De eerste kerkelijke vergaderingen van de Christian Reformed Churches.
( < Naar deel 20 – Back to Part 20 ) – In onze serie over de kerkelijke vergaderingen van de naar Amerika geëmigreerde Afgescheidenen, sinds 1857 behorende tot de toen opgerichte Christian Reformed Church (zoals nader uitgelegd in deel 1), gaan we verder met de vergadering van 10 augustus 1864. Tussen [] staan verhelderende of aanvullende opmerkingen van de redactie van GereformeerdeKerken.info.

Buitengewone Classicale Vergadering gehouden te Noordeloos, op 10 augustus 1864.
De vergadering wordt geopend met een korte predicatie door ds. W.H. van Leeuwen, naar aanleiding van de woorden uit Psalm 127 vers 1.
Als afgevaardigden waren tegenwoordig de leden van:
Grand Rapids – Ds. W.H. van Leeuwen
Graafschap – A. Krabshuis en J.F. van Anrooy (ouderlingen)
Zeeland – Ds. K. van den Bosch
Noordeloos – P. Heyboer en H. Wassen (ouderlingen)
Vriesland – H. Dam en H. Schepers (ouderlingen)
Art. 1 – De vergadering is overgegaan tot het kiezen van een scriba voor deze vergadering en met meerderheid van stemmen werd daartoe verkozen br. ouderling P. Heyboer, terwijl ds. W.H. van Leeuwen, die aan de beurt is, het presidium waarneemt.
Art. 2 – De notulen der vorige vergadering zijn voorgelezen, [maar ze werden wegens tijdgebrek niet besproken]; dat is verschoven tot een volgende Classicale Vergadering.
Art. 3 – De preses vraagt of er ook aanmerkingen zijn op de predicatie door Z.Eerw. gehouden bij de opening van deze vergadering; er is gebleken van niet.

Art. 4 – De preses brengt in rondvraag hoe deze vergadering moet worden beschouwd, omdat ze een paar maanden vervroegd is vanwege een hangende kwestie te Zeeland. Besloten is [haar als ‘buitengewoon’ te beschouwen].
Art. 5 – Daar er geen broeder ouderling van Grand Rapids als afgevaardigde op deze vergadering tegenwoordig is, werd aan de preses gevraagd naar de redenen. Deze bestonden hoofdzakelijk uit buitengewone drukke omstandigheden; hetwelk de vergadering niet kan aannemen als wettige verhindering, weshalve de kerkenraad van die gemeente daarover zal worden vermaand en bestraft.
Art. 6 – De Classicale Commissie doet ingevolge de haar opgelegde taak verslag van haar handelingen inzake de kwestie van de gemeente Zeeland. Daartoe werden de Notulen voorgelezen van de handelingen aldaar op 20 juli gehouden, welke hierbij zijn gedeponeerd of overgelegd [dus kennelijk als kopie in het archief opgenomen] en waaruit tenslotte blijkt dat men met die zaken weinig of niets gevorderd is en dat ze [daarom] is verschoven naar deze vergadering ter nadere behandeling.
Art. 7 – Van de gemeente Zeeland zijn geen afgevaardigden aanwezig, maar door die kerkenraad is een stuk bij wijze van protest alhier ter tafel gebracht […], ondertekend door de meerderheid der kerkenraad en enige leden der gemeente, waarin onder andere de redenen worden opgegeven, waarom men geen afgevaardigden kon zenden; [die redenen] zijn die echter bevonden als niet voldoende te zijn, alsmede het [belangrijkste] punt van de kwestie dat men ds. K. van den Bosch niet als hun wettige Leraar van die gemeente kon noch wilde erkennen.

Art. 8 – De preses verzoekt daarop aan Z.Eerw. ds. Van den Bosch dit stuk nader te willen toelichten en zich daaromtrent te verklaren. Inmiddels zal het middagmaal gehouden worden en is de morgenzitting gesloten met het zingen van Psalm 119 vers 14 en met gebed door br. ouderling P. Heyboer.
Tweede Zitting.
Deze zitting is geopend met het zingen van Psalm 130 vers 4 en gebed en dankzegging door de br. ouderling A. Krabshuis.
Art. 9 – Ds. K. van den Bosch deelt kortelijk mee de geschiedenis van de aanhangige kwestie [in Zeeland]. Art. 7 vermeldt en betoogt de wettigheid van Z.Eerw. als leraar der gemeente te Zeeland, gevende zijn verwondering te kennen dat men nu juist daarop aanmerking maakt, daar er vroeger daaromtrent hoegenaamd geen sprake van is geweest, integendeel men hem altijd als wettige leraar heeft erkend en niet wilde dat hij alleen leraar van Noordeloos was. Hij [ds. Van den Bosch] geeft [enkele] vermoedens [weer] waardoor dit zou zijn ontstaan.
Art. 10 – In rondvraag wordt gebracht wat het oordeel van de vergadering omtrent deze zaak is. Gebleken is dat men niet anders en beter wist en heeft geweten of ds. Van den Bosch is wettig leraar van Zeeland.
Art. 11 – De preses leest echter enige artikelen voor uit het Notulenboek der Classicale Vergadering, onder andere artikel 3 der notulen van 5 oktober 1859, aldus luidende: “De preses brengt een vraag in het midden of Z.Eerw. [ds. Van den Bosch] aangemerkt moet worden als leraar van Noordeloos en consulent van alle gemeenten, en is besloten dat Z.Eerw. leraar is van Noordeloos en consulent van alle gemeenten”, in overeenstemming met Artikel 9 uit de notulen van 5 juni 1860, [met] Art. 6 van de Notulen van 6 februari 1861 en [met] Art. 13 van de notulen van 3 februari 1864. Hij [ds. Van Leeuwen] merkt tevens op dat daaruit blijkt dat de gemeente van Noordeloos (alwaar in gevolge voornoemd Artikel 8 van de notulen van 5 oktober 1859, ds. K. van den Bosch leraar was), tijdelijk was vervallen en daarom Z.Eerw. natuurlijk met die leden als leraar overging tot de gemeente Zeeland. En dat, ingevolge laatstgenoemd artikel 13 van de notulen van 3 februari 1864, de gemeente Noordeloos weer als een afzonderlijke gemeente is erkend; zo ging vanzelf ds. Van den Bosch als haar voormalige leraar, gelijktijdig met haar over en was Z.Eerw. weer leraar te Noordeloos.
Art. 12 – Dit werd in rondvraag gebracht en het bleek dat het oordeel van de broeders gewijzigd was en dat men algemeen moest toegeven dat ds. Van den Bosch leraar te Noordeloos en niet te Zeeland was.

Art. 13 – Intussen komen de notulen ter tafel van de gemeentevergadering gehouden op 14 oktober 1863 te Zeeland, waaruit bleek dat er in Art. 13 van de notulen der Classicale Vergadering van 3 februari 1864 bovengenoemd, een leemte bestond: [namelijk] dat daarin wél was opgenomen dat Noordeloos weer als een afzonderlijke gemeente was erkend, maar níet Art. 6 van voornoemde notulen, dat luidt: “Gevraagd door leden van Zeeland of ds. Van den Bosch geen leraar van Zeeland was, en [werd] besloten [dat] hij leraar van de beide gecombineerde gemeenten Noordeloos en Zeeland [is]”. Daar nu dit artikel beslissend spreekt kon de Classis niet anders oordelen of ds. Van den Bosch is leraar van de beide gecombineerde gemeenten Noordeloos en Zeeland.
Art. 14 – Ds. Van den Bosch verklaart bereid te zijn om nu alles te vergeten en te vergeven en schuld te belijden waar hij schuld heeft en langs die weg met de broeders te Zeeland evenals vroeger in vrede en liefde te werken, en als Herder en Leraar onder hen werkzaam te zijn, mits dat men dit van weerzijde ook doe, opdat er zo een einde aan die netelige twist gemaakt moge worden.
Art. 15 – Hierop is een Commissie benoemd, bestaande uit de leden ds. W.H. van Leeuwen en de broeders ouderlingen P. Heyboer, H. Dam en H. Bouws, om op a.s. vrijdag 12 dezer, des achternamiddags naar Zeeland te gaan, teneinde daar een vergadering te beleggen en de kerkenraad en de gemeente met dit oordeel der Classis bekend te maken en hun op te wekken om daar in te berusten, en schuld te belijden van hun verkeerde handelingen en zich met ds. Van den Bosch te verzoenen en te erkennen als hun wettige leraar.
Art. 16 – Er is een brief ingekomen en aan de vergadering voorgelezen van de leden [van de gemeente] te Holland, tot dusver een ‘zijtak’ van de Gemeente Graafschap, waarin zij hun begeerte te kennen geven dat de broeder ouderling Frederiks en het lidmaat Nyssing tot hen [in Stad Holland] mogen overkomen, om zo langs die weg gemakkelijker tot een afzonderlijke gemeente te kunnen worden georganiseerd, daar deze leden eigenlijk behoren tot de Stad Holland. De Classis heeft besloten dat zij zich daaraan moeten verbinden, als behorende tot de dichtstbijzijnde gemeente, echter dat men hen daartoe niet kan dwingen, maar in hun keuze moet vrijlaten. De Commissie, ingevolge Artikel 13 van de Notulen der vorige vergadering daartoe benoemd, zal morgen namiddag op verzoek van de leden te [Stad] Holland derwaarts gaan en die zaken aldaar verder regelen.

Art. 17 – Men is overgegaan tot de behandeling van gemeentelijke zaken. In ons midden bevond zich een lidmaat der gemeente te Graafschap, genaamd Hellenthal, die klachten inbrengt tegen de handelingen van de kerkenraad te Graafschap omtrent zijn persoon, onder andere dat zij hem onwettig en onrechtvaardig het avondmaal des Heeren zouden hebben ontzegd.
De preses verzoekt de Afgevaardigden van de Gemeente Graafschap de zaak nader toe te lichten. De broeder ouderling Bouws, hierbij ook aanwezig, leest daarop de notulen voor van hun kerkenraadsvergadering betreffende de zaak van br. Hellenthal, waaruit het de vergadering niet onduidelijk blijkt dat de kerkenraad hierin enigermate onvoorzichtig gehandeld heeft en [deze] bekent daarvan schuld; doch ook blijkt dat br. Hellenthal zich ook niet gedragen heeft als het betaamde; waarom, op voorstel van br. Dam, beide partijen door de preses opgewekt worden om elkaar te vergeven en te vergeten wat gebeurd is en zo weer in liefde en vrede met elkaar te leven en te verkeren. De kerkenraad is daartoe terstond bereid, doch Hellenthal blijkt zulks beslist te weigeren, zodat die zaak is blijven steken en verder aan de behandeling van de kerkenraad te Graafschap wordt overgelaten.
Art. 18 – Er wordt door broeder ouderling Dam van Vriesland [verteld] dat bij hen in de gemeente zich een lidmaat bevindt, genaamd Jan Schepers, die zijn begeerte heeft geopenbaard om opgeleid te worden tot het ambt van herder en leraar. En daar bedoelde persoon hier aanwezig is, wordt hem door de preses gevraagd of hij dit op eigen kosten doen kan of voor rekening van de Kas, waarop Schepers zegt dat hij daartoe minstens 400 dollar zou kunnen bijdragen. De preses brengt in rondvraag of iemand enig bezwaar heeft tegen bedoelde persoon of tegen zijn verklaring; gebleken is dat niemand [daarop aanmerkingen heeft]. Daarom wordt dit in zoverre aangenomen dat Schepers op de e.k. Classicale Vergadering een kort voorstel [een korte preek] zal houden naar aanleiding van 1 Tim. 1 vers 15, door de preses hem opgegeven en daaruit te zien of hij ook gaven en aanleg bezit tot de predikdienst.

Art. 19 – Is besloten dat de volgende Classicale Vergadering gehouden zal worden, ingevolge vroeger besluit, op de eerste woensdag in de maand Oktober a.s. en wel te Zeeland, die daarvoor aan de beurt is, maar met dien verstande dat dan de aanhangige kwestie [in die gemeente] tegen die tijd is weggenomen en alles is vereffend; anders zal het [de Classicale Vergadering] te Grand Rapids plaatshebben, hetwelk vroegtijdig genoeg door de Classicale Correspondent aan de respectieve gemeenten zal worden bekend gemaakt.
De vergadering is daarop gesloten met het zingen van Psalm 90 vers 9 en met dankzegging door ds. K. van den Bosch.
W.H. van Leeuwen, v.d.m., preses – P. Heyboer, scriba.
Bron:
Minutes of the Highest Assembly of the Christian Reformed Church, 1857-1880. Grand Rapids, 1937
Translation into English:
From ‘Classis’ to ‘Synod’ in America (21).
The first ecclesiastical meetings of the Christian Reformed Churches.
( < Back to Part 20 ) – In our series on the church meetings of the Separated (Afgescheidenen) who emigrated to America and have belonged since 1857 to the Christian Reformed Church (as explained in detail in part 1), we continue with the meeting of August 10, 1864. In square brackets [] are clarifying or supplementary comments from the editorial team of GereformeerdeKerken.info.
Extraordinary Classis Meeting held in Noordeloos on August 10, 1864.
The meeting opened with a brief sermon by Rev. W.H. van Leeuwen, based on the words from Psalm 127, verse 1.
The following delegates were present:
-
Grand Rapids – Rev. W.H. van Leeuwen
-
Graafschap – A. Krabshuis and J.F. van Anrooy (elders)
-
Zeeland – Rev. K. van den Bosch
-
Noordeloos – P. Heyboer and H. Wassen (elders)
-
Vriesland – H. Dam and H. Schepers (elders)
Art. 1 – The meeting proceeded to elect a clerk for this meeting. By a majority vote, Elder P. Heyboer was chosen, while Rev. W.H. van Leeuwen, who was next in line, took the presidency.
Art. 2 – The minutes of the previous meeting were read, [but they were not discussed due to lack of time]; this was deferred to the next Classis meeting.
Art. 3 – The president asked if there were any comments on the sermon delivered by Rev. Van Leeuwen at the opening of this meeting; none were given.
Art. 4 – The president brought up the question of how this meeting should be regarded, as it had been brought forward by a few months due to an unresolved issue in Zeeland. It was decided [to regard it as ‘extraordinary’].
Art. 5 – Since no elder from Grand Rapids was present as a delegate to this meeting, the president was asked for the reasons. These were mainly extraordinary and pressing circumstances, which the meeting could not accept as a legitimate excuse, and therefore the consistory of that congregation would be admonished and reprimanded.
Art. 6 – The Classical Committee reported on its activities concerning the issue of the Zeeland congregation. The minutes of the meeting held there on July 20 were read, [and these were deposited or presented as copies for the archive], showing that little or no progress had been made, and therefore it was deferred to this meeting for further discussion.
Art. 7 – No delegates from Zeeland were present, but the consistory had submitted a document as a protest [which was presented here], signed by the majority of the consistory and some members of the congregation, outlining, among other things, the reasons why they could not send delegates. [However, these reasons were deemed insufficient], with the most important point being the refusal to recognize Rev. K. van den Bosch as their lawful pastor.
Art. 8 – The president then asked Rev. Van den Bosch to further explain this document and make a statement. Meanwhile, the lunch break was announced, and the morning session was closed with the singing of Psalm 119, verse 14, and a prayer by Elder P. Heyboer.
Second Session.
This session opened with the singing of Psalm 130, verse 4, and a prayer of thanksgiving by Elder A. Krabshuis.
Art. 9 – Rev. K. van den Bosch briefly shared the history of the matter [in Zeeland]. Art. 7 mentioned the issue and defended the legitimacy of Rev. Van den Bosch as the pastor of the Zeeland congregation, expressing his surprise that this was now being questioned, as there had been no such issues in the past, and he had always been recognized as their lawful pastor. He [Rev. Van den Bosch] also offered some possible reasons for this development.
Art. 10 – In the round of questions, the matter was raised as to what the opinion of the meeting was regarding this issue. It was clear that no one had known or had been certain whether Rev. Van den Bosch was the lawful pastor of Zeeland.
Art. 11 – The president then read several articles from the minutes of the Classis meeting, including Article 3 from the minutes of October 5, 1859, which reads: “The president asks whether Rev. Van den Bosch should be recognized as the pastor of Noordeloos and consulent of all the congregations, and it was decided that Rev. Van den Bosch is the pastor of Noordeloos and consulent of all the congregations,” in line with Article 9 from the minutes of June 5, 1860, [with] Art. 6 from the minutes of February 6, 1861, and [with] Art. 13 from the minutes of February 3, 1864. He [Rev. Van Leeuwen] also remarked that this shows that the congregation of Noordeloos (where, according to Article 8 of the minutes of October 5, 1859, Rev. Van den Bosch was the pastor) had temporarily ceased to function, and therefore Rev. Van den Bosch naturally moved with those members to the Zeeland congregation. And that, according to Article 13 of the minutes of February 3, 1864, the Noordeloos congregation had been recognized again as a separate congregation, so Rev. Van den Bosch, as its former pastor, naturally moved back with it and resumed his position as pastor of Noordeloos.
Art. 12 – This was brought up for discussion, and it became clear that the opinion of the brothers had changed, and it was generally acknowledged that Rev. Van den Bosch was pastor of Noordeloos and not Zeeland.
Art. 13 – Meanwhile, the minutes of the congregational meeting held in Zeeland on October 14, 1863, were presented, revealing a gap in Article 13 of the Classis meeting minutes of February 3, 1864: [namely] that it was noted that Noordeloos had been recognized again as a separate congregation, but that Article 6 of the aforementioned minutes, which states: “Asked by members of Zeeland whether Rev. Van den Bosch was not the pastor of Zeeland, and [it was] decided [that] he was the pastor of the two combined congregations Noordeloos and Zeeland,” had not been included. Since this article is decisive, the Classis could only rule that Rev. Van den Bosch was indeed the pastor of both combined congregations, Noordeloos and Zeeland.
Art. 14 – Rev. Van den Bosch declared his willingness to forget and forgive all past issues and to confess any guilt where applicable, and to work peacefully and lovingly with the brothers in Zeeland, as he had done before, as long as they also did the same, so that this troublesome dispute could be ended.
Art. 15 – A committee was appointed, consisting of Rev. W.H. van Leeuwen and Elders P. Heyboer, H. Dam, and H. Bouws, to go to Zeeland on the upcoming Friday, the 12th, in the afternoon, to hold a meeting and inform the consistory and congregation of the Classis’ decision, urging them to accept it, confess their wrongdoings, reconcile with Rev. Van den Bosch, and recognize him as their lawful pastor.
Art. 16 – A letter was received and read to the meeting from the members in [the City of] Holland, who were previously a ‘branch’ of the Graafschap congregation, expressing their desire for Elder Frederiks and member Nyssing to join them [in Holland], in order to more easily establish a separate congregation there, as these members actually belonged to the City of Holland. The Classis decided that they should join the nearest congregation, but that they could not be forced to do so and should be given freedom in their choice. The committee, appointed in Article 13 of the previous meeting’s minutes, will go there tomorrow afternoon at the request of the members in [City] Holland to further arrange these matters.
Art. 17 – The meeting then proceeded to discuss church matters. A member of the Graafschap congregation, named Hellenthal, raised complaints about the actions of the consistory in Graafschap regarding his person, including that they had unlawfully and unjustly denied him communion. The president asked the delegates from Graafschap to clarify the matter. Elder Bouws, also present, then read the minutes from their consistory meeting concerning Brother Hellenthal’s case, which made it clear to the meeting that the consistory had acted somewhat carelessly and [acknowledged] their guilt. However, it also appeared that Brother Hellenthal had not behaved appropriately, which led, on the proposal of Brother Dam, to both parties being urged by the president to forgive each other, forget what had happened, and live and work together in love and peace. The consistory was immediately willing to do so, but Hellenthal firmly refused, so the matter remained unresolved and was left to the further handling of the consistory of Graafschap.
Article 18 – It is reported by Brother Elder Dam of Friesland that in their congregation, there is a member named Jan Schepers, who has expressed a desire to be trained for the office of pastor and teacher. And since the said person is present here, the presiding elder asks him whether he can pursue this training at his own expense or whether it would be at the expense of the fund. Schepers replies that he could contribute at least 400 dollars for this purpose. The presiding elder then inquires whether anyone has any objections against the said person or his statement; it appears that no one has any objections. Therefore, it is decided that Schepers will give a brief proposal (a short sermon) at the next Classical Meeting, based on 1 Timothy 1:15, which has been assigned to him by the presiding elder, in order to observe whether he also possesses the gifts and abilities necessary for the pastoral ministry.
Article 19 – It is decided that the next Classical Meeting will be held, according to previous decisions, on the first Wednesday of October next, and it will take place in Zeeland, which is next in line. However, this is on the condition that by that time, the pending issue in that congregation has been resolved and everything settled. Otherwise, the Classical Meeting will be held in Grand Rapids, which will be communicated in advance by the Classical Correspondent to the respective congregations.
The meeting is then closed with the singing of Psalm 90, verse 9, and with a prayer of thanksgiving by Rev. K. van den Bosch.
W.H. van Leeuwen, V.D.M., – presiding elder P. Heyboer, secretary
Source:
Minutes of the Highest Assembly of the Christian Reformed Church, 1857-1880. Grand Rapids, 1937