-Gravenzande; ten tweede het toenemende aantal gemeenteleden in Monster en ten derde het feit dat de beroeping van een nieuwe predikant ook voor de gemeenteleden in Monster verplichtingen schiep; het traktement moest betaald worden, en dat zou voor de ’s-Gravenzandse gemeente problemen kunnen gaan opleveren als zij later zouden vertrekken en die dan kleinere gemeente verder met de traktementskosten zouden opschepen.

Vandaar dat onder leiding van de Monsterse ambtsdragers in ’s-Gravenzande, Johannes van der Marel, Frans Boers en Nols van Velden, de nodige voorbereidingen getroffen werden. Overleg werd gepleegd met de kerkenraad van ’s-Gravenzande en ook de classis werd om toestemming gevraagd om te Monster een zelfstandige Christelijke Gereformeerde Gemeente te vormen. Zowel de kerkenraad als de classis gingen er mee akkoord. De classis benoemde ds. W.G. Smitt van Den Haag tot consulent van de aanstaande gemeente.

Ds. W.G. Smitt (1842-1912) institueerde de kerk van ‘s-Gravenzande en was consulent van de kerk te Monster.

Nols van Velden had intussen een perceel grond ter beschikking van de kerkelijke gemeente gesteld waarop een kerk gebouwd kon worden. Hij hoefde er geen geld voor. De broeders konden dus meteen plannen maken voor de kerkbouw. En met ds. Smitt werd overlegd om de instituering van de gemeente te regelen.

Op 10 april 1874 beschreef ds. Smitt de gang van zaken in het eerste notulenboek. Daaruit bleek dat op die dag ten huize van Johannes van Velden bijeengekomen waren de manslidmaten Frans Boers, Nols van Velden en negenentwintig anderen, die met hun gezinnen zouden toetreden tot de nieuwe Christelijke Gereformeerde Gemeente te Monster. Samen werd gebeden en gezongen psalm 84 vers 3, ‘waarna door ons is overgegaan tot de stichting der gemeente, waartegen door niemand der tegenwoordige lidmaten eenig bezwaar is ingebracht’. Als ouderlingen, ‘die opnieuw aan de gemeente waren voorgesteld’, werden in het ambt bevestigd Frans Boers en Johannes van der Marel en als diaken Nols van Velden. Daarmee was de Christelijke Gereformeerde Gemeente te Monster geïnstitueerd.

De gehinderde kerkbouw (1874-1875).

Het werd tijd om de plannen voor de kerkbouw op de grond van Nols van Velden te realiseren. Burgemeester G. van Luik werd geraadpleegd. Het ging echter niet zo makkelijk als men aanvankelijk misschien gedacht zal hebben. De burgemeester haalde namelijk de ‘Wet van het toezicht op de kerkgenootschappen’ uit zijn boekenkast en las een paar belemmerende regelingen voor. Zo moest de afstand van de te bouwen kerk tot het bestaande hervormde kerkgebouw minstens tweehonderd meter bedragen. Dus kwam het Kadaster er aan te pas. En toen deze had meegedeeld dat de afstand ‘ongeveer tweehonderd meter’ bedroeg, overlegde de burgemeester met zijn wethouders.

Op 18 april 1874 beslisten B en W echter negatief op het verzoek. Dat was de reden dat kerkenraadslid Boers in zijn zondagse kleren en met gepoetste schoenen naar Den Haag trok, naar het kantoor van de Commissaris des Konings, de liberaal Cornelis Fock.

Commissaris des Konings Cornelis Fock.

De Commissaris raadde hem aan een verzoekschrift te richten aan de Gedeputeerde Staten. Het resultaat daarvan gaf de broeders nieuwe moed. Al snel stuurde het College van G.S. twee man naar Monster om de zaak te onderzoeken en besliste dat het besluit van B & W vernietigd werd.

Dat beloofde veel goeds! Vandaar dat de kerkenraad alvast aanstalten maakte om met de bouw te beginnen. Meester-metselaar Van Spronsen en meester-timmerman J. Snijder kregen opdracht aan de slag te gaan. Allerlei bouwmaterialen werden aangevoerd en ook het fundament voor de nieuwe kerk werd gelegd, ‘zodat het werk zeer voorspoedig voortging’.

Halverwege juni 1874 bleek echter dat tegen het besluit van Gedeputeerde Staten beroep was aangetekend. Boers dus weer naar de Commissaris des Konings. Deze adviseerde de bouw te staken! Toen de Raad van State – die de zaak nu in handen had – berichtte dat de processtukken op het gemeentehuis konden worden ingezien bleek… dat het niet het College van B & W was dat bezwaar tegen de kerkbouw had ingediend, maar de hervormde kerkenraad!

Het kwam dus tot een hoorzitting voor de Raad van State. ‘De drie broeders, op zijn paasbest uitgedost, lieten zich per rijtuig naar de stad brengen, terwijl sommige Monsteraars spotten: ‘Al zetten de nieuwlichters drie hoeden op elkander op, zij zullen het niet winnen!’. Nadat de hervormde predikant ds. H.A. van der Ven de bezwaren van zijn kerkenraad had toegelicht en Boers ‘voor een krachtige verdediging’ zorgde, was het afwachten geblazen.

Aeneas Baron Mackay (1806-1876).

Boers zou echter Boers niet zijn als hij niet nóg een ijzertje in het vuur had: hij bezocht de geestverwante antirevolutionaire Minister van Staat Ae. Baron Mackay (1806-1876), lid van de Raad van State. Ook daar bepleitte hij de zaak van de Monsterse kerkenraad. Op 27 oktober 1874 ontvingen de broeders in Monster bericht van de Raad van State. Het bezwaar van de hervormde kerkenraad was verworpen!. Koning Willem III had het besluit persoonlijk ondertekend.

Nu kon de kerkbouw worden voortgezet. En toen men zo ver was dat boven de hoofdingang de traditionele gedenksteen kon worden aangebracht, hoefde men niet lang na te denken over de tekst: ‘Zo God voor ons is, wie zal dan tegen ons zijn’, uit Romeinen 8 vers 31b. ‘En van toen af (…), dus reeds tien jaren (…), kan er gezegd worden dat er géén openbare partijschap van hún tegen over óns meer is betoond geworden’, zo schreef ouderling Boers later.

Ds. C.S. Boss (1845-1924).

De nieuwe kerk kon zonder verdere problemen worden afgebouwd. En in oktober 1875 kon het gebouw onder leiding van consulent ds. C.S. Boss (1845-1924) van ’s-Gravenzande in gebruik genomen worden.

Een dominee (1876) en een pastorie.

De gereformeerde kerk van 1875 aan de Heerenstraat te Monster (1875-1936).

De bouw van een pastorie was vooralsnog achterwege gebleven. Maar als een nieuwe predikant zou worden beroepen – en die plannen had men – dan zou er toch ook een predikantswoning moeten komen. Vandaar dat de kerkenraad met de kerkelijke gemeente afsprak om wekelijks ‘als contributie’ een bedrag af te zonderen. In de nieuwe kerk werden bovendien de zitplaatsen verhuurd, wat voor inkomsten zorgde om het kerkelijk leven draaiende te houden.

Ds. A. Brouwer (1838-1901).

In oktober 1875 werd een ‘tweetal’ opgesteld van predikanten waaruit de manslidmaten hun keuze konden maken, bestaande uit ds. A. Brouwer (1838-1901) van Hellevoetsluis en ds. W. Sieders (1845-1930) van Enkhuizen. De manslidmaten kozen voor ds. Brouwer, zodat deze werd beroepen. Hij bedankte echter; maar de kerkenraad hield vol en bracht met toestemming van de classis voor de tweede maal een beroep op de predikant uit. Dat nam hij aan. Ds. Brouwer deed op 2 april 1876 intrede. Voor de gemeente brak toen een rustige tijd aan. Ook tijdens de huisbezoeken en bij de kerkvisitatie was telkens alles in orde. Bovendien groeide het ledental, mede omdat geregeld nieuwe leden vanuit de hervormde gemeente overkwamen. Maar de predikant bleef slechts vier jaar aan de gemeente verbonden en vertrok in oktober 1880 naar de kerk van Huizen, N.H.

Twee nieuwe predikanten: ds. Van der Munnik (van 1881-1883) …

Ds. J.D. van der Munnik (1852-1934).

Natuurlijk werd het beroepingswerk weer opgepakt en werden achtereenvolgens (overigens tevergeefs) beroepen uitgebracht op de predikanten J.W.A. Notten (1843-1914) van ‘s-Hertogenbosch en J. Wisse Czn. (1843-1921) van Den Haag. Uiteindelijk werd het beroep dat werd uitgebracht op kandidaat J.D. van der Munnik (1852-1934) uit Kampen aangenomen. De predikant was slechts kort, van 1881 tot 1883, aan de gemeente te Monster verbonden. Daarna vertrok hij naar de kerk van Assen.

…  en ds. Van Diemen (1884 tot 1885).

Ds. K.B. van Diemen (1836-1913).

Ook de daarop volgende predikant, ds. K.B. van Diemen (1836-1913) van Broek op Langedijk, die na een aantal vergeefse beroepen op andere predikanten aan de gemeente verbonden werd, bleef slechts kort. Het lag niet aan de arbeidsvoorwaarden: het traktement bedroeg inmiddels fl. 1.000 met ‘genoegzaam aardappelen voor zijn huisgezin met vrije woning en vrijdom van personele belasting, en hoofdelijke omslag’.

Tijdens zijn ambtsperiode werd de vraag actueel of men in de leesdiensten preken van de Britse Baptistenpredikant Charles Haddon Spurgeon (1834-1892) mocht voorlezen. Hij was immers niet gereformeerd en bovendien geen predikant van Monster!

Charles Haddon Spurgeon (1834-1892).

De classis adviseerde desgevraagd de voor te lezen preken eerst maar eens goed op het gereformeerde gehalte te onderzoeken en dán daarover een beslissing te nemen. Als iets in een preek gevonden werd ‘dat tot ontstichting kon leiden’ zou dat er uit gelaten kunnen worden.

Ook rommelde het in het nabijgelegen dorp Ter Heijde, dat kerkelijk onder Monster ressorteerde. Sommige gemeenteleden zagen het kerkgaan in Monster kennelijk niet meer zo zitten en begonnen op eigen houtje diensten te houden, waarbij mensen van buiten de kerkenraad voorgingen. Herhaaldelijk werden ze door de kerkenraad vermaand, maar sommigen volhardden en werden als lid van de gemeente geschrapt.

Ds. J.H. Landwehr (van 1886 tot 1892).

Ds. J.H. Landwehr (1864-1930).

Als opvolger van ds. Van Diemen kozen de manslidmaten kandidaat J.H. Landwehr (1864-1930) uit Leiden. Hij was gedurende ongeveer zes jaar aan de kerk van Monster verbonden. Tijdens diens ambtsperiode vonden enkele belangrijke gebeurtenissen plaats. Ten eerste waren de landelijke problemen in de hervormde kerk tot uitbarsting gekomen in de vorm van de Doleantie, de tweede orthodoxe uittocht uit die kerk, onder leiding van dr. A. Kuyper (1837-1920). Weliswaar leidde dat in Monster niet tot de instituering van de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)’, maar wel scheidden zich enkele lidmaten van de Monsterse hervormde gemeente af en sloten zich aan bij Dolerende kerken in de omgeving. Natuurlijk werd ook op de classis Delft over de Doleantie gesproken en over de vraag hoe de Christelijke Gereformeerde Kerk zich daaromtrent diende op te stellen. Afgesproken werd vooralsnog een afwachtende houding aan te nemen. Toch werden enkele Dolerende hervormden in de kerkdiensten van de christelijke gereformeerden in Monster gesignaleerd. In 1890 waren het er zelfs al ’velen’ die in de christelijke gereformeerde kerk kwamen.

In januari 1889 werd op aandringen van ds. Landwehr een JV (Jongelings Verenging) opgericht, Obadja genaamd. Bijbelstudie en onderzoek van de belijdenisgeschriften en de kerkgeschiedenis waren het voornaamste doel daarvan, al werden ook de ‘minder zware activiteiten’ niet vergeten. De jongelui vroegen in oktober of de kerkenraad misschien kon zorgen dat ze wat meer ruimte tot hun beschikking konden krijgen. De vereniging groeide kennelijk. Tegelijk vroegen ook enkele gemeenteleden om uitbreiding van de vergaderruimte. Zij waren bereid in de gemeente langs de deuren te gaan om geld bij elkaar te krijgen voor de aanbouw van een vergaderlokaal. Voor ongeveer fl. 110 zou timmerman Sigmond zowel de consistorie verbouwen en vergroten als een schuur bouwen voor de opslag van kolen en stoven. De werkzaamheden werden kort daarop uitgevoerd.

De Gereformeerde Kerk te Monster (1892).

Ds. A. van Veelo (1844-1910).

In januari 1890 kreeg de kerkenraad het verzoek van de Monsterse Dolerende leden om in de christelijke gereformeerde kerk twee Dolerende predikanten te laten optreden ten einde ‘de afschaffing van het juk der synodale hiërarchie in de hervormde kerk te bevorderen’. De Dolerenden hadden het oog op ds. A. van Veelo (1844-1910) van Rotterdam en ds. J.C. Sikkel (1855-1920) van Den Haag. Ds. Van Veelo was in 1887 in Klundert met zijn gemeente in Doleantie gegaan en ds. Sikkel was in hetzelfde haar in het Friese Hijlaard in Doleantie gegaan.

Ds. J.C. Sikkel (1855-1920), die op 17 januari 1887 met zijn gemeente te Hijlaard in Doleantie ging.

De kerkenraad van Monster besloot dat niet toe te staan. Het zou ongetwijfeld de kerkelijke verhoudingen in het dorp op scherp gesteld hebben. Precies twee jaar later kreeg een gelijksoortig verzoek echter wél de medewerking van de kerkenraad, al moest de gevraagde dienst op een door-de-weekse-dag plaatsvinden. Dat door deze toestemming de toenadering tussen christelijke gereformeerden en Dolerenden in het dorp flink bevorderd werd, spreekt voor zich.

En dat kwam goed uit, want intussen waren landelijk al jarenlang gesprekken gaande tussen beide generale synodes met het doel samen te gaan. De kerkenraad volgde die gesprekken met belangstelling, al wilde men meer duidelijkheid hebben over de vraag hoe de ineensmelting tussen beide kerken moet verlopen op plaatsen waar samengaan vooralsnog niet wenselijk was door onderlinge verschillen. Die regeling kwam er: beide synodes spraken af dat in die gevallen beide kerken weliswaar ‘Gereformeerde Kerk’ zouden heten, maar vooralsnog zelfstandig konden blijven, zij het met toevoeging van de letter A achter de naam van de oudste kerk in die plaats (meestal de Christelijke Gereformeerde Gemeente) en een B achter de naam van de jongste (wat meestal de Dolerende kerk was). Maar wat Monster betreft was dat niet aan de orde. Daar wás immers geen Dolerende kerk.

Net na het vertrek van ds. Landwehr naar de kerk te Sneek (in april 1892) werd in juni de landelijke ineensmelting gerealiseerd, waardoor ‘De Gereformeerde Kerken in Nederland’ ontstonden. Ook in Monster veranderde de naam van ‘Christelijke Gereformeerde Gemeente’ geruisloos in ‘Gereformeerde Kerk’.

Ds. Sillevis Smit (van 1893 tot 1896).

Ds. P.A.E. Sillevis Smit (1867-1918).

Na het vertrek van ds. Landwehr werd een tweetal vergeefse beroepen uitgebracht, maar in april 1893 werd bekend dat kandidaat P.A.E. Sillevis Smit (1867-1918), die door de manslidmaten was gekozen en door de kerkenraad beroepen, de roeping had opgevolgd. Op 27 augustus 1893 deed hij intrede. De predikant bleef drie jaar in Monster. Hij betrok de pastorie die tijdens de vacature bewoond was door de hoofdonderwijzer van de christelijke school. De predikant initieerde de oprichting van een christelijke bibliotheek, waarvan de gemeenteleden gebruik konden maken ter meerdere lering en ontwikkeling. Op 26 januari 1896 – nog geen drie jaar na zijn komst – nam hij afscheid in verband met zijn vertrek naar de kerk van Rotterdam

Ds. G. Kramer (van 1896 tot 1897).

Dr. G. Kramer (1870-1897).

In december 1896 werd hij opgevolgd door de gepromoveerde kandidaat dr. G. Kramer (1870-1897). Slechts eenmaal woonde deze de kerkenraadsvergadering bij, want heel kort daarop, begin januari 1897, werd hij ernstig ziek en stierf op de tiende van die maand. Zijn voorganger, ds. Sillevis Smit, leidde de diensten op de zondag na het sterven van ds. Kramer. Ds. Sillevis Smit schreef: ‘In Monster is een graf gedolven, waarin mét onzen beminden Kramer een gegronde verwachting voor Kerk en wetenschap, een rijkdom van idealen en liefde, een schat van blijdschap en verheuging, zoo verscheurend smartelijk voor deze aarde is ondergegaan’.

Ds. T. Kramer (1897 tot 1933).

Zijn opvolger was een naamgenoot: ds. T. Kramer (1867-1937) van het Friese Rottevalle. Tijdens zijn ambtsperiode zijn meerdere min of meer belangrijke gebeurtenissen gepasseerd. Allereerst raakte het oude orgel buiten adem. Het kon niet meer.

Zierikzeesche Nieuwsbode 16 juli 1913.

Een orgelcommissie werd benoemd die een collecte ‘langs de huizen’ organiseerde en voorstelde eens per maand in de kerk voor dit doel te collecteren. Ook zou een lening worden uitgeschreven in aandelen van tien en vijfentwintig gulden. Begin januari 1900 was er bijna fl. 290 binnen. Kennelijk werd het instrument daarmee alleen opgeknapt, want pas in 1913 werd een nieuw orgel in gebruik genomen.

Ds. T. Kramer (1867-1937).

De JV Obadja was intussen verleden tijd. Op initiatief van ds. Kramer werd een nieuwe vereniging opgericht, die zich meteen onder toezicht van de kerkenraad stelde. De kerkenraad besloot in 1900 ook een nieuwe regeling voor de verkiezing van ambtsdragers in te voeren. In het vervolg zouden de manslidmaten in de gelegenheid gesteld worden op voorbedrukte formulieren twee namen van door hen geschikt geachte personen te vermelden. De kerkenraad zou de ingediende namen inventariseren en daaruit een voordracht opstellen, waarbij men zich zoveel mogelijk zou houden aan het totaal aantal stemmen dat op de verschillende genoemde predikanten was uitgebracht.

Van belang was daarbij ook dat het ledenregister van de kerk in goede orde verkeerde. Daaraan bleek echter nogal wat te mankeren, reden waarom gemeentelid C. Storm de opdracht kreeg een sluitend ledenregister te maken. Daartoe was speciaal hij in staat omdat hij goed bekend was met de historie van de gemeente en bovendien een ‘nette hand van schrijven’ had. In 1902 werd het nieuwe register gedrukt.

Een nieuwe kerk of de oude verbouwen?

In 1909 bleek de financiële situatie van de kerk minder rooskleurig dan in de tijd daarvoor. Zo was het ledental gedaald, en ook de opbrengst van het orgelfonds was nog steeds niet voldoende om een nieuw instrument te financieren. Bovendien was het kerkgebouw aan een opknapbeurt toe. Uiteindelijk werd in november 1909 door de manslidmaten besloten een commissie te benoemen die moest onderzoeken of uitbreiding van de kerk mogelijk was. De commissie stelde voor met lijsten bij de deuren langs te gaan waarop de gemeenteleden konden aangeven hoeveel men voor het beoogde doel wilde geven. Ook wilde de commissie aandelen plaatsen en zou moeten worden onderzocht of een hypotheek verkregen kon worden.

De oude kerk met het oude orgel, dat tot 1913 gebruikt werd.

Anderen vroegen zich openlijk af of kerkverbouw geen goed geld naar kwaad geld gooien was. Kon niet veel beter een geheel nieuwe kerk worden gebouwd? En als je dan tóch bezig was ook een nieuwe pastorie? En was er voor een nieuwe kerk grond te krijgen?

Al deze voorstellen werden van plannen voorzien. Een nieuwe kerk met pastorie zou fl. 21.000 kosten. Uitgesmeerd over een aantal jaren zou dat jaarlijks fl. 830 kosten. Het verbouwen van de kerk zou echter per jaar maar fl. 370 kosten. Tijdens een manslidmatenvergadering bleek desondanks dat bijna iedereen voor de bouw van een níeuwe kerk was. Maar de daarop gehouden peiling hoeveel de leden dan wilden geven voor de bouw van die kennelijk zozeer gewenste nieuwe kerk, maakte duidelijk dat niets anders restte dan de oude kerk te vergroten. Aldus geschiedde.

In augustus 1910 werd de inschrijving voor de verbouwing van de kerk gehouden. Het verf-, metsel- en timmerwerk werd aan drie firma’s opgedragen: De Zoete, Van der Boom en Altena, voor een totaalbedrag van ruim fl. 9.000. Ook de aankleding van de kerkzaal werd onder handen genomen. En zo kon op 5 januari 1911 de ‘vergrooting en verfraaijing van ons kerkgebouw’ in gebruik genomen worden. De oud-predikanten Landwehr en Sillevis Smit, alsmede ds. A.H. van Minnen (1866-1950) van ’s-Gravenzande, gaven van hun belangstelling blijk en hielden een toespraak.

Een nieuw orgel (1913).

Het in 1913 in gebruik genomen orgel in de oude kerk.

Het jaren eerder opgelapte orgel moest ook nodig vervangen worden. Vandaar dat de bouwcommissie werd omgedoopt tot orgelcommissie, die onderzoek deed naar de mogelijkheid een nieuw orgel aan te schaffen. Voor fl. 1.000 had de fa. Standaart te Rotterdam een orgel in de aanbieding.

Afgesproken werd dat het instrument boven de preekstoel geplaatst zou worden en op 2 juli 1913 werd het orgel in gebruik genomen. Nog steeds was J.A. van der Marel de organist die de kerkzang begeleidde. Bij de ingebruikneming van het nieuwe orgel werd – net als destijds bij de inwijding van het oude orgel – psalm 68 vers 10 gezongen. Behalve Van der Marel bespeelde ook ds. Van Minnen het orgel met vaardige handen; hij gaf zelfs ‘een concert’.

Ds. A.H. van Minnen (1866-1950) op latere leeftijd.

De tijd van de Eerste Wereldoorlog.

Ten gevolge van de mobilisatie van het leger naar aanleiding van het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, waarin ons land neutraal wilde blijven en bleef, werd ook in Monster een bataljon soldaten gelegerd. De kerkenraad stelde de consistorie van de kerk beschikbaar als Christelijk Militair Tehuis om te zorgen dat de soldaten in hun vrije tijd van de straat bleven en bovendien gezelligheid hadden. Zelfs koningin Wilhelmina kwam in januari 1915 in het Militair Tehuis op bezoek waarbij ze haar dank tot uitdrukking bracht voor wat voor de soldaten gedaan werd. Op hun beurt bedankten vijftien soldaten de kerkenraad na afloop van de inlegering in Monster voor het gastvrije onderdak dat ze gedurende de oorlog in de consistorie hadden ondervonden.

Ook het evangelisatiewerk werd aangepakt: in april 1916 werd een zondagsschool opgericht, die gehouden werd in de christelijke school. Er kwamen meteen al honderd leerlingen opdagen.

Een nieuwe grotere kerk?

De in 1911 opnieuw in gebruik genomen vergrote en verfraaide gereformeerde kerk werd te klein. De gemeente groeide en stelde de kerkenraad in 1930 voor de vraag of een nieuwe, grotere kerk gebouwd moest worden. Een commissie werd in het leven geroepen die een en ander moest onderzoeken. Drie bekende architecten – B.W. Plooij, A. Rothuizen en E. Reitsma – werd gevraagd een kerkbouwontwerp in te dienen die de draagkracht van de gemeente niet te boven mocht gaan. De kosten mochten ongeveer fl. 70.000 bedragen en een inzameling onder de gemeenteleden leverde meteen al bijna fl. 10.000 op, zodat het aanvankelijk leek dat de plannen doorgang konden vinden. Maar er ontstonden meningsverschillen over de vraag wélk plan voor realisering in aanmerking kwam. Uiteindelijk zorgde de economische crisis van de jaren ’30 ervoor dat de bouwplannen afgeblazen werden, zodat de meningsverschillen niet ontaardden in een heus conflict. Maar het betekende wel dat de plannen in de la bleven liggen…

De Kramer vertrekt (1933), ds. Veldhuijzen komt (1935).

Ds. P.M. Veldhuijzen (1903-1976).

Na de viering van zijn veertigjarig ambtsjubileum in 1933, besloot ds. Kramer emeritaat aan te vragen. Dit werd verleend en zo nam hij op 1 oktober 1933 afscheid met een preek naar aanleiding van Hebreeën 13 vers 8: ‘Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid’.

Intussen had de kerkenraad het beroepingswerk ter hand genomen met als resultaat dat ds. P.M. Veldhuijzen (1903-1976) uit het Friese Paesens door de manslidmaten gekozen werd. Hij werd door de kerkenraad beroepen en nam de roeping naar Monster aan. Op 17 februari 1935 deed hij intrede na in de ochtenddienst bevestigd te zijn door ds. Van Minnen van ‘s-Gravenzande.

De nieuwe kerk komt er toch! (1936).

Intussen had de kerkenraad de Commissie van Beheer opdracht gegeven om maatregelen te nemen ten einde de financiële situatie van de kerk te versterken en ook uit te zien naar mogelijkheden om alsnog over te gaan tot de bouw van een nieuwe kerk. Een architect was al gekozen: B.W. Plooij. Een lening werd afgesloten, een obligatielening uitgeschreven en giften en bijdragen werden ontvangen. Ditmaal verliep alles naar verwachting en kon al snel opdracht gegeven worden een kerk te bouwen voor fl. 65.000 en een pastorie voor fl. 8.600. Op 26 april 1935 werd de aanbesteding gehouden. Op 10 augustus 1935 legde de nieuwe predikant de eerste steen. Toen de kerk zover gereed was dat deze in gebruik genomen kon worden, werd op 22 maart 1936 de laatste dienst in het oude kerkgebouw gehouden. De oude kerk werd later voor fl. 8.500 verkocht.

De nieuwe gereformeerde kerk, die in 1936 in gebruik genomen werd en nog steeds als protestantse kerk dienst doet.

Drie dagen later, op 25 maart, werd de eerste dienst gehouden in de nieuwe kerk aan de Burgemeester Kampschöerstraat.

De Tweede Wereldoorlog.

Net als toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, werd ook bij de mobilisatie van 1939 de school ter beschikking gesteld voor de legering van militairen. De school kreeg onderdak in de kerkelijke lokalen en opnieuw werd een Militair Tehuis in het leven geroepen ten behoeve van de ingelegerde soldaten. Ditmaal bleef Nederland echter niet neutraal. Op 10 mei 1940 verklaarde koningin Wilhelmina voor de radio dat ‘in de afgelopen nacht, door de Duitse Wehrmacht een verraderlijke aanval op ons gebied’ gedaan was. ‘Dit niettegenstaande de plechtige toezegging dat de neutraliteit van ons land zou worden ontzien zolang bij haar zelf handhaafden’.

De oorlog was begonnen. Gemeenteleden werden in Duitsland te werk gesteld (met wie de kerkenraad trachtte in contact te blijven); de evacuatie van Ter Heijde greep diep in de levens ook van de gemeenteleden in; het hervormde kerkgebouw in dat dorp werd ontruimd en de hervormde gemeenteleden kregen voor hun diensten onderdak in de gereformeerde kerk te Monster, daar de hervormde gemeente van Monster een verzoek afwees. In 1942 werden bijeenkomsten van jeugdverenigingen verboden. Toch bleef het werk doorgaan, zij het aanvankelijk onder het mom van catechisatie en na verloop van tijd als bijbelclub.

De gereformeerde kerk ‘De Hoeksteen’ te Monster.

Verder was er gebrek aan voedsel en aan brandstof. Bidstonden ‘voor de nood der tijden’ werden georganiseerd; huisbezoeken konden nauwelijks worden gebracht omdat het na ’s avonds acht uur ‘spertijd’ was.

De Vrijmaking (1944).

De in de jaren ’30 in de Gereformeerde Kerken ontstane zgn. ‘leergeschillen’ en de daarop volgende schorsing (en later de afzetting) van dr. K. Schilder (1890-1952), hoogleraar aan de Theologische Hogeschool te Kampen, veroorzaakten in de Gereformeerde Kerken, ook in die te Monster, tijdens de oorlog veel onrust. Toen de mannenvereniging ‘Calvijn’ de kerkenraad vroeg een vergaderzaal te mogen gebruiken voor een voorlichtingsbijeenkomst over de leergeschillen onder leiding van drs. R.H. Bremmer (1917-1995), predikant van de vrijgemaakte kerk te Helpman (Gr.), wees de kerkenraad dat verzoek af. De vergadering werd toen elders gehouden.

In Monster roerden de bezwaarden zich óók door middel van het ‘Comité van Actie der Bezwaarden’. Als gevolg van een en ander tekenden 71 belijdende gemeenteleden de ‘Acte van Vrijmaking’. Uiteindelijk onttrokken zich 78 belijdende en 27 doopleden aan de Gereformeerde Kerk te Monster.

In 1956 werd in de kerk een orgel van de orgelbouwer Pels geplaatst.

Tenslotte.

Het oorspronkelijke interieur van de nieuwe kerk, die de naam ‘de Hoeksteen’ kreeg, is tegenwoordig nog bijna geheel intact, al zijn de kleuren van de ontwerper in de loop van de tijd wel veranderd. Het in 1956 door de fa. Pels gebouwde orgel werd, wat de vormgeving betreft, aangepast aan het interieur van de kerk.

Het interieur van De Hoeksteen in 2015, vlak voor de interieurvernieuwing van 2016-2017 (foto: Reliwiki).

Naast de kerk, die zelf een aantal kleine zalen heeft en een bovenverdieping die als jeugdsoos gebruikt kon worden, werd in 1981 een zalencentrum aangebouwd. Hierin zijn een grote zaal, een keuken en een aantal kleinere zalen beschikbaar voor diverse activiteiten.

In 2017 werd een ingrijpende renovatie van de kerk afgerond.

Ledentallen Gereformeerde Kerk te Monster.

De ledentallen van de Gereformeerde Kerk te Monster tussen 1894 en 2004 (bron: Jaarboeken Gereformeerde Kerken).

Bronnen:

J.G. de Ridder, Honderd jaren Gereformeerde Kerk te Monster. 1874 – 10 april – 1974. Monster, 1974

C. Smits, De Afscheiding van 1834, Zevende deel, Classes Rotterdam en Leiden. Dordrecht, 1986

Diverse websites.

© 2018. GereformeerdeKerken.info