Het orgel en het muziekleven.
( < Naar deel 1 – Back to Part 1 ) – Ook de muziekgeschiedenis van de kerk verdient aandacht. De Raphaëlpleinkerk kreeg uiteindelijk het historische orgel uit de Schinkelkerk. Dat instrument was in 1895 gebouwd door P. van Dam uit Leeuwarden en was oorspronkelijk voor de Schinkelkerk bestemd.

Toen de Schinkelkerk in 1974 haar laatste kerkdienst hield, verhuisde het orgel naar de Raphaëlpleinkerk. Daarmee kwam een letterlijk tastbaar stuk van de negentiende-eeuwse gereformeerde geschiedenis van Amsterdam-Zuid terecht in het kerkgebouw dat in 1930 was gebouwd.
Een belangrijke figuur in het muziekleven van de Raphaëlpleinkerk was Wim Mennes. Hij was van 1941 tot 1960 organist van de Raphaëlpleinkerk en van 1956-1961 van de gereformeerde Woestduinkerk, beide in Amsterdam-Zuid. Mennes was niet alleen organist, maar ook componist en muziekpedagoog en was actief in het Amsterdamse muziekleven. De kerk stond daarmee ook op muzikaal gebied niet los van de stad waarin zij stond.

Een ander tastbaar overblijfsel uit de begintijd van de kerk is het zilveren doopstel uit 1930. Het bestaat uit een kan en een bekken, achthoekig van vorm, en werd vervaardigd door Gerritsen & Van Kempen uit Zeist. Het doopstel werd bij de ingebruikname van de kerk in gebruik genomen. Hoewel het inmiddels niet meer in de voormalige kerk aanwezig is, is het bewaard gebleven in de collectie van het Amsterdamse gemeentelijke erfgoed.
Voorwerpen als dit doopstel zijn van bijzondere betekenis. Wanneer een kerkgebouw wordt herbestemd, verdwijnen immers vaak grote delen van het oorspronkelijke interieur. Een zilveren doopstel, een orgel of een gedenksteen kan dan een directe verbinding vormen met de verdwenen kerkelijke functie!

Een herinnering…
Onze medewerker op Bonaire, ds. Jaap Luinstra, herinnerde zich uit die tijd het volgende: “In Zuid gingen we aanvankelijk naar de Schinkelkerk (de kerk waar ds. J.G. Geelkerken (1879-1960) in 1924 zijn befaamde preek over het paradijsverhaal hield). Ik herinner me nog een gemeenteavond (najaar 1973) die nogal rommelig verliep: aan de orde kwam het voorstel van de Kerkenraad voor Algemene Zaken om de Schinkelkerk af te stoten en de Raphaëlpleinkerk open te houden (verder beschikte de gemeente nog over de Woestduinkerk)”.
“In de Schinkelkerk werd stevig tegen de voorgenomen sluiting geprotesteerd! De kerkgangers van ‘de Schinkel’ waren immers gans anders dan die van het Raphaëlplein! In de Schinkel kerkte de kleine man, o.a. de arbeiders van de Kinkerbuurt; in de Raphaëlpleinkerk kerkten de chique lui, die zaten daar op het pluche! Wel, de Schinkelkerk ging toch dicht; de Raphaëlpleinkerk bleef open! Geheel ongelijk hadden de protesteerders niet: in de Raphaëlpleinkerk kerkten vooral mensen in (zeer) goede doen, zo zaten daar op zondag heel wat professoren van de Vrije Universiteit (VU) in de kerk. Er stonden vermaarde predikanten! Ook preekten er nogal eens hoogleraren van de theologische factulteit van de VU. Ik herinner me dat de Raphaëlpleinkerk – ondanks een groot aantal zitplaatsen – toch ook een heel knusse kerk was!”
Het langzaam verdwijnen van een vanzelfsprekende kerk.
Vanaf de jaren zestig en zeventig veranderde de positie van de kerk ingrijpend. Amsterdam-Zuid was niet langer vanzelfsprekend een gereformeerde wijk. De verzuiling begon af te brokkelen, het kerkbezoek liep terug en het werd steeds moeilijker om meerdere grote kerkgebouwen te onderhouden.
De Raphaëlpleinkerk stond daarmee niet op zichzelf. In heel Nederland kregen kerkgenootschappen te maken met dezelfde ontwikkeling. Kerkgebouwen die waren ontworpen voor een samenleving met een hoog en stabiel kerkbezoek, werden steeds moeilijker te vullen en te bekostigen.
De geschiedenis van de Schinkelkerk laat die ontwikkeling goed zien. De kerk hield in 1974 op met het houden van erediensten en werd in 1977 verkocht. Het historische Van Dam-orgel verhuisde vervolgens naar de Raphaëlpleinkerk.

Zo werd de Raphaëlpleinkerk in zekere zin de opvolger van een veel oudere gereformeerde kerk in Amsterdam-Zuid. Tegelijkertijd was zij zelf inmiddels onderdeel geworden van een proces waarin de oude gereformeerde infrastructuur langzaam verdween.
Van verdeeldheid naar samenwerking.
In de jaren tachtig en negentig kwam er, na de fusie van de Schinkelkerk en de Raphaëlpleinkerk, nog een andere ontwikkeling bij: de toenadering tussen de Gereformeerde Kerken en de Nederlandse Hervormde Kerk.
De gereformeerden van de Raphaëlpleinkerk raakten steeds nauwer verbonden met de hervormde gemeente van de Willem de Zwijgerkerk aan de Olympiaweg. Uiteindelijk leidde die samenwerking tot het besluit om de Raphaëlpleinkerk niet langer als zelfstandige kerk te gebruiken. Daarin zit een opmerkelijke historische ironie.
De geschiedenis van de Raphaëlpleinkerk was begonnen met een conflict binnen het gereformeerde protestantisme. De kerk was mede voortgekomen uit de gevolgen van de scheuring rond dr. Geelkerken in 1926. Ongeveer zeventig jaar later waren juist die kerkelijke scheidslijnen sterk aan betekenis verloren. De ontwikkeling ging nu in de tegenovergestelde richting: niet langer scheiden, maar samenwerken en samengaan.
Rond 1995 werd dus besloten de Raphaëlpleinkerk niet meer zelfstandig te gebruiken en de gemeente samen te voegen met de hervormde gemeente van de Willem de Zwijgerkerk.
Op 22 oktober 1995 vond de laatste eredienst in de Raphaëlpleinkerk plaats. Daarmee kwam na ongeveer 65 jaar een einde aan het kerkelijke gebruik van het gebouw.

Een tweede leven.
Het gebouw werd echter niet gesloopt. Daarvoor waren de architectonische kwaliteiten en de mogelijkheden van de bouwmassa blijkbaar te interessant.
Al in 1996 kreeg de kerk een nieuwe bestemming als kantoor- en woonruimte. Onderzoek naar de herbestemming van Nederlandse kerkgebouwen vermeldt voor de Raphaëlpleinkerk de gegevens: Beckman en Kooi, 1928, herbestemming in 1996, kantoren en woningen. Ook de Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad noemt het gebouw als voorbeeld van een herbestemming waarbij de bouwmassa behouden bleef, terwijl de oorspronkelijke kerkruimte verloren ging.
Een latere eigenaar ontdekte het gebouw in 1996 als potentiële kantoorruimte. Architect George Witteveen werkte vervolgens aan de verbouwing.
De uitdaging was groot. Een kerkruimte van deze omvang en hoogte laat zich niet zonder meer ombouwen tot een kantoor of woning. Toch werd ervoor gekozen de enorme ruimtelijkheid van het gebouw zoveel mogelijk te behouden. In plaats van de ruimte volledig op te delen in kleine kamers, werden glazen wanden, hout en zwart staal gebruikt om nieuwe functies in het bestaande volume onder te brengen.
Daardoor bleef iets van de oorspronkelijke ervaring van de kerk bewaard: de hoogte, het volume en de kapconstructie zijn nog steeds herkenbaar.
Ook de glas-in-loodramen van Kees Kuiler werden behouden en gerestaureerd. Daarmee bleef een van de meest karakteristieke onderdelen van het oorspronkelijke interieur aanwezig, ook al was de religieuze functie verdwenen.

Van kerk naar loft.
De voormalige kerk heeft sindsdien een opmerkelijke tweede levensfase doorgemaakt. Het gebouw ontwikkelde zich van gereformeerde kerk tot kantoor en vervolgens tot woon-/werkruimte. De voormalige kerkruimte maakt tegenwoordig zelfs deel uit van een zeer grote ‘loftwoning’ (een open woonetage).
Juist daar doet zich een interessant paradoxaal verschijnsel voor. De kerkelijke functie is verdwenen, maar de architectuur die voor die functie was ontworpen, bepaalt nog steeds in hoge mate het karakter van het gebouw.
De grote hoogte, de kapconstructie, het oorspronkelijke volume en de glas-in-loodramen herinneren aan de tijd waarin honderden mensen hier samenkwamen voor de eredienst. De nieuwe bewoners gebruiken dezelfde ruimte voor een geheel ander doel, maar kunnen zich tegelijkertijd nauwelijks aan de oorspronkelijke architectuur onttrekken.
Van de kerk zijn nog verschillende historische elementen herkenbaar: het oorspronkelijke kerkvolume, het karakteristieke zadeldak, het kleine torentje, delen van de oorspronkelijke constructie, de verticale vensters, het metselwerk en de glas-in-loodramen van Kees Kuiler. Ook de ligging als stedenbouwkundig middelpunt van het Raphaëlplein is onveranderd gebleven.
Daar staat tegenover dat de oorspronkelijke kerkruimte en een groot deel van de liturgische inrichting zijn verdwenen. De ruimtelijke betekenis van het gebouw is daardoor fundamenteel veranderd. Het is niet langer een plaats waar een gemeente samenkomt voor de eredienst, maar de herinnering aan die oorspronkelijke functie is nog altijd in de architectuur aanwezig.
Terugblik.

Wie de geschiedenis van de Raphaëlpleinkerk in haar geheel bekijkt, ziet meer dan de geschiedenis van één Amsterdams kerkgebouw.
De kerk begon als een antwoord op de kerkelijke verdeeldheid van 1926. De kwestie rond ds. Geelkerken en de synode van Assen had de gereformeerde gemeenschap van Amsterdam-Zuid diep verdeeld. De tijdelijke kerkdiensten in onder meer het Concertgebouw maakten duidelijk dat de scheuring ook een praktisch probleem van kerkruimte had veroorzaakt.
In 1930 kreeg de gemeente aan het nieuwe Raphaëlplein een eigen kerkgebouw. Met zijn ongeveer 850 zitplaatsen werd het een belangrijk centrum van het gereformeerde leven in het snel veranderende Amsterdam-Zuid. De kerk was verbonden met het dagelijkse leven van gezinnen, met dopen en huwelijken, met jeugdwerk, Bijbelstudie en cultuur.
Tijdens de oorlogsjaren werd de kerk geconfronteerd met de werkelijkheid van de bezetting, de razzia’s en de vervolging van de Joodse bevolking. Tegelijkertijd bleef binnen de gemeente ruimte bestaan voor intellectuele en culturele activiteiten. De jongeren die tijdens de Hongerwinter het gestencilde tijdschrift Letterkundige Bijdrage uitgaven, laten zien dat geloof en cultuur ook onder de moeilijkste omstandigheden met elkaar werden verbonden.

De oorlog liet bovendien blijvende sporen na in de gemeente. Onder de 23 op de latere gedenksteen genoemde slachtoffers waren mensen uit de eigen kerkelijke kring, onder wie Wiet Dijkman en ds. Kornelis Sietsma (1896-1942).
Na de oorlog veranderde de samenleving geleidelijk. Het oude gereformeerde netwerk verloor zijn vanzelfsprekendheid. Het orgel van de inmiddels gesloten Schinkelkerk kwam naar de Raphaëlpleinkerk, maar ook deze kerk ontkwam uiteindelijk niet aan de gevolgen van ontkerkelijking en ontzuiling.
In 1995 kwam de geschiedenis van de kerk als zelfstandige gereformeerde gemeente ten einde. De laatste dienst vond plaats op 22 oktober. Het kerkgebouw zelf bleef echter bestaan.
En juist daarin ligt misschien wel het mooiste slot van zijn geschiedenis. Een kerk die ooit was gebouwd om een verdeelde gereformeerde gemeenschap een eigen plaats te geven, werd uiteindelijk een gebouw waarin die kerkelijke geschiedenis niet meer actief wordt voortgezet. De functie veranderde volledig, maar het gebouw bleef herinneren aan wat zich er had afgespeeld.
Van een kerk die voortkwam uit een scheuring werd het een gebouw waarin juist de sporen van een verdwenen kerkelijke wereld bewaard bleven.
De Raphaëlpleinkerk is daarmee een bijzondere dwarsdoorsnede van de twintigste-eeuwse Nederlandse geschiedenis: van verzuiling naar ontzuiling, van kerkelijke verdeeldheid naar samenwerking, van oorlog en verzet naar wederopbouw, en uiteindelijk van kerk naar herbestemd monument.

Wat resteert, is niet alleen een gebouw aan een Amsterdams plein. In de bakstenen muren, de hoge kap, de verticale vensters en vooral in de bewaard gebleven glas-in-loodramen is nog altijd iets zichtbaar van de wereld waarvoor de kerk in 1930 werd gebouwd. De erediensten zijn verdwenen, maar de architectuur vertelt nog steeds het verhaal van de mensen die hier ruim zes decennia lang samenkwamen.
Bronnen onder meer:
Algemeen Handelsblad, div. nrs., Amsterdam, 1929 en 1930
Amsterdam op de Kaart – Raphaëlplein / Raphaëlkerk
Amsterdams Historisch Museum, Jaarverslag 2000.
Div. gedenkboeken en – artikelen betreffende de Gereformeerde Kerk te Amsterdam
Gemeenten en predikanten van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Leusden, 1992
Jaarboek (ten dienste) van De Gereformeerde kerken in Nederland. Goes, div. jrg.
Piet Calis, Het ondergronds verwachten. [Voor de Bijbelstudiekring, Letterkundige Bijdrage en Jeugd en Literatuur tijdens de oorlogsjaren]. DBNL
Geheugen van de VU – over Kornelis Sietsma en L.C. (Wiet) Dijkman
Kerk en Orgel (internet) – Raphaëlpleinkerk
D. Kransberg, Het Raphaëlplein en zijn kerk, in: Ons Amsterdam, 1996.
Nationaal Comité 4 en 5 mei, Oorlogsmonument in de Willem de Zwijgerkerk
XYZ van Amsterdam – Raphaëlpleinkerk
Translation into English:
The Raphaëlplein Church in Amsterdam (1930–1995) – 2
The Organ and Musical Life.
( < Back to Part 1 ) – The musical history of the church also deserves attention. The Raphaëlplein Church eventually acquired the historic organ from the Schinkel Church. This instrument was built in 1895 by P. van Dam of Leeuwarden and was originally intended for the Schinkel Church.
When the Schinkel Church held its final church service in 1974, the organ was moved to the Raphaëlplein Church. In this way, a literally tangible piece of the nineteenth-century ‘gerformeerde’ history of Amsterdam-Zuid found its way into the church building that had been constructed in 1930.
An important figure in the musical life of the Raphaëlplein Church was Wim Mennes. From 1941 to 1960 he was organist of the Raphaëlplein Church, and from 1956 to 1961 of the ‘ gereformeerde’ Woestduin Church, both in Amsterdam-Zuid. Mennes was not only an organist, but also a composer and music educator, and he was active in Amsterdam’s musical life. The church was therefore not isolated from the city in which it stood, including in musical terms.
Another tangible remnant from the church’s early years is the silver baptismal set from 1930. It consists of a jug and a basin and was made by Gerritsen & Van Kempen of Zeist. The baptismal set was put into use when the church was inaugurated. Although it is no longer present in the former church, it has been preserved in the collection of Amsterdam’s municipal heritage.
Objects such as this baptismal set are of particular significance. When a church building is given a new purpose, large parts of the original interior often disappear. A silver baptismal set, an organ, or a commemorative stone can then provide a direct link with the church’s vanished function.
A memory…
Our contributor on Bonaire, Rev. Jaap Luinstra, recalled from that period: “In Zuid, we initially attended the Schinkel Church (the church where Rev. Geelkerken delivered his famous 1924 sermon about the story of Paradise). I still remember a congregational meeting (in the autumn of 1973) that was rather disorderly: the proposal by the Church Council for General Affairs to close the Schinkel Church and keep the Raphaëlplein Church open was discussed (the congregation also still had the Woestduin Church)”.
“There was strong opposition to the proposed closure in the Schinkel Church! After all, the churchgoers at ‘the Schinkel’ were quite different from those at Raphaëlplein! At the Schinkel, it was the ordinary working-class people who worshipped there, including, among others, the workers from the Kinkerbuurt; at the Raphaëlplein Church, the well-to-do people attended—they sat there on the plush seats! Well, the Schinkel Church did close after all; the Raphaëlplein Church remained open! The protesters were not entirely wrong: the people who worshipped at the Raphaëlplein Church were predominantly quite well-off. On Sundays, there were quite a number of professors from the Vrije Universiteit (VU) in the congregation. Distinguished ministers preached there! Professors from the VU’s theological faculty also quite often preached there. I remember that the Raphaëlplein Church—despite having a large number of seats—was also a very cozy and intimate church!”
The Gradual Disappearance of a Church That Had Once Been a Matter of Course.
From the 1960s and 1970s onward, the position of the church changed profoundly. Amsterdam-Zuid was no longer automatically a ‘gereformeerde’ neighborhood. The system of religious and ideological pillarization began to break down, church attendance declined, and it became increasingly difficult to maintain multiple large church buildings.
The Raphaëlplein Church was not unique in this respect. Throughout the Netherlands, religious denominations faced the same development. Church buildings that had been designed for a society with high and stable church attendance became increasingly difficult to fill and finance.
The history of the Schinkel Church illustrates this development well. The church ceased holding worship services in 1974 and was sold in 1977. The historic Van Dam organ was subsequently moved to the Raphaëlplein Church.
In this way, the Raphaëlplein Church became, in a sense, the successor to a much older ‘church in Amsterdam-Zuid. At the same time, it had itself become part of a process in which the old ‘gereformeerde’ infrastructure was gradually disappearing.
From Division to Cooperation.
In the 1980s and 1990s, another development was added: the growing rapprochement between the ‘ Gereformeerde’ Churches and the ‘ Hervormde’ Church.
The ‘ gereformeerde’ congregation of the Raphaëlplein Church became increasingly closely connected with the ‘ Hervormde’ congregation of the Willem de Zwijger Church on Olympiaweg. Eventually, this cooperation led to the decision to stop using the Raphaëlplein Church as an independent church. There is a remarkable historical irony in this.
The history of the Raphaëlplein Church had begun with a conflict within ‘ gereformeerd’ Protestantism. The church had partly emerged from the consequences of the 1926 schism surrounding Geelkerken. Approximately seventy years later, those very ecclesiastical divisions had largely lost their significance. The development was now moving in the opposite direction: no longer separation, but cooperation and union.
Around 1995, it was decided to stop using the Raphaëlplein Church independently and to merge the congregation with the ‘ Hervormde’ congregation of the Willem de Zwijger Church.
On October 22, 1995, the final worship service was held in the Raphaëlplein Church.
After approximately 65 years, this brought an end to the building’s use as a church.
A Second Life.
The building was not demolished, however. Apparently, its architectural qualities and the possibilities offered by its overall structure were considered too interesting for that.
As early as 1996, the church was given a new purpose as office and residential space. Research into the adaptive reuse of Dutch church buildings lists the following information for the Raphaëlplein Church: Beckman and Kooi, 1928; adaptive reuse in 1996; offices and residences. The Association of Friends of Amsterdam’s Inner City also mentions the building as an example of adaptive reuse in which the building’s overall structure was retained, while the original church interior was lost.
A later owner discovered the building in 1996 as potential office space. Architect George Witteveen subsequently worked on its conversion.
The challenge was considerable. A church interior of this size and height cannot simply be converted into an office or residence. Nevertheless, the decision was made to preserve as much as possible of the building’s enormous sense of spaciousness. Rather than dividing the space completely into small rooms, glass walls, wood, and black steel were used to accommodate new functions within the existing volume.
As a result, something of the original experience of the church has been preserved: the height, volume, and roof structure remain recognizable.
The stained-glass windows by Kees Kuiler were also preserved and restored. One of the most characteristic elements of the original interior therefore remained, even though its religious function had disappeared.
From Church to Loft.
Since then, the former church has undergone a remarkable second phase of its life. The building evolved from a ‘ gereformeerde’ church into an office and subsequently into residential/workspace. Today, the former church interior is even part of a very large loft apartment.
This gives rise to an interesting paradox. The church’s function has disappeared, but the architecture designed for that function still largely determines the character of the building.
The great height, the roof structure, the original volume, and the stained-glass windows recall the period when hundreds of people gathered here for worship. The new residents use the same space for an entirely different purpose, but at the same time they can hardly escape the original architecture.
Several historic elements of the church remain recognizable: the original church volume, the characteristic gabled roof, the small tower, parts of the original structure, the vertical windows, the brickwork, and Kees Kuiler’s stained-glass windows. Its position as an urban focal point on Raphaëlplein has also remained unchanged.
On the other hand, the original church interior and a large part of the liturgical furnishings have disappeared. The spatial significance of the building has therefore changed fundamentally. It is no longer a place where a congregation gathers for worship, but the memory of that original function is still present in the architecture.
Looking Back.
Anyone who considers the history of the Raphaëlplein Church as a whole sees more than the history of a single Amsterdam church building.
The church began as a response to the ecclesiastical divisions of 1926. The controversy surrounding Rev. Geelkerken and the Synod of Assen had deeply divided the ‘ gereformeerde’ community of Amsterdam-Zuid. The temporary church services held at locations including the Concertgebouw made it clear that the schism had also created a practical problem concerning church space.
In 1930, the congregation acquired its own church building on the new Raphaëlplein. With approximately 850 seats, it became an important center of ‘ gereformeerd’ life in rapidly changing Amsterdam-Zuid. The church was connected with the daily lives of families, with baptisms and weddings, with youth work, Bible study, and culture.
During the war years, the church was confronted with the reality of the occupation, the raids, and the persecution of the Jewish population. At the same time, there remained room within the congregation for intellectual and cultural activities. The young people who published the mimeographed magazine Letterkundige Bijdrage during the Hunger Winter demonstrate how faith and culture continued to be connected even under the most difficult circumstances.
The war also left lasting traces within the congregation. Among the 23 victims named on the later memorial stone were people from the church’s own circle, including Wiet Dijkman and Rev. Kornelis Sietsma.
After the war, society gradually changed. The old ‘ gereformeerde’ network lost its taken-for-granted character. The organ from the Schinkel Church, which had by then closed, was brought to the Raphaëlplein Church, but this church too ultimately could not escape the consequences of secularization and the decline of pillarization.
In 1995, the history of the church as an independent ‘gereformeerde’ congregation came to an end. The final service took place on October 22. The church building itself, however, remained.
And perhaps that is the most beautiful conclusion to its history. A church that had once been built to give a divided ‘gereformeerde’ community a place of its own ultimately became a building in which that church history is no longer actively continued. Its function changed completely, but the building continued to bear witness to what had taken place there.
From a church that emerged from a schism, it became a building in which the traces of a vanished ecclesiastical world have, precisely, been preserved.
The Raphaëlplein Church is therefore a remarkable cross-section of twentieth-century Dutch history: from pillarization to secularization, from ecclesiastical division to cooperation, from war and resistance to reconstruction, and ultimately from church to an adaptively reused historic building.
What remains is not merely a building on an Amsterdam square. In the brick walls, the high roof, the vertical windows, and above all the preserved stained-glass windows, something of the world for which the church was built in 1930 is still visible. The worship services have disappeared, but the architecture continues to tell the story of the people who gathered here for more than six decades.