In het voorjaar van 1926 keek gereformeerd Nederland gespannen naar de stad Assen. In de daar vergaderende generale synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland speelde zich een conflict af dat veel groter zou blijken dan een discussie over een sprekende slang in het paradijs.

Wat begon als een debat over de uitleg van Genesis 3 groeide uit tot een principiële strijd over Schriftgezag, moderne wetenschap, kerkelijke macht en de grenzen van orthodoxie. Honderd jaar later geldt de kwestie-Geelkerken nog altijd als een sleutelmoment in de Nederlandse protestantse geschiedenis.
Dr. J.G. Geelkerken.
Centraal in het conflict stond dr. Johannes Gerardus Geelkerken (1879-1960), predikant van de Gereformeerde Kerk van Amsterdam-Zuid. Geelkerken was geen randfiguur of revolutionair buitenstaander. Hij was juist een begaafd en gerespecteerd predikant uit het hart van de gereformeerde wereld. Hij had gestudeerd aan de Vrije Universiteit te Amsterdam, de intellectuele trots van het neocalvinisme van dr. Abraham Kuyper (1837-1920), en promoveerde cum laude op een proefschrift over godsdienstpsychologie. Hij gold als intellectueel scherpzinnig, cultureel breed geïnteresseerd en gevoelig voor nieuwe ontwikkelingen in wetenschap en theologie.
‘Te modern…?’

Toch riep hij al vroeg weerstand op. Veel gereformeerden vonden hem te modern, te open, te kritisch tegenover de gesloten cultuur van het gereformeerde volksdeel. Geelkerken ergerde zich op zijn beurt aan wat hij zag als geestelijke verstarring. Volgens hem dreigde de gereformeerde orthodoxie te veranderen in een systeem waarin menselijke interpretaties van de Bijbel bijna dezelfde status kregen als de Schrift zelf.
Die spanning kwam tot uitbarsting op 23 maart 1924. In de Schinkelkerk in Amsterdam-Zuid hield Geelkerken een catechismuspreek over zondag 3 van de Heidelbergse Catechismus, waarin de zondeval ter sprake komt. Tijdens die preek behandelde hij Genesis 3, het verhaal van Adam, Eva en de slang.

‘Zintuiglijk waarneembaar…?’
Geelkerken stelde daarbij een vraag die achteraf historisch zou worden: moet een gereformeerde christen noodzakelijk geloven dat de slang letterlijk gesproken heeft en dat de bomen in het paradijs zintuiglijk waarneembare bomen waren? Hij ontkende dat niet expliciet, maar hij vond dat de Schrift ruimte liet voor andere manieren van verstaan. Misschien, zo suggereerde hij voorzichtig, moest men onderscheid maken tussen de geestelijke waarheid van het verhaal en de precieze vorm waarin die waarheid werd meegedeeld.
Voor velen leek dit een betrekkelijk bescheiden exegetische opmerking. Maar in de gereformeerde wereld van de jaren twintig lag dit buitengewoon gevoelig. De Gereformeerde Kerken verkeerden in een defensieve houding tegenover modernisme, vrijzinnigheid en historische bijbelkritiek. Men zag in de moderne theologie een bedreiging die uiteindelijk het hele christelijk geloof zou ondermijnen. De Nederlandse Hervormde Kerk gold voor velen als een afschrikwekkend voorbeeld van wat er gebeurde wanneer men te veel ruimte gaf aan moderne interpretaties van de Bijbel.
Daarom werd Geelkerkens opmerking niet opgevat als een detailkwestie, maar als een aanval op het fundament van het Schriftgezag.
Bezwaarschrift ingediend.

Een gemeentelid van Amsterdam-Zuid, H. Marinus, diende officieel bezwaar in tegen de preek. Volgens hem tastte Geelkerken de betrouwbaarheid van Gods Woord aan. Als de slang misschien niet letterlijk gesproken had, wat bleef er dan nog over van de historische betrouwbaarheid van Genesis? En als Genesis symbolisch gelezen mocht worden, waar lag dan de grens?
De zaak kwam eerst terecht bij kerkelijke vergaderingen op regionaal niveau, de classis, maar groeide snel uit tot een nationale kwestie. Kranten schreven erover, brochures verschenen in grote aantallen en in gereformeerde gezinnen, scholen en verenigingen werd fel gediscussieerd. Achter de discussie over de slang ging een veel diepere vraag schuil: hoe moest een moderne gereformeerde omgaan met wetenschap, geschiedenis en Bijbelkritiek?
Geelkerken zelf zag zich niet als iemand die de orthodoxie wilde afbreken. Integendeel. Hij beschouwde zichzelf als een loyaal gereformeerd predikant die juist probeerde het geloof geloofwaardig te houden in een moderne wereld. Hij wilde ruimte om exegetische vragen te stellen zonder onmiddellijk van ketterij beschuldigd te worden. Volgens hem ging het niet om ongeloof, maar om hermeneutiek: hoe leest men de Bijbel verantwoord?
‘Eerst één detail ‘symbolisch’, maar daarna…’

Zijn tegenstanders vertrouwden die benadering echter niet. Voor hen was dit precies de methode waarmee elders in Europa het traditionele christendom was uitgehold. Eerst werd één detail symbolisch verklaard, daarna volgden wonderen, vervolgens de opstanding, en uiteindelijk bleef er van het geloof niets meer over dan religieuze beleving. Men wilde koste wat kost voorkomen dat de Gereformeerde Kerken dezelfde weg zouden gaan.

In 1926 kwam de generale synode bijeen in de Zuiderkerk te Assen om de kwestie definitief te behandelen. De spanning was enorm. De synode vergaderde in een sfeer van historische ernst. Men had het gevoel dat het voortbestaan van gereformeerde orthodoxie op het spel stond.
De uitspraak van de Synode.
De synode stelde uiteindelijk vast dat Genesis 2 en 3 in historische zin moesten worden verstaan. Daarbij verklaarde zij expliciet dat (1) de boom der kennis, (2) de boom des levens en (3) de slang werkelijk, zintuiglijk waarneembare realiteiten waren geweest. Ook moest worden vastgehouden dat de slang daadwerkelijk gesproken had, zij het onder invloed van Satan.

Voor Geelkerken lag het probleem niet eens uitsluitend in de inhoud van deze uitspraak. Wat hem vooral verontrustte, was dat de synode één bepaalde uitleg van Genesis bindend maakte voor alle gereformeerden. Volgens hem ging de synode daarmee verder dan Schrift en belijdenis vereisten. Hij wilde zich niet laten dwingen tot een exegetische formulering die volgens hem niet noodzakelijk uit de belijdenis voortvloeide.
Geschorst en afgezet…
De synode zag dat als ongehoorzaamheid. Op 12 maart 1926 werd Geelkerken geschorst. Enkele dagen later, op 17 maart, volgde zijn afzetting als predikant van de Gereformeerde Kerk van Amsterdam-Zuid.
Daarmee eindigde de zaak niet — integendeel. Juist toen begon de grote beroering. Een aanzienlijk deel van de kerkenraad en de gemeente van Amsterdam-Zuid bleef achter Geelkerken staan. Toen hij ondanks zijn schorsing bleef voorgaan in kerkdiensten, ontstonden chaotische toestanden. Kerkgebouwen werden bewaakt, kerkelijke eigendommen betwist en ambtsdragers afgezet.
Uiteindelijk leidde het conflict tot een kerkscheuring. Aanhangers van Geelkerken vormden “De Gereformeerde Kerken in Nederland in Hersteld Verband”. Deze groep bleef relatief klein, in totaal maximaal zo’n 7.000 leden, maar kreeg grote invloed onder intellectuelen en vooruitstrevende protestanten. Men verzette zich tegen synodale dwang en pleitte voor meer vrijheid in Schriftuitleg en theologisch denken.

De bakens verzet…
Achteraf bezien was de ironie van de geschiedenis groot. In 1926 werd Geelkerken veroordeeld omdat hij ruimte wilde laten voor een niet-strikt-letterlijke uitleg van bepaalde elementen in Genesis. Maar juist zulke benaderingen zouden later in grote delen van het Nederlandse protestantisme breed aanvaard raken. De vragen die hij stelde — over genre, symboliek, historische context en hermeneutiek (de tekstinterpretatie) — werden in de tweede helft van de twintigste eeuw bijna vanzelfsprekend in veel theologische opleidingen.
Zelfs binnen de Gereformeerde Kerken veranderde het oordeel geleidelijk. In 1967 sprak een synode uit dat Assen 1926 te ver was gegaan door één exegetische opvatting bindend op te leggen. Daarmee werd de veroordeling van Geelkerken feitelijk teruggenomen.
De kwestie-Geelkerken bleek uiteindelijk veel meer te zijn geweest dan een debat over een slang in het paradijs. Het conflict markeerde een overgangsmoment in de geschiedenis van het Nederlandse protestantisme: de botsing tussen een gesloten, zeker orthodox wereldbeeld en de opkomst van een modernere, historisch-kritische manier van denken.

Daarom heeft Assen 1926 zijn historische betekenis behouden. Het was een vroege confrontatie met vragen die de kerken de rest van de twintigste eeuw zouden blijven bezighouden: hoe lees je de Bijbel? Wat betekent Schriftgezag? Hoe verhouden geloof en wetenschap zich? Hoeveel ruimte mag er zijn voor verschillende interpretaties? En wanneer verandert orthodoxie in dogmatische verstarring?
In die zin was de kwestie-Geelkerken niet alleen een kerkelijk conflict uit het verleden, maar een vooraankondiging van veel bredere veranderingen in het moderne christendom.
Bronnen onder veel meer:
Maarten J. Aalders, Heeft de slang gesproken? Dr. J.G. Geelkerken (1879–1960), zijn leven en betekenis. Amsterdam, 2013
Acta van de Buitengewone Generale Synode van Assen 1926. Kampen, 1926
Johannes Gerardus Geelkerken, diverse brochures, en artikelen in Woord en Geest.
G.F.W. Herngreen, Een handjevol verkenners. Barneveld, 2012
Ben van Kaam, Parade der mannenbroeders. Wageningen, 1964
Dodenakkers.nl, “Geelkerken, Johannes Gerardus”.
© 2026. GereformeerdeKerken.info
