De Gereformeerde Kerk te Kampen (1)

De Gereformeerde Kerk in het Overijsselse Kampen werd geinstitueerd in 1896 door het samengaan van de kerken uit Afscheiding en Doleantie, resp. ontstaan in 1851 en 1887. De Afscheiding in Kampen kenmerkte zich door aanvankelijke verdeeldheid.

Kaart: Google.

1. De Afscheiding in Kampen.

De aanleiding tot de eerste Afscheiding (1835).

De Hervormde Gemeente van Kampen werd rond 1840 gediend door predikanten die in de ogen van de orthodoxe gemeenteleden de gereformeerde belijdenis geheel of gedeeltelijk loslieten. De meest invloedrijke hervormde Kamper predikant in die tijd was ds. N.S. Hoek, die daar van 1815 tot zijn overlijden in 1852 op zondag de preekstoel beklom. Hij was lange tijd preses van het hervormd Classicaal Bestuur, scriba van de Ring Kampen, lid en preses van het hervormd Provinciaal Kerkbestuur en bovendien lid van de Algemene Synodale Commissie van de Nederlandse Hervormde Kerk. Over macht gesproken.

De predikanten van de Ring Kampen waren van oordeel dat ‘verlichte’ predikanten die passages in het doopformulier weglieten omdat die ‘te orthodox, te gereformeerd’ waren, vooral hun gang moesten kunnen gaan. In de ogen van de Afgescheidenen, volgelingen van ds. H. de Cock (1801-1842), die in Ulrum als hervormd predikant was afgezet, betekende dat echter het verlaten van het gereformeerde spoor.

Ds. H. de Cock (1801-1842), de eerste Afgescheiden predikant in Nederland.

Toen bovendien na 1835 de zgn. ‘Groninger theologie’ van prof. Hofstede de Groot (1802-1886)  in de hervormde kerk steeds meer veld won, was dat voor o.a. de orthodox hervormde staatsman Guillaume Groen van Prinsterer (1801-1876) aanleiding de Algemene Synode op te roepen de gereformeerde belijdenis te handhaven. De meerderheid van de predikanten in de hervormde Classis Kampen stemde tegen dat verzoek. Dat was voor rechtzinnige leden van de gemeente aanleiding een eigen gemeente te stichten.

Mr. G. Groen van Prinsterer (1801-1876).

Oefenaar D. Hoksbergen.

Zonder in te gaan op de werkzaamheid van de in Oldebroek geboren oefenaar Dirk Hoksbergen (1800-1870) kan geen juist beeld geschreven worden van de Afscheiding in Kampen. In 1860 kwam hij naar deze IJsselstad, waar hij woonde aan de Vloeddijk. Hij was nog voor de Afscheiding van 1834 al volgeling van de rechtzinnige ds. De Cock van Ulrum en zocht direct contact met hem toen hij op 19 december 1833 geschorst was door de hervormde kerkelijke besturen. Begin juni 1835 kwam ds. De Cock (toen woonachtig in Smilde, bij Hoksbergen, die in het gehucht Marle in de boerderij ‘De oude Scheere’ woonde. Dat nieuws verspreidde zich als een lopend vuurtje door de streek ds. De Cock preekte al gauw voor ‘eene talrijke menigte’.

Oefenaar Dirk Hoksbergen was aanvankelijk eensgeestes met ds. H. de Cock en schreef hem onder meer deze brief over de ‘verdorven’ toestand van de hervormde kerk en de openbare school. De brochure werd door ds. De Cock in druk uitgegeven.

De Afgescheiden Gemeente van Kampen geïnstitueerd (1835).

Zo kwam De Cock diezelfde avond ook in Kampen, waar hij logeerde hij winkelier Roelof Nijhuis. De volgende middag, 4 juni 1835, preekte De Cock in diens woning. En tijdens die dienst werd de Christelijke Afgescheidene Gemeente van Kampen geïnstitueerd. Hoksbergen en Nijhuis werden respectievelijk als ouderling en diaken in het ambt bevestigd. Vermoedelijk waren ze de dag daarvoóó op de boerderij van Hoksbergen door de aanwezigen als zodanig verkozen. De commissaris van politie Nehrkoker kwam nét te laat. De gemeenteleden waren al vertrokken; alleen ds. De Cock was er nog.

De commissaris verbood hem om zonder toestemming van de plaatselijke overheid nog eens godsdienstoefeningen te houden waar meer dan (het door de wet als maximum gestelde) twintig aanwezigen waren. Een politieagent werd voor de deur geposteerd om dat verbod te handhaven. De Cock werd ook bevolen in de woning te blijven tot de procureur nadere berichten aan de commissaris zou hebben gestuurd.

Toen bekend werd dat De Cock nog langer bij Nijhuis in de Buiten-Nieuwstraat verbleef, kwamen opnieuw vele ‘dorstigen naar het Woord’ naar de woning van Nijhuis. Veel Kampenaren in die buurt hadden op 9 juni echter genoeg van dat geloop. Ze verzamelden zich bij Nijhuis’ woning. Nehrkoker kreeg van de burgemeester opdracht in te grijpen als er rellen van zouden komen. De gang, de kamer en het binnenplaatsje waren volgepakt met toehoorders uit de wijde omgeving, toen Nehrkoker de woning betrad.

De Buiten Nieuwstraat in Kampen.

Het resultaat was dat de commissaris de predikant naar het logement De Bonte Os bracht waar hij de nacht kon doorbrengen en met een rijtuig werd hij de dag daarop naar Zwolle overgebracht. Daar wachtte hem de Officier van Justitie. Al gauw werd hij weer vrij gelaten en kreeg in Kampen een zeer gastvrij onderdak bij ‘een zeer rijke man’ (te weten J. Ridderinkhof).

De preses van het hervormd Provinciaal Kerkbestuur, ds. Hoek, was  niet blij met zijn hernieuwde komst naar Kampen. Ds. Hoek riep de Algemene Synodale Commissie in Den Haag op maatregelen te nemen: kon men misschien ook een beetje toegeven en aan de Afgescheidenen vrijheid van godsdienst geven? En zoniet, kon de Minister van Justitie dan iets aan de toestanden doen?

En verder…

Hoksbergen ging ondertussen elke zondag in de kerkdienst voor als oefenaar. De eerste negenentwintig Afgescheidenen hadden zich al bij de Hervormde Gemeente afgemeld. Ze waren volgens ds. Hoek “bijna allen uit den minderen stand en velen daaronder van geen zeer loffelijke zeden”; bovendien waren het “bijna allemaal behoeftige turfschippers en arbeiders, met uitzondering van twee of drie landlieden”. Vermoedelijk telde de Afgescheiden Gemeente van Hoksbergen in de begintijd ongeveer vijfendertig belijdende leden.

Een volksoploop (1836).

Op 14 februari 1836 stond een menigte volks, ‘een groep luidruchtige jongeren en enkele ouderen’, schreeuwend voor de woning van Nijhuis in de Buiten Nieuwstraat. De in de woning aanwezige ‘Separatisten’ (zoals de Afgescheidenen genoemd werden) luisterden naar een toespraak van oefenaar Hoksbergen – Het volk bij de woning schreeuwde dat de Afgescheidenen naar buiten moesten komen en bovendien werden de ruiten met stenen kapot gegooid. De burgemeester maakte een uitgebreid verslag van de gebeurtenissen. Hij had Nijhuis nog gewaarschuwd geen samenkomsten meer te houden, maar op die zondagochtend waren  slechts de wettelijk toegestane 19 personen aanwezig. De relschoppers wilden de woning binnendringen en de aanwezige poltieagenten konden er niet tegen op. De garnizoenscommandant stuurde op verzoek van burgemeester Lemker een aantal soldaten naar de plaats des onheils, vergezeld van de commandant en de burgemeester zelf.

Burgemeester Lemker kwam in actie…

Hoewel het een wettelijk toegestane bijeenkomst was raadde de burgemeester de verzamelde Afgescheidenen aan te vertrekken, omdat de bijeenkomst oproer veroorzaakte. Alsof dat hun schuld was. Enkelen van hen gingen inderdaad naar buiten, maar ze werden prompt gepakt. De militairen ontruimden uiteindelijk de straat zodat de rust weerkeerde. De burgemeester trachtte enkele Afgescheidenen in een persoonlijk gesprek ervan te overtuigen dat ze die bijeenkomsten beter niet meer konden bijwonen. Omdat het eenvoudige dagloners waren vermoedde de burgervader dat ze daaraan wel gehoor zouden geven. Of dat zo is, weten we niet. Maar de bijeenkomsten, met minder dan twintig aanwezigen, gingen in ieder geval gewoon door.

Hoksbergen had toegewijde luisteraars. Hij bezocht trouwens de twee eerste Afgescheiden ‘algemene synodes’ in Amsterdam (1836) en Utrecht (1837). Maar op de tweede synode gebeurde wat Hoksbergen en zijn gemeente in Kampen niet konden meemaken. De Dordtse Kerkorde werd door de Afgescheiden synode grondig aangepast, zodat het aanvragen van overheidserkenning mogelijk werd. Stel je voor, de aloude gereformeerde kerkorde gewijzigd! Dat was voor Hoksbergen en de zijnen niet te verkroppen. In Kampen mochten predikanten die het eens waren met de wijzigingen in de Hanzestad niet meer voorgaan in de Afgescheiden kerkdiensten.

De Afgescheidenen kwamen in die tijd vaak in het geheim bijeen in huiskamers of boerenschuren…

‘Gemeente onder het Kruis’ (1838).

Niet alleen in Kampen was tegenstand tegen de besluiten. Ook in andere gemeenten ontstond tweespalt, wat in 1838 uiteindelijk tijdens een vergadering in Nieuwleusen uitliep op een kerkscheuring. Enkele gemeenten en predikanten splitsten zich af van de Christelijke Afgescheidene Kerk en vormden samen een nieuw klein kerkgenootschap, de Gereformeerde Kerk onder ’t Kruis. Kampen was een van de gemeenten die vanaf dat moment buiten het verband van de Christelijke Afgescheidene Kerk stond. De Kamper gemeente noemde zich in het vervolg ‘Dordts Gereformeerde Gemeente’. In Kampen had de onenigheid onder meer tot gevolg dat  Hoksbergen uit nood de sacramenten ging bedienen, omdat er geen Afgescheiden predikanten  meer waren die in Kampen konden voorgaan.

Veel is over de gemeente van Hoksbergen niet meer bekend (een deel van de papieren werd verbrand). Wel weten we dat sommige gemeenteleden zich in 1851 van Hoksbergens gemeente afscheidden en weer naar de Christelijke Afgescheidene Gemeente gingen. Een van hen was Gerrit Vos, die later ook in de Afgescheiden Gemeente waarnaar hij terugkeerde, stennis schopte.

Hoe dan ook, de gemeente van Hoksbergen probeerde bij het Rijk subsidie te krijgen voor de bouw van een eigen kerk. Dat lukte niet, alleen al omdat de gemeente geen overheidserkenning gevraagd en gekregen had. Toch lukte het een eigen onderkomen aan de Burgwal 20 te kopen, in de volksmond bekend als de ‘Klumpieskarke’.

Ruzie in de gemeente (1850).

De ‘Klumpieskarke’ aan de Burgwal van D. Hoksbergen werd in 1850 in gebruik genomen.

En toen ontstond in 1850 ‘een geweldige ruzie’ in de Klumpieskarke van Hoksbergen. Waar het over ging? Onbekend.  Sommige leden van Hoksbergens gemeente hadden er genoeg van en sloten zich aan bij de Christelijke Afgescheidenen, die de originele Dordtse Kerkorde ondertussen weer hadden aanvaard. Met enige regelmaat onttrokken zich leden van Hoksbergens groep zich aan zijn Dordts Gereformeerde Gemeente.

Korte vooruitblik – In 1869 was de in 1838 ontstane onenigheid over onder meer de perikelen rond de Dordtse Kerkorde bijgelegd. Daarom besloten de synodes van de Christelijke Afgescheidene Kerk en van de Gereformeerde Kerk onder ’t Kruis de strijdbijl te begraven en weer samen te gaan. Slechts enkele Kruisgemeenten gingen daarin niet mee. De verenigde kerk heette in het vervolg: Christelijke Gereformeerde Kerk. Het restant van Hoksbergens groep sloot zich er ook niet bij aan en kwam uiteindelijk terecht bij de tegenwoordige ‘Gereformeerde Gemeenten’.

* De Christelijke Afgescheidene Gemeente opnieuw geïnstitueerd (1851).

De ‘weglopers’ uit de groep van Hoksbergen probeerden aansluiting te vinden bij andere Kruisgemeenten, maar dat lukte niet. Daarom meldden negentien leden van de groep Hoksbergen zich bij de classis Zwolle van de Christelijke Afgescheidene Kerk en vroegen om als Afgescheiden Gemeente in Kampen te worden geïnstitueerd. Wel vroegen ze niet verplicht te worden overheidserkenning te vragen; dat had namelijk tot gevolg dat de naam ‘gereformeerd’ door hen niet meer zou mogen worden gebruikt. En dat was voor hen een brug te ver.

Ds. D. Postma (1818-1890) institueerde de Christelijke Afgescheidene Gemeente in 1851.

De aanstaande gemeente had inmiddels al ‘voorlopige ambtsdragers’ gekozen: D. Buijs en G. Vos. De classis was blij met de brief. Afgesproken werd dat ds. D. Postma (1818-1890) van Zwolle naar Kampen zou gaan om bij de stichting van de nieuwe gemeente behulpzaam te zijn, en daaraan leiding te geven.

Op zondag 9 maart 1851 gaf hij in Kampen acte de présence. Hij preekte eerst over Jesaja 49 de verzen 14 tot 16, over ‘Sions klacht en vertroosting’  (“Doch Sion zegt: De HEERE heeft mij verlaten, en de Heere heeft mij vergeten. Kan ook een vrouw haar zuigeling vergeten, dat zij zich niet ontferme over den zoon haars buiks Ofschoon dezen vergaten, zo zal Ik toch u niet vergeten. Zie, Ik heb u in de beide handpalmen gegraveerd; uw muren zijn steeds vóór Mij“).

Daarna bevestigde hij vervolgens de gekozen ouderling G. Vos en de diaken J. Heukels in het ambt. Daarmee was de instituering van de gemeente van Kampen een feit. De definitieve kerkenraad bestond nu uit vier man: de ouderlingen D. Buijs en G. Vos en de diakenen J. Grootenhuis en J. Heukels.

De nieuwe kerkenraad moest van alles regelen, onder meer de volgende kwestie: waren de doopbedieningen van oefenaar Hoksbergen wettig geweest? Nadat duidelijk geworden was dat deze altijd in goede orde en met toestemming van de gemeenteleden hadden plaatsgevonden, was men daar snel uit: de zaak zou op de synode gebracht worden. Om de doopbedieningen ongeldig te verklaren zou de gemeente slechts doen scheuren.

Ds. Helenius de Cock (van 1852 tot 1854).

Ds. Helenius de Cock (1824-1894) werd de eerste predikant van de gemeente in Kampen.

Het beroepingswerk was intussen opgestart. Weliswaar bedankten enkele beroepen predikanten voor de eer, maar op 11 januari 1852 kon de eerste predikant in het ambt bevestigd worden. Het was ds. Helenius de Cock (1824-1894) uit ‘s-Hertogenbosch, zoon van de eerste Afgescheiden predikant in ons land, ds. Hendrik de Cock (1801-1842), die als hervormd predikant van Ulrum was afgezet.

Tekening van dr. A.C. van Raalte (1811-1876). Hij was een van de eerste Afgescheiden predikanten in ons land, maar emigreerde in 1847 naar Amerika en stichtte daar de stad Holland, Michigan.

Ds. Helenius de Cock was tevoren trouwens gevraagd naar Amerika te emigreren om daar de Nederlandse emigrantengemeente in Michigan te leiden. Een vroegere collega van zijn vader, ds. A.C. van Raalte (1811-1876), trachtte hem in een uitvoerig schrijven over te halen een beroep te overwegen en zo mogelijk aan te nemen. De toen 27-jarige ds. De Cock besloot echter het op hem uitgebrachte beroep van de gemeente in Kampen aan te nemen.

Een kerkgebouw (1852).

De kerkdiensten van de Afgescheiden Gemeente van Kampen werden in de eerste tijd gehouden in de woning van diaken Jan Heukels, een hoekhuis op de Burgwal-Kerkstraat, een kleine ruimte, waar nauwelijks voldoende zitplaatsen konden worden gemaakt. Maar in februari dat jaar weigerde de burgemeester toe te staan dat de gemeente een ander lokaal kon betrekken voor haar kerkdiensten. Ook medegebruik van het kerkje van de kleine gemeente van Hoksbergen ging niet door.

Het kerkgebouwtje aan de Hofstraat op de hoek met de Morrensteeg.

Maar op zondag 25 juli 1852 kon een (eveneens betrekkelijk klein) kerkgebouw in gebruik genomen worden op de hoek van de Hofstraat en de Morrensteeg, waarvan tegenwoordig aan het uiterlijk nog steeds te zien is dat het ooit als kerk gebruikt werd.

‘De Stem’, 6 augustus 1852.

Natuurlijk had ds. De Cock de leiding bij de ingebruikneming. Hij had voor zijn preek de tekst gekozen uit Jesaja 56 vers 7: ‘Ik zal ze verheugen in mijn bedehuis’. De predikant zei toen volgens de pers onder meer: ‘dat dit gebouw ons mogt zijn tot een Eben Haëzer. Klein in het getal harer leden en zwak in het financieel vermogen, scheen (het) voor den mensch onmogelijk, hetgeen wij thans mogen zien en genieten’.

Het kerkje waar de ingebruikneming van de Theologische School officieel plaatsvond stond in de Hofstraat.

Overheidserkenning (1853).

Onder leiding van ds. De Cock had de gemeente van Kampen tot tweemaal toe een verzoekschrift bij de regering ingediend om te worden erkend als Christelijke Afgescheidene Gemeente. Het tweede werd op 27 oktober 1853 door zevenentwintig ondertekenaars naar Den Haag gestuurd, waarop de regering bij Koninklijk Besluit van 1 december 1853 rechtspersoonlijkheid verleende. Vermoedelijk was het eerste verzoek geweigerd omdat niet alle vereiste gegevens vermeld werden.

Theologische School opgericht en geopend (1854).

De eerste pagina van de eerste ‘Handelingen van de Kuratoren der op te rigten Theologische School (…) te Kampen, gehouden in september 1854. Ds. Van Velzen tekende voor de authenticiteit van het verslag…

In het jaar 1854 werd in Kampen de Theologische School voor de Afgescheiden Kerk opgericht. De synode van Zwolle had daartoe op 15 juni dat jaar positief besloten. Na veel andere mogelijkheden werd Kampen uiteindelijk uitgekozen als plaats van vestiging. Elders op deze website verhaalden we daarover uitvoerig. De kerkenraad van Zutphen had nog geprobeerd roet in het eten te gooien door de pluspunten van Zutphen boven die van Kampen te etaleren, maar het mocht niet baten.

Als eerste docenten werden aangewezen ds. A. Brummelkamp (1811-1888), ds. T.F. de Haan (1791-1868), ds. S. van Velzen (1809-1896) en ds. J. Bavinck (1826-1909). Maar de laatste bedankte voor de eer, en in zijn plaats werd ds. Helenius de Cock van Kampen benoemd! Een hele eer voor de gemeente van Kampen, maar het betekende wel dat men opnieuw met het beroepingswerk aan de slag moest…

De eerste docenten van de Theologische School in Kampen.

De opening van de School der Kerk vond op 6 december 1854 plaats en wel in het kerkgebouw aan de Hofstraat. Ds. C.G. de Moen (1811-1879) van Den Ham hield de (lange) openingsrede naar aanleiding van 2 Kronieken 1 vers 10a: ‘Geef mij nu wijsheid en wetenschap’. De docenten hield hij voor dat ze hun leerlingen moesten vormen met de leer der Waarheid ‘die naar de godzaligheid is. De Kerk zal er door kunnen bloeijen en opliusteren!’ Maar daar achteraan kwam een waarschuwing: “De Heere Jezus ziet op u! De Gemeente Gods ziet op u! De Kweekelingen dezer School zien op u! De Bezorgers der School zien op u! Nederland ziet op u! De Vader der leugenen ziet op u!’

Ds. C.G. de Moen (1811-1879).

Ds. Van Velzen hield na de installatie van de docenten een toespraak en sprak daarmee de eerste inaugurele oratie aan de School der Kerk uit onder de titel: ‘Het groot gewigt van het werk van den Evangeliedienaar’. Hij eindigde zijn toespraak met: De Almachtige ‘zegene Zijne duurgekochte kerk in Nederland en drenke dezelve uit de nimmer opdrogende Bron zijner Genade en Barmhartigheid. Hij geve dat de 6e December 1854 door den naneef tot in het verste nageslacht, steeds dankbaar worde herdacht. Amen’.

Vacant (van 1854 tot 1864).

Ds. A. Brummelkamp (1811-1888) preekte te lang, vonden sommigen.

Nadat ds. De Cock althans als predikant afscheid genomen had preekten de Kamper docenten om de beurt in de gemeente van Kampen. Diaken Ruijs vond in 1855 echter dat vooral ds. Brummelkamp en ‘de ijsselijk geleerde’ ds. De Haan veel te lang preekten. Hij vond dat de kerkenraad er voor moest zorgen dat de preken niet langer dan twee uur duurden, zodat de mensen pas na zo’n drie uur weer op straat stonden. Die lange preken, zo vond hij, hadden vooral een nadelige invloed op de gemeenteleden.

Omdat ds. De Haan een gebed tijdens de dienst kennelijk ‘te schielijk’ uitsprak waren drie studenten (die later overigens geen van drieën predikant werden) onder het voorgebed spottend de kerk uitgelopen. Drie andere studenten, alle drie toekomstige predikanten, spraken er in een schrijven aan de kerkenraad schande van. De kerkenraad vond de gang van zaken tijdens het gebed natuurlijk ook onacceptabel, maar vermaande de briefschrijvers dat ze eerst met de zondaars (van wie overigens excuses geëist werd) hadden moeten spreken alvorens een klacht in te dienen. En ds. De Haan moest er voor zorgen dat hij zijn gebed in het vervolg niet zo snel moest uitspreken. Dat wekte alleen maar ergernis.

‘De ijsselijk geleerde’ ds. T.F. de Haan (1791-1868) preekte volgens sommigen ook te lang.

Student Evenhuis had in 1858 moeite om van de kerkenraad een Verklaring van Goed Gedrag te krijgen voordat hij zijn examen kon afleggen. De kerkenraad had namelijk gehoord dat hij samen met twee andere studenten tijdens een ‘kransje’ een komedie had gespeeld en daarin de rol van Lucifer van Joost van den Vondel had vertolkt. Ook had men gehoord dat hij uit gekheid met een andere student gearmd door de hoofdstraat had gelopen en dat hij daarom was nageroepen door de smid, die zich er aan had geërgerd. Evenhuis zou voorlopig geen attest krijgen. De student reageerde nogal kwaad, en moest daarvoor later excuses aanbieden.

En verder…

Ds. T.F. de Haan had ook vaak in de Hofstraatkerk gepreekt, net als de overige docenten van de ‘School der Kerk’. Maar op 8 april 1859 werd hij op de preekstoel tijdens de preek plotseling onwel door een lichamelijk gebrek en zakte in elkaar. Twee ouderlingen renden de preekstoel op om hem te helpen. Een van hen, ouderling Vos, vroeg hem of het niet beter was dat de predikant nu ophield. Maar deze stoof op, greep ouderling Vos met beide handen bij de borst, schudde hem heen en weer en riep: ’Gij zijt een slechte kerel! Gij zijt een vervolger en verdrukker! Iemand de kroon van het hoofd stoten die veertig jaar de Kerk heeft gediend?’ Vos raakte overstuur en beet de predikant toe dat hij een hoogmoedig mens was. In de gemeente was echter al enige tijd ontevredenheid over de preken van de predikant. ‘Velen konden hem niet verstaan en hadden er niets aan en men werd bang voor weer een ’toeval’ op de kansel’.

Een kaart van Kampen uit 1866 met daarop aangegeven (volgens de legenda) de Afgescheiden kerk in de Morrensteeg.

Terwijl ds. De Haan door kerkenraadsleden ondersteund werd gaf deze als slotlied psalm 68 vers 10 op en sprak – als Mozes ondersteund – de zegen uit.

De predikant had rust nodig en kreeg in 1860 eervol emeritaat. Daarna leefde hij nog acht voor hem moeilijke jaren. “Niet alleen was hij lichamelijk zwak, maar innerlijke strijd, duisternis, twijfelingen en aanvechtingen beangstigden zijn ziel”, al bleven studenten hem trouw vanwege zijn . De predikant overleed op 28 maart 1868.

Het eerste deel van het In Memoriam in ‘De Bazuin’ van 3 april 1868.

Naar deel 2 >

© 2026. GereformeerdeKerken.info

Translation into English:

The ‘Gereformeerde’ Church in Kampen (1).

The ‘Gereformeerde’ Church in the Overijssel city of Kampen was instituted in 1896 through the union of the churches from the Secession (Afscheiding) and the Doleantie, originating respectively in 1851 and 1887. The Secession in Kampen was marked by initial division.

1. The Secession in Kampen.

The cause of the first Secession (1835).

Around 1840, the ‘Hervormde’ Congregation of Kampen was served by ministers who, in the eyes of the orthodox members, wholly or partly abandoned the ‘gereformeerde’ confession. The most influential ‘hervormde’ minister in Kampen at that time was Rev. N.S. Hoek, who occupied the pulpit there every Sunday from 1815 until his death in 1852. For a long time he was chairman of the ‘Hervormde’ Classical Board, clerk of the Kampen district, member and chairman of the Provincial Church Board, and also a member of the General Synodical Commission of the ‘Hervormde’ Church. A powerful figure indeed.

The ministers of the Kampen district believed that “enlightened” ministers who omitted passages from the baptism form because they were “too orthodox, too ‘gereformeerd’” should especially be allowed to do so. In the eyes of the Seceders, followers of Rev. H. de Cock (1801–1842), who had been deposed as a ‘hervormde’ minister in Ulrum, this meant abandoning the faith.

Moreover, after 1835 the so-called “Groningen theology” of Professor Hofstede de Groot (1802–1886) gained increasing influence within the ‘Hervormde’ Church. For, among others, the orthodox ‘hervormde’ statesman Guillaume Groen van Prinsterer (1801–1876), this was reason to urge the General Synod to uphold the ‘gereformeerde’ confession. The majority of ministers in the ‘Hervormde’ Classis of Kampen voted against this request. For orthodox members of the congregation, this became the reason to found their own church.

Lay preacher D. Hoksbergen.

Without discussing the work of the lay preacher Dirk Hoksbergen (1800–1870), born in Oldebroek, no accurate picture of the Secession in Kampen can be given. In 1860 he came to this IJssel city, where he lived on the Vloeddijk. Even before the Secession of 1834, he had been a follower of the orthodox Rev. De Cock of Ulrum, and he immediately sought contact with him when De Cock was suspended by the ‘Hervormde’ church authorities on 19 December 1833.

At the beginning of June 1835, Rev. De Cock (then living in Smilde) visited Hoksbergen, who lived in the hamlet of Marle on the farm “De oude Scheere.” This news spread like wildfire throughout the region, and De Cock soon preached before “a large crowd.”

The Seceded Congregation of Kampen instituted (1835).

That same evening De Cock also came to Kampen, where he stayed with shopkeeper Roelof Nijhuis. The following afternoon, 4 June 1835, De Cock preached in his house. During that service, the Christian Seceded Congregation of Kampen was instituted. Hoksbergen and Nijhuis were installed respectively as elder and deacon. Most likely they had been elected the day before at Hoksbergen’s farm.

The police commissioner Nehrkoker arrived just too late. The congregation members had already left; only De Cock was still present.

The commissioner forbade him to hold further religious meetings without permission from the local authorities if more than the legally permitted twenty people were present. A police officer was stationed at the door to enforce this ban. De Cock was also ordered to remain in the house until the public prosecutor had sent further instructions.

When it became known that De Cock was still staying with Nijhuis on Buiten-Nieuwstraat, many “thirsty for the Word” again came to the house. However, on 9 June many Kampen residents in that neighborhood had had enough of this traffic. They gathered outside Nijhuis’s home. Nehrkoker was instructed by the mayor to intervene if disturbances arose. The hallway, room, and courtyard were packed with listeners from far and wide when Nehrkoker entered the house.

The result was that the commissioner took the minister to the inn De Bonte Os, where he spent the night, and the next day he was transported by carriage to Zwolle. There the public prosecutor awaited him. He was soon released and in Kampen received very hospitable lodging with “a very wealthy man” (namely J. Ridderinkhof).

The chairman of the Provincial Church Board, Rev. Hoek, was not pleased with his renewed arrival in Kampen. He called on the General Synodical Commission in The Hague to take measures: might it perhaps be possible to make some concessions and grant the Seceders freedom of religion? And if not, could the Minister of Justice do something about the situation?

And further…

Meanwhile, Hoksbergen led the Sunday services as a lay preacher. The first twenty-nine Seceders had already withdrawn from the ‘Hervormde’ Congregation. According to Rev. Hoek, they were “almost all of the lower class, and many of them of not very commendable conduct”; moreover, they were “almost all needy peat skippers and laborers, with the exception of two or three farmers.” Presumably the Seceded Congregation under Hoksbergen initially numbered about thirty-five confessing members.

A riot (1836).

On 14 February 1836, a crowd of people—“a group of noisy youths and some older individuals”—stood shouting outside Nijhuis’s house on Buiten-Nieuwstraat. Inside, the “Separatists” (as the Seceders were called) were listening to a speech by lay preacher Hoksbergen. The crowd demanded that the Seceders come outside, and the windows were smashed with stones.

The mayor made a detailed report of the events. He had warned Nijhuis not to hold further gatherings, but that Sunday morning only the legally permitted nineteen people were present. The rioters tried to force their way inside, and the police present could not cope. At the mayor’s request, the garrison commander sent several soldiers to the scene, accompanied by the commander and the mayor himself.

Although it was a legally permitted gathering, the mayor advised the assembled Seceders to disperse because the meeting caused unrest—as if that were their fault. Some of them did go outside but were immediately seized. The military eventually cleared the street, restoring order. The mayor tried in personal conversations to persuade some Seceders not to attend such meetings anymore. Since they were simple day laborers, he assumed they would comply. Whether they did is unknown. In any case, the meetings—with fewer than twenty attendees—continued.

Hoksbergen had devoted listeners. He also attended the first two Seceded “general synods” in Amsterdam (1836) and Utrecht (1837). But at the second synod something occurred that Hoksbergen and his congregation in Kampen could not accept. The Synod of the Seceders thoroughly revised the Dordt Church Order so that it would be possible to apply for government recognition. Imagine—the ancient ‘gereformeerde’ church order altered! This was unacceptable to Hoksbergen and his followers. In Kampen, ministers who agreed with the changes were no longer allowed to lead services.

“Congregation under the Cross” (1838).

Opposition to these decisions was not limited to Kampen. In other congregations as well, division arose, culminating in a church split in 1838 during a meeting in Nieuwleusen. Several congregations and ministers separated from the Christian Seceded Church and together formed a new, small denomination: the ‘Gereformeerde’ Church under the Cross. Kampen was one of the congregations that from that moment stood outside the Christian Seceded Church. The Kampen congregation thereafter called itself the “Dordt ‘Gereformeerde’ Congregation.”

In Kampen, the disagreement had the additional consequence that Hoksbergen, out of necessity, began administering the sacraments himself, because no Seceded ministers were willing or able to serve there.

Much about Hoksbergen’s congregation is no longer known (part of the records was burned). It is known, however, that in 1851 some members separated from Hoksbergen’s group and returned to the Christian Seceded Congregation. One of them was Gerrit Vos, who later also caused disturbances in the congregation he rejoined.

In any case, Hoksbergen’s congregation tried to obtain state subsidies to build its own church. This failed, not least because the congregation had not sought or obtained official recognition. Nevertheless, they succeeded in acquiring their own building at Burgwal 20, popularly known as the “Klumpies Church.”

Conflict within the congregation (1850).

Then, in 1850, “a tremendous quarrel” broke out in Hoksbergen’s Klumpies Church. What it was about is unknown. Some members had had enough and joined the Christian Seceders, who had by then once again accepted the original Dordt Church Order. With some regularity, members withdrew from Hoksbergen’s Dordt ‘Gereformeerde’ Congregation.

Brief outlook.

In 1869, the disagreements that had arisen in 1838—among other things about the Dordt Church Order—were resolved. The synods of the Christian Seceded Church and the ‘Gereformeerde’ Church under the Cross decided to bury the hatchet and reunite. Only a few “Cross congregations” did not join. The united church was henceforth called the Christian ‘Gereformeerde’ Church.

The remainder of Hoksbergen’s group also did not join and ultimately became part of what are now known as the “’Gereformeerde’ Congregations.”

The Christian Seceded Congregation Re-established (1851).

The “runaways” from the group of Hoksbergen tried to connect with other Cross Congregations, but did not succeed. Therefore, nineteen members of the Hoksbergen group reported to the classis Zwolle of the Christian Seceded Church and requested to be instituted as a Seceded Congregation in Kampen. However, they asked not to be obliged to seek government recognition; this would have meant that they would no longer be allowed to use the name “’gereformeerd’.” That was a bridge too far for them.

In the meantime, the prospective congregation had already chosen “provisional office bearers”: D. Buijs and G. Vos. The classis was pleased with the letter. It was agreed that Rev. D. Postma (1818–1890) of Zwolle would go to Kampen to assist in the establishment of the new congregation and to lead it.

On Sunday, March 9, 1851, he made his appearance in Kampen. He first preached on Isaiah 49, verses 14 to 16, on “Zion’s complaint and consolation” (“But Zion said, The LORD hath forsaken me, and my Lord hath forgotten me. Can a woman forget her sucking child, that she should not have compassion on the son of her womb? Yea, they may forget, yet will I not forget thee. Behold, I have graven thee upon the palms of my hands; thy walls are continually before me”).

After that, he installed the chosen elder G. Vos and the deacon J. Heukels into office. With that, the institution of the congregation of Kampen became a fact. The definitive church council now consisted of four men: the elders D. Buijs and G. Vos and the deacons J. Grootenhuis and J. Heukels.

The new church council had to arrange all kinds of matters, including the following issue: had the baptisms administered by lay preacher Hoksbergen been lawful? After it became clear that these had always taken place in good order and with the consent of the congregation members, the matter was quickly decided: it would be brought before the synod. Declaring the baptisms invalid would only tear the congregation apart.

Rev. Helenius de Cock (from 1852 to 1854).

Meanwhile, the calling process had begun. Although several called ministers declined the honor, on January 11, 1852, the first minister could be installed. It was Rev. Helenius de Cock (1824–1894) from ’s-Hertogenbosch, son of the first Seceded minister in our country, Rev. Hendrik de Cock (1801–1842), who had been deposed as a ‘hervormde’ minister in Ulrum.

Rev. Helenius de Cock had previously been asked to emigrate to America to lead the Dutch emigrant congregation in Michigan. A former colleague of his father, Rev. A.C. van Raalte (1811–1876), tried in an extensive letter to persuade him to consider and, if possible, accept that call. However, the then 27-year-old Rev. De Cock decided to accept the call extended to him by the congregation in Kampen.

A Church Building (1852).

In the early period, the church services of the Seceded Congregation of Kampen were held in the home of deacon Jan Heukels, a corner house on Burgwal-Kerkstraat, a small space where barely enough seating could be arranged. But in February of that year, the mayor refused to allow the congregation to use another venue for its services. Nor did shared use of the small church of Hoksbergen’s group come to pass.

However, on Sunday, July 25, 1852, a (likewise relatively small) church building could be put into use on the corner of Hofstraat and Morrensteeg, of which it can still be seen from its exterior today that it was once used as a church.

Naturally, Rev. De Cock led the inauguration. For his sermon, he had chosen the text from Isaiah 56, verse 7: “I will make them joyful in my house of prayer.” According to the press, the minister said, among other things, that “this building might be for us an Ebenezer. Small in number of its members and weak in financial means, it seemed impossible to man what we may now see and enjoy.”

Government Recognition (1853).

Under the leadership of Rev. De Cock, the Kampen congregation twice submitted a petition to the government to be recognized as a Christian Seceded Congregation. The second was sent to The Hague on October 27, 1853, with twenty-seven signatories, after which the government granted legal personality by Royal Decree of December 1, 1853. Presumably, the first request had been refused because not all required information had been included.

Theological School Founded and Opened (1854).

In the year 1854, the Theological School for the Seceded Church was established in Kampen. The synod of Zwolle had decided positively on June 15 of that year. After many other possibilities, Kampen was ultimately chosen as the place of establishment. Elsewhere on this website, we have reported on this in detail. The church council of Zutphen had still tried to throw a spanner in the works by highlighting the advantages of Zutphen over Kampen, but to no avail.

The first lecturers appointed were Rev. A. Brummelkamp (1811–1888), Rev. T.F. de Haan (1791–1868), Rev. S. van Velzen (1809–1896), and Rev. J. Bavinck (1826–1909). However, the latter declined the honor, and in his place Rev. Helenius de Cock of Kampen was appointed! A great honor for the congregation of Kampen, but it also meant that they once again had to begin the calling process…

The opening of the School of the Church took place on December 6, 1854, in the church building on Hofstraat. Rev. C.G. de Moen (1811–1879) of Den Ham delivered the (lengthy) opening address based on 2 Chronicles 1, verse 10a: “Give me now wisdom and knowledge.” He urged the lecturers to shape their students with the doctrine of Truth “which is according to godliness. The Church will be able to flourish and shine because of it!” But this was followed by a warning: “The Lord Jesus is watching you! The congregation of God is watching you! The students of this School are watching you! The supporters of the School are watching you! The Netherlands is watching you! The father of lies is watching you!”

After the installation of the lecturers, Rev. Van Velzen delivered a speech, thereby giving the first inaugural oration at the School of the Church under the title: “The great importance of the work of the minister of the Gospel.” He ended his address with: May the Almighty “bless His dearly purchased Church in the Netherlands and water it from the never-drying Fountain of His Grace and Mercy. May He grant that December 6, 1854, be gratefully remembered by descendants to the furthest generations. Amen.”

Vacant (from 1854 to 1864).

After Rev. De Cock had at least taken leave as minister, the Kampen lecturers took turns preaching in the congregation of Kampen. In 1855, however, deacon Ruijs felt that especially Rev. Brummelkamp and the “terribly learned” Rev. De Haan preached far too long. He believed the church council should ensure that sermons did not last longer than two hours, so that people would only return to the streets after about three hours. These long sermons, he thought, had a particularly negative effect on the congregation members.

Because Rev. De Haan apparently spoke a prayer during the service “too hastily,” three students (none of whom later became ministers) mockingly walked out of the church during the congregational prayer. Three other students, all future ministers, condemned this in a letter to the church council. The council naturally also found the events during the prayer unacceptable, but admonished the letter writers that they should first have spoken with the offenders (who, incidentally, were required to apologize) before submitting a complaint. Rev. De Haan was also instructed to ensure that he would not speak his prayers so quickly in the future, as that only caused irritation.

Student Evenhuis in 1858 had difficulty obtaining a Certificate of Good Conduct from the church council before he could take his examination. The council had heard that he, together with two other students, had performed a comedy during a “gathering” and had played the role of Lucifer from Joost van den Vondel. It was also reported that, as a joke, he had walked arm in arm with another student down the main street and had been shouted at by the blacksmith, who had been annoyed by it. For the time being, Evenhuis would not receive an attestation. The student reacted rather angrily and later had to apologize for that.

And further…

Rev. T.F. de Haan had often preached in the Hofstraat church, like the other lecturers of the “School of the Church.” But on April 8, 1859, while in the pulpit during a sermon, he suddenly became unwell due to a physical ailment and collapsed. Two elders rushed to the pulpit to help him. One of them, elder Vos, asked whether it would not be better for the minister to stop. But he flared up, grabbed elder Vos by the chest with both hands, shook him, and shouted: “You are a bad fellow! You are a persecutor and oppressor! To strike the crown from the head of someone who has served the Church for forty years?” Vos became upset and retorted that he was an arrogant man. There had, however, already been dissatisfaction in the congregation for some time about the minister’s sermons. “Many could not understand him and gained nothing from them, and people became afraid of another ‘incident’ in the pulpit.”

While Rev. De Haan was being supported by members of the church council, he announced as the closing hymn Psalm 68, verse 10, and—like Moses being supported—pronounced the blessing.

The minister needed rest and was honorably granted emeritus status in 1860. He then lived for another eight difficult years. “Not only was he physically weak, but inner struggle, darkness, doubts, and temptations troubled his soul,” although students remained loyal to him. The minister died on March 28, 1868.

To Part 2 >