De Gereformeerde Kerk te Loenen aan de Vecht (2)

Vacant (1924 tot 1929).

( < Naar deel 1 – Back to Part 1 ) – Na de bouw van de nieuwe kerk werd jaarlijks een rondgang door de kerkelijke gemeente gehouden om geld bijeen te brengen, want de financiële situatie was niet al te rooskleurig. Desondanks bleven er tekorten.

De eerste steen voor de nieuwe kerk werd op 26 april 1923 gelegd, en de kerk werd in 1924 in gebruik genomen.

Geen combinatie meer met Vreeland.

Dat na het vertrek van ds. Wolf jarenlang geen predikant aan de kerk(en) verbonden was, had natuurlijk ook een bijkomende positieve invloed op de financiële toestand, omdat immers geen traktement behoefte te worden uitbetaald. De oorzaak van de vacante periode moet ook gezocht worden in het feit dat de kerk van Vreeland meedeelde geen predikant meer samen met Loenen te willen beroepen. Bovendien was de wereld na de New Yorkse beurscrash van Wall Street in oktober 1929 terecht gekomen in een grote economische crisis die het zelfstandig beroepen van een predikant bemoeilijkte.

Kerkelijk leven.

De oude kerk van Loenen aan de Vecht bij de voormalige Leenderveensesluis (foto: ‘De Gereformeerde Kerk van Loenen aan de Vecht’).

Het oude kerkgebouw was overigens niet verkocht, maar in mei 1923 vroeg gemeentelid H.J. de Rooij het kerkje te mogen huren voor fl. 300 per jaar om er zijn wasserij in te vestigen. De kerkenraad ging daarmee akkoord.

In de vacante periode ging het kerkelijk leven natuurlijk gewoon door. Zo werd er gedoopt (al werd in de kerkenraad nogal eens gesproken over de vraag of kinderen van ongelovige ouders eigenlijk wel gedoopt mochten worden als er zgn. ‘doopgetuigen’ nodig waren, bijvoorbeeld de wel kerkelijk meelevende grootouders); ook het huisbezoek ging gewoon door. In 1922 werd daarover gerapporteerd dat gesproken moest worden ‘van een grote verscheidenheid van bevindingen en van de noden en gebreken in vele gezinnen, en ook van de noodzakelijkheid van voortdurende pastorale bearbeiding’.

De nieuwe kerk werd in 1924 in gebruik genomen.

In 1925 werd een commissie voor het beheer van het Schapenfonds opgericht. Het idee werd geboren door de financiële tekorten: de schapencommissie zou lammeren zo goedkoop mogelijk inkopen, ze bij gemeenteleden laten opgroeien en vetmesten, zodat ze na verloop van tijd met winst konden worden verkocht. Het liep goed. Vaak werd het geld gebruikt voor een extra aflossing van de schuld. Het fonds bleef tot ver na de Tweede Wereldoorlog bestaan.

De militairen.

In de kazerne van Nieuwersluis waren ook gereformeerde soldaten gelegerd. De kerkenraad werd door de legerpredikant gevraagd om de belangen van de militairen in de garnizoensplaatsen te behartigen. Daarvoor had ds. Wolf zich toen ingezet. Vanaf 1925 werd ook elke week een nummer van het kerkblad naar de kazerne gestuurd en verder werden in de legerplaats zo nu en dan kerkdiensten gehouden, waar gereformeerde en hervormde predikanten voorgingen.

Ds. Chr. Bruins (1870-1957).

Toen ds. Chr. Bruins (1870-1957) van Breukelen tijdens de Loenense vacaturetijd van 1924 tot 1929 deze kerkdiensten verzorgde, vond hij dat hij dit werk ook daarna diende te blijven doen; hij beriep zich op de aanstelling door de leger- en vlootpredikant. De kerkenraad bleef echter van oordeel dat de Loenense predikant recht op die geestelijke verzorging had. Uiteindelijk liep het geschil in 1930 uit op een gesprek met de hoofdlegerpredikant, de christelijke gereformeerde ds. H. Jansen. Afgesproken werd dat na het vertrek van ds. Bruins uit Breukelen de Loenense predikant het werk weer zou overnemen. Ds. G.H. Schuppert – opvolger van ds. Vesseur, over hen later meer – zou de geestelijke verzorging van de militairen toen op zich nemen.

Dr. J.G. Geelkerken (1926).

Dr. J.G. Geelkerken (1879-1960).

In 1926 werd de gereformeerde predikant van Amsterdam-Zuid, dr. J.G. Geelkerken (1879-1960), door de generale synode afgezet omdat hij niet zwart-op-wit wilde verklaren dat de bomen in het paradijs en de sprekende slang ‘zintuiglijk waarneembare realiteiten’ waren geweest. Hij liet dat namelijk in het midden. ‘Zijn voortdurend verzet tegen kerkelijke vergaderingen wier gezag hij (dr. Geelkerken] niet erkennen wilde’ leidde uiteindelijk tot zijn afzetting. Dr. Geelkerken en zijn medestanders richtten De Gereformeerde Kerken (in Hersteld Verband) op, die in 1946 met de hervormde kerk fuseerden.

Aan de kerk van Loenen gingen de problemen rond dr. Geelkerken vrijwel voorbij. Alleen gemeentelid P.J. van Maare had bezwaren tegen de beslissing van de synode.

Het orgel.

Een eenvoudig harmonium; zo’n instrument was ook in veel gereformeerde gezinnen aanwezig.

In het oude kerkgebouw werd de kerkzang begeleid door een eenvoudig harmonium. In 1918 werd een commissie benoemd om te proberen een beter orgel te krijgen. De kwaliteit van het orgeltje was ondertussen zo slecht geworden dat de Meisjesvereniging gevraagd werd of hun orgel tijdens de kerkdiensten gebruikt mocht worden. Dat vonden de meisjes vast een hele eer. In 1919 werd geadviseerd het orgel te laten opknappen voor ongeveer fl. 50. Hetgeen geschiedde. In het nieuwe kerkgebouw kwam echter een nieuw harmonium. De kosten werden betaald uit het inmiddels opgerichte orgelfonds (verrijkt door gaven in busjes bij de hoofdingang van de kerk).

Opzicht en tucht.

Zo nu en dan werden ouders er op gewezen dat hun kinderen naar de catechisatie behoorden te komen; werden gemeenteleden die in onmin met anderen leefden, vermaand de ruzie voor de viering van het avondmaal op te lossen; en moest de kerkenraad soms bemiddelen in een huwelijkscrisis van gemeenteleden.

In bijna elke kerkenraadsvergadering werd gesproken over leer en leven van bepaalde gemeenteleden, vaak naar aanleiding van de gedane huisbezoeken. Zo neigde een jongen tot overgang naar de hervormde gemeente; kwamen sommige kinderen niet naar de catechisaties; klaagde een jongen uit een behoeftig gezin over standsverschil tussen hem en de jongens op de catechisatie en de Jongelingsvereeniging; werd iemand vermaand vanwege zijn ‘slordige levenswandel’; bestond tussen enkele gezinnen onmin die natuurlijk moest worden opgelost voordat het avondmaal gevierd zou worden; heerste in een huwelijk ’een wanverhouding’, zodat de predikant gevraagd werd eens langs te komen; moest de kerkenraad sommige gemeenteleden die de kerkdiensten verzuimden waarschuwen dat de gemeenschap met de kerk verbroken zou kunnen worden; en…: waarom kwamen sommige gemeenteleden op de Dag des Heeren op de fiets naar de kerk?! Het maakte de vijf vacante jaren er niet korter op…

De Christelijke Gereformeerden.

In 1892 verenigden zich de Christelijke Gereformeerde Kerk, waarmee ds. H. de Cock (1801-1842) begon, en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken, waarvan dr. A. Kuyper (1837-1920) een van de centrale personen was, tot ‘De Gereformeerde Kerken in Nederland’.

In 1892 verenigden, zoals we al schreven, de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken (resp. afkomstig uit Afscheiding en Doleantie) zich tot De Gereformeerde Kerken in Nederland. Een klein deel van de vroegere Christelijke Gereformeerden had tegen die ‘Vereniging’ echter bezwaren. Ze moesten niet veel hebben van de leerstukken die dr. Abraham Kuyper (1837-1920) verdedigde, vooral die met betrekking tot de veronderstelde wedergeboorte’. Die ‘bezwaarden’ scheidden zich al meteen in 1892 van De Gereformeerde Kerken af en vormden samen – ‘om te blijven wat wij waren’ – de  ‘voortgezette’ Christelijke Gereformeerde Kerk.

In  1929 wilde gemeentelid en ouderling J.H. van Schaik zich van de Gereformeerde Kerk van Loenen afscheiden om zich bij de christelijke gereformeerden te voegen. De problemen dateerden al van 1921, toen de predikant op een zondag in zijn preek inging op die moeilijkheden die zich ook toen nog voordeden met de christelijke gereformeerden. Hij sprak over ‘het drijven van zekere zijde’, waardoor Van Schaik zich aangesproken voelde, omdat hij in die tijd ook al sympathie had voor de christelijke gereformeerden (de christelijke gereformeerde predikant ds. J. Jongeleen (1879-1961) van Maarssen was in die omgeving druk bezig voorlichting te geven over de kerkscheuring). Ouderling Van Schaik weigerde de gereformeerde predikant na de dienst de hand.

De christelijke gereformeerde ds. J. Jongeleen (1879-1961).

Daarover vergaderde de kerkenraad natuurlijk. Men maakte Van Schaik duidelijk dat “het optreden van [de christelijke gereformeerde] ds. Jongeleen geen ander gevolg kan hebben dan afbreuk van de bestaande Gereformeerde Kerk; het veroorzaakt scheuring onder broeders, en daarmee is diens optreden reeds veroordeeld”. Van Schaik was het er niet mee eens en ging in 1922 zelfs zover dat hij tijdens het huisbezoek de aanbeveling uitsprak ‘eens bij ds. Jongeleen van Maarssen’ te gaan luisteren.

Later sprak hij met de kerkenraad over dr. Kuypers leer van de ‘veronderstelde wedergeboorte’; hij verklaarde toen dat ‘wij wedergeboorte niet mogen veronderstellen, want daarvoor is eerst bekering nodig’. Van Schaik bezocht – zijn woord getrouw – regelmatig christelijke gereformeerde kerkdiensten, al leek hij in 1929 op de terugweg.

Ds. J. Vesseur (van 1929 tot 1935).

Ds. J. Vesseur (1859-1940).

De komst van emeritus-predikant ds. J. Vesseur (1859-1940) uit Numansdorp en Klaaswaal – hij was op zondag 6 oktober 1929 in het ambt van ouderling bevestigd – bracht de rust enigszins terug, al waren er tot teleurstelling van de predikant op de eerste gemeentevergadering slechts dertien leden aanwezig. De predikant maakte misschien mede daarom grote ernst met het brengen van huisbezoeken (ds. Vesseur woonde trouwens als eerste predikant in Huize ‘Nooitgedacht’ naast de kerk, die in 1929 als pastorie werd aangekocht).

Tijdens de gemeentevergadering van maart 1931 zei de predikant dat er in de gemeente ‘over het algemeen een zekere schuchterheid is in het belijden van het geloof. De opkomst onder de dienst des Woords is bevredigend, hoewel er treurige afwijkingen zijn. (…) Het leren van de catechisanten is niet best’.

De kerkenraad besloot in april 1930 tot het instellen van de Commissie van Beheer, die zich moest bezighouden met de financiën en met de toestand van de kerkelijke gebouwen. Al snel vond de Commissie dat de taken die hij diende uit te oefenen, vaak ongevraagd door de kerkenraad behandeld werden. Dat viel niet in goede aarde bij de commissieleden. De kerkenraad zou er rekening mee houden.

Het orgel werd ondertussen te vochtig. Geadviseerd werd een elektrisch droogapparaat in het orgel aan te brengen. Dat kostte fl. 17,50. Maar dan waren de elektriciteitskosten er niet bij inbegrepen. Het apparaat verbruikte namelijk evenveel stroom als ‘een lamp van vijftig kaarsen’.

De gereformeerde kerk en de vroegere pastorie, waarvan ds. Vesseur de eerste bewoner was.

In 1933 werd de Mannenvereniging dr. H. Bavinck opgericht. De vereniging stelde zich onder toezicht van de kerkenraad, zoals bij die verenigingen over het algemeen gewoonte was.

Evangelisatie.

In januari 1928 werd overlegd over de vraag of de kerk van Loenen zich ook zou moeten bezighouden met het evangelisatiewerk. Men vond eigenlijk dat dit werk thuishoorde bij de Kerk en niet bij een commissie, ook niet bij de zendingscommissie, die zich diende bezig te houden met de buitenlandse zending en niet met de zgn. ‘inwendige zending’, zoals de evangelisatie ook wel genoemd werd. Daarom werd contact opgenomen met de hervormde gemeente om het werk samen aan te pakken. Daarover horen we verder echter niets meer.  In 1943 kwam er toch een Evangelisatiecommissie.

Ds. Vesseur deelde in juni 1934 mee dat hij wegens zijn hoge leeftijd afscheid zou nemen om vervolgens in Soest te gaan wonen. In oktober 1934 nam hij daadwerkelijk afscheid.

Ds. G.H. Schuppert (van 1935 tot 1938).

Ds. G.H. Schuippert (1904-1938).

De financiële nood van de kerk was na het vertrek van ds. Vesseur nog even groot als voorheen. Daarom vroeg en kreeg de kerkenraad van een Deptuaatschap van de Generale Synode de toezegging van een financiële steun van fl. 4.500, die in tien jaar zou worden uitgekeerd. Daarmee werd het mogelijk kandidaat G.H. Schuppert (1904-1938) – hulppredikant in het Groningse Bedum – te beroepen, die het aannam en op 17 november 1935 intrede deed. Zijn aanvangstraktement was fl. 1.200 per jaar.

Het dienstverband van de predikant was niet lang van duur. Eind maart 1938 werd hij ziek en overleed enkele weken later op 22 april 1938. De kerkenraadsleden droegen zijn kist naar het graf.

De steen op het graf van ds. Schuppert.

Ds. A. Hordijk (van 1939 tot 1945).

Het jaartraktement van de predikant bedroeg bij de komst van kandidaat A. Hordijk (1912-1995) nog steeds fl. 1.200. Maar doordat het Depot van de politietroepen te Nieuwersluis in 1940 werd opgeheven verloor de predikant de fl. 250 voor zijn pastorale werk in het Depot. De kerkenraad besloot daarom een rondgang door de gemeente te houden om de inkomsten op peil te brengen.

Toen de Particuliere Synode in juni 1942 wees op het lage traktement van de predikant – dat voor een beginnend predikant toen fl. 2.000 diende te zijn – werden twee ambtsdragers aangewezen om de gemeenteleden aan te moedigen een bijdrage te geven. Dat lukte niet volledig, zodat uit de kas van classis en uit die van de particuliere synode een steun van in totaal fl. 500 werd verkregen. Daarmee kon het traktement op fl.1.700 worden gesteld.

Ds. A. Hordijk (1912-1995).

Het orgel.

Al jaren lang hadden de organisten naar een echt kerkorgel (in plaats van een harmonium) verlangd. Daarover werd voor het eerst gesproken begin oktober 1939. Men kon namelijk ‘een soliede orgel kopen, passend voor ons kerkgebouw’. De kosten van fl. 1.350 zouden door het orgelfonds betaald kunnen worden, maar de kerkenraad vroeg uiteraard de gemeenteleden om hun mening. Daar hadden sommigen bezwaren, omdat de tijden moeilijk waren. De economische crisisjaren ‘30 hadden duidelijk hun invloed gehad op de financiën van de kerk als geheel en van haar leden. De kerkenraad durfde het niet aan, ongetwijfeld tot teleurstelling van de organisten.

Maar in november 1940 verzocht de orgelcommissie aan de kerkenraad in contact te mogen treden met orgelfirma Leeflang, waar een orgel voor fl. 1.500 te koop was. Het oude harmonium zou nog fl. 100 opbrengen. In januari 1941 besloot men tot aankoop over te gaan. De prijs bleek echter intussen met ongeveer fl. 300 te zijn gestegen, waarop enkele gemeenteleden kleine leningen verstrekten om de koop alsnog mogelijk te maken. Op 19 oktober 1941 werd het nieuwe orgel in gebruik genomen!

Het orgel dat van 1941 tot 1989 in gebruik was (foto: ‘De Gereformeerde Kerk van Loenen aan de Vecht’).

En verder…

Tijdens de kerkenraadsvergadering van mei 1942 kwam ter sprake dat sommige ouderlingen gedurende de dienst zaten te slapen! ‘Alle kerkeraadsleden waren het er mee eens dat deze zondige gewoonte met kracht moet worden bestreden’.

De Tweede Wereldoorlog.

Het einde van de Tweede Wereldoorlog werd in Loenen aan de Vecht gekenmerkt door twee belangrijke gebeurtenissen. In het voorjaar van 1945 eisten de bezetters  dat de ophaalbrug tussen Loenen en Oud Over werd afgebroken. Pas lange jaren later werd deze brug herbouwd en verbreed. De tweede belangrijke gebeurtenis heeft betrekking op de Dorpskerk. Het middenschip en de kruisbeuken brandden op 11 juni 1945 volledig uit. Deze brand had trouwens verder niets met oorlogshandelingen te maken, maar de ramp was er niet minder om. De herbouw van de kerk heeft lang geduurd.

De Vrijmaking.

Ds. Hordijk ging in 1945 over naar de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt). Beslissingen van de generale synode over de leergeschillen, die al in de jaren ‘30 opnieuw opgeld deden, veroorzaakten in het hele land onrust bij veel gemeenteleden en predikanten. Uiteindelijk werd op een vergadering in Den Haag, op 11 augustus 1944, de kerkscheuring officieel, toen de vrijgemaakte leidsman, dr. K. Schilder (1890-1952) de Acte van Vrijmaking of Wederkeer voorlas en ondertekende, en velen zijn voorbeeld volgden.

Dr. K. Schilder (1890-1952).

In Loenen aan de Vecht speelden de problemen rond de synodebesluiten en later de schorsing en afzetting van dr. K. Schilder ook een grote rol. Veel kerkenraadsvergaderingen moesten worden gehouden om te trachten de kerk van Loenen aan de Vecht voor een kerkscheuring te behoeden. Ds. Hordijk was een van degenen die bezwaren had tegen de synodebesluiten en de schorsing van dr. Schilder, net als enkele kerkenraadsleden. De problemen waren dermate ernstig dat het avondmaal zelfs uitgesteld moest worden.

Na enige tijd schorste de Classis Breukelen ds. Hordijk, in verband met zijn bezwaren tegen de synodebesluiten. Ook tegen die schorsing waren in de kerkenraad bezwaren. Twee kerkenraadsleden (H. Griffioen en A. Brand) stemden voor de motie om de classicale schorsing van ds. Hordijk niet te erkennen. Ze verlieten toen de vergadering, samen met de predikant. Vervolgens deelden ook de kerkenraadsleden H. van den Bosch en P. Boddingius mee dat zij ’ten volle overtuigd zijn van de grote zonde van de synode’. Ook zij verlieten de vergadering. Er bleven nog drie kerkenraadsleden over: W. Griffioen, J. Groot jr. en I.J. Mulder. Van de gemeenteleden ging slechts een gering deel over naar de vrijgemaakte kerk. Hoe dan ook, de Gereformeerde Kerk van Loenen scheurde op 24 augustus 1945…

Naar deel 3 – To Part 3 >

© 2025. GereformeerdeKerken.info

Translation into English:

The ‘Gereformeerde’ Church of Loenen aan de Vecht (2).

Vacant (1924 to 1929).

( < Back to part 1 ) — After the construction of the new church, an annual collection round was held within the congregation to raise funds, as the financial situation was far from rosy. Despite these efforts, deficits remained.

No Longer Combined with Vreeland.

The fact that no minister was associated with the church(es) for many years after Rev. Wolf’s departure had a positive side effect on the financial situation, as there was no need to pay a salary. One reason for this vacancy period was that the church of Vreeland announced it no longer wanted to call a minister jointly with Loenen. Moreover, after the Wall Street stock market crash in New York in October 1929, the world entered a deep economic crisis, making it even harder to independently call a minister.

Church Life.

The old church building was not sold but was instead rented out in May 1923. Congregation member H.J. de Rooij asked to rent the church for ƒ300 per year to establish his laundry business there. The church council agreed.

Despite the vacancy, church life continued. Baptisms were conducted—though the council often debated whether children of unbelieving parents should be baptized if so-called “baptism witnesses” (such as actively believing grandparents) were needed. Home visits also continued. A 1922 report noted “a wide range of spiritual experiences and the needs and shortcomings in many families, as well as the necessity for ongoing pastoral work.”

In 1925, a committee was formed to manage the “sheep fund.” Due to financial deficits, this committee was tasked with buying lambs at the lowest possible price, raising and fattening them within the congregation, and then selling them at a profit. The initiative worked well. The money was often used to make extra debt repayments. The fund remained active well beyond World War II.

The Soldiers.

‘Gereformeerde’ soldiers were stationed in the barracks at Nieuwersluis. The military chaplain asked the church council to represent the interests of these soldiers in the garrison towns. Rev. Wolf had taken up this task. Starting in 1925, a copy of the church newsletter was sent to the barracks every week, and church services were occasionally held there, led by both ‘gereformeerde’ and ‘hervormde’ ministers.

During the vacancy from 1924 to 1929, Rev. Chr. Bruins (1870–1957) of Breukelen conducted these services and felt he should continue doing so even afterward. He claimed authority from the military and naval chaplaincy. However, the church council believed the future minister of Loenen had the right to provide spiritual care. The dispute eventually led to a meeting in 1930 with the head military chaplain, christian reformed Rev. H. Jansen. It was agreed that after Rev. Bruins left Breukelen, the Loenen minister would resume this responsibility. Rev. G.H. Schuppert—successor to Rev. Vesseur, more on them later—would take over spiritual care for the soldiers.

Dr. J.G. Geelkerken (1926).

In 1926, the ‘gereformeerde’ minister of Amsterdam-South, Dr. J.G. Geelkerken (1879–1960), was deposed by the General Synod because he refused to declare unequivocally that the trees in paradise and the talking serpent were “sensory perceptible realities.” He remained ambiguous. His “continued resistance to church assemblies, whose authority he [Dr. Geelkerken] would not recognize,” eventually led to his deposition. He and his followers founded The ‘Gereformeerde’ Churches (Restored Union), which later merged with the ‘Hervormde’ Church in 1946.

The church in Loenen was largely unaffected by the Geelkerken affair. Only one member, P.J. van Maare, expressed objections to the Synod’s decision.

The Organ.

In the old church, singing was accompanied by a simple harmonium. In 1918, a committee was appointed to try to obtain a better organ. The existing harmonium had deteriorated so badly that the Girls’ Association was asked if their organ could be used during services. In 1919, it was recommended that the organ be repaired at a cost of around ƒ50, which was done. A new harmonium was installed in the new church building, funded by a newly established organ fund (supplemented by donations in boxes at the church entrance).

Oversight and Discipline.

Parents were occasionally reminded that their children should attend catechism classes. Members who were in conflict with others were told to reconcile before participating in Holy Communion. The church council sometimes had to mediate in marital crises.

At nearly every council meeting, the beliefs and conduct of certain members were discussed, often in response to home visits. For example:

  • One young man was inclined to join the ‘Hervormde’ Church.

  • Some children were not attending catechism.

  • A boy from a poor family complained about class differences during catechism and boys’ club.

  • Someone was admonished for a “sloppy lifestyle.”

  • Conflicts between families needed resolution before Communion.

  • A marriage was described as “strained,” prompting a pastoral visit.

  • Members who neglected services were warned they could lose church membership.

  • And… why did some members ride their bikes to church?

These concerns certainly didn’t make the five years of vacancy feel any shorter…

The Christian Reformed.

In 1892, as previously noted, the Christian Reformed Church and the Nederduitsche Gereformeerde Kerken (from the Afscheiding and Doleantie movements) merged to form the ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands. A small group of former Christian Reformed members opposed the merger, particularly disliking Dr. Abraham Kuyper’s (1837–1920) theology, especially his doctrine of “presumed regeneration.” This dissenting group immediately separated in 1892 and formed the continued‘ Christian Reformed Church, declaring they wanted to “remain what we were.”

In 1929, elder J.H. van Schaik wanted to leave the ‘Gereformeerde’ Church of Loenen to join the Christian Reformed. The issues dated back to 1921, when the minister addressed such tensions in a sermon, speaking of “certain influences,” which Van Schaik took personally, as he already sympathized with the Christian Reformed at that time (christian reformed minister Rev. J. Jongeleen of Maarssen was actively promoting separation in the region). Elder Van Schaik refused to shake the minister’s hand after the service.

The church council discussed the matter, informing Van Schaik that “Rev. Jongeleen’s actions can only harm the existing ‘Gereformeerde’ Church; they cause division among brothers and are therefore already condemned.” Van Schaik disagreed and, in 1922, even suggested during a home visit that people should “go hear Rev. Jongeleen of Maarssen.”

Later, he argued with the council about Kuyper’s doctrine of presumed regeneration, saying, “We may not presume regeneration, because conversion is necessary for it.” Van Schaik regularly attended Christian Reformed services, though by 1929 he seemed to be returning.

Rev. J. Vesseur (1929 to 1935).

The arrival of retired minister Rev. J. Vesseur (1859–1940) from Numansdorp and Klaaswaal—installed as elder on Sunday, October 6, 1929—brought some calm. Still, only thirteen members attended his first congregational meeting, much to his disappointment. Perhaps for this reason, he took home visits very seriously. He was the first minister to live in the newly acquired parsonage, “Nooitgedacht,” next to the church.

At the March 1931 congregational meeting, he remarked: “In general, there is a certain shyness in professing faith. Church attendance is satisfactory, though there are sadly some who stray. (…) The catechism students’ learning is poor.”

In April 1930, the church council established a Financial Committee to manage church finances and property. But the committee soon complained that the council kept interfering with its duties. The council promised to respect its boundaries.

The organ was getting damp. It was advised to install an electric drying device inside the organ, costing ƒ17.50—excluding electricity, which would match a 50-candle lamp.

In 1933, the Men’s Association Dr. H. Bavinck was founded and placed under church council supervision, as was customary.

Evangelism.

In January 1928, it was discussed whether Loenen should engage in evangelism. It was felt that this belonged to the Church itself, not a separate committee—not even the missions committee, which was supposed to focus on foreign missions rather than domestic (or “inner”) missions. Contact was made with the ‘Hervormde’ church to cooperate, but nothing more is heard about it. In 1943, however, an evangelism committee was formed.

Rev. Vesseur announced in June 1934 that he would retire due to age and move to Soest. He officially stepped down in October 1934.

Rev. G.H. Schuppert (from 1935 to 1938).

The financial distress of the church remained as severe after the departure of Rev. Vesseur as it had been before. Therefore, the church council requested and received a promise of financial support from a Deputation of the General Synod amounting to 4,500 guilders, to be paid out over ten years. This made it possible to call candidate G.H. Schuppert (1904–1938) – assistant minister in Bedum, Groningen – who accepted and was inaugurated on November 17, 1935. His initial salary was 1,200 guilders per year.

The minister’s term of service was short. At the end of March 1938, he fell ill and passed away a few weeks later, on April 22, 1938. The church council members carried his coffin to the grave.

Rev. A. Hordijk (from 1939 to 1945).

The annual salary for the minister remained at 1,200 guilders when candidate A. Hordijk (1912–1995) arrived. However, in 1940, the closure of the Police Troops Depot in Nieuwersluis meant the minister lost an additional 250 guilders he had been receiving for his pastoral work there. The church council therefore decided to conduct a fundraising round in the congregation to keep income levels stable.

When the Particular Synod pointed out in June 1942 that the minister’s salary was too low – it should have been 2,000 guilders for a starting minister – two office bearers were appointed to encourage church members to contribute. The effort was not entirely successful, so financial aid totaling 500 guilders was received from the classis and the particular synod. This allowed the salary to be raised to 1,700 guilders.

The Organ.

For years, the organists had longed for a real church organ (instead of a harmonium). This was first discussed in early October 1939. At the time, it was possible to buy “a solid organ, suitable for our church building.” The cost of 1,350 guilders could be covered by the organ fund, but the church council understandably sought the opinion of the congregation. Some objected, citing the difficult times. The economic crisis of the 1930s had clearly impacted the church’s and its members’ finances. The council did not dare proceed, no doubt to the disappointment of the organists.

However, in November 1940, the organ committee requested permission from the church council to contact the Leeflang organ company, where an organ was available for 1,500 guilders. The old harmonium would still fetch around 100 guilders. In January 1941, the decision was made to purchase the organ. However, the price had meanwhile increased by about 300 guilders. Several church members provided small loans to make the purchase possible. On October 19, 1941, the new organ was officially put into use!

And furthermore…

At the church council meeting in May 1942, it was noted that some elders were falling asleep during the service! “All church council members agreed that this sinful habit must be forcefully addressed.”

In 1943, an evangelism committee was established.

The Church ‘Liberation’ (De Vrijmaking).

In 1945, Rev. Hordijk joined the ‘Gereformeerde’ Churches (‘Liberated’). Decisions made by the General Synod concerning doctrinal disputes – which had resurfaced as early as the 1930s – caused unrest throughout the country among many church members and ministers. Eventually, at a meeting in The Hague on August 11, 1944, the church split became official when the ‘Liberated’ leader Dr. K. Schilder (1890–1952) read and signed the “Act of Liberation or Return,” followed by many others.

In Loenen aan de Vecht, the issues surrounding the synod decisions and later the suspension and dismissal of Dr. K. Schilder also played a major role. Many church council meetings had to be held in an effort to prevent a church split in Loenen aan de Vecht. Rev. Hordijk was one of those who opposed the synod’s decisions and the suspension of Dr. Schilder, as did some council members. The issues were so serious that the celebration of the Lord’s Supper had to be postponed.

After some time, the Classis Breukelen suspended Rev. Hordijk because of his objections to the synod’s decisions. The church council also objected to this suspension. Two council members (H. Griffioen and A. Brand) voted in favor of a motion not to recognize the classis’ suspension of Rev. Hordijk. They then left the meeting along with the minister. Subsequently, council members H. van den Bosch and P. Boddingius also declared that they were “fully convinced of the great sin of the synod.” They too left the meeting.

Only three council members remained: W. Griffioen, J. Groot Jr., and I.J. Mulder. Only a small portion of the congregation joined the ‘Liberated’ Church. Nevertheless, the ‘Gereformeerde’ Church of Loenen officially split on August 24, 1945…

To Part 3 >