‘De Vrije Kerk’ (1875–1898): een kerk in beweging – 1

Inleiding.

Toen in oktober 1875 het maandblad De Vrije Kerk verscheen, kreeg de Christelijke Gereformeerde Kerk er een tijdschrift bij dat een eigen plaats innam naast het officiële orgaan van de Theologische School in Kampen, genaamd De Bazuin.

‘De Vrije Kerk’, jaargang 1881.

Initiatiefnemer en eerste redacteur was de Christelijk Afgescheiden predikant Hen(de)ricus Beuker (1834-1900), die het blad gedurende vrijwel zijn gehele bestaan, van 1875 tot diens emigratie in 1893, zou leiden, soms in samenwerking met anderen.

Onder zijn redactie groeide De Vrije Kerk uit tot een van de belangrijkste gereformeerde periodieken van zijn tijd en tot een onmisbare bron voor de geschiedenis van de kerkelijke ontwikkelingen die uiteindelijk zouden uitmonden in de ‘Vereniging van 1892′.

Doelstelling.

De Vrije Kerk had tot doel de Gereformeerde Kerken te dienen door bezinning te bieden op kerkelijke, theologische en maatschappelijke vraagstukken vanuit een gereformeerd belijdend perspectief. Het blad wilde niet slechts nieuws doorgeven, maar richting geven aan het kerkelijke leven. In de eerste decennia lag de nadruk op het bevorderen van de kerkelijke eenheid tussen de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken (Dolerende), (respectievelijk afkomstig uit Afscheiding en Doleantie. Daarbij werd veel aandacht besteed aan kerkrecht, de geschiedenis van de Afscheiding en de voorwaarden voor een verantwoorde ‘Vereniging’.

Op 17 juni 1892 verenigden zich de kerken uit Afscheiding en Doleantie tot ‘De Gereformeerde Kerken in Nederland’. Links de eerste Afgescheiden predikant ds. H. de Cock (1801-1842) en rechts de landelijke leider van de Doleantie, dr. A. Kuyper (1837-1920).

Na de ‘Vereniging van 1892’ verschoof het accent naar de bewaring van het gereformeerde karakter van de nieuw gevormde Gereformeerde Kerken in Nederland. Daarbij fungeerde De Vrije Kerk als forum voor kerkelijke discussie, verdediging van de gereformeerde belijdenis en bezinning op de opleiding van predikanten, de inrichting van het kerkelijk leven en de ontwikkeling van de gereformeerde theologie.

De ‘vrije kerk’.

De titel van het blad was veelzeggend. Met de uitdrukking De Vrije Kerk werd verwezen naar een kerk die uitsluitend aan Christus onderworpen is en daarom vrij behoort te zijn van overheidsbemoeienis, staatsinvloed en evenzeer van hiërarchische bestuursvormen, zoals men in de hervormde kerk gewend was geweest. Zij moest worden geregeerd overeenkomstig het gereformeerde kerkrecht (c.q. de Dordtse Kerkorde), waarin de plaatselijke gemeente een eigen verantwoordelijkheid bezit en ‘meerdere vergaderingen’ (classes en synoden) ‘slechts’ een dienende taak vervullen. Dit ideaal leefde al sinds de Afscheiding van 1834, maar kreeg in de jaren zeventig van de negentiende eeuw nieuwe actualiteit door de toenemende spanningen binnen de Nederlandse Hervormde Kerk en, later, door de Doleantie.

De Vrije Kerk bood ruimte voor een ander soort bijdragen dan in De Bazuin aan de orde kwam. Naast beschouwende artikelen verschenen er uitvoerige studies over het gereformeerde kerkrecht, historische bijdragen, polemische beschouwingen en analyses van actuele kerkpolitieke ontwikkelingen. Daardoor werd het blad een forum voor bezinning en discussie, waarin onderwerpen uitvoeriger konden worden behandeld dan in de officiële kerkelijke berichtgeving mogelijk was.

Ds. H. Beuker.

Ds. H. Beuker (1834-1900).

De persoonlijkheid van ds. Beuker drukte een duidelijk stempel op het tijdschrift. Hij verenigde een grote belangstelling voor de gereformeerde dogmatiek met historisch inzicht, journalistiek talent en een grondige kennis van het kerkrecht. Die combinatie maakte hem bij uitstek geschikt om ingewikkelde kerkelijke vraagstukken op interessante wijze toegankelijk te maken voor een breed lezerspubliek.

Terecht bijzonder geliefd was zijn interessante vaste maandelijkse rubriek Een en ander. Daarin besprak hij de meest uiteenlopende onderwerpen: synodeverslagen, kerkelijke conflicten, buitenlandse ontwikkelingen, nieuwe boeken en persoonlijke beschouwingen. Wanneer ergens een synode had vergaderd, vatte Beuker de belangrijkste besluiten samen en gaf hij zijn eigen beoordeling. Verscheen er een brochure over de kerkelijke vereniging of over het kerkrecht, dan volgde vaak een uitvoerige bespreking. Ook ontwikkelingen in Duitsland, Schotland, Amerika of Zuid-Afrika kregen regelmatig aandacht. Juist tijdens de langdurige ‘Verenigingsoverleggen’ tussen de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken werd deze rubriek voor velen de belangrijkste informatiebron! Predikanten en gemeenteleden bleven via Een en ander vrijwel van maand tot maand op de hoogte van de voortgang van de besprekingen.

Kerkelijk nam Beuker een eigen positie in. Hij stond zonder meer op de grondslag van de gereformeerde belijdenis en verdedigde krachtig het gereformeerde kerkrecht, maar tegelijk had hij een irenische instelling: hij zocht niet de voortdurende partijstrijd of persoonlijke profilering, maar probeerde kerkelijke eenheid te bevorderen op confessionele grondslag.

Prof. Lucas Lindeboom (1845-1933).

Daarmee onderscheidde hij zich enigszins van uitgesproken polemische tijdgenoten als dr. Abraham Kuyper (1837-1920) in De Heraut, ds. Lucas Lindeboom (1845-1933) en ds. F.P.L.C. van Lingen (1832-1913). Ds. Beukers artikelen zijn doorgaans scherp in argumentatie, maar gematigd van toon.

Ds. F.P.L.C. van Lingen (1832-1913).

De inhoud.

Gedurende de ruim twintig jaar dat het blad verscheen, keerden enkele hoofdthema’s voortdurend terug. Allereerst was er de vraag naar het wezen van de kerk als instituut. Talrijke artikelen behandelden onderwerpen als de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente, de betekenis van de ‘meerdere vergaderingen’ en de verhouding tussen kerk en overheid. Daarbij sloot Beuker bewust aan bij de gereformeerde traditie van de zestiende en zeventiende eeuw: regelmatig werden uitspraken van de Synode van Dordrecht of van gereformeerde kerkrechtdeskundigen aangehaald om actuele vraagstukken te verhelderen.

Een tweede belangrijk thema vormde de geschiedenis van de Afscheiding van 1834. In vrijwel alle jaargangen verschenen historische artikelen over de eerste Afgescheiden predikant, ds. Hendrik de Cock (1801-1842), over de eerste Afgescheiden Gemeenten, de vervolgingen die zij hadden ondergaan en de moeizame opbouw van een zelfstandige kerkelijke organisatie. Door deze voortdurende aandacht hielp De Vrije Kerk het historisch zelfbewustzijn van de Christelijke Gereformeerde Kerk te versterken. De herinnering aan de Afscheiding bleef niet beperkt tot herdenkingen, maar werd voortdurend verbonden met de actuele vragen waarvoor de kerk zich gesteld zag.

Een van de portretten van ds. H. de Cock (1801-1842).

Opvallend was bovendien de internationale oriëntatie van het blad. Beuker beschikte over een uitgebreid netwerk van contacten in het buitenland en informeerde zijn lezers zoals al opgemerkt regelmatig over het kerkelijke leven in Duitsland, Schotland, de Verenigde Staten en Zuid-Afrika. Daarmee plaatste hij de Nederlandse ontwikkelingen in een breder gereformeerd perspectief. Dat internationale karakter kreeg later een persoonlijk vervolg toen Beuker in 1893 zelf naar Noord-Amerika emigreerde en predikant werd bij de Christian Reformed Church.

Deel 2 volgt binnenkort

Bronnen onder meer:

G.J. Beuker, Abgeschiedenes Streben nach Einheit. Leben und Wirken Henricus Beukers, 1834-1900. Kampen, 1996

Handelingen van de synoden van de Christelijke Gereformeerde Kerk. 2 dln., Kampen, 1988

Handelingen van de Verenigingssynode (1892).

J.C. Schaeffer, De plaats van Abraham Kuyper in ‘De Vrije Kerk’. Amsterdam, 1997

De Vrije Kerk (met verschillende ondertitels), Amsterdam/Leiden, jaargangen 1875–1898, aanwezig in het archief van de website GereformeerdekerKen.info

© 2026. GereformeerdeKerken.info

Translation into English:

‘De Vrije Kerk’ (1875-1898): A Church in Motion – 1.

Introduction.

When the monthly periodical De Vrije Kerk appeared in October 1875, the Christian Reformed Church gained a journal that occupied a distinct place alongside the official organ of the Theological School in Kampen, called De Bazuin.

The initiator and first editor was the Christian Seceded minister Hen(de)ricus Beuker (1834–1900), who would lead the periodical for virtually its entire existence, from 1875 until his emigration in 1893, sometimes in cooperation with others.

Under his editorship, De Vrije Kerk grew into one of the most important ‘gereformeerde’ periodicals of its time and into an indispensable source for the history of the ecclesiastical developments that would ultimately culminate in the ‘Union of 1892’.

Purpose.

De Vrije Kerk aimed to serve the ‘Gereformeerde’ Churches by providing reflection on ecclesiastical, theological, and social issues from a confessional ‘gereformeerd’ perspective. The periodical did not merely seek to convey news, but also to provide direction for church life. In the first decades, emphasis was placed on promoting ecclesiastical unity between the Christian Reformed Church and the ‘Nederduitsche Gereformeerde’ Churches (Doleantie), respectively originating from the Secession and the Doleantie. Considerable attention was devoted to church law, the history of the Secession, and the conditions for a responsible ‘Union’.

After the ‘Union of 1892’, the emphasis shifted toward preserving the ‘gereformeerde’ character of the newly formed ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands. In this context, De Vrije Kerk served as a forum for ecclesiastical discussion, the defense of the ‘gereformeerde’ confessions, and reflection on the training of ministers, the organization of church life, and the development of ‘gereformeerde’ theology.

The ‘Free Church’.

The title of the periodical was significant. The expression De Vrije Kerk referred to a church that is subject exclusively to Christ and therefore ought to be free from government interference, state influence, and likewise from hierarchical forms of church government, as had been customary in the ‘Gereformeerde’ Church. It was to be governed in accordance with ‘gereformeerde’ church law (i.e. the ‘Church Order of Dort’), in which the local congregation bears its own responsibility and ‘broader assemblies’ (classes and synods) ‘merely’ perform a serving function. This ideal had existed since the Secession of 1834, but acquired renewed relevance in the 1870s because of the increasing tensions within the ‘Hervormde’  Church and, later, because of the Doleantie.

De Vrije Kerk provided room for a different kind of contribution from that which appeared in De Bazuin. Alongside articles of a reflective nature, extensive studies of ‘gerefomeerde’ church law, historical contributions, polemical essays, and analyses of current ecclesiastical-political developments were published. As a result, the periodical became a forum for reflection and discussion, in which subjects could be treated in greater detail than was possible in official ecclesiastical reporting.

Rev. H. Beuker.

The personality of Rev. Beuker left a distinct mark on the periodical. He combined a strong interest in ‘gereformeerde’ dogmatics with historical insight, journalistic talent, and thorough knowledge of church law. This combination made him particularly well suited to making complicated ecclesiastical questions accessible and interesting to a broad readership.

His interesting regular monthly column Een en ander (‘One Thing and Another’) was rightly very popular. In it, he discussed the most diverse subjects: synod reports, ecclesiastical conflicts, developments abroad, new books, and personal reflections. When a synod had met somewhere, Beuker summarized the most important decisions and gave his own assessment. When a pamphlet appeared concerning church union or church law, it was often followed by an extensive review. Developments in Germany, Scotland, America, or South Africa also regularly received attention. Particularly during the prolonged ‘Union discussions’ between the Christian Reformed Church and the’Nederduitsche Gereformeerde’ Churches, this column became the most important source of information for many people. Through Een en ander, ministers and church members remained informed, virtually from month to month, about the progress of the discussions.

Ecclesiastically, Beuker occupied a position of his own. He stood unequivocally on the foundation of the ‘gereformeerde’ confessions and vigorously defended ‘gereformeerde’ church law, but at the same time he had an irenic disposition: he did not seek continual factional conflict or personal profile-building, but sought to promote ecclesiastical unity on a confessional foundation.

In this respect, he differed somewhat from outspokenly polemical contemporaries such as Dr. Abraham Kuyper (1837–1920) in De Heraut, Rev. Lucas Lindeboom (1845–1933), and Rev. F.P.L.C. van Lingen (1832–1913). Rev. Beuker’s articles are generally sharp in their argumentation, but moderate in tone.

The Content.

During the more than twenty years in which the periodical appeared, several major themes continually recurred. First and foremost was the question of the nature of the church as an institution. Numerous articles dealt with subjects such as the independence of the local congregation, the significance of the ‘broader assemblies’, and the relationship between church and government. In doing so, Beuker consciously connected with the ‘gereformeerde tradition of the sixteenth and seventeenth centuries: statements from the Synod of Dort or from ‘gereformeerde’ experts in church law were regularly quoted in order to clarify contemporary issues.

A second important theme was the history of the Secession of 1834. In virtually every annual volume, historical articles appeared about the first Seceded minister, Rev. Hendrik de Cock (1801–1842), the first Seceded Congregations, the persecutions they had endured, and the difficult establishment of an independent ecclesiastical organization. Through this sustained attention, De Vrije Kerk helped strengthen the historical self-awareness of the Christian Reformed Church. The memory of the Secession was not confined to commemorations, but was continually connected with the contemporary questions confronting the church.

The periodical’s international orientation was also striking. Beuker had an extensive network of contacts abroad and regularly informed his readers about church life in Germany, Scotland, the United States, and South Africa. In this way, he placed developments in the Netherlands within a broader ‘gereformeerd’ perspective. This international character later received a personal continuation when Beuker himself emigrated to North America in 1893 and became a minister in the Christian Reformed Church.