De Gereformeerde Kerk te Joure (1)

Inleiding.

Vermoedelijk op 1 januari 1839 werd in het Friese Joure de Christelijke Afgescheidene Gemeente geïnstitueerd. Dat gebeurde door de splitsing van de Christelijke Afgescheidene Gemeente in het naburige Wolvega in vier zelfstandige kerken, waaronder die van Joure.

Kaart: Google.

In 1869 veranderde de naam van de gemeente door een landelijke kerkenfusie in Christelijke Gereformeerde Gemeente. En in 1892 sloot deze gemeente zich aan bij de dat jaar tot stand gekomen Gereformeerde Kerken in Nederland, ontstaan door vereniging van de kerken uit Afscheiding en Doleantie.

Het stadje Joure.

Aanvankelijk was het dorp Joure een úthôf (uitbuurt) van het dorp Westermeer, maar vermoedelijk is Joure halverwege de vijftiende eeuw een zelfstandige ‘vlecke’ geworden en groeide ze haar moeder, Westermeer, boven het hoofd, want Joure werd een echt handelsdorp. Ze had niet voor niets een haven. Er werd gehandeld in boter, kaas, graan, vee, koloniale waren en vooral in uurwerken. Maar wat die koloniale waren betreft: de naam van Joure is onverbrekelijk verbonden met Douwe Egberts. In 1753 begon de vader van Douwe Egberts, Egbert Douwes, aan de Midstraat in Joure een zaak in koloniale waren, die uitgroeide tot de bekende koffiebranderij. Tot in de 21ste eeuw zat er nog een DE-winkel aan de Midstraat!

De Afscheiding te Joure.

Ds. J.J. Wassenaar was van 1826 tot 1861 hervormd predikant te Joure.

De Hervormde Gemeente van Joure-Westermeer en Snikzwaag telde rond 1840 ongeveer 1.800 leden, die onder de geestelijke hoede stonden van ds. Jan Jarigs Wassenaar, die er van 1826 tot 1861 predikant was. Niet iedereen was het met de wijze van evangelieverkondiging van de predikant eens. En ook waren sommigen het oneens met het feit dat – op bevel van de overheid! –  op zondag gezongen werd uit de bundel ‘Evangelische Gezangen’, die volgens veel Afgescheidenen vrijzinnig van karakter was.

Want ook in Joure had zich in 1836 een ‘huisgezelschap’ gevormd (ook conventikel genoemd) waarvan de leden zich weliswaar niet afscheidden van de Hervormde Kerk, maar wel apart gingen vergaderen. Het geestelijk voedsel in die bijeenkomsten waren de preken van de ‘oudvaders’, zeer orthodoxe theologen van lang vervolgen tijden. Ook sprak men met elkaar over het geloof en het geloofsleven, las men samen de bijbel en zong men psalmen.

De regering had na de Franse tijd een nieuwe gezangenbundel in de kerk ingevoerd: de ‘Evangelische Gezangen’.

Waarom hielden ze hun samenkomsten in Joure en gingen ze niet ter kerke bij de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Wolvega waartoe ze officieel behoorden? Wel, de afstand tussen Joure en Wolvega was daarvoor veel te groot. Bovendien werd die gemeente – gesticht in februari 1836 – al in 1840 weer opgeheven en pas dertig jaar later heropgericht.

Zo’n zestien personen woonden de bijeenkomsten in Joure geregeld bij. Ze vonden plaats in particuliere woningen, zoals in die van Pieter Posthuma en IJsbrand Veenstra. In februari 1836 werd in de hervormde kerkenraad gemeld dat ‘beurtelings op den dag des Heeren en op tijden der openbare godsdienstoefeningen te hunnen huizen opentlijke oefeningen worden gehouden, strijdig met Art. 14 van het Reglement op het godsdienstig onderwijs’. De twee overtreders van Art. 14 werden voor de kerkenraad geroepen om zich te verantwoorden, maar verschenen niet. Ze werden toen van het avondmaal afgehouden.

Ds. J.J. Wassenaar verbeeld als uitknipsel (ill.: ‘Het Archief vertelt…’

Het was voor de twee broeders de aanleiding hun kerkenraad mee te delen zich ‘met hun geheele Huis’ van de hervormde kerk af te scheiden. Een maand later volgde een brief van Th. Coopmans die hetzelfde meedeelde; het echtpaar Ynses Faber scheidde zich in diezelfde tijd weliswaar niet af maar verklaarden ‘te blijven bij de ware leer’. Bij hen was dus met zekerheid ontevredenheid over de verkondiging van de predikant. Op 2 april 1836 volgde een schrijven van Marten Jacobs Praamsma met een ‘Acte van Afscheiding’. Hij schreef meteen ook even dat de kerkenraad vooral geen moeite moest doen om hem ter verantwoording voor de kerkenraad te roepen, want hij zou toch niet komen.

De eerste jaren (van 1839 tot 1842).

De predikanten.

Ds. S. van Velzen (1809-1896).

Tot 1842 had de Afgescheidene Gemeente te Joure geen eigen predikant. Er waren in die dagen nog nauwelijks Afgescheiden predikanten. Vandaar dat ds. S. van Velzen (1809-1896) van Drogeham tot zijn vertrek naar Amsterdam ‘predikant in algemene dienst’ was, die – naast zijn eigen gemeente – zoveel mogelijk alle Afgescheiden Gemeenten in Friesland bediende.

Hij werd opgevolgd door achtereenvolgens ds. R.W. Duin (1797-1843) van 1839 tot 1840, en door ds. T.F. de Haan (1791-1868) van 1841 tot 1842.

Ds. T.F. de Haan (1791-1868), die de kerk van Joure in 1848 inwijdde.

De gemeente geïnstitueerd (1839).

Het eerste notulenboek van de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Joure is ‘aangelegd’ op 1 januari 1839. Dat viel samen met het opdelen in vier zelfstandige gedeelten van de zeer uitgestrekte Christelijke Afgescheidene Gemeente te Wolvega. Op 1 januari 1839 ontstonden zo de Afgescheidene Gemeenten van Wolvega, Tjalleberd, Rottum en Joure (zoals al opgemerkt werd de gemeente van Wolvega in 1840 al weer opgeheven).

De kerkenraad van de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Joure bestond op dat moment uit één ouderling, de 74-jarige winkelier Hendrik Thees Coopmans, en uit twee diakenen, namelijk de in Broek woonachtige boer Jan Libbes Bouma en de 29-jarige ‘verver en glazenmaker’ Ysbrand Jans Veenstra.

Tóch ‘oefenaars’ in Joure.

De kerkenraad kreeg al snel te maken met de besluiten van de Provinciale Vergadering van de Afgescheiden Gemeenten in Friesland. Daar was namelijk op aandrang van ds. S. van Velzen (1809-1896), een van de eerste Afgescheiden predikanten in ons land, afgesproken dat in de Christelijke Afgescheidene Gemeenten geen oefenaars mochten voorgaan, meest vrome mannen maar zonder officiële theologische studie. In Joure dachten ze daar echter anders over. De oefenaars Ysbrand Veenstra en Hendrik J. Wind (uit Rottum) deden het volgens de broeders prima en de kerkenraad besloot hen gewoon als oefenaar te laten voorgaan. Wel moesten ze beloven dat ze dit alleen zouden doen als de kerkenraad daarvoor toestemming gegeven had.

Ds. A.C. van Raalte (1811-1876).

Ysbrand Veenstra (1810-1864) ging toen theologie studeren. De kerkenraad gaf hem een gunstig getuigschrift en hij verhuisde toen naar Ommen, waar een andere Afgescheiden predikant van het eerste uur werkzaam was, namelijk ds. A.C. van Raalte (1811-1876). Deze gaf studenten les, die Afgescheiden predikant wilden worden. Ysbrand Veenstra’s eerste gemeente was Sexbierum.

Een ‘eigen’ onderkomen voor de kerkdiensten (1841).

De enige ouderling, H.T. Coomans, overleed in december 1839. Besloten werd toen oefenaar H.J. Wind uit Rottum als zodanig te benoemen. Dat hield in dat hij de ene zondag in Joure zou voorgaan en de andere in Rottum. Tijdens diezelfde kerkenraadsvergaering in maart 1841 deelde Marten Praamsma als ‘administrerend kerkvoogd’ mee dat hij voor fl. 26 per jaar een kamer had ‘gekocht’ om daar kerkdiensten te houden. De kamer was van Ysbrand Veenstra, die toen echter niet meer in Joure woonachtig was. De kerkenraad ging akkoord. Op 21 maart 1841 hield men er de eerste dienst!

Erkenning gevraagd en verkregen (1841/1842).

Maar eigenlijk was dat een overtreding. Want voor de bijeenkomst was geen vergunning verleend door de plaatselijke overheid, zoals volgens de toen geldende wetten nodig was. Toen het Koninklijk Besluit van 9 januari 1841 (van Koning Willem II) gelegenheid bood op bepaalde voorwaarden erkend te worden als zelfstandige Christelijke Afgescheidene Gemeente, vroeg men meteen rechtspersoonlijkheid aan. Twee keer ging een verzoek daarover naar Den Haag. Het eerste werd negatief beantwoord omdat de ondertekenaars in verschillende grietenijen (gemeenten) woonden; de tweede keer – met elf ondertekenaars uit Joure – was het raak: op 10 juli 1842 werd tot officiële erkenning besloten.

Een eigen kerkgebouw (1842).

De kerk in de Botersteeg was aanvankelijk lager dan op deze foto te zien is. In 1858 werd het kerkgebouw namelijk ‘verhoogd’.

In het schrijven namens de koning werd ook de plaats van het ‘kerkgebouw’ genoemd: de Botersteeg. Sterker nog: het was een kerkgebouw klaar voor gebruik! Het was waarschijnlijk gebouwd in 1760, toen de plaatselijke Doopsgezinde Gemeente door onenigheid in tweeën splitste en het vertrekkende deel van de gemeente het zgn. ‘Kleine Huis’ in de Botersteeg bouwde. In 1823 kwamen beide Doopsgezinde Gemeenten echter weer bij elkaar en werd het gebouw in de Botersteeg overbodig. Op 20 januari 1842 werd het kerkje dus door de Christelijke Afgescheidene Gemeente aangekocht. Het was toen eigendom van winkelier Anne Sierds Hoekstra, die er fl. 700 voor wilde hebben. Fl. 200 werd direct betaald, fl. 500 moest geleend worden.

Het kerkje moest trouwens behoorlijk vertimmerd worden; de kosten daarvan bedroegen fl. 630, terwijl de verfbeurt en het glaszetten ook nog fl. 130 kostte. Alles bij elkaar was men er toch nog fl. 1.200 aan kwijt. Gelukkig kon van vier gemeenteleden in totaal fl. 1.000 geleend worden terwijl Marten Praamsma de rest leende. Ook die schuld werd nog hetzelfde jaar door geldschieters vereffend!

Ds. T.H. Uitterdijk (van 1842 tot 1843).

Ds. T.H. Uitterdijk (1806-1874).

Kennelijk was de gemeente intussen groot genoeg geworden om een heuse predikant te beroepen. In Drogeham was T.H. Uitterdijk (1806-1874) ouderling. Deze werd door ds. T.F. de Haan (1791-1868) in Groningen onderwezen in de theologie, omdat Uitterdijk dominee wilde worden. Nadat hij zijn studie voltooid had ontving hij een beroepsbrief van de gemeente te Joure (en Rottum, want beide gemeenten beriepen de predikant gezamenlijk), en hij nam het beroep aan. Op 8 mei 1842 deed hij intrede in Joure en Rottum. Het was op het nippertje. Want de provinciale vergadering in Friesland weigerde hem een attest te geven, nodig voor toelating tot het predikambt. In Groningen liet men hem wél toe, zodat hij naar Joure kon komen.

De predikant beviel kennelijk goed, want de gemeente breidde zich in de korte ambtsperiode van ds. Uitterdijk behoorlijk uit: dertig nieuwe leden lieten zich inschrijven. Er waren bovendien nog de zgn. ‘bijwoners’, dat waren belangstellenden die weliswaar geen lid waren van de kerk, maar wél geregeld de kerkdiensten bijwoonden.

Toch daalde het ledental door het zelfstandig worden van de Afgescheidenen in de dorpen Idskenhuizen en Tjerkgaast, waardoor het ledental van Joure met zo’n vijftien leden achteruitging.

Ondertussen had ds. Uitterdijk een beroep ontvangen van de kerk van Franeker, dat hij aannam. Daarom nam hij op 8 oktober 1843 afscheid van de gemeenten van Joure en Rottum.

Ds. R. Scheuning ten Have (van 1844 tot 1849).

Ds. R. Scheuning ten Have (1793-1871).

Inmiddels had de kerkenraad een paar maanden later een huurwoning op de kop getikt voor de volgende predikant. Het kostte per jaar fl. 58. Enkele weken later ging de kerkenraad op zoek naar een nieuwe voorganger. Een beroep werd uitgebracht op ds. R. Scheuning ten Have (1793-1871) uit Tjalleberd. Maar na een paar weken nadenken bedankte hij. De kerkenraad liet het er niet bij zitten, want op 10 maart 1844 volgde het tweede beroep. Dit nam hij aan, want hij “heeft dus niet anders kunnen of durven geloofven en vertrouwen dat dit de weg des Heeren was dat onze Ewd de Roeping te moeten volgen”, zoals de notulen vermelden.

Op 9 juni 1844 bevestigde ds. A.B. Groen (1796-1854) van Scharnegoutum hem en op dezelfde dag preekte hij intrede naar aanleiding van Colossenzen 4 vers 3: ”Biddende meteen ook voor ons, dat God ons de deur des Woords opene, om te spreken de verborgenheid van Christus, om welke ik ook gebonden ben“.

Jammer genoeg was er al vrij vlot ruzie met diaken Pieter A. Lok uit Tjalleberd. Domineeszoon Jan Scheuning ten Have had verkering gehad met de dochter van Lok, ‘welke dogter zich in ziekelijke omstandigheden bevond’. Het probleem werd zó groot dat de classis er bij moest komen. In elk geval kwam er een kind van, en dat viel niet in goede aarde. Jan ontkende natuurlijk er iets mee te maken te hebben. Tot overmaat van ramp was ook de dochter van Scheuning ten Have volkomen onverwacht en ongetrouwd in gezegende omstandigheden geraakt. Dochter en de vader trouwden op 27 april 1845.

Handtekening van ds. Scheuning ten Have.

Opzicht en tucht.

Natuurlijk moest de kerkenraad leer en leven van de gemeenteleden in de gaten houden. Toen de levenswijze van Afke niet door de beugel kon werd ingegrepen. Waarschuwingen hielpen niet, en dus kwam ze onder de kerkelijke tucht. Een jaar later bleek ze gescheiden te zijn, zodat opnieuw een onderzoek ingesteld moest worden. Uiteindelijk werd Afke met toestemming van de classis van de kerk ‘afgesneden’. Een ander gemeentelid leefde al jaren lang niet meer bij zijn vrouw en waren ook dronkenschap en vloeken zijn zwakke kanten. Ook hij werd uiteindelijk na talloze vermaningen buiten de kerk gezet.

En verder…

Het geld voor het traktement voor de predikant bijeenbrengen viel niet mee. De financiën van de kerk waren een punt van voortdurende zorg. Maar de kerkenraadsleden besloten persoonlijk aansprakelijk te zijn voor eventuele tekorten. — Gemeentelid en klokkenmaker Hans Roelof Dijkstra wilde graag predikant worden en meldde zich dus bij zijn kerkenraad, die dat echter niet zag zitten. Daardoor ontstak hij in boosheid waaronder de predikant moest lijden. Hij maakte voortdurend aanmerkingen op de prediking van ds. Scheuning ten Have, al kon hij zijn kritiek niet hard maken.

Ds. J. Talsma (van 1849 tot 1851).

Ds. J. Talsma (1813-1871).

Ds. Scheuning ten Have nam op 17 mei 1849 afscheid van Joure wegens vertrek naar de kerk van Drachten. Dus ging het beroepingswerk weer van start, waarbij een beroep uitgebracht werd op de 36-jarige schoolmeester J. Talsma (1813-1871) van de openbare school in het dorp Lichtaard. Daar was hij ontslagen ‘om zijne met de Afgescheidene Gemeente overeenkomende gevoelens’. Hij werd predikant in de gemeente van Baflo en Winsum, en kwam in 1849 naar Joure, waar hij op 25 november intrede deed. Ook deze predikant bleef maar kort.

Idskenhuizen.

In 1844 waren – zoals opgemerkt – de Afgescheidenen in Idskenhuizen een zelfstandige gemeente geworden. Oefenaar Tjerk Jans Grevelink (woonachtig te Joure) ging daar vaak in de diensten voor. Maar in juni 1850 vroeg de kerkenraad van Idskenhuizen of ds. Talsma óók regelmatig in Idskenhuizen mocht preken, afwisselend in de middag- en ochtenddiensten. Grevelink kon dan in Joure voorgaan. De kerkenraad ging daarmee akkoord.

Na zijn vertrek naar Donkerbroek bood ds. Talsma zich aan om onderwijs te geven aan studenten die onderwijzer of predikant wilden worden (‘De Bazuin’, 3 december 1858).

Nadat ds. Talsma na anderhalf jaar op 18 mei 1851 afscheid had genomen wegens het aannemen van het beroep van de kerk van Donkerbroek-Haulerwijk, werd kandidaat W.H. van den Bosch (1814-1881) uit Zwolle beroepen. Zijn traktement bedroeg fl. 400

Ds. W.H. van den Bosch (van 1852 tot 1854).

Ds. W.H. van den Bosch (1814-1881) en zijn echtgenote.

Al vóór zijn komst – intrede op 1 april 1852 – had het 28-jarige gemeentelid Hans Roelofs Dijkstra in 1850 aan de kerkenraad om financiële steun gevraagd teneinde als dominee te worden opgeleid. De kerkenraad besloot ds. T.F. de Haan uit Groningen – deze leidde predikanten op – om advies te vragen. Kennelijk viel het advies negatief uit, want niet lang daarna werd Dijkstra onder censuur gesteld ‘wegens de betoonde op eene zeldzame hoogte gaande algemeene bitterheid jegens de gansche Kerk en nagenoeg alle leeraren en opzieners, byzonder jegens onze gemeente en haren Leeraar en opzieners’.

Dijkstra zette zijn pogingen echter voort, maar ook de classis van oktober 1852 adviseerde negatief en twee jaar later was het kennelijk nodig hem en zijn echtgenote van de kerk ‘af te snijden’. Ook nu zette Dijkstra zijn pogingen voort door de professoren in Kampen – de Theologische School was in 1854 opgericht! – te vragen hem tot de opleiding toe te laten. Volgens de classis Heerenveen van augustus 1856 zou hij in Kampen zijn ‘aangenomen’, maar dominee werd hij in elk geval niet.

Uit de kerkvisitatieverslagen van de gemeente te Joure kan worden afgelezen dat tijdens de ambtsperiode van ds. Van den Bosch het gemeentelijk leven verder rustig verliep. Ds. Van den Bosch nam op 21 juli 1854 afscheid van Joure en vertrok naar de kerk van Twello.

Nogmaals: ds. T.H. Uitterdijk (van 1855 tot 1861).

Ds. T.H. Uitterdijk (1806-1874).

Het beroepingswerk verliep moeizaam; meerdere vergeefse beroepen werden uitgebracht, maar uiteindelijk werd een op ds. T.H. Uitterdijk (1806-1874) uit Alkmaar uitgebracht beroep door hem aangenomen. Hij zou opnieuw predikant van Joure worden. Op 18 november 1855 deed hij intrede, nadat hij bij aankomst in Joure ‘door onze oude vrienden en vriendinnen met blijdschap ontvangen was’. Zijn intreepreek was naar aanleiding van Efeze 3 vers 8: “Mij, de allerminste van al de heiligen, is deze genade gegeven, om onder de heidenen door het Evangelie te verkondigen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus”.

De predikant voelde zich bij zijn oude gemeente als een vis in het water. “Ja, er heerste een vurige liefde en een onafgebroken vrede, die door geen hamerslag van twist werd verstoord, zodat ik mij niet kan herinneren, gedurende de vijf jaren van mijn verblijf aldaar, een noemenswaardig woord van twist of oneenigheid te hebben gehoord, vooral niet in de kerkeraadsvergaderingen”.

Een ‘verhoogde’ kerk (1858).

De verhoogde kerk.

De kerk werd ondertussen te klein, een teken van de voorspoedige groei van de gemeente. Vandaar dat de kerkenraad op 20 augustus 1858 het besluit nam het kerkgebouw aan de Boterstraat te verhogen en bovendien een orgel aan te schaffen! Een en ander zou fl. 1.400 kosten; dit geld werd door een aantal gemeenteleden voorgeschoten. Riemer Roels Dijkstra was met fl. 959 de laagste inschrijver, zodat hij de klus mocht klaren. Schilder en diaken Foeke Lolkes Westerveld kreeg de opdracht om de kerk voor fl. 108 in een fris verfje te zetten. Om de verf te laten drogen moest de dienst op één zondag in de woning van diaken Posthumus plaatsvinden, waar een preek gelezen werd.

‘De Bazuin’, 3 december 1858.

Op 28 november 1858 vond de inwijding van het vergrote kerkgebouw plaats. De kerk was stampvol. Zelfs het gemeentebestuur was aanwezig; dezen werden door ds. Uitterdijk persoonlijk apart toegesproken. Psalm 84 vers 2 was de tekst van zijn preek: “Hoe lieflijk zijn Uw woningen, o HEERE der heirscharen!

Hier is iets te zien van het interieur van de kerk in de Botersteeg. De kerkzaal is versierd in verband met het feest van de Jongelingsvereniging. Zie de ouderlingen- en diakenbanken (foto: ‘Anderhalve eeuw gereformeerden in Joure’).

Een nieuw orgel (1859).

Maar er waren nog meer positieve ontwikkelingen. Er zou ook een orgel komen! Op 27 juli 1859 werd het nieuwe instrument in gebruik genomen, dat door de gebroeders Adema te Leeuwarden gebouwd was. De belangstelling was zo groot dat de belangstellenden in de kerk niet allen een plaats konden krijgen. De kerkenraad zorgde dat er in elk geval voldoende geld voorgeschoten werd om tot aanschaf over te gaan: de ouderlingen Praamsma en Bouma gaven elk fl. 100, evenals de diakenen Posthuma en diaken Westerveld en de vroegere ouderling Romkema stelden elk zelfs fl. 200 beschikbaar.

‘De Bazuin’, 29 juli 1859.

De burgemeester was de kerkenraad overigens welgezind, zoals we hierboven al zagen. De kerkdiensten van de Christelijke Afgescheidene Gemeente bleken in 1861 nogal eens gestoord te worden door klokgelui van de hervormde kerk, en ook tijdens de soms voorkomende zondagse begrafenissen. De burgemeester antwoordde dat hij opdracht had gegeven de klok niet meer te laten luiden tijdens de kerkdiensten van de Christelijke Afgescheidene Gemeente.

‘De Bazuin’, 5 april 1861.

Ds. Uitterdijk nam op 28 maart 1861 afscheid van Joure en vertrok naar de gemeente van Schoonhoven.

Toen ging oefenaar Jan Tjerks Grevelink uit Idskenhuizen dus weer regelmatig ook in Joure voor. Maar veel gemeenteleden waren er zat van en de kerkenraad kon hem daarom niet meer als oefenaar in de diensten toelaten.

Ds. W.U. Bakker (van 1862 tot 1867).

Ds. W.U. Bakker (1824-1887).

Voor vijf van de zes nu uitgebrachte beroepen kwam een ‘bedankje’ binnen. Ds. W.U. Bakker (1824-1887) van Ten Post nam het op hem uitgebrachte beroep aan en deed op 13 april 1862 intrede.

‘De Bazuin’, 18 april 1862.

De pastorie voldeed niet meer, zodat halverwege zijn ambtsperiode in Joure, in april 1864, een nieuwe predikantswoning gekocht werd, staande aan het eind van de Syl. De kerkenraad liet een intekenlijst door de gemeente rondgaan om de verbouwing van het huis te kunnen betalen. Aannemer J. Veldman kreeg de klus voor fl. 1.239; de op een na laagste inschrijver, R. Dijkstra, werd benoemd tot opzichter.

Problemen…

Tijdens het predikantschap van ds. Bakker ontstonden problemen met een aantal gemeenteleden die er volgens de kerkenraad en de predikant zonderlinge antinomiaanse beschouwingen op na hielden, hoewel zijzelf ervan overtuigd waren dat zij de zuivere gereformeerde paden bewandelden. Uiteindelijk werd een aantal van de ‘dwalenden’ onder de kerkelijke censuur gesteld. Toen de kerkenraad na enige tijd van waarschuwen en geen bekering bespeurend, de censuur wilde verlengen, werd de classis er bij gehaald. Die sprak uit dat de censuur moest worden opgeheven. Maar dan moesten ze wel vergeten wat de kerkenraad hen had aangedaan. Vier van de zes gingen er mee akkoord, twee niet; zij wilden dat de kerkenraad gestraft werd. Dus bleef het probleem bestaan.

Ds. H. Krijgsman (van 1868 tot 1871).

‘De Bazuin’, 13 maart 1868.

Ds. Bakker nam op 27 oktober 1867 afscheid en werd opgevolgd door ds. H. Krijgsman (1837-1873) uit Surhuisterveen, die op 8 maart 1868 intrede deed.

‘De Bazuin’, 22 januari 1869.

Hij erfde de problemen van zijn voorganger en kreeg de volle laag. De gecensureerden schreven over de gebeurtenissen in Joure een verhaal in ‘een 2-cents blaadje’, waarin kritiek geleverd werd op de houding van de kerkenraad, de predikant en op andere gemeenteleden. Ds. Krijgsman schreef een stuk in De Bazuin, waarin hij uitvoerig in ging op de problemen in Joure. De gecensureerden waren volgens hem ‘antinomianen’, ze spotten openlijk met sommige leerstukken van de Gereformeerde Kerk. Kortom, de handelwijze van de kerkenraad ten aanzien van de censuur werd verdedigd. Daarop schreven de gecensureerden een verdediging, maar die werd in De Bazuin niet toegelaten, reden waarom ze in 1870 er een brochure van maakten onder de titel De Afgescheidene Kerk in Nederland openbaar geworden in de beruchte afsnijdingen te Joure, geschreven door een van hen, R.R. Dijkstra.

De brochure van R.R. Dijkstra.

Het bovenstaande is slechts een zeer korte samenvatting van alles wat er gebeurde. Sommige leden van de gemeente werden niet meer toegelaten tot het avondmaal, wat door de classis weer ongedaan gemaakt werd, mits de gecensureerden binnen drie à vier weken hun leven beterden, weer in de kerk zouden komen en hun kinderen weer naar de catechisatie zouden sturen; bovendien moesten ze de harde en smadelijke woorden aan het adres van de predikant terugnemen en ook de verspreide laster herroepen. Zo niet, dan zou de censuur op hen worden toegepast. Daar gingen ze niet mee akkoord.

Christelijke Gereformeerde Gemeente te Joure (1869).

Ondertussen was de naam van de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Joure veranderd in Christelijke Gereformeerde Gemeente te Joure. Dit was een gevolg van een landelijke kerkenfusie van de Christelijke Afgescheidene Kerk en de Gereformeerde Kerk onder ’t Kruis, die in en na 1838 de Christelijke Afgescheidene Kerk verlaten had wegens allerlei verschillen van mening over de leer en over de kerkregering. Maar eind jaren ’60 van de negentiende eeuw waren de meningsverschillen nauwelijks nog actueel en besloot men (op enkele Kruisgemeenten na) samen verder te gaan als Christelijke Gereformeerde Kerk. Ook de gemeente van Joure sloot zich daarbij aan en heette sindsdien dus Christelijke Gereformeerde Gemeente te Joure.

Ds. J.J. Dekkers (van 1873 tot 1889).

Ds. J.J. Dekkers (1835-1908).

Ds. Krijgsman had een beroep van de kerk van Marum aangenomen en nam op 5 maart 1871 afscheid. Na een aantal vergeefse beroepen op andere predikanten te hebben uitgebracht nam ds. J.J. Dekkers (1835-1908) van Scharnegoutum het beroep naar Joure aan en deed op 9 februari 1873 intrede. Zijn tekst was Jesaja 52 vers 7: “Aldus zegt de Heere HEERE: Het zal niet bestaan en het zal niet geschieden“.

‘De Bazuin’, 21 februari 1873.

“Zijn eerste gemeente [Naaldwijk] was hem een oefenschool en een lijdensschool beide, doch te Joure lag het hoogtepunt van zijn dienst. Hij was hier ‘in zijn kracht’. Hij was niet zozeer een kanselredenaar. Hij improviseerde van schets. Het schrijven en memoriseren zijner preeken was hem onmogelijk. Zijn kracht lag meer op het gebied der catechese en van den herderlijken arbeid dan op den kansel. Toch was het prediken hem een lust. Kanselhout kwam hem voor een genezend hout te zijn. Hij preekte de koorts menigmaal af”.

Een huis naast de kerk.

Het is onbekend wat de kerkenraad met de koop van het huis-met-timmerschuur naast de kerk wilde doen. Een en ander kostte in augustus 1875 maar liefst fl. 3.750. Men verhuurde de woning voor fl. 130 per jaar en de timmerwinkel-met-schuur voor fl. 100. Voor de aankoop ervan werd een lening afgesloten. In 1880 waren de wat bouwvallig geraakte panden al weer verkocht aan Jan Wempe (het onderhoud kostte veel geld). De koopvoorwaarden waren dat het huis niet ‘opgetrokken’ mocht worden (niet ‘opgehoogd’) – daardoor zou het licht uit de kerk weggenomen worden, er mocht geen drank verkocht worden en er mocht al helemaal geen kroeg van gemaakt worden.

Een kijkje op Joure, lang geleden.

Evangelisatiearbeid.

De Christelijke Gereformeerde Gemeente te Joure hield zich ook bezig met evangelisatiewerk. Zo werd samen met de gemeenten van Koudum en Idskenhuizen in het stadje Sloten geëvangeliseerd, waarmee men rond 1875 begon. Er werd voor bijna fl. 3.000 een schuur met bijbehorende woning gekocht terwijl veertig stoelen voor in de schuur werden aangeschaft.  Het huis werd verhuurd voor fl. 60. Maar… de burgerlijke gemeente gaf geen toestemming voor het houden van godsdienstoefeningen in de schuur. Uiteindelijk kon men bij de koning recht halen. Men dacht toen zelfs aan de bouw van een kerk in Sloten, maar het evangelisatiewerk vlotte niet zo, hoewel de classis in 1875 nog meende “dat de evangelisatie te Sloten zeer gunstig werkt en bij sommigen zich er behoefte aan kerkelijk leven openbaart”.

In 1880 liep de zaak af en werden de gebouwen deels verhuurd en verkocht. In 1892 werden alle bezittingen echter verkocht. We komen op deze website later terug op de gang van zaken met betrekking tot dit werk in Sloten. Want jaren later was het evangelisatiewerk succesvoller en zou er zelfs een kerkje komen.

En verder…

Jhr. mr. P.J. Vegelin van Claerbergen (foto: ‘Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie’).

Over de financiële situatie van de gemeente van Joure kon men niet naar huis schrijven. In deze jaren moest getracht worden een tekort weg te werken met een intekening onder de gemeenteleden, maar gelukkig ontving de gemeente in 1879 een legaat van maar liefst fl. 1.000, afkomstig van Jonkheer mr. P.J. Vegelin van Claerbergen. Van de rente zouden de armen profiteren. –– Plannen voor de oprichting van een boterfabriek vlak bij de kerk mochten weliswaar gerealiseerd worden, maar de eigenaar moest er voor zorgen dat de kerkdiensten er niet door gestoord werden. — Op 31 maart 1889 nam ds. Dekkers afscheid van Joure. Men nam node afscheid van de predikant. “Het bleek duidelijk dat de Heere zijn dienstwerk onder ons heeft gezegend, zoowel tot opbouwing als uitbreiding der gemeente en tot bekeering van zondaren”. Hij vertrok naar de gemeente van Ouderkerk aan den Amstel.

Ds. J.R. Dijkstra (van 1889 tot 1923).

Ds. J.R. Dijkstra (1850-1925).

Op 3 november 1889 deed ds. J.R. Dijkstra (1850-1925) van Sliedrecht intrede in Joure. Vierendertig jaar lang zou hij aan de kerk van Joure verbonden blijven. Over hem en zijn arbeid hierna meer.

Naar deel 2 >

© 2022. GereformeerdeKerken.info