Ds. C.A. Renier (1844-1899) – Deel 1

Op 4 februari 1844 werd in het Zeeuwse ‘s-Gravenpolder Cornelis Adriaan Renier geboren. Hij zou in 1886 als hervormd predikant voor de Doleantie kiezen.

Ds. C.A. Renier (1844-1899).

Studie.

Renier wilde als jonge jongen trouwens al hervormd predikant worden, en dan het liefst vooral in de Zending, om zo gevolg te geven aan de oproep ‘Verkondig het Evangelie aan alle volkeren’. Zijn wens om predikant te worden was echter vooralsnog ijdel, omdat zijn vader, ds. Jacob Renier (1811-1879) – van 1836 tot 1876 hervormd predikant in ‘s-Gravenpolder – met zijn grote gezin financieel gezien niet in staat was hem naar het gymnasium te sturen. Er bleef toen alleen nog de mogelijkheid over om als voorbereiding voor de predikantstudie te worden opgeleid door een paar bevriende  hervormde predikanten uit de omgeving.

Deze voorbereidende studie was in zoverre succesvol, dat hij op 1 oktober 1861 aan zijn echte theologische studie kon beginnen. Niet aan de Universiteit van Utrecht, waar veel predikanten uit orthodoxe gezinnen theologie studeerden, maar aan de Universiteit van Leiden, waar ook zijn vader was opgeleid. Omdat de jonge Renier zich verdiepte in de theologie van de ‘oudvaders’, zeer orthodoxe predikanten uit lang vervlogen tijden, zoals ds. Wilhelmus à Brakel (1635-1711) en ds. Bernardus Smijtegelt (1665-1739), kon hij weerstand bieden tegen de over het algemeen modernistische (‘vrijzinnige’) theologie aan die Universiteit.

Wilhelmus à Brakel (1635-1711) en Bernardus Smijtegelt (1665-1739).

Predikant in Buren.

In april 1868 werd hij beroepbaar verklaard als hervormd predikant en werd direct al een groot aantal beroepen op hem uitgebracht. “Dat was niet te verwonderen, omdat het aantal predikers dat destijds in de Nederlandse Hervormde Kerk opkwam voor de gereformeerde belijdenis niet bijster groot was”.  Het beroep van de hervormde gemeente in het Gelderse Buren nam hij aan, waar hij op 29 november 1868 intrede deed. Daar niet ver vandaan lag het dorp Beesd, waar nauwelijks een jaar eerder, op 3 november 1867, de later bekende predikant dr. A. Kuyper (1837-1920) afscheid genomen had en vertrokken was naar de hervormde gemeente van Utrecht.

De hervormde Lambertuskerk te Buren (Gld.).

De ‘Beheerskwestie’.

Ds. Renier bleef slechts kort in zijn eerste gemeente, want op 8 januari 1872 nam hij het beroep aan van de hervormde gemeente te Bergschenhoek. Daar bleef hij nog geen drie jaar. Maar in die tijd baarde hij opzien door een drietal artikelen in (de laatste jaargang van) het Tijdschrift De Vereeniging, Christelijke Stemmen, waarvan ds. O.G. Heldring (1804-1876) hoofdredacteur was. Zijn verhaal handelde over de zgn. ‘Beheerskwestie’ in de hervormde kerk van die dagen, onder de titel: ‘De Synode en het beheer der kerkelijke goederen’. Daarbij ging het om de vraag wie er zeggenschap had over het bestuur en het bezit van de kerkelijke goederen en instellingen: de plaatselijke gemeenteleden of het landelijke kerkbestuur (de zgn. ‘Algemeene Synode’).

Dr. O.G. Heldring (1804-1876).

Onder invloed van Koning Willem I was in 1816 het ‘Algemeen Reglement voor het Bestuur van de Hervormde Kerk’ ingevoerd, en werd de tot dan toe geldende Dordtse Kerkorde aan de kant geschoven. De overheid kreeg door het Reglement veel invloed op de organisatie en de eigendommen van de plaatselijke gemeenten. Het kerkelijk bestuur werd gecentraliseerd. Daar was lang niet iedereen het mee eens: aan de ene kant stonden degenen die vonden dat de plaatselijke gemeenten zelfbeschikking moesten hebben over hun kerkelijke goederen (zoals de gebouwen en het geld); aan de andere kant stond het landelijk kerkbestuur, dat via de synode steeds meer invloed wilde hebben op het plaatselijk kerkelijk leven en het beheer van de kerkelijke goederen.

In het Tijdschrift ‘Vereeniging Christelijke Stemmen’ publiceerde ds. Renier een drietal artikelen over de Beheerskwestie.

Het ging niet alleen om het geld of de gebouwen, maar vooral ook om de vrijheid van geloofsuitoefening en identiteit van de plaatselijke gemeenten. Veel orthodoxe hervormden voelden zich niet vertegenwoordigd door de synode en zelfs niet door hun eigen kerkenraad en wilden hun gemeente kunnen besturen overeenkomstig hun geloofsovertuiging. Deze kwestie was een belangrijke oorzaak van onrust en uiteindelijk van kerkscheuringen in de Hervormde Kerk van de negentiende eeuw.

In zijn artikelenreeks in de ‘Christelijke Stemmen’ maakte ds. Renier duidelijk dat het gereformeerde beginsel van plaatselijke kerkelijke zelfstandigheid de enig mogelijke oplossing was van de Beheerskwestie die zoveel onrust veroorzaakte. Met de artikelenserie stelde hij zich in dit opzicht dus tegenover de kerkelijke besturen.

Predikant in Utrecht.

De Domkerk in Utrecht. In 1674 vernielde een zware storm het middenstuk van de kerk. vandaar dat de toren nu los van de kerk staat.

Op 31 oktober 1875 nam ds. Renier afscheid van de gemeente van Bergschenhoek, omdat hij het op hem uitgebrachte beroep van de Hervormde Gemeente te Utrecht had aangenomen; hij deed daar op 7 november 1875 intrede. Ook in Utrecht werd hij geconfronteerd met het werk van dr. Kuyper, die er van 1867 tot 1870 hervormd predikant was geweest en die daar dus vijf jaar eerder afscheid genomen had en toen naar Amsterdam vertrokken was.

Van belang is het te weten, dat Kuyper in 1867 in Utrecht een brochure geschreven had over de vraag: ‘Wat moeten wij doen: de kerkenraad machtigen of het stemrecht aan ons zelven houden?’ Hij reageerde daarmee op de vraag of het Kiescollege dan wel de kerkenraad de ambtsdragers zou moeten benoemen. Daarin kwam hij onder meer tot de conclusie: ‘Het stemrecht [om ambtsdragers te kiezen] blijft een recht en plicht van de [kerkelijke] gemeente en mag niet zonder noodzaak worden opgegeven’ en hij waarschuwde: ‘De macht die men uit handen geeft, keert zelden tot haar rechtmatige bezitters terug’. De gemeenteleden hadden volgens ds. Renier ook in dit opzicht de plicht zich actief op te stellen in de gemeente.

Het boekje over het stemrecht in de kerk, van de hand van dr. A. Kuyper.

In 1868 schreef Kuyper, ook in Utrecht, de brochure: ‘Kerkvisitatie te Utrecht’. Daarin kwam Kuyper met betrekking tot de kerkvisitatie tot het volgende oordeel: ‘Als de kerk haar wezen wil behouden, moet zij niet meer genoegen nemen met halfslachtig toezicht en vaag geformuleerde procedures — kerkvisitatie moet terug naar haar oorspronkelijke bedoeling: bewaking van leer en belijdenis, met open kaart en met principiële trouw’.

Predikant in Amsterdam.

Ds. Renier nam op 23 juni 1878 afscheid van de hervormde gemeente van Utrecht. Hij had namelijk het op hem uitgebrachte beroep van de gemeente van Amsterdam aangenomen. Ook daar ontmoette hij dr. Kuyper, die in 1880 hoogleraar aan ‘zijn’ Vrije Universiteit werd en in 1882 benoemd tevens werd tot ouderling in de Amsterdamse hervormde gemeente.

Dr. Kuyper was in Amsterdam verder gegaan met zijn strijd voor kerkherstel. Zijn streven was de afschaffing van het Algemeen Reglement voor het Bestuur van de Hervormde Kerk en de wederinvoering van de Dordtse Kerkorde, waarin de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeente een legitieme plaats had en trouw aan de belijdenis gehandhaafd werd. Ook wilde hij het beheer van de kerkelijke goederen aan de plaatselijke kerk geven en niet laten regelen door de ‘hogere’ kerkelijke besturen (classis, provinciale vergadering en Algemene Synode).

Dr. A. Kuyper (1837-1920) als jong predikant.

Het Kiescollege.

Een van de strijdpunten was het verkiezen van ambtsdragers (waarover we het hierboven al hadden). De vraag was: moet de kerkenraad daarover beslissen door zelf nieuwe kerkenraadsleden te kiezen, of moesten de gemeenteleden daar over meebeslissen?

Daarbij ging het ook over de vraag of het zgn. Kiescollege moest worden afgeschaft. Het Kiescollege werd in de hervormde kerk in maart 1867 definitief ingesteld.

Dat zat als volgt: in het Algemeen Reglement voor het Bestuur van de Hervormde Kerk stond daarover toen dat het recht van de gemeente tot benoeming van ouderlingen en diakenen en het beroepen van predikanten in handen lag van de stemgerechtigde leden. De kerkenraad moest de stemgerechtigde leden om de tien jaar laten beslissen over de vraag, of de kerkenraad dat recht zou uitoefenen of dat de gemeenteleden de kerkenraad machtigden om dat te doen. In gemeenten van meer dan 100 stemgerechtigde leden moest het benoemen van ambtsdragers gebeuren door een Kiescollege, bestaande uit de leden van de kerkenraad en uit tweemaal zoveel gemachtigden, die benoemd werden door en uit de gemeenteleden.

In 1881 moest de gemeente weer stemmen over de vraag of de kerkenraad dan wel het Kiescollege het recht van benoeming diende te hebben. Kuyper was daarover, zoals we zagen, in zijn brochure ‘Wat moeten wij doen?‘  duidelijk geweest, en ook ds. Renier voegde zich aan de zijde van Kuyper. De overige Amsterdamse predikanten níet! Zij adviseerden de gemeenteleden om het Kiescollege af te schaffen, waarmee de kerkenraad zichzelf dan weer kon aanvullen en de gemeenteleden buiten spel gezet werden.

Een andere foto van ds. C.A. Renier (1844-1899).

Ds. Renier was dus de enige predikant die zich daartegen verzette. Hij begreep heel goed wat de reden van het advies van de predikanten was: de invloed van de gemeenteleden minimaliseren. Ds. Renier kwam daarmee in het college van predikanten dus alleen te staan, maar het verhinderde hem niet desondanks standvastig te blijven.

Het gebeurde in die tijd vaak dat in een orthodoxe gemeente de kerkenraad vrijzinnig (‘modern’) van karakter was. De kerkenraadsleden behoorden vaak tot de ‘hogere standen’, en die waren vaker ‘modern’. Daardoor zou een orthodoxe gemeente bestuurd worden en blijven door een vrijzinnige kerkenraad. Door het stemrecht aan het Kiescollege over te laten zou dat voorkomen kunnen worden (daarin waren immers ook de gemeenteleden vertegenwoordigd), al vonden velen dat er ook grote bezwaren kleefden aan de figuur van een Kiescollege.

De Doleantie.

Een ander probleem in de hervormde kerk vormde in die tijd de Attestenkwestie. Zo ontstond in de hervormde gemeente van Amsterdam in 1885 een conflict tussen de kerkenraad en de synodale besturen over de afgifte van attesten (attestaties) ten behoeve van vrijzinnige (‘moderne’) catechisanten in Amsterdam, die door de orthodoxe kerkenraad in Amsterdam niet, maar door een ‘moderne’ kerkenraad elders wél als lid van de kerk werden aangenomen. De kerkenraad van Amsterdam eiste namelijk van de catechisanten die belijdenis wilden doen, dat ze zouden instemmen met de geloofsbelijdenis van de kerk. ‘Moderne’ belijdeniscatechisanten konden die vraag niet met ‘ja’ beantwoorden, maar een ‘moderne’ kerkenraad buiten Amsterdam zou hen zonder problemen de belijdenisattestatie overhandigen. Ze dienden dan in Amsterdam toch als leden te worden aangenomen. Tegen de wil van de kerkenraad.

Geschorst…

In dit boekje legde dr. A. Kuyper (1837-1920) uit hoe de Doleantie in Amsterdam tot stand gekomen was.

Op 14 december 1885 stemden tachtig Amsterdamse kerkenraadsleden voor een nieuwe ‘Beheersregeling’. Deze had betrekking op het beheer van de goederen en financiën van de plaatselijke kerkelijke gemeente. In het bijzonder ging het om de verhouding tussen de plaatselijke kerkenraad en het centrale (classicale of landelijke) bestuur binnen de Nederlandse Hervormde Kerk.

Tot dan toe claimde de landelijke kerkelijke organisatie — het Algemeene Synode van de Hervormde Kerk — zoals we hierboven al zagen – steeds meer macht over de plaatselijke gemeenten, ook over hun bezit en beheer. De nieuwe Beheersregeling, door de Amsterdamse kerkenraad opgesteld, waar die tachtig Amsterdamse kerkenraadsleden op 14 december 1885 vóór stemden, was een poging om het beheer van goederen en financiën weer terug te brengen naar de plaatselijke kerkenraad, oftewel: lokale autonomie.

Deze regeling was dus in strijd met de officiële regels in de Nederlandse Hervormde Kerk, waarin de kerkelijke hiërarchie (de classicale en de landelijke besturen) de controle over beheer en organisatie had. Door vóór deze regeling te stemmen, gingen de kerkenraadsleden bewust in tegen het kerkelijk gezag. Daarom werden zij op 4 januari 1886 door het classicaal bestuur geschorst.

Naar deel 2 >

© 2025. GereformeerdeKerken.info

Translation into English:

Rev. C.A. Renier (1844–1899) – Part 1.

On February 4, 1844, Cornelis Adriaan Renier was born in the Zeeland village of ’s-Gravenpolder. In 1886 he would choose to side with the Doleantie movement as a ‘gereformeerde’ minister.

Studies.

As a young boy, Renier already wanted to become a minister—preferably as a missionary—to answer the call to “Proclaim the Gospel to all nations.” His wish, however, initially seemed in vain, because his father, Rev. Jacob Renier (1811–1879), who served as the ‘hervormde’ minister in ’s-Gravenpolder from 1836 to 1876, could not afford to send him to a grammar school, having a large family to support.

The only remaining option was for Renier to prepare for theological study under the guidance of a few friendly ministers from the area. This preparatory training proved successful enough that, on October 1, 1861, he could begin his theological studies—not at Utrecht University, where many ministers from orthodox backgrounds studied theology, but at Leiden University, where his father had also been educated.

Because the young Renier immersed himself in the theology of the “old fathers,” the deeply orthodox ministers of earlier centuries such as Rev. Wilhelmus à Brakel (1635–1711) and Rev. Bernardus Smijtegelt (1665–1739), he was able to withstand the generally modernist theology that dominated the university at that time.

Minister in Buren.

In April 1868 he was declared eligible for a pastoral call, and a large number of calls soon followed. “That was not surprising, since the number of preachers in the ‘Hervormde’ Church who at that time upheld the ‘gereformeerde’ confession was not particularly large.”

He accepted the call from the ‘Hervormde’ congregation of Buren in Gelderland, where he was installed on November 29, 1868. Not far from there lay the village of Beesd, where, scarcely a year earlier on November 3, 1867, the later-famous Rev. Dr. Abraham Kuyper (1837–1920) had said farewell before departing to the Reformed congregation of Utrecht.

The “Administration Question”.

Rev. Renier remained only a short time in his first congregation, for on January 8, 1872, he accepted a call to the ‘Hervormde’ congregation of Bergschenhoek. There he stayed for not quite three years. During that time, however, he drew attention with a series of three articles in the final volume of the journal De Vereeniging, Christelijke Stemmen (“The Association, Christian Voices”), whose editor-in-chief was Rev. O.G. Heldring (1804–1876).

The articles dealt with the so-called “administration question” (beheerskwestie) in the ‘Hervormde’ Church of that day, under the title The Synod and the Management of Church Property. The issue concerned who had authority over the governance and ownership of church property and institutions: the local congregation members or the national church administration (the so-called “General Synod”).

Under the influence of King William I, the General Regulation for the Government of the ‘Hervormde’ Church had been introduced in 1816, replacing the previously valid Church Order of Dordrecht. Through this Regulation, the government gained much influence over the organization and property of local congregations, and church governance became centralized.

On one side stood those who believed that local congregations should have autonomy over their church property (such as buildings and funds); on the other stood the national church administration, which—through the Synod—sought ever greater control over local church life and finances.

The issue concerned not merely money or buildings but above all the freedom of religious practice and the identity of the local congregations. Many orthodox ‘hervormde’ members felt unrepresented by the Synod and wanted to govern their congregations according to their own faith convictions. This question became a major cause of unrest and, ultimately, of schisms within the 19th-century ‘Hervormde’ Church.

In his Christelijke Stemmen article series, Rev. Renier made it clear that the ‘ gereformeerde’ principle of local church independence was the only possible solution to the administration question that was causing so much unrest. By doing so, he openly opposed the church’s governing bodies.

Minister in Utrecht.

On October 31, 1875, Rev. Renier bade farewell to the congregation of Bergschenhoek, having accepted a call from the ‘Hervormde’ Church of Utrecht; he was installed there on November 7, 1875. In Utrecht too, he was confronted with the legacy of Dr. Kuyper, who had served there as ‘hervormde’ minister from 1867 to 1870 before leaving five years earlier for Amsterdam.

In 1867, Kuyper had written in Utrecht a pamphlet addressing the question, “What must we do: authorize the church council, or keep the right to vote ourselves?” He responded to the issue of whether the electoral college or the church council should appoint officebearers. Kuyper concluded, among other things, that “The right to vote [for officebearers] remains a right and duty of the congregation and may not be relinquished without necessity,” warning that “Power once surrendered seldom returns to its rightful owners.”

According to Rev. Renier, church members likewise had the duty to take an active role in congregational life.

In 1868, Kuyper also wrote in Utrecht the pamphlet Church Visitation in Utrecht. In it, he argued that if the church wanted to preserve its true nature, it must no longer be content with half-hearted supervision and vaguely formulated procedures—church visitation had to return to its original purpose: guarding doctrine and confession, openly and faithfully.

Minister in Amsterdam.

On June 23, 1878, Rev. Renier said farewell to the ‘Hervormde’ congregation of Utrecht, having accepted a call from the congregation of Amsterdam. There again he met Dr. Kuyper, who in 1880 became professor at “his” Free University and in 1882 was also appointed elder in the Amsterdam ‘Hervormde’ congregation.

Dr. Kuyper continued in Amsterdam his struggle for Church Restoration. His goal was to abolish the General Regulation for the Government of the ‘Hervormde’ Church and to reinstate the Church Order of Dordrecht, which recognized the autonomy of local churches and upheld fidelity to the confessions. He also wanted church property to be managed by the local church itself, not by the “higher” ecclesiastical bodies (classis, provincial assembly, and General Synod).

The ‘Electoral College’.

Another point of contention was the election of officebearers (as mentioned above). The question was whether the church council should decide by choosing its own members, or whether the congregation should have a say. This involved the issue of whether the so-called Electoral College (Kiescollege) should be abolished.

The Electoral College was officially established in the ‘Hervormde’ Church in March 1867. The General Regulation for the Government of the ‘Hervormde’ Church stated that the right of the congregation to appoint elders and deacons and to call ministers lay with the qualified voting members. Every ten years, the church council had to let these voting members decide whether they wished to exercise that right themselves or authorize the council to do so on their behalf.

In congregations with more than 100 voting members, the appointment of officebearers was to be carried out by an Electoral College consisting of the members of the church council plus twice as many delegates appointed by and from the congregation.

In 1881, the congregation again had to vote on whether the church council or the Electoral College should have the right of appointment. As we have seen, Kuyper had made his position clear in his pamphlet What Must We Do?, and Rev. Renier sided with him. The other Amsterdam ministers did not—they advised the congregation to abolish the Electoral College, which would allow the church council to fill its own vacancies and exclude the congregation from participation.

Thus, Rev. Renier was the only minister who opposed this move. He well understood the motive behind the others’ advice: to restrict and minimize the influence of the congregation members. Though isolated among his ministerial colleagues, he remained steadfast.

At that time, it often happened that an orthodox congregation was governed by a liberal (“modernist”) church council. Council members were often from the “higher classes,” who tended to be more modernist. As a result, an orthodox congregation might remain under liberal leadership. Allowing the Electoral College to retain voting rights could prevent this, though many also saw serious drawbacks in the Electoral College system.

The Doleantie.

Another problem within the ‘Hervormde’ Church of that era was the attestation question. In 1885, a conflict arose in the Amsterdam ‘Hervormde’ congregation between the church council and the synodical authorities over the issuing of attestations for liberal (“modern”) catechumens in Amsterdam. The orthodox church council of Amsterdam refused to issue attestations to them, but a “modern” church council elsewhere would admit them as members.

The Amsterdam church council required catechumens who wished to make public profession of faith to affirm agreement with the church’s confessions. “Modern” catechumens could not answer “yes” to that question, yet a “modern” council outside Amsterdam would grant them a profession-of-faith attestation, obliging the Amsterdam council to accept them as members.

Suspended…

On December 14, 1885, eighty Amsterdam church council members voted for a new Administrative Regulation. This concerned the management of the property and finances of the local congregation—specifically, the relationship between the local church council and the central (classical or national) authorities of the ‘Hervormde’ Church.

Up to that point, the national church organization—the General Synod of the ‘Hervormde’ Church—had, as noted above, claimed ever greater control over the local congregations, including their assets and administration. The new regulation, which those eighty Amsterdam council members approved on December 14, 1885, was an attempt to restore control over property and finances to the local church council—that is, to re-establish local autonomy.

This regulation was therefore contrary to the official rules of the ‘Hervormde’ Church, in which the ecclesiastical hierarchy (classical and national boards) held authority over management and organization. By voting in favor of this regulation, the council members deliberately defied church authority.

As a result, on January 4, 1886, they were suspended by the classical board.

To Part 2 >