De Geuzenkerk van Brielle

Een kleine Afgescheiden gemeente.

De geschiedenis van de Geuzenkerk begint bij de Christelijke Afgescheidene Gemeente van Brielle, een kleine gemeente die voortkwam uit de Afscheiding van 1834. Hoewel de gemeente al op 15 mei 1850 onder leiding van ds. H.B. Geuchies (1826-1905) van Rotterdam werd geïnstitueerd, werd zij in 1854 officieel door de overheid erkend.

Kaart: Google.

De omstandigheden waren bescheiden. De eerste kerkdiensten werden gehouden in een woonhuis aan de noordzijde van het Maarland. De kerkenraad bestond in die jaren uit de ouderlingen Izaak van Oudenaarde en Pieter van Waardenberg, terwijl Herman Weyerse en Jan van der Sluijs als diakenen dienden. Al spoedig na de instituering kwam men in contact met Pieter van Wagtendonk uit Rotterdam; overeengekomen werd dat hij in Brielle oefenaar zou zijn. De ouderlingen konden het echter met Van Wagtendonk niet goed vinden, al oordeelde de classis dat de oefenaar ‘geen sporen van onrechtzinnigheid’ had laten zien. Maar, we laten dit alles omwille van het te bespreken kerkgebouw echter achter ons.

Ds. H.B. Geuchies (1826-1905) van Rotterdam institueerde de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Brielle.

In 1854 telde de gemeente, kinderen meegerekend, ongeveer zeventig zielen.

Toen de gemeente groeide, besloot de kerkenraad in 1867 een ander pand aan de Noordzijde van het Maarland als kerkgebouw in gebruik te nemen. Voor dat gebouw betaalde men een huur van vijfentwintig cent per week. De inventaris was uiterst eenvoudig: zesenzestig stoelen en zeven lampen. Zelfs deze bezittingen vormden nog geen volledig eigendom van de gemeente. De financiële situatie was zo zwak dat men in 1870 de stoelen moest verkopen om schulden af te lossen. Een eigen kerkgebouw leek vooralsnog buiten bereik.

“Christelijke Gereformeerde Gemeente” (1869).

Intussen was de landelijke Christelijke Afgescheidene Kerk van naam veranderd: bij de kerkenfusie van de Afgescheidenen en de meerderheid van de rond 1838 uitgetreden ‘Gereformeerde Kerk onder ’t Kruis’ had men afgesproken samen weer verder te gaan, nu als Christelijke Gereformeerde Kerk. Ook de gemeente van Brielle sloot zich daarbij aan en heette in het vervolg dus ‘Christelijke Gereformeerde Gemeente te Brielle’.

Het jubileum van Den Briel.

Heel protestants Nederland herdacht op 1 april 1872 de driehonderdste verjaardag van de inname van Den Briel door de Watergeuzen. Hier een optocht in Amsterdam (Streekarchief Voorne Putten).

In 1872 maakte Brielle zich op voor de herdenking van een gebeurtenis die een belangrijke plaats inneemt in de Nederlandse geschiedenis: driehonderd jaar eerder, op 1 april 1572, hadden de Watergeuzen de stad ingenomen. Die gebeurtenis wordt vaak gezien als een keerpunt in de Opstand tegen Spanje.

Ter gelegenheid van deze herdenking ontstonden landelijke plannen voor de oprichting van een monument. Onder meer werd gedacht aan een gedenkteken in de vorm van een zeemeermin. Een ouderling uit de Christelijke Gereformeerde Gemeente van Zuid-Beijerland kwam echter met een ander voorstel. Volgens hem kon men beter een blijvend monument oprichten dat niet alleen de nationale geschiedenis, maar ook de geschiedenis van de Gereformeerde Kerk zou eren: een kerkgebouw voor de kleine gemeente van Brielle.

Het idee vond veel weerklank.

Oprichting van een bouwcommissie.

Ds. J. Schuurman (1819-1887) was een van de voorstanders van de bouw van de Geuzenkerk.

Op 19 maart 1872 werd een commissie gevormd om de bouw van een Geuzenkerk mogelijk te maken. Onder de voorstanders bevonden zich bekende figuren uit de Christelijke Gereformeerde Kerk, onder wie ds. G.A. Kempff (1844-1882) van Maassluis, ds. J. Schuurman (1819-1887) van Zwartewaal en prof. A. Brummelkamp (1811-1888) uit Kampen.

De steun was opmerkelijk groot. Al twee dagen na de oprichting van de commissie kon een terrein aan de Noordmolenstraat worden gekocht voor 850 gulden.

De bedoeling was dat het gebouw eigendom zou worden van de landelijke Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland. De plaatselijke gemeente van Brielle zou het kerkgebouw mogen gebruiken, mits zij zelf zorg droeg voor het onderhoud.

Een landelijke inzamelingsactie.

Een aanbeveling van ds. J.H. Donner voor de inzameling van gelden voor de bouw van de Geuzenkerk (‘De Wekstem’, 26 maart 1872).

De bouw werd mogelijk gemaakt door giften uit het hele land. Uiteindelijk werd ongeveer vijfduizend gulden ingezameld, een aanzienlijk bedrag voor die tijd.

Het geld werd voorlopig ondergebracht bij de Spaarbank in Rotterdam. Omdat de bank dergelijke grote bedragen niet wilde bewaren, werden de gelden in certificaten belegd totdat de bouw kon beginnen.

Het ontwerp van de kerk.

Voor het ontwerp werden verschillende architecten benaderd: Van Dijk uit Spijkenisse, Groenewegen uit Schiedam en Coepijn uit Rotterdam.

‘De Bazuin’, 12 april 1872.

Na vergelijking van de ingediende plannen koos de commissie voor het ontwerp van Coepijn. Daarbij ontstond echter een conflict. Architect Van Dijk ontdekte dat een concurrerend ontwerp niet geheel door de indiener zelf was vervaardigd, maar door architect Baan was uitgewerkt. De commissie wilde deze kwestie rechtzetten en enkele leden reisden naar Spijkenisse om de financiële afhandeling te bespreken.

‘De Bazuin’, 12 april 1872.

De betrokken architect voelde zich naar eigen zeggen onheus behandeld, maar uiteindelijk besloot men geen verdere stappen te ondernemen en zich volledig op de bouw te richten.

De eerste steen.

‘De Bazuin’, 6 september 1872.

Op 29 augustus 1872 vond een belangrijke plechtigheid plaats: professor A. Brummelkamp legde de eerste steen van de nieuwe kerk.

Bij die gelegenheid sprak hij woorden die nog lang herinnerd werden. Hij verklaarde onder meer dat men tevergeefs naar een officieel protocol van de kerk had gezocht. Tevens pleitte hij opnieuw voor de stichting van christelijke scholen en voor een duidelijke scheiding tussen kerk en staat. Brummelkamp gaf de eerste steen een bijzondere betekenis. Zij moest dienen als ‘een steen van herinnering, een steen van dankbaarheid, en een steen van getuigenis’.

De gedenksteen bij de bouw van de kerk (foto: ‘Leve de vesting Brielle’).

Later werd in de kerk een gedenksteen aangebracht met de woorden uit Romeinen 8:31:

“Si Deus pro nobis, quis contra nos?”
(“Zo God voor ons is, wie zal tegen ons zijn?”)

Deze tekst verwoordde volgens hem de diepere betekenis van het hele project.

Het Geuzenkerkje in Brielle.

Financiële zorgen.

Ondanks de succesvolle inzameling bleek tijdens de bouw dat er nog altijd ongeveer 2.500 gulden tekort kwam.

Daardoor kon de aannemer, A. de Neef, niet direct volledig worden betaald. Hoewel hij het werk naar tevredenheid had uitgevoerd en bereid was uitstel van betaling te verlenen, ging hij later failliet.

Ook de plaatselijke gemeente kreeg het financieel zwaar. De bouw van een pastorie bracht nieuwe lasten met zich mee. In 1897 moest de kerkenraad zelfs opnieuw een bedrag van 800 gulden lenen om de meest dringende schulden af te lossen.

Ingebruikneming van de Geuzenkerk.

‘De Bazuin’, 28 februari 1873.

Op 20 februari 1873 werd de Geuzenkerk officieel in gebruik genomen. Deze kerkdienst stond onder leiding van ds. A. Brummelkamp, docent van de Theologische School in Kampen.

Het gebouw was ontworpen in een oorspronkelijk romaans geïnspireerde stijl en vormde een opvallend monument in Brielle. Voor de kleine gemeente betekende het een enorme vooruitgang ten opzichte van de eerdere onderkomens aan het Maarland.

Een jaar later kreeg de gemeente haar eigen predikant in de persoon van ds. I. Contant (1843-1896), die er van 1874 tot 1879 predikant was.

Groei van de gemeente.

In de laatste decennia van de negentiende eeuw groeide de gemeente geleidelijk. Tijdens de kroningsfeesten van koningin Wilhelmina in 1898 werd op verzoek van bewoners de Noordmolenstraat zelfs omgedoopt tot Geuzenstraat, waarmee de herinnering aan de kerk ook in het straatbeeld werd vastgelegd.

In de nabijheid van de kerk werd later bovendien een gereformeerd weeshuis gevestigd. Dit “Geuzensticht” was bestemd voor kinderen van verdronken zeelieden en vormde jarenlang een bekende instelling binnen gereformeerde kring.

De Geuzenkerk te Brielle.

Een nieuwe juridische positie.

In 1913 werd de eigendomssituatie gewijzigd. Op verzoek van de kerkenraad werd de Geuzenkerk toen officieel overgedragen aan de Gereformeerde Kerk van Brielle.

Daaraan werd echter een belangrijke voorwaarde verbonden: het gebouw mocht nooit aan zijn kerkelijke bestemming worden onttrokken zonder toestemming van de generale synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland.

Naar een nieuw kerkgebouw.

In de twintigste eeuw veranderde de situatie opnieuw. De gemeente groeide verder en de oude Geuzenkerk begon te klein en minder praktisch te worden.

In 1965 kocht de kerkenraad een schoolgebouw aan de Langestraat. Het terrein daarachter bood ruimte voor de bouw van een nieuw kerkgebouw.

De Geuzenkerk sloot in 1968 haar deuren.

Op 28 oktober 1968 vond de laatste kerkdienst in de Geuzenkerk plaats. Daarna verhuisde de gemeente naar het nieuwe kerkgebouw aan de Coppelstockstraat, dat eveneens de naam Geuzenkerk kreeg. De gevelsteen uit de oude kerk werd naar het nieuwe gebouw overgebracht.

Verkoop en latere bestemming.

In 1969 werd het oude kerkgebouw verkocht. Vervolgens kreeg het een industriële bestemming als timmerwerkplaats.

Later verloor het oude kerkpand ook die functie. Uiteindelijk werd het gebouw gerestaureerd en herontwikkeld. Daarbij bleef het karakteristieke exterieur behouden, zodat het nog altijd herinnert aan zijn oorspronkelijke functie als kerkgebouw.

Discussie over de naam.

Rond de bouw van de nieuwe kerk ontstond discussie over het behoud van de naam “Geuzenkerk”. Sommigen vonden de naam minder passend in een tijd waarin de contacten met de rooms-katholieke gemeenschap verbeterden. De Watergeuzen werden immers ook verbonden met de moord op de negentien Martelaren van Gorcum in 1572.

De nieuwe gereformeerde kerk.

Toch besloot men de historische naam te handhaven. De naam herinnerde immers niet alleen aan een gebeurtenis uit de nationale geschiedenis, maar ook aan de opmerkelijke wijze waarop een kleine en arme Afgescheiden Gemeente in de negentiende eeuw een eigen kerkgebouw had gekregen.

De nieuwe kerk is inmiddels ook gesloten. Op 31 januari 1993 werd er de laatste gereformeerde dienst gehouden in verband met de samenwerking met de hervormde gemeente. De Jehova’s Getuigen kochten deze kerk.

Betekenis.

De Geuzenkerk was meer dan een kerkgebouw. Zij was een nationaal monument van gereformeerde saamhorigheid. Vanuit heel Nederland brachten leden van de Christelijke Gereformeerde Kerk geld bijeen om een kleine gemeente te helpen. Het gebouw herinnerde zowel aan de bevrijding van Den Briel in 1572 als aan de strijd van de Afgescheidenen in de negentiende eeuw om een plaats binnen het Nederlandse kerkelijke leven te verkrijgen.

Het interieur van de nieuwe gereformeerde kerk.

Daardoor nam de Geuzenkerk een bijzondere plaats in binnen de geschiedenis van zowel Brielle als de gereformeerde gezindte in Nederland.

Bronnen onder meer:

De Bazuin, Stemmen uit de Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland. Kampen, div. jrg.

L.W. Hordijk, Een Geuzenkerk voor Brielle, in: Anderhalve eeuw gereformeerden in stad en land. Deel 5, Zuid-Holland Zuid. Kampen, 1984

Herbestemming.nl, Geuzenkerk, Brielle.

Leve de Vesting Brielle, Tekststeen Langestraat 76c

Monumenten.nl, Hoe is het nu met de Geuzenkerk in Brielle?

Reliwiki, Brielle, Coppelstockstraat 33 – Geuzenkerk.

C. Smits,  De Afscheiding van 1834, Zevende deel, Classes Rotterdam en Leiden. Dordrecht, 1986

De Wekstem, Getuigenissen uit de Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland. Kampen, 1872

© 2026. GereformeerdeKerken.info

Translation into English:

The Geuzenkerk in Brielle.

A Small Secessionist Congregation.

The history of the Geuzenkerk begins with the Christian Seceded Congregation of Brielle, a small church that emerged from the Secession of 1834. Although the congregation was formally established on May 15, 1850, under the leadership of Rev. H.B. Geuchies (1826–1905) of Rotterdam, it was officially recognized by the government in 1854.

The circumstances were modest. The first church services were held in a house on the northern side of the Maarland. In those years, the church council consisted of the elders Izaak van Oudenaarde and Pieter van Waardenberg, while Herman Weyerse and Jan van der Sluijs served as deacons. Soon after the congregation was organized, contact was made with Pieter van Wagtendonk from Rotterdam, and it was agreed that he would serve as a lay preacher in Brielle. However, the elders did not get along well with Van Wagtendonk, although the classis judged that the preacher had shown “no signs of doctrinal error.” We will leave those matters aside here, however, in order to focus on the church building itself.

In 1854 the congregation numbered about seventy souls, including children.

As the congregation grew, the church council decided in 1867 to use another building on the northern side of the Maarland as a church. The rent amounted to twenty-five cents per week. The furnishings were extremely simple: sixty-six chairs and seven lamps. Even these possessions did not yet fully belong to the congregation. The financial situation was so weak that in 1870 the chairs had to be sold to pay off debts. A church building of their own seemed beyond reach for the time being.

“Christian Reformed Congregation” (1869).

Meanwhile, the national Christian Seceded Church had changed its name. Following the merger of the Secession churches with the majority of the “‘Gereformeerde’ Church under the Cross,” which had separated around 1838, it was agreed that they would continue together under the name Christian Reformed Church. The congregation of Brielle joined this union and thereafter became known as the “Christian Reformed Congregation of Brielle.”

The Jubilee of Den Briel.

In 1872, Brielle prepared to commemorate an event that occupies an important place in Dutch history. Three hundred years earlier, on April 1, 1572, the Sea Beggars had captured the town. This event is often regarded as a turning point in the Dutch Revolt against Spain.

Plans were made nationwide to erect a memorial to mark the anniversary. Among other ideas, a monument in the form of a mermaid was proposed. However, an elder from the Christian Reformed Congregation of Zuid-Beijerland suggested a different approach. In his view, a more lasting monument should be established—one that would honor not only national history but also the history of the ‘Gereformeerde’ Church: a church building for the small congregation in Brielle.

The idea received widespread support.

Formation of a Building Committee.

On March 19, 1872, a committee was formed to make the construction of a Geuzenkerk (“Beggars’ Church”) possible. Among its supporters were prominent figures within the Christian Reformed Church, including Rev. G.A. Kempff (1844–1882) of Maassluis, Rev. J. Schuurman (1819–1887) of Zwartewaal, and Professor A. Brummelkamp (1811–1888) of Kampen.

The support was remarkably strong. Only two days after the committee’s formation, a plot of land on Noordmolenstraat was purchased for 850 guilders.

It was intended that the building would become the property of the national Christian Reformed Church in the Netherlands. The local congregation of Brielle would be permitted to use the church building, provided it took responsibility for maintenance.

A Nationwide Fundraising Campaign.

Construction was made possible through donations from all over the country. In the end, approximately 5,000 guilders were collected, a considerable sum at the time.

The money was temporarily deposited in the Savings Bank of Rotterdam. Since the bank was unwilling to hold such large sums, the funds were invested in certificates until construction could begin.

The Design of the Church.

Several architects were approached for the design: Van Dijk of Spijkenisse, Groenewegen of Schiedam, and Coepijn of Rotterdam.

After comparing the submitted plans, the committee selected Coepijn’s design. A conflict arose, however. Architect Van Dijk discovered that a competing design had not been produced entirely by the submitting architect but had actually been drafted by architect Baan. The committee wished to resolve the matter fairly, and several members traveled to Spijkenisse to discuss the financial settlement.

The architect involved felt he had been treated unfairly, but in the end it was decided not to pursue the matter further and instead focus entirely on construction.

The Laying of the Foundation Stone.

On August 29, 1872, an important ceremony took place: Professor A. Brummelkamp laid the foundation stone of the new church.

On that occasion he spoke words that would long be remembered. Among other things, he remarked that a search for an official church protocol had been in vain. He also once again advocated the establishment of Christian schools and a clear separation of church and state. Brummelkamp attached special significance to the foundation stone. It was to serve as “a stone of remembrance, a stone of gratitude, and a stone of testimony.”

Later, a commemorative stone was placed in the church bearing the words from Romans 8:31:

“Si Deus pro nobis, quis contra nos?”
(“If God is for us, who can be against us?”)

According to Brummelkamp, this text expressed the deeper meaning of the entire project.

Financial Concerns.

Despite the successful fundraising campaign, it became apparent during construction that there was still a shortfall of about 2,500 guilders.

As a result, the contractor, A. de Neef, could not be paid in full immediately. Although he completed the work satisfactorily and was willing to grant a delay in payment, he later went bankrupt.

The local congregation also faced financial difficulties. The construction of a parsonage brought new burdens. In 1897 the church council was even forced to borrow another 800 guilders to pay off the most pressing debts.

Dedication of the Geuzenkerk.

On February 20, 1873, the Geuzenkerk was officially dedicated. The service was led by Rev. A. Brummelkamp, lecturer at the Theological School in Kampen.

Designed in an original Romanesque-inspired style, the building became a striking landmark in Brielle. For the small congregation it represented a tremendous improvement over the previous accommodations on the Maarland.

A year later, the congregation received its own minister in the person of Rev. I. Contant (1843–1896), who served there from 1874 to 1879.

Growth of the Congregation.

In the final decades of the nineteenth century, the congregation grew steadily. During the coronation celebrations of Queen Wilhelmina in 1898, Noordmolenstraat was renamed Geuzenstraat at the request of local residents, thereby preserving the memory of the church in the townscape itself.

A ‘gereformeerde’ orphanage was later established near the church. This “Geuzen Foundation” was intended for the children of drowned sailors and became a well-known institution within ‘gereformeerde’ circles for many years.

A New Legal Position.

In 1913 the ownership arrangement was altered. At the request of the church council, the Geuzenkerk was officially transferred to the ‘Gereformeerde’ Church of Brielle.

However, an important condition was attached: the building could never be removed from its ecclesiastical purpose without the permission of the General Synod of the ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands.

Toward a New Church Building.

In the twentieth century the situation changed once again. The congregation continued to grow, and the old Geuzenkerk became too small and less practical.

In 1965 the church council purchased a school building on Langestraat. The land behind it provided space for the construction of a new church.

On October 28, 1968, the final worship service was held in the old Geuzenkerk. The congregation then moved to a new church building on Coppelstockstraat, which also received the name Geuzenkerk. The commemorative façade stone from the old church was transferred to the new building.

Sale and Later Use.

The old church building was sold in 1969. It was subsequently used for industrial purposes as a carpentry workshop.

Later, the former church also lost that function. Eventually the building was restored and redeveloped. Its characteristic exterior was preserved, ensuring that it still recalls its original role as a church.

Debate Over the Name.

Around the time the new church was built, discussion arose regarding the retention of the name “Geuzenkerk.” Some considered the name less appropriate in an era when relations with the Roman Catholic community were improving. After all, the Sea Beggars were also associated with the murder of the nineteen Martyrs of Gorcum in 1572.

Nevertheless, it was decided to retain the historic name. The name recalled not only an event from national history but also the remarkable way in which a small and impoverished Secessionist congregation had obtained its own church building in the nineteenth century.

The new church has since also been closed. On January 31, 1993, the final ‘gereformeerde’ service was held there as a result of cooperation with the ‘Hervormde’ congregation. The building was subsequently purchased by Jehovah’s Witnesses.

Significance.

The Geuzenkerk was more than a church building. It was a national monument to ‘gereformeerde’ solidarity. Members of the Christian Reformed Church from all over the Netherlands contributed funds to help a small congregation. The building commemorated both the liberation of Den Briel in 1572 and the struggle of the Secessionists in the nineteenth century to secure a place within Dutch ecclesiastical life.

As a result, the Geuzenkerk occupied a unique place in the history of both Brielle and the ‘gereformeerde’ tradition in the Netherlands.