Evangelisatie in de Friese Zuidoosthoek

Een jaarverslag uit 1906.

De Zuidoosthoek van de provincie Friesland was gedurende lange tijd een belangrijk Evangelisatiegebied van De Gereformeerde Kerken in de provincie Friesland.

Het evangelisatiegebied in de Zuidoosthoek van Friesland.

Het was een groot gebied, begrensd door de ‘voorgangers’ van de A7 vanaf Drachten naar het noordoosten, vandaar de provinciegrens volgend tot Oldemarkt en dan in de richting van Heerenveen tot de tegenwoordige A7 en dan weer richting Drachten.

Het werd al snel na de Afscheiding van 1834 duidelijk dat in dit gebied slechts weinigen gehoor gaven aan de oproep tot Afscheiding en later de Doleantie van 1886. Het kerkelijk evangelisatiewerk dat in dat uitgestrekte gebied gedaan werd had veel weg van het ‘ploegen op rotsen’. De volkstelling van 1849 illustreerde dit duidelijk: [de burgerlijke gemeente] Ooststellingwerf telde 6.452 inwoners en slechts 387 christelijk afgescheidenen; de gemeente Opsterland had 10.311 inwoners van wie er 110 christelijk afgescheidenen waren; Schoterland met zijn 8.971 inwoners telde 154 Afgescheidenen; de burgerlijke gemeente Aengwirden had in die tijd 2.746 inwoners en telde slechts 98 Afgescheidenen; en de gemeente Weststellingwerf met zijn 9.859 inwoners telde slechts 21 christelijk afgescheidenen.

Het aantal Afgescheiden Gemeenten groeide in die streek slechts langzaam. Daarom werden in het begin van de twintigste eeuw In opdracht van de Gereformeerde Kerken in de classis Heerenveen (net als in Drenthe) colporteurs op pad gestuurd om de mensen in die gebieden te bezoeken, de toestanden in kaart te brengen en de belangstelling voor het Evangelie te peilen. Op de achtergrond speelde de vraag: kunnen we in die gebieden ook evangelisatielokalen bouwen, die later misschien zouden kunnen uitgroeien tot Gereformeerde Kerken?

De colporteurs vertelden over de grote verwaarlozing van de bewoners in die streken: niet alleen geestelijk verwaarloosd om door het evangelisatiewerk ‘terug te winnen wat verloren was’, maar ook maatschappelijk verwaarloosd. Velen huisden in hutten, “waar menschen als dieren samenleefden, zonder begrip, naar ‘t scheen, van wat een wettig huwelijk is’” De oorzaak werd onder meer gezocht in verwaarlozing door de landsregering en door de kerk waardoor al ver voor de Afscheiding van 1834 een ‘proces van ontbinding’ plaatsvond.

Ds. J.R. Dijkstra (1850-1925) was in 1906 voorzitter van de Deputaten voor de Evangelisatie in de Classis Heerenveen.

“Een lange geschiedenis, kort samengevat, moet luiden: Nederland heeft een deel van zijn inwoners ten eenenmale vergeten en verwaarloosd; met – als gevolg hiervan – verwildering en geestelijk versterf. Dat alles kan niet in enkele jaren weer ongedaan gemaakt worden, al rijzen er ook lichtpunten”.

De colporteurs klaagden over het feit dat “zo moeilijk een godsdienstige gesprek met de mensen in de Zuidoosthoek gevoerd kon worden en nog moeilijker dat even vol te houden. Men is er altijd op uit het gesprek een andere wending te geven”. Geen wonder dat de bewoners van die streek in de greep waren of dreigden te komen van het socialisme en van de anarchie. ‘De Zuidoosthoek was als een kudde zonder herder’. De Evangelisatiearbeid wilde ‘terugbrengen wat verstrooid was’.

Ds. R.J. Aalberts (1872-1950) was in 1906 secretaris van de Deputaten voor de Evangelisatie in de Classis Heerenveen.

Over die arbeid en over de noodzakelijkheid ervan werd door de door de Classis Heerenveen benoemde Deputaten jaarlijks rapport uitgebracht. In 1906 waren deze Deputaten ds. J.R. Dijkstra (1850-1925) – voorzitter – uit Joure, ds. R.J. Aalberts (1872-1950) – secretaris – uit Wolvega, H. Pereboom – penningmeester – uit Heerenveen en B. Looijenga, eveneens uit Heerenveen. Ze schreven uiteraard hun Jaarverslag, maar maakten aan het eind van hun verhaal ook duidelijk dat geld nodig was om het vele werk te kunnen uitvoeren.

Hun rapport uit 1906 geven we hieronder weer:

Bron:

Archief van de Classis Heerenveen van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Leeuwarden, Tresoar.

Translation into English:

An Annual Report on the Southeast Corner of Friesland.

An annual report from 1906.

The southeast corner of the province of Friesland was for a long time an important field of evangelization for the Reformed Churches in the province of Friesland. It was a large area, situated in the region bounded by the predecessors of the A7 from Drachten toward the northeast, from there following the provincial border to Oldemarkt, then in the direction of Heerenveen to the present-day A7, and then back again toward Drachten.

Soon after the Secession of 1834, it became clear that in this area only a few people responded to the call for Secession and later to the Doleantie. The work carried out in that vast region closely resembled plowing on rocks. The census of 1849 illustrated this clearly: the civil municipality of Ooststellingwerf had 6,452 inhabitants and only 387 Christian Secessionists; the municipality of Opsterland had 10,311 inhabitants, of whom only 110 were Christian Secessionists; Schoterland, with its 8,971 inhabitants, counted 154 Secessionists; the civil municipality of Aengwirden at that time had 2,746 inhabitants and counted only 98 Secessionists; and the municipality of Weststellingwerf, with its 9,859 inhabitants, counted only 21 Christian Secessionists.

The number of Secessionist congregations in that region grew only extremely slowly. Therefore, at the beginning of the twentieth century, by order of the Reformed Churches in the Classis of Heerenveen, colporteurs were sent out to visit the people in those areas, to map the conditions, and to gauge interest in the Gospel. In the background stood the question: could we also build evangelization halls in those areas, which might later perhaps grow into Reformed Churches?

The colporteurs reported on the great neglect of the inhabitants in those regions: not only spiritually neglected—“to win back what was lost”—but also socially neglected. Many lived in huts “where people lived together like animals, without understanding, it seemed, of what a lawful marriage is.” The cause was sought, among other things, in neglect by the national government and by the church, as a result of which, long before the Secession of 1834, a “process of disintegration” had taken place.

“A long history, briefly summarized, must read as follows: the Netherlands has completely forgotten and neglected a part of its inhabitants; with—as a consequence—degeneration and spiritual decay. All this cannot be undone again in a few years, even though there are also rays of hope.”

The colporteurs complained about the fact that “it was so difficult to conduct a religious conversation with the people in the southeast corner, and even more difficult to sustain it. One is always intent on giving the conversation a different turn.” It was no wonder that the inhabitants of that region were in the grip of, or threatened to fall under, socialism and anarchism. “The southeast corner was like a flock without a shepherd.” The evangelization work aimed “to bring back what was scattered.”

On that work and on its necessity, the Deputies appointed by the Classis of Heerenveen submitted an annual report. In 1906 these Deputies were Rev. J.R. Dijkstra —chairman—from Joure, Rev. R.J. Aalberts —secretary—from Wolvega, H. Pereboom—treasurer—from Heerenveen, and the member B. Looijenga, also from Heerenveen. They naturally wrote their annual report, but at the end of their account they also made it clear that money was needed in order to be able to carry out the work.

(See the Report in the Dutch version.)

Source:

Archive of the Classis of Heerenveen in the province of Friesland of the ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands. Leeuwarden, Tresoar

There is no translation into English of this report.