Kleine kracht en grote trouw in Klundert

Inleiding.

Onlangs publiceerde emeritus-predikant drs. L.C. van Drimmelen een boekje over de geschiedenis van de gereformeerden in de 19de eeuw in het Brabantse Klundert. Een van zijn voorvaderen was er van 1912 tot 1924 burgemeester.

In zijn voorwoord meldt de schrijver dat de geschiedenis van deze gemeente niet eerder in z’n geheel beschreven werd (het boek van mej. Hagt e.a. beschrijft de kerkgeschiedenis vanaf 1889), omdat in 1944, ‘vlak voordat Klundert met veel geweld door Engelse troepen [werd] bevrijd, de scriba van de Gereformeerde Kerk van Klundert zo ijverig geweest is om het archief van de kerk, dat zich in het kerkgebouw bevond, voor alle zekerheid bij zich in huis te halen. Zijn huis is echter met het archief van de kerk in vlammen opgegaan, terwijl het kerkgebouw toen gespaard is gebleven’.

De Afscheiding.

Ondanks deze wel zeer tragische gebeurtenis lukte het de heer Van Drimmelen een mooi geschreven boekje uit te geven, waarbij hij zich beperkte tot de negentiende eeuw en daarmee de beschreven geschiedenis van de Gereformeerde Kerk van Klundert compleet maakte. In de negentiende eeuw speelden zich op kerkelijk gebied namelijk ruim voldoende taferelen af om er een goed verhaal van te kunnen maken.

Ds. G.F. Gezelle Meerburg (1806-1855).

Zo werd op 31 december 1835 in Klundert de Christelijke Afgescheidene Gemeente geïnstitueerd door ds. G.F. Gezelle Meerburg (1806-1855) van Almkerk, die in die dienst meteen ook het kind van B.H. Ploeg doopte – in diens woning vond de instituering plaats. Ploeg was eigenlijk de directe aanleiding tot de Afscheiding in Klundert, omdat deze zijn kind niet wilde laten dopen bij ds. A.T. Beausar (1785-1836), die van 1826 tot zijn overlijden in 1836 hervormd predikant te Klundert was. Ds. Beausar verkondigde naar de overtuiging van Ploeg niet de rechte leer. Daarom vroeg Ploeg aan ds. Gezelle Meerburg zijn kind te dopen; deze kwam dus op de bewuste 31ste december naar Klundert.

Op aandringen van ds. Beausar waren al eerder maatregelen genomen tegen de sinds 1802 in het dorp plaatsvindende godsdienstige huissamenkomsten (conventikels genaamd), zonder dat iemand hen eerder ooit een strobreed in de weg gelegd had. “In de loop van de achttiende eeuw waren de dominees anders gaan preken. De nadruk kwam meer te liggen op het logische van het geloof. (…) Maar het hart werd er niet warm van”; dát was wat de conventikelgangers misten. Zij lazen in hun bijeenkomsten de onversneden rechtzinnige preken van zeventiende- en achttiende eeuwse zeer orthodoxe dominees. Eind november 1835 onttrokken Ploeg en achtentwintig andere gemeenteleden zich aan de plaatselijke hervormde gemeente.

De hervormde kerk te Klundert, in 1944 verwoest.

Ploeg in de problemen.

Voor Ploeg begonnen de moeilijkheden pas goed toen hij in het voorjaar van 1836 weigerde de hoofdelijke omslag van fl. 2,50 te betalen voor de broodnodige opknapbeurt van het hervormde kerkgebouw. Hij was immers al een half jaar geen lid meer van de kerk! De kerkvoogden sleepten hem echter voor de kantonrechter, die hem veroordeelde tot betaling van de hoofdelijke omslag van fl. 2,50 plus de proceskosten, in totaal bijna fl. 60. Er werd meteen beslag gelegd op zijn bezittingen, die vóór zijn woning openbaar geveild werden. Zijn broederen uit de Afgescheiden gemeente schoten hem echter te hulp en kochten alles op, ‘zodat geen enkele kavel in vreemde handen viel, nog geen kinderstoel, geen borstel, geen naaigerei’. De kopers betaalden contant, maar namen het gekochte niet mee, zodat Ploeg alles weer in huis kon terugzetten!

De kerkdiensten.

Ds. H.G. Klijn (1793-1883) op latere leeftijd.

Aanvankelijk werden de diensten bij gemeenteleden thuis gehouden en soms kwamen ds. Gezelle Meerburg, ds. H.G. Klijn (1793-1883) van Kockengen of ds. H.P. Scholte (1805-1868) van Doeveren preken. De toeloop was na verloop van tijd zo groot dat een huiskamer niet meer volstond. “Ploeg kocht daarom een pandje aan de Oostvoorstraat [de latere Molenstraat] dat stond tussen zijn winkelhuis en een pakhuis van zijn schoonvader”.

Op 10 november 1839 telde de gemeenteveldwachter in opdracht van burgemeester Korteweg tijdens een optreden van ds. Gezelle Meerburg in het kerkje meer dan honderd aanwezigen. ‘Omdat slechts negentien van hen lid van de Afgescheiden Gemeente waren’, het maximum aantal toehoorders dat toegestaan werd in een niet door de overheid erkende godsdienstige samenkomst, volgde geen veroordeling door het gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch…!

De kerk vergroot.

Uiteindelijk werd de kleine gemeente van Klundert op 23 juni 1841 door de overheid erkend. De kerkdiensten konden toen ongehinderd voortgang vinden. Het kerkje aan de Oostvoorstraat werd ‘verkocht of overgedragen’ aan de Afgescheiden Gemeente, en in 1849 gaf het gemeentebestuur de kerkenraad toestemming het kerkgebouw geheel te vernieuwen en te vergroten. “Ondanks de vergroting bleef het een klein kerkje, halverwege de Molenstraat, precies tussen de twee andere christelijke kerken die Klundert toen telde”, de hervormde en de rooms-katholieke kerk. Omdat de Afgescheidenen ‘over het algemeen wel erg eenvoudige kerkgangers’ waren, werd het kerkje ‘Klompenkerkje’ genoemd; het had het uiterlijk van een arbeidershuisje. Het gebouwtje werd tijdens de Tweede Wereldoorlog in 1944 verwoest.

De eerste predikanten.

De christelijke gereformeerde pastorie in de Voorstraat (bij de pijl).

Ds. D. Vliegenthart (1813-1874) was van 1848 tot zijn overlijden in 1874 gedurende dertig jaar de eerste predikant van de Christelijke Afgescheidene Gemeente, die trouwens sinds 1869 Christelijke Gereformeerde Gemeente heette (dat kwam door de landelijke vereniging van de Christelijke Afgescheidene Kerk en de Gereformeerde Kerk onder ’t Kruis, in 1838 ontstaan door afsplitsing van de Afgescheiden kerk). Ds. Vliegenthart was overigens beroepen in combinatie met de gemeente te Zevenbergen, en tot 1864 óók samen met de Afgescheiden Gemeente van Willemstad-Fijnaart, die echter dat jaar ‘wegens ledengebrek een zachte dood is gestorven’.

Ook de gemeente van Klundert leed gedurende het predikantschap van ds. Vliegenthart trouwens een gevoelig ledenverlies. In 1851 en 1854 vertrokken niet minder dan vijf gezinnen naar het Amerikaanse Holland in Michigan, waarheen ds. A.C. van Raalte (1811-1876) al in 1847 geëmigreerd was; zijn belevenissen werden ook in Klundert op de voet gevolgd.

Ds. A.C. van Raalte (1811-1876).

Ook  Ploeg (zie p. 12 en verder) vertrok in 1855 naar de andere kant van de grote plas, waar hij ‘laarzen, schoenen, muilen enz. maakte en repareerde’. In Klundert bleven nog 79 gemeenteleden over…

Ds. C.W. Jacobs (1838-1891) uit Haamstede volgde ds. Vliegenthart in 1875 op. Ook dat beroep werd uitgebracht in combinatie met de gemeente van Zevenbergen. Ds. Jacobs stond van 1875 tot 1889 in Klundert (en Zevenbergen). Hij emigreerde dat jaar naar Amerika, waar hij predikant werd bij de Reformed Church.

Doleantie.

Ds. A. van Veelo (1844-?).

Tijdens het predikantschap van ds. Jacobs vond in Klundert de Doleantie plaats en ontstond in het dorp de vierde christelijke kerk: op 14 januari 1887 werd onder leiding van ds. A. van Veelo (1844-?) namelijk de ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (doleerende)’ geïnstitueerd. Twee derde deel van de plaatselijke hervormde gemeente volgde hem, waarmee Klundert de grootste Dolerende kerk in het zuiden des land was.

Ds. Van Veelo werd het jaar daarop al opgevolgd door ds. J.H. Feringa (1859-1925), die daarmee – na in het hervormde Hien te hebben gestaan – in Klundert zijn eerste Dolerende gemeente kreeg. Een kerkgebouw hadden de Dolerenden niet direct; vandaar dat ds. Feringa in 1888 aan de Christelijke Gereformeerde kerkenraad van Zevenbergen vroeg of zijn gemeente in hun kerkgebouw weekdiensten zou mogen houden.

Ds. J.H. Feringa (1859-1925).

Hoewel de kerkenraad van Zevenbergen zich met dat verzoek in een moeilijke positie gemanoeuvreerd zag, gaf hij toch toestemming. Dat heeft acht maanden geduurd, maar toen verbood de kerkenraad verdere weekdiensten in hun kerkgebouw, vanwege zowel de inhoud van de preken van ds. Feringa alsook door zijn wel erg zuinige kijk op de Afgescheiden Kerk.

Hoe dan ook, op 9 december 1892 verenigden beide gemeenten zich tot De Gereformeerde Kerk te Klundert.

Tot slot.

We konden uit het goed geschreven, mooi geïllustreerde en interessante boekje van drs. Van Drimmelen natuurlijk maar enkele gegevens aanstippen. Jammer dat het boekje slechts in ‘een zeer beperkte oplage’ gedrukt is. Het verdient een véél bredere verspreiding!

  • L.C. van Drimmelen, Kleine kracht, grote trouw. Gereformeerden in de Klundert in de 19e eeuw. Amsterdam, 2018, 73 pp., geïllustreerd.