Ds. C.A. Renier (1844-1899) – Deel 2

Ds. Renier niet geschorst.

( < Naar deel 1 –  Back to Part 1 ) Ds. Renier werd echter niet geschorst, om de eenvoudige reden dat hij de bewuste kerkenraadsvergadering van 14 december 1885 toevallig niet had kunnen bijwonen.

Een van de twee bekendste foto’s van ds. C.A. Renier (1844-1899).

De predikant betreurde het zeer dat hij aan de beslissing van die kerkstrijd niet had kunnen deelnemen, en hij, voor wat de schorsing betreft, buiten schot gebleven was.

Op de eerste godsdienstoefening na de schorsing van de Amsterdamse ambtsdragers moest ds. Renier voorgaan in de (hervormde) Noorderkerk. Dat was op woensdag 6 januari 1886. De kerk was stampvol. Iedereen wilde ds. Renier beluisteren: men wilde vernemen wat deze toevallig niet geschorste predikant te zeggen had. De eerste psalm die hij opgaf was psalm 68 vers 8:  het ging over de strijd van Bazan (waarmee de kerkelijke besturen bedoeld werden) tegen Sion.  En de tekst voor zijn preek was uit Handelingen 12 de verzen 1 tot 5: handelend over Herodes, die de christelijke gemeente vervolgde.

Ds. Renier preekte ook in de Noorderkerk te Amsterdam.

In ‘de lokalen’…

De geschorste predikanten hadden voor het houden van kerkdiensten uiteraard geen toegang meer tot de hervormde kerkgebouwen. Dat was dan ook de reden dat zij vergaderden ‘in de lokalen’, zoals dat genoemd werd. Talloze hervormden waren de geschorste kerkenraadsleden gevolgd en bezochten de diensten waarin zij voorgingen. ‘In de kerkgebouwen was het daarentegen treurig leeg’. Er was één uitzondering: de Eilandskerk zat tot de nok toe vol, want daar preekte ds. Renier. En als om te tonen dat hij zich geheel achter de geschorste predikanten stelde, preekte hij ‘s avonds in het lokaal ‘De Vrede’, waar hij een Bijbellezing hield.

De Nieuwezijds Kapel te Amsterdam.

Hij preekte echter ook daarna nog in hervormde kerkgebouwen: op 24 januari 1886 leidde hij de dienst in de Nieuwezijdskapel. Ook daar bad hij voor ‘het volk dat in de spelonk van Adullam’ vergaderde (de geschorste predikanten en de gemeenteleden die hen volgden naar ‘de lokalen’). Hij preekte er over Klaagliederen 5 vers 21: ‘Heere, bekeer ons tot U, zoo zullen wij bekeerd zijn’. Eén van de gezongen liederen was psalm 106 vers 4: ’Wij hebben God op ’t hoogst misdaan; wij zijn van ’t heilspoor afgegaan’. Terzijde van de kansel, waar ds. Renier de dienst leidde, zaten de ‘synodale ouderlingen’, die zich achter de kerkelijke besturen stelden. Ze waren ‘woedend’, en noemden hetgeen in deze predicatie besproken werd, ‘opruiende taal’.

Dat de taal van ds. Renier het tegendeel van opruiend was, bleek onder meer uit zijn ‘Brief aan het [hervormd] Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Holland’, die hij schreef in samenwerking met enkele niet geschorste ouderlingen (we komen er straks nader op terug).

De periode tussen de schorsing van de Dolerende ambtsdragers en 16 december 1886 – de dag dat de Nederduitsche Gereformeerde kerk (doleerende) te Amsterdam geïnstitueerd werd – was voor ds. Renier een moeilijke tijd. Wel hervormd, maar desondanks eensgezind met de geschorsten, maar zelf niet geschorst. Wantrouwen en – zoals we zagen – soms woede waren zijn deel.

Dr. A. Kuyper (1837-1920) en dr. F.L. Rutgers (1836-1917) behoorden tot de geschorste ambtsdragers.

‘Het juk afgeworpen’.

Op 16 december 1886 gingen de geschorste Amsterdamse ambtsdragers in Doleantie. De vormden – zoals al gezegd –  in Amsterdam de Nederduitsche Gereformeerde Kerk, waarbij zich allengs meer ‘ontkomene kerken’ in ons land aansloten. Ze schaften het ‘Algemeen Reglement voor het Bestuur van de Hervormde Kerk’ af en ‘verleenden wederom kracht en geldigheid’ aan de aloude Dordtse Kerkorde, die ruimte gaf aan de zelfstandigheid van de plaatselijke kerken en die uitging van de Drie Formulieren van Enigheid, de belijdenisgeschriften van de Gereformeerde Kerk, ontstaan tijdens de hervorming in de zestiende eeuw. Zo werd het juk van de ‘synodale hiërarchie’ met beslistheid afgeworpen.

Ook ds. Renier wierp het ‘synodale juk’ af. Aan de voorzitter van de Amsterdamse hervormde kerkenraad, ds. Hogerzeil, schreef hij dat hij zich had aangesloten bij de Nederduitsche Gereformeerde Kerk te Amsterdam als wettige kerkenraad in ‘s Lands hoofdstad. Hij wist echter ook wat de gevolgen voor hem waren: ‘Wat nu uit deze daad, waartoe mijn geweten in gebondenheid aan Gods Woord mij heeft gedwongen, voortvloeit, hiervan ben ik mij ten volle bewust’. Hij verloor zijn traktement en zou zich voorlopig voor het leiden van kerkdiensten moeten beperken tot ‘de lokalen’.

Zijn gemeentelijk werk beperkte zich overigens niet tot Amsterdam alleen. Net als de overige Dolerende predikanten had hij een werkzaam aandeel in de voorbereiding en totstandkoming van de instituering van Nederduitsche Gereformeerde Kerken in de (wijde) omgeving, zoals in Holysloot. Ook ging hij voor in andere Dolerende Kerken, zoals bijvoorbeeld in Harlingen.

Het ‘Gereformeerd Kerkelijk Congres’ (1887).

In ‘De Heraut’ van 9 januari 1887 verscheen dit overzicht van het programma van het ‘Gereformeerd Kerkelijk Congres’.

Binnen een maand na de Doleantie in Amsterdam die, zoals vermeld op 16 december 1886 plaatsvond, organiseerden de Amsterdamse Dolerenden het Gereformeerd Kerkelijk Congres, dat van 11 tot en met 14 januari 1887 in de hoofdstad gehouden werd; de organisatie was een huzarenstukje. De bedoeling van dit Congres, dat door 1.500 Dolerenden en sympathisanten uit het hele land werd bezocht, had ten doel de weg te effenen voor de uitbreiding van de ‘Reformatie der kerk’, zoals men de Doleantie noemde. Bij binnenkomst diende men een verklaring te ondertekenen waarin men aangaf ‘de Reformatie der kerk [de Doleantie] plichtmatig’ te achten.

Het toegangskaartje voor bezoekers die de vergadering in de pauzes even verlieten om daarna weer terug te komen.

De organisatie van het Congres was veelomvattend. Zo publiceerde men onder meer een drietal zogenaamde modelboekjes met ‘alle brieven en formulieren die te schrijven zouden zijn’ om in de eigen woonplaats ‘de reformatie’ te doen plaatsvinden en er de Nederduitsche Gereformeerde Kerk te institueren. Deze ‘modelboekjes’ gaven stuur en richting aan de verdere ontwikkeling van de Doleantie in ons land.

Omslag van een van de ‘modelboekjes’ als handleiding voor de ‘afwerping van de  synodale hiërarchie’.

Ook ds. Renier had een werkzaam aandeel in de organisatie van het Congres. Hij opende de derde zitting van het Congres met een toespraak naar aanleiding van Mattheus 8: ‘Indien Gij wilt, Gij kunt’.

Een boekje.

Na de Doleantie schreven ds. Renier en drie niet-geschorste ouderlingen J.A. ter Wolde, J. Ingwersen en M. Eichelberg) een boekje over het verloop van de Doleantie in Amsterdam, onder de titel ‘Kort Verhaal van den Kerkelijken strijd te Amsterdam in de eerste dagen van januari 1886’. Ze schreven het boekje in de vorm van een ‘Brief aan het [hervormd] Provinciaal Kerkbestuur van Noord-Holland van eenige niet geschorste kerkeraadsleden’ en voegden bovendien twee bijlagen toe, namelijk een brief aan het [hervormd] Classicaal Bestuur van Amsterdam, geschreven door enkele van de geschorste ambtsdragers, en een artikel van de hand van dr. F.L. Rutgers (1836-1917) en prof. A.F. De Savornin Lohman (1837-1924).

Aanvankelijk werd gedacht dat het boekje door dr. A. Kuyper geschreven was. Het stond zelfs al vermeld in de bekende in 1915 gepubliceerde ‘Volledige lijst der boeken en geschriften van dr. A. Kuyper. Maar in werkelijkheid waren de schrijvers ds. Renier en de drie genoemde niet-geschorste ouderlingen. Wel hadden ze daarbij advies gehad van dr. Rutgers en dr. De Savornin Lohman.

Het boekje ‘Kort verhaal’, waaraan ook ds. Renier meewerkte.

Een moeilijke tijd.

Nadat het stof rond het conflict van de Doleantie in Amsterdam was neergedaald, bleef ook ds. Renier merken dat hem moeilijkheden in de weg gelegd werden. De hervormde synode had bijvoorbeeld in 1888 besloten de doop van de Dolerende Kerken niet te erkennen, zo lang de Nederduitsche Gereformeerde Kerken (doleerende) door de overheid niet erkend waren. De Amsterdamse hervormde predikant ds. Posthumus Meyjes liet tijdens een kerkdienst zien dat hij het daarmee eens was. Want eind 1889 werd door hem een kind herdoopt dat eerder al door ds. Renier gedoopt was.

Eenheid tussen Afscheiding en Doleantie.

Dat zal voor hem mede aanleiding zijn geweest zijn krachten te geven aan het streven om de beide Gereformeerde Kerken van die tijd, de Christelijke Gereformeerde Kerk uit de Afscheiding van 1834 en de Nederduitsche Gereformeerde Kerken uit de Doleantie van 1886, tot één kerkgemeenschap te maken. Hoewel de landelijke onderhandelingen lang niet makkelijk verliepen, werd het doel op 17 juni 1892 toch bereikt en ontstonden De Gereformeerde Kerken in Nederland.

Een van de bekende foto’s van ds. C.A. Renier (1844-1899).

De Synode had besloten dat beide kerken, die door omstandigheden niet direct met de ‘Vereniging van 1892’ mee konden gaan, in eigen kring zouden trachten de eenheid ook plaatselijk zo snel mogelijk te realiseren. Niet overal lukte dat direct. In Amsterdam ook niet. De synode had voor die gevallen besloten dat vanaf de landelijke ineensmelting beide plaatselijke kerken desondanks allebei ‘De Gereformeerde Kerk’ zouden heten. De oudste van de twee, meestal de Christelijke Gereformeerde Gemeente, zou zo lang een ‘A’ aan de kerknaam toevoegen, en de jongste kerk (meestal de Dolerende kerk) een ‘B’. Daarom bestonden in Amsterdam van 17 juni 1892 tot 16 september 1897 twee Gereformeerde Kerken: De Gereformeerde Kerk te Amsterdam A en De Gereformeerde Kerk te Amsterdam B.

Het duurde namelijk tot 16 september 1897 tot ook in Amsterdam de eenheid bereikt werd en in de hoofdstad van het land De Gereformeerde Kerk te Amsterdam ontstond. Ds. Renier heeft niet weinig bijgedragen aan het tot stand komen daarvan. “Hij bezat het charisma om aarzeling te overwinnen en misverstand uit de weg te ruimen”.

De laatste jaren.

De volledige vierdelige prekenserie ‘Uit de Diepte’ (1886-1890).

“Als prediker was hij bij velen geliefd. Eenvoud en klaarheid waren de kenmerken zijner predicatiën. Ze droegen een sterk dogmatisch karakter en handelden bij voorkeur over de tegenstelling van zonde en genade. In de Dolerende prekenserie ‘Uit de Diepte’ verscheen een zestal preken van zijn hand. Al eerder had hij de pen ter hand genomen: in 1884 verscheen ‘Kort Begrip der Christelijke Religie’, dat hij samen met ds. B. van Schelven (1847-1928) te Amsterdam publiceerde.

Ds. B. van Schelven (1847-1928).

In 1893 herdacht ds. Renier zijn 25-jarig predikantsjubileum. Ter gelegenheid daarvan werd de toen gehouden preek (‘Genade alleen’) in Amsterdam in druk uitgegeven.

Slechts kort heeft ds. Renier de verenigde kerk van Amsterdam nog gediend. Zijn gezondheidstoestand maakte het nodig emeritaat aan te vragen, dat hem per 1 februari 1899 verleend werd. Maar nog voor die tijd verergerde zijn ziekte en op 14 januari 1899 overleed hij.

De eerste preek van ds. C.A. Renier ‘in de lokalen’.

Na zijn overlijden werd in 1899 in Amsterdam een zestal preken van ds. Renier uitgegeven onder de titel Jacobs worsteling, Zestal predikatien, met een voorrede van ds. B. van Schelven.

Bronnen onder meer:

Div. Schrijvers, Christelijke Encyclopedie. Div. dln., Kampen, 1925-1929

Gemeenten en predikanten van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Leusden, 1992.

De Heraut voor De Gereformeerde Kerken in Nederland, 16 april 1944

Jaarboek (ten dienste) van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Goes, div. jrg.

C.A. Renier, (met J.A. Ter Wolde, J. Ingwersen en M. Eichelberg), Kort verhaal van den kerkelijken strijd te Amsterdam in de eerste dagen van januari 1886. Amsterdam, 1886

J.C. Rullmann, De Doleantie in de Nederlandsche Hervormde Kerk der negentiende eeuw. Amsterdam, 1917

— , Kuyper Bibliografie, dl. II, Kampen, 1929

B. van Schelven [In Memoriam], In: Handboek van De Gereformeerde Kerken in Nederland, Kampen, 1900

Uit de Diepte, dl. 1-4. Amsterdam, 1886-1889

© 2025. GereformeerdeKerken.info

Translation into English:

Rev. C.A. Renier (1844–1899) – Part 2

Rev. Renier not suspended.

( < Back to Part 1 ) – Rev. Renier, however, was not suspended, for the simple reason that he happened not to be able to attend the particular church council meeting of 14 December 1885.

The minister greatly regretted that he had been unable to participate in the decision of that ecclesiastical conflict, and that, regarding the suspension, he had remained untouched.

At the first worship service after the suspension, Rev. Renier had to lead worship in the (‘hervormde’) Noorderkerk. That was on Wednesday, 6 January 1886. The church was packed. Everyone wanted to hear Rev. Renier: people wanted to learn what this minister—who by coincidence had not been suspended—would have to say.
The first psalm he announced was Psalm 68:8: it concerned the battle of Bashan (by which the church authorities were meant) against Zion. And the text for his sermon was Acts 12:1–5: that passage deals with Herod persecuting the Christian congregation.

In “the halls”…

The suspended ministers obviously no longer had access to the ‘hervormde’ church buildings for holding worship services. That was the reason they met “in the halls,” as it was called. Numerous ‘hervormde’ members had followed the suspended elders and deacons and attended the services they conducted. “In the church buildings, on the other hand, it was sadly empty.” There was one exception: the ‘Eilandskerk’ was filled to the rafters, because Rev. Renier preached there. And to show that he fully supported the suspended ministers, he preached in the evening in the hall De Vrede, where he held a Bible reading.

He also continued to preach in ‘hervormde’ church buildings afterwards: on 24 January 1886 he led the service in the Nieuwezijdskapel. There too, he prayed for “the people gathered in the cave of Adullam” (the suspended ministers and the congregation members who had followed them into “the halls”).
He preached on Lamentations 5:21: “Turn Thou us unto Thee, O Lord, and we shall be turned.” One of the psalms sung was Psalm 106:4: “We have grievously sinned against God; we have departed from the path of salvation.”
Beside the pulpit, where Rev. Renier led the service, sat the “synodal elders,” who supported the church authorities. They “were furious” and called what was said in this sermon inflammatory language.

That the language of Rev. Renier was the very opposite of inflammatory appeared, among other things, from his “Letter to the Provincial Church Board of North Holland,” which he wrote in collaboration with several non-suspended elders (we will return to this later).

The period between the suspension and 16 December 1886—the day the ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk (Dolerende)’ in Amsterdam was instituted—was a difficult time for Rev. Renier. Still ‘hervormd’, yet in full unity with the suspended ministers, though himself not suspended. Distrust and—as we have seen—sometimes anger were his portion.

“The yoke thrown off.”

On 16 December 1886, the suspended Amsterdam office-bearers entered into Doleantie. As already stated, they formed in Amsterdam the ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk’, to which gradually more “escaped churches” in our country joined. They abolished the “General Regulation for the Governance of the ‘Hervormde’ Church” and “restored force and validity” to the old Dordrecht Church Order, which gave room for the independence of local churches and was based on the Three Forms of Unity, the confessional writings of the ‘gereformeerde’ Churches originating at the Reformation in the sixteenth century. In this way, the yoke of “synodal hierarchy” was decisively cast off.

Rev. Renier also cast off the “synodal yoke.” To the chairman of the Amsterdam ‘Hervormde’ church council, Rev. Hogerzeil, he wrote that he had joined the ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerk’ in Amsterdam as the lawful church council in the nation’s capital. But he also knew the consequences: “What now results from this act, to which my conscience, bound to God’s Word, has compelled me—of this I am fully aware.”
He lost his salary and for the time being would have to restrict his conducting of worship services to “the halls.”

His congregational work was not limited to Amsterdam alone. Like the other Dolerende ministers, he played an active role in the preparation and establishment of ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerken’ in the (wider) surroundings, such as in Holysloot. He also preached in other Dolerende congregations, for example in Harlingen.

The “Reformed Church Congress” (1887).

Shortly after the Doleantie in Amsterdam, which took place on 16 December 1886, the Amsterdam Dolerenden organized within a month the ‘Gereformeerd’ Church Congress, held from 11 to 14 January 1887 in the capital; its organization was a feat of daring.
The purpose of this Congress, attended by 1,500 Dolerenden and sympathizers from all over the country, was to pave the way for the expansion of the “Reformation of the church,” as the Doleantie was called. Upon entry one had to sign a declaration indicating that one regarded “the Reformation of the church [the Doleantie] as a duty.”

The organization of the Congress was extensive. Among other things, three so-called model booklets were published, containing “all letters and forms that would need to be written” in order to bring about the reformation in one’s own locality and to institute the Nederduitsche Gereformeerde Kerk there. These “model booklets” provided guidance and direction for the further development of the Doleantie in our country.

Rev. Renier also played an active role in organizing the Congress. He opened the third session with an address on Matthew 8: “Lord, if Thou wilt, Thou canst.”

A small book.

After the Doleantie, Rev. Renier and three non-suspended elders (J.A. ter Wolde, J. Ingwersen, and M. Eichelberg) wrote a booklet about the course of the Doleantie in Amsterdam, titled “A Short Account of the Ecclesiastical Struggle in Amsterdam in the First Days of January 1886.” They wrote the booklet in the form of a “Letter to the [Hervormde’] Provincial Church Board of North Holland from some non-suspended church council members,” and also added two appendices: a letter to the Classical Board of Amsterdam, written by several of the suspended office-bearers, and an article by Dr. F.L. Rutgers (1836–1917) and Prof. A.F. de Savornin Lohman (1837–1924).

Initially, it was thought that the booklet had been written by Dr. A. Kuyper. It was even listed in the well-known Complete List of the Books and Writings of Dr. Kuyper published in 1915. But in fact, the authors were Rev. Renier and the three mentioned non-suspended elders. They had indeed received advice from Dr. Rutgers and Dr. De Savornin Lohman.

A difficult time.

After the dust of the conflict surrounding the Doleantie in Amsterdam had settled, Rev. Renier continued to experience difficulties being placed in his way. The ‘hervormde’ synod had decided in 1888 not to recognize the baptism administered by the Dolerende Churches as long as the ‘Nederduitsche Gereformeerde Kerken (Dolerende)’ were not recognized by the government. The Amsterdam ‘hervormde’ minister Rev. Posthumus Meyjes showed during a worship service that he agreed with this. For at the end of 1889 he re-baptized a child that had earlier been baptized by Rev. Renier.

Unity between Secession and Doleantie.

This will have been part of the reason that he gave his energies to the effort to unite the two ‘Gereformeerde’ Churches of that time: the Christian Reformed Church from the Secession of 1834 and the Nederduitsche Gereformeerde Kerken from the Doleantie of 1886. Although the national negotiations were not at all easy, the goal was nevertheless reached on 17 June 1892, and The ‘Gereformeerde’  Churches in the Netherlands were formed.

The [‘gereformeerde’] synod decided that both churches, where circumstances prevented immediate participation in the “Union of 1892,” should attempt to realize unity locally as soon as possible. Not everywhere did this succeed at once. In Amsterdam neither.
For such cases, the synod decided that from the moment of national unification, both local churches would nevertheless both be called “The ‘Gereformeerde’ Church.” The older of the two, usually the Christian Reformed Congregation, would temporarily add an “A” to the church name, and the younger church (usually the Dolerende Church) a “B.”
Therefore, from 17 June 1892 to 16 September 1897 there existed in Amsterdam two ‘Gereformeerde’ Churches: The ‘Gereformeerde’ Church in Amsterdam A and The ‘Gereformeerde’ Church in Amsterdam B.

It lasted until 16 September 1897 before unity was achieved in Amsterdam as well, and The ‘Gereformeerde’ Church in Amsterdam came into being in the nation’s capital. Rev. Renier contributed not a little to this outcome.
“He possessed the charisma to overcome hesitation and remove misunderstanding.”

The final years.

“As a preacher he was beloved by many. Simplicity and clarity were the hallmarks of his sermons. They bore a strongly dogmatic character and dealt preferably with the contrast between sin and grace. In the Dolerende sermon series Out of the Depths, six sermons of his appeared. He had taken up the pen earlier as well: in 1884 appeared A Short Summary of the Christian Religion, which he published together with Rev. B. van Schelven (1847–1928) in Amsterdam.

In 1893 Rev. Renier celebrated his 25-year jubilee as a minister. On that occasion the sermon he delivered (“Grace Alone”) was printed in Amsterdam.

Rev. Renier served the united church of Amsterdam only briefly. His health made it necessary to request emeritation, which was granted as of 1 February 1899. But even before that time, his illness worsened, and on 14 January 1899 he passed away.

After his death, in 1899, six sermons of Rev. Renier were published in Amsterdam under the title Jacob’s Struggle: Six Sermons, with a preface by Rev. B. van Schelven.”