De eerste kerkelijke vergaderingen van de ‘Christian Reformed Church’.
( < Naar deel 16 – Back to Part 16 ) – In onze serie over de kerkelijke vergaderingen van de naar Amerika geëmigreerde Afgescheidenen, sinds 1857 behorende tot de toen opgerichte Christian Reformed Church (zoals nader uitgelegd in deel 1), gaan we verder met de vergadering van 22 juli 1863. Tussen [] staan verhelderende of aanvullende opmerkingen van de redactie van GereformeerdeKerken.info.

Classisvergadering van 22 juli 1863 te Zeeland.
Art. 1 – De vergadering is geopend met een predikatie over psalm 122: 6a en gebed door ds. W.H. van Leeuwen [1807-1882]. De afgevaardigden zijn:
Zeeland: ds. Van den Bosch en J Ebels (ouderling)
Graafschap: Bouws en Krabshuis (ouderlingen)
Vriesland: Dam (ouderling)
Grand Rapids: Ds. W.H. van Leeuwen en J. Gelok (ouderling).
Art. 2 – Wordt overgegaan tot stemming voor preses en scriba en blijkt dat ds. W.H. van Leeuwen preses is en G. van Tubbergen scriba.
Art. 3 – Algemene zaken worden behandeld. Zeeland heeft geen. – Graafschap brengt in: wat te doen met het geld, gecollecteerd voor het Zendingswerk. Ds. Van den Bosch vraagt het woord en geeft enige toelichting, waarop ds. W.H. van Leeuwen vraagt of er enige behoefte bestaat aan Zendelingen in ons midden. Verder wordt er gestemd voor een commissie; [verkozen] zijnde ds. W.H. van Leeuwen en ds. Van den Bosch, om dat geld te ontvangen en over te maken naar [de Christelijke Afgescheidene Kerk in] Nederland.
Art. 4 – Over het [in een kerkdienst] voorgaan van [ouderling] br. G. van Tubbergen oordeelt de vergadering dat hij niet als [theologisch] candidaat is opgenomen maar als lid, terwijl het [hem] vergund wordt om wel een woordje tot stichting te mogen spreken. – Vriesland heeft geen zaken. – Grand Rapids evenmin.

Art. 5 – Ds. Van den Bosch doet een voorstel of wij niet werkzaam kunnen zijn om predikanten op te leiden. Hierover wordt geoordeeld dat ds. W.H. van Leeuwen zich er mee zal belasten om gelegenheid te geven voor het onderwijs, wanneer er zulke personen zijn, terwijl ds. W.H. van Leeuwen zich bereid verklaart. Voorts zal men maandelijks voor dat doel een collecte houden in de gemeenten, en men kiest door stemming de heren Pleum en Verburg om die gelden te ontvangen te Grand Rapids.
Art. 6 – Hiermee eindigt de morgenzitting met het zingen uit psalm 84 vers 3, en dankzegging door ds. Van den Bosch.
Art. 7 – De namiddagzitting wordt geopend met gebed door broeder J. Gelok en [met het] zingen uit psalm 25 vers 7. Ds. Van den Bosch brengt verslag uit van de aankomst en bevestiging van ds. W.H. van Leeuwen te Grand Rapids. Ds. Van Leeuwen geeft zijn attesten over aan de Classis, [deze] worden voorgelezen en goedgekeurd. Graafschap verzoekt en hun wordt toegestaan om de preek voor de Classis op deze morgen door ds. W.H. van Leeuwen, op kosten der Classis in druk uit te geven.
Art. 8 – Wordt besloten ds. W.H. van Leeuwen, ds. Van den Bosch en Jan Gelok visitatoren zullen zijn om de uitgegeven boeken te approberen.

Art. 9 – Ds. W.H. van Leeuwen brengt in het midden of het niet doelmatig zou zijn dat de leeraars onder het preken het ambtsgewaad dragen; geoordeeld wordt dat dit niet raadzaam is. – Verder vraagt ds. W.H. van Leeuwen hoe het gesteld is met de lagere scholen. Waarover eenige opmerkingen worden gemaakt. – Nog vraagt ds. Van Leeuwen op welk standpunt wij ons zullen [stellen], [over de vraag] of we ook vereniging met andere kerkgenootschappen [moeten] zoeken. Waarover ds. Van den Bosch verslag geeft, namelijk dat er vroeger onderzoek gedaan is [zowel] naar zekere Afgescheidenen in het Oosten [van Amerika] als naar de Schotse Kerk; verder wordt er gezegd dat alles nog niet gedaan is wat gedaan kan worden. Ook worden er gesprekken gevoerd met ds. Schepers en R. Brink over de vereniging met de Schotse Kerk. Ds. Schepers toont een briefje van de Schotse synode, hetwelk [handelt over] de loslating van de Schotse kerk van de twee Hollandse gemeenten in de kolonie, om zich te mogen [laten] regeren door de Kerkordening van Dordrecht van 1618/1619.

Ds. Van den Bosch geeft verslag dat wij een titel hebben aangenomen, namelijk de Ware Hollandse Gereformeerde Kerk. Br. Krabshuis wenst om aangesloten te worden bij de Old School Presbyteriaanse Kerk, en leest een stukje voor uit De Hollander, waarover veel gesproken wordt. Br. Groen van Vriesland houdt [een toespraak] over het zuivere van ons standpunt, [en] om niet te hunkeren naar de vleespotten van Egypte. – Verder vraagt ds. W.H. van Leeuwen of het niet goed zou zijn om verslag te doen van ons standpunt aan de Synode der Christelijke Afgescheidene Gereformeerde Kerk in Nederland, welke eerstdaags zal vergaderen, hetwelk goedgekeurd wordt. Daartoe zal ds. W.H. van Leeuwen een stuk opmaken dat de preses en scriba zullen ondertekenen.
Art. 10 – Verder wordt geoordeeld dat de eerstkomende Classis gehouden zal worden op de eerste woensdag van oktober aanstaande. Deze zitting wordt gesloten met het zingen van psalm 119 vers 17 en dankzegging door br. Krabshuis.
Art. 11 – De avondzitting wordt geopend en gehouden met gesloten deuren. Er komt een protest in van de [gemeente van] Graafschap hetwelk als volgt luidt:

“Graafschap, 18 juli 1863. Protest aan de Classis der Ware Hollandse Gereformeerde Kerk der Afgescheidene Gemeenten, welke staat gehouden te worden te Zeeland op woensdag de 22ste dezes. Eerwaarde Broeders! Dat de zegen des Heeren uit Zion van boven op u te samen nederdale is onze hartelijke wens en bede. Amen. De ondergetekende leden dezer gemeente hebben bezwaar tegen twee broeders: A. Krabshuis en J. van Anrooy, ouderlingen onzer gemeente”.
“Aangaande br. Krabshuis, daar hij vroeger in zijn dienst geschorst was door de Classis gehouden te Graafschap op 4 juni 1862, om de navolgende zaken: zich te verzetten tegen een Classicaal besluit; aan de hem opgelegde belijdenis die door hem beloofd was, ontrouw is geweest; trouweloze verlating van zijn dienst; en zich schuldig gemaakt heeft aan ds. Van den Bosch en R. Strabbing, hen uitmakende als ‘beroerders in Israël’. En daar br. Krabshuis hiervan schuldbelijdenis gedaan heeft, zo is hij nochtans weer door de Classis als ouderling aangenomen, en dat wel zonder bevestiging. Nu opnieuw heeft br. Krabshuis zich schuldig gemaakt niet alleen aan onze gemeente, maar aan geheel onze Kerk, door een stuk in De Hollander te plaatsen om ons tot de Prebsyteriaanse Kerk over te [halen]. Het merendeel der kerkeraad heeft geweigerd hiertegen iets te doen, hoewel er over geklaagd is. Zelf is br. Krabshuis op Zondag naar die gemeente gegaan en onze gemeente verlaten [heeft] en heeft [van] anderen goedgekeurd dat leden van onze gemeente aan het avondmaal waren geweest in de Presbyteriaanse Kerk”.
“Aangaande br. Van Anrooy: die heeft vroeger bedankt in het openbaar voor de gemeente uit oorzaak van bezwaar in het houden der [tweede] Christelijke Feestdagen, waardoor ellenden ontstaan zijn, zelfs met de Classis, en nu heeft de laatst gehouden Classis br. Van Anrooy weer opgenomen als ouderling, en dat wel zonder bevestiging. Daarenboven is Van Anrooy [op de Dag des Heeren naar de kerkdienst van] de Presbyteriaanse Kerk geweest. Wat ons nog meer smart is dat deze beide broeders voorgangers zijn geweest in een ‘gezelschapje’ [voor het houden van huisgodsdienstoefeningen] tijdens het houden [van onze] kerkdienst op de Dag des Heeren. Eerwaarde broeders, wij hopen dat nu de tijd gekomen is, dat er eindelijk recht gedaan kan worden, en wij wensen door Gods genade te staan met Gods Woord, de oude belijdenisschriften en de aangenomen Kerkorde van Dordrecht, 1618-1619. Was getekend, G. van Tubbergen, Jan W. Garvelink, H. Strabbing, John Hellenthaal, A. Lamping”.

Hierover wordt veel gesproken. Br. Krabshuis [blijft erbij] dat ds. Van den Bosch en R. Strabbing ‘beroerders Israëls’ zijn. Op verzoek kunnen de protesterende leden berusten in het vroeger gebeurde door de Classis. Men gaat over tot het behandelen van nieuwe zaken, dat Krabshuis in De Hollander geschreven had op zondag naar de Presyberiaanse Kerk in Zeeland te gaan en van anderen goed te keuren die aan [de Avondmaals-] tafel waren geweest bij de Presbyteriaanse Kerk. Het oordeel van de vergadering is dat Krabshuis dat stuk in De Hollander zou herroepen alsook dat diegenen die aan het avondmaal waren geweest bij de Presbyterianen schuldbelijdenis zullen doen. Br. Krabshuis kan er niet toe komen om te herroepen. Br. Krabshuis [laat opnieuw zien] dat er billijk bezwaar tegen hem bestaat, daar hij te kennen geeft dat wij [de Classis] geen lichaam der kerk uitmaken, en dus geen gemeente des Heeren zijn. Br. J.W. Garvelink vraagt de Classis [of zo iemand ouderling kan zijn] in de gemeente, en dat onze gemeente moest verwoest worden door zulk een denkbeeld te koesteren. Br. Krabshuis wordt een maand tijd gegeven om te herroepen. De protesterende leden wordt gevraagd of zij Krabshuis nog een maand kunnen dragen, het welk toegestemd wordt.
Art. 12 – Een ander protest komt ter tafel, hetwelk van de volgende inhoud is: “Protest aan de Eerwaarde Classis der Ware Hollandse Gereformeerde Kerk, welke staat gehouden te worden te Zeeland, de 22 juli, aanstaande”.
“Eerwaarde broeders. Dat ‘s Heren genade overvloedig over Uw Eerwaarde personen en werk uitgestort wordt is mijn hartelijke wens en bede. Amen. Daar br. J. van Anrooy ouderling dezer gemeente de [tweede] Christelijke Feestdagen met de gemeente niet kan waarnemen, zo hebben wij daarover ellende gehad; daar de ouderlingen beurtelings voorgaan, zoo was hij juist op laatst leden Hemelvaartsdag en Pinkstermaandag [aan de] beurt, terwijl een ander moest voorgaan. Nu meende men dat zijn beurt voorbij was: maar de volgende zondag ging br. Van Anrooy naar de lessenaar en ging voor. Waardoor onze beurten in verwarring raakten. Hierover ben ik bezwaard. Ware br. Van Anrooy [een gewoon] lidmaat geweest, ik zoude gezwegen hebben, of had hij bij een ander zijn brood moeten verdienen, ik had het makkelijk kunnen dragen. Ook begeer ik niet zijn geweten te binden aan [de tweede] Feestdagen, maar als Opziener van de gemeente Gods was hij verplicht ten duursten om de gemeente des Heeren te dienen en geen ergernis te geven. Op onze laatst gehouden kerkeraad heeft Van Anrooy nog [gezegd]: ik zal het nooit doen. De Classis heeft er reeds over gehandeld met br. Van Anrooy de 5 februari 1862 te Graafschap, zie de notulen, waar besloten is nog niet te schorsen, maar te vermanen om het toch te doen. Indien onze aangenomen kerkorde van Dordrecht bindend is, dan behoort dezelve ook alzo verklaard en gehandhaafd te worden, anders kan elk doen wat hem belieft. Hiermee eindig ik en ben Uw Ew heilbiddende broeder in Christus. G. van Tubbergen, Graafschap, Michigan, 21 juli 1863.”

Het oordeel der vergadering is hem niet te schorsen maar hem te blijven vermanen, opdat hij tenslotte bewogen worde om de gemeente des Heeren te dienen.
Art. 13 – Ds. Van den Bosch heeft protest tegen de kerkeraad van Graafschap, namelijk dat zij stelden dat br. Krabshuis te goeder trouw had geschreven in De Hollander en hem [bij de Presbyterianen] aan het Avondmaal te laten gaan, en dan later nog eens weer terug te komen om hem te straffen, waarin de kerkeraad niet oprecht heeft gehandeld; hetwelk zij belijden en beloven hierna beter te zullen handelen.
Art. 14 – Voorts wordt gehandeld over het tractement van ds. Van den Bosch, alsook over de predikbeurten. Aangaande het traktement van verleden jaar, 1862, voor ds. Van den Bosch is een tekort van twee en veertig dollar, waarvan elke gemeente moet betalen als volgt: Graafschap 15 dollar, Grand Rapids 15 dollar, Vriesland 6 dollar, Zeeland 6 dollar.
Voorts zal de vierhonderd dollar door de gemeenten worden gedragen als een tractement voor ds. Van den Bosch, gelijk als vroeger, terwijl de vacante gemeenten Graafschap en Vriesland meer predikbeurten kunnen verkrijgen.
Art. 15 – De vergadering wordt besloten met staande te zingen uit psalm 134 vers 3 en dankzegging door ds. W.H. Van Leeuwen.
W.H. Van Leeuwen, preses en G. Tubbergen, Scriba.
Bron:
Minutes of the Highest Assembly of the Christian Reformed Church, 1857-1880, Grand Rapids, Michigan, 1937