Weekblad ‘De Heraut’ van Schwartz naar Kuyper (2)

4. Verdieping en verbreding (1877–ca. 1883).

( < Naar deel 1 ) – Na de herprofilering van eind 1877 – treedt De Heraut een fase binnen waarin niet zozeer nieuwe richtingen worden gezocht, maar bestaande lijnen worden uitgewerkt en verdiept. Het blad heeft zijn plaats gevonden; nu gaat het erom die plaats inhoudelijk te vullen en te versterken.

Dr. A. Kuyper (1837-1920) kreeg  per 7 december 1877 de leiding over het weekblad ‘De Heraut’.

Dr. Abraham Kuyper (1837-1920) – in 1877 uiteraard nog steeds behorende tot de orthodoxe vleugel van de Nederlandsche Hervormde Kerk – kreeg in december 1877 de leiding over het weekblad De Heraut, toen het blad opnieuw verscheen onder die naam. Het eerste nummer van de vernieuwde reeks onder zijn leiding verscheen op 7 december 1877, waarvan de nummering inderdaad weer bij ‘1’ begon.

Consolidatie van vorm en inhoud.

Wat direct opvalt in deze jaren is de stabiliteit. De structuur die bij de herstart werd ingevoerd, blijft gehandhaafd en wordt verder verfijnd. Terugkerende rubrieken geven het blad een herkenbaar ritme, terwijl de bijdragen van Kuyper zelf een zekere eenheid waarborgen.

De toon is minder experimenteel dan in de jaren zeventig. In plaats van zoeken en afbakenen overheerst nu uitwerking en toepassing. Theologische thema’s worden niet slechts geïntroduceerd, maar systematisch doordacht, vaak als uitvoerige vervolgstukken, en herhaald vanuit verschillende invalshoeken.

Daarmee krijgt De Heraut een bijna didactisch karakter: het blad onderwijst, herhaalt en verdiept, en vormt zo het denken van zijn lezers op langere termijn.

Dr. Kuyper ging op zoek naar nieuwe medewerkers (‘De Heraut’, 13 januari 1878).

Uitbouw van de gereformeerde levensvisie.

In deze periode wordt duidelijk dat het blad zich niet wil beperken tot kerkelijke kwesties in enge zin. Vanuit de gereformeerde beginselen wordt een bredere visie op geloof en leven ontwikkeld.

Onderwerpen als opvoeding, maatschappelijke verantwoordelijkheid en de verhouding tussen kerk en wereld komen regelmatig aan bod. Hoewel de meer expliciet politieke behandeling van deze thema’s vooral in De Standaard plaatsvindt, worden in De Heraut de principiële lijnen uitgezet.

Hier blijkt opnieuw de onderlinge samenhang tussen beide bladen: waar het ene concreet en actueel is, biedt het andere de grondslagen en de bezinning.

Een van de principiële onderwerpen die door Kuyper in een aantal vervolgstukken uitvoerig behandeld werd, was ‘de aanneming tot lidmaat [van de kerk] in gereformeerden zin’  – hierboven een klein gedeelte van deel 4 (‘De Heraut’, 13 januari 1878).

Vorming van een geestelijke gemeenschap.

Een minder direct zichtbaar, maar wezenlijk effect van De Heraut is de vorming van een geestelijke gemeenschap. Door de wekelijkse lectuur ontstaat een gedeeld referentiekader. Lezers, verspreid over het land, worden opgenomen in eenzelfde manier van denken en spreken.

Dit uit zich onder meer in (1)  het gebruik van vaste begrippen en formuleringen; (2) het terugkeren van centrale thema’s en (3) de herkenning van gezamenlijke problemen en doelen.

Het blad fungeert daarmee als bindmiddel. Het maakt van losse groepen en individuen een samenhangend geheel, nog voordat er sprake is van een formele kerkelijke eenheid buiten de Hervormde Kerk.

5. Toenemende principiële scherpte (ca. 1883–1885).

Rond het midden van de jaren tachtig verandert het karakter van De Heraut opnieuw. Zonder dat de uiterlijke vorm ingrijpend wijzigt, wordt de inhoud merkbaar scherper en meer toegespitst op de actuele kerkelijke crisis.

Van analyse naar oordeel.

In de voorafgaande jaren was er al sprake van groeiende kritiek op de Nederlandse Hervormde Kerk. Nu krijgt die kritiek een duidelijker principieel karakter. De analyse van misstanden gaat over in een beoordeling van het geheel.

‘De Heraut’, april 1883′. De ‘Conferentie van Kerkeraadsleden’ werd bijeengeroepen om te spreken over de nieuwe ‘Proponentsformule’, de verklaring die door aanstaande predikanten moest worden ondertekend voordat zij als dominee beroepen konden worden. Tegen het door de hervormde synode voorgestelde ontwerp bestond veel bezwaar, zoals uit het bovenstaande bericht opgemaakt kan worden.

Steeds nadrukkelijker wordt gesteld dat het probleem niet alleen ligt in verkeerde besluiten of personen, maar in de structuur van het kerkelijk bestuur zelf. De sterk centralistische synodale organisatie wordt gezien als een belemmering voor het functioneren van de kerk naar gereformeerde beginselen. Al gauw is sprake van de benaming ‘synodale hiērarchie’ als men het oog heeft op het functioneren van de Algemene Synode in Den Haag.

Daarmee verschuift de discussie van hervorming (‘reformatie’) binnen het bestaande kerkelijk kader naar de vraag of dat kader zelf eigenlijk nog wel houdbaar is.

Ecclesiologie als beslissend thema.

In deze fase komt de kerkvisie centraal te staan. Thema’s die eerder al waren aangestipt, worden nu uitgewerkt met het oog op de concrete situatie.

Belangrijke vragen zijn: (1) Wat is de ware kerk? (2) Waaraan is zij te herkennen? (3) Hoe verhoudt zij zich tot een bestaande, maar naar overtuiging ontrouwe organisatie?

De Heraut biedt geen snelle antwoorden, maar ontwikkelt stap voor stap een denkkader. Daarbij wordt sterk de nadruk gelegd op de binding aan Schrift en belijdenis als beslissend criterium.

Deze doordenking heeft grote gevolgen. Zij maakt het mogelijk om de bestaande kerk niet alleen te bekritiseren, maar ook principieel te beoordelen.

In ‘De Heraut’ van 13 januari 1878 wordt geschreven over het belang van de Zondagsschool, een onderwerp dat in ‘De Heraut’ talloze malen terugkomt.

Legitimatie van verzet.

Parallel aan deze ontwikkeling groeit de aandacht voor de vraag naar kerkelijke gehoorzaamheid. Wanneer het kerkelijk bestuur handelt in strijd met de gereformeerde grondslag, is verzet dan geoorloofd — of zelfs geboden?

In De Heraut wordt deze vraag uitvoerig besproken. Daarbij wordt benadrukt dat gehoorzaamheid niet absoluut is, maar gebonden aan hogere normen. Dit opent de mogelijkheid om weerstand te bieden aan synodale besluiten zonder het eigen handelen als scheurmaking te zien.

Hier wordt de basis gelegd voor wat enkele jaren later werkelijkheid zal worden.

6. De laatste fase vóór de Doleantie (1885–1886).

In de jaren direct voorafgaand aan de Doleantie – na de Afscheiding van 1834 de tweede orthodoxe uittocht uit de Hervormde Kerk – bereikt de ontwikkeling een culminatiepunt. De lijnen die sinds 1877 zijn uitgezet, komen samen en krijgen een concrete uitwerking.

Van voorbereiding naar beslissing.

De aankondiging van het ‘Gereformeerd Kerkelijk Congres’ te Amsterdam (‘De Heraut’, 2 januari 1887). Daar werd door 1.500 hervormde congresgangers beraadslaagd over de verdere organisatie van de Doleantie in het land (‘de Reformatie der kerk’).

Wat lange tijd in beschouwende vorm werd besproken, krijgt nu een praktisch karakter. De vragen zijn niet langer alleen theoretisch, maar dringend en actueel: (1) Hoe moet een plaatselijke gemeente handelen bij conflict met het kerkbestuur? (2) Wat betekent ’trouw’ in concrete situaties? (3) Welke stappen zijn gerechtvaardigd — en welke niet?

De Heraut fungeert hierbij als gids. Het blad geeft richting, zonder altijd expliciete instructies te formuleren. Het helpt lezers om hun eigen situatie te duiden en hun handelen te verantwoorden.

De rol van de plaatselijke gemeenten.

Zo werkte ‘de synodale hiërarchie’ volgens ‘De Heraut’: De plaatselijke gemeenten dienden te gehoorzamen aan de kerkelijke besturen.  Kuyper vond dat het – andersom –  juist om de plaatselijke gemeenten ging.

Opvallend is dat de nadruk steeds sterker komt te liggen op de verantwoordelijkheid van de plaatselijke gemeente. Niet een centraal besluit van de kerkelijke besturen, maar lokaal handelen van kerkenraden wordt beslissend.

Dit sluit aan bij de eerder ontwikkelde kerkvisie. De kerk wordt niet primair gezien als een hiërarchische organisatie, maar als een gemeenschap van gelovigen die zelf gebonden is aan Schrift en belijdenis.

Daardoor ontstaat ruimte voor plaatselijke initiatieven die zich losmaken van het bestaande kerkelijke verband — een ontwikkeling die in 1886 zichtbaar wordt.

Een beweging die zichzelf herkent.

Tegelijk is duidelijk dat het niet meer gaat om losse incidenten. Door de voortdurende berichtgeving en reflectie in De Heraut herkennen lezers hun eigen situatie in die van anderen.

Wat lokaal gebeurt, wordt ervaren als deel van een bredere beweging. Dit besef versterkt de bereidheid om ingrijpende stappen te zetten: men staat er niet alleen voor, maar maakt deel uit van een groter geheel.

7. De Doleantie (1886): uitkomst van een proces.

De aankondiging van de Doleantie te Amsterdam, zoals die op 16 december.1886 plaatsvond, en gemeld werd door ‘De Heraut’.

De gebeurtenissen van 1886 en de jaren erna vormen geen plotselinge breuk, maar de uitkomst van een ontwikkeling die zich over jaren heeft voltrokken — en waarin De Heraut een centrale rol heeft gespeeld.

Geen begin, maar gevolg.

Vanuit het perspectief van het blad verschijnt de Doleantie niet als een onverwachte omwenteling, maar als een noodzakelijke consequentie van eerder getrokken lijnen. Die ‘eerder getrokken lijnen’ werden systematisch in beeld gebracht tijdens het Gereformeerd Kerkelijk Congres, dat van 11 tot en met 14 januari 1887 in Amsterdam gehouden werd.

In ‘De Heraut’ van 9 januari 1887 verscheen dit overzicht van het programma van het ”Gereformeerd Kerkelijk Congres’ dat van 11 tot en met 14 januari 1887 in Amsterdam gehouden werd en waar beraadslaagd werd over de wijze waarop plaatselijke kerken tot Doleantie konden overgaan.

Wat in de jaren daarvoor is doordacht — over kerk, gezag en gehoorzaamheid — krijgt nu, in het Congres, praktische gestalte. Gemeenten en predikanten handelen in overeenstemming met overtuigingen die mede via De Heraut zijn gevormd.

De functie van het blad in het beslissende moment.

Tijdens de gebeurtenissen zelf blijft De Heraut zijn dubbele functie vervullen: (1) het interpreteren van wat er gebeurt; (2) en het bieden van een kader waarin die gebeurtenissen begrepen kunnen worden.

Het blad legitimeert de genomen stappen door ze te plaatsen binnen een bredere gereformeerde traditie van kerkelijke reformatie. Tegelijk blijft het oproepen tot ernst, zorgvuldigheid en trouw aan de beginselen.

Van oppositie naar opbouw.

Met de Doleantie verandert de positie van De Heraut ingrijpend. Het blad staat niet langer primair tegenover een bestaande kerk, maar wordt onderdeel van een nieuwe kerkelijke werkelijkheid. De ondertitel van het blad ‘van/voor  de Gereformeerde Kerken’, spreekt boekdelen.

Daarmee verschuift ook het zwaartepunt. De fase van kritiek en voorbereiding maakt plaats voor die van opbouw en inrichting. Een kenmerkend voorbeeld daarvan zijn de zogenoemde Modelboekjes’, serie 1 en serie 2, die tijdens het Gereformeerd Kerkelijk Congres gepubliceerd werden. Daarin waren voorbeelden afgedrukt ‘van alle brieven die te schrijven zouden zijn’ om de Doleantie ordelijk te doen plaatsvinden. Nieuwe vragen dienen zich aan: hoe moet het kerkelijk leven vorm krijgen, hoe wordt de eenheid bewaard, hoe worden de beginselen praktisch gerealiseerd?

Na de Doleantie berichtte ‘De Heraut’ jarenlang over de talloze  hervormde gemeenten die geheel of gedeeltelijk in Doleantie gingen, zoals hier over de Doleantie te Putten (‘De Heraut’, 29 maart 1891).

Terugblik op deel 2: De Heraut als voorbereider van de Doleantie.

De geschiedenis van De Heraut tussen 1877 en 1886 laat zich het best begrijpen als een proces van intensivering.

Wat in de beginjaren onder Kuyper werd ingezet — systematisering, identiteitsvorming en principiële doordenking — wordt in deze periode verdiept en toegespitst op een concrete crisis. Het blad groeit uit tot een plaats waar: (1) ideeën worden uitgewerkt; (2)  overtuigingen worden gevormd; (3) en handelen wordt voorbereid.

Daarmee wordt De Heraut meer dan een waarnemer of commentator. Het wordt een actief element in de ontwikkeling die tot de Doleantie leidt.

Niet doordat het rechtstreeks tot actie oproept, maar doordat het de voorwaarden schept waaronder die actie begrijpelijk en gerechtvaardigd wordt.

In die zin is de Doleantie niet alleen een kerkelijk of organisatorisch gebeuren, maar ook een intellectueel en geestelijk proces — en De Heraut was een van de belangrijkste plaatsen waar dat proces gestalte kreeg.

Naar deel 3 >

© 2026. GereformeerdeKerken.info

Translation into English: 

Weekly Paper ‘De Heraut’ from Schwartz to Kuyper (2).

4. Deepening and Broadening (1877–ca. 1883).

( < Back to Part 1 ) — After the re-profiling at the end of 1877, De Heraut entered a phase in which the emphasis was no longer on seeking new directions, but rather on elaborating and deepening existing lines of thought. The paper had found its place; now the task was to fill and strengthen that place in terms of content.

Dr. Abraham Kuyper (1837–1920) — in 1877, of course, still belonging to the orthodox wing of the Dutch Reformed Church (Nederlandsche Hervormde Kerk) — assumed leadership of the weekly De Heraut in December 1877, when the paper reappeared under that name. The first issue of the renewed series under his direction appeared on 7 December 1877, with the numbering indeed beginning again at “1.”

Consolidation of Form and Content.

What immediately stands out in these years is stability. The structure introduced at the relaunch was maintained and further refined. Recurring sections gave the paper a recognizable rhythm, while Kuyper’s own contributions ensured a certain unity.

The tone was less experimental than in the 1870s. Instead of searching and defining boundaries, the emphasis now lay on elaboration and application. Theological themes were not merely introduced, but systematically thought through, often in extensive serialized articles and repeatedly approached from different angles.

As a result, De Heraut acquired an almost didactic character: the paper instructed, repeated, and deepened understanding, thereby shaping the thinking of its readers over the long term.

Expansion of the Reformed Worldview.

During this period, it became clear that the paper did not wish to confine itself to ecclesiastical matters in the narrow sense. From Reformed principles, a broader vision of faith and life was developed.

Subjects such as education, social responsibility, and the relationship between church and world appeared regularly. Although the more explicitly political treatment of these themes took place mainly in De Standaard, De Heraut outlined the underlying principles.

Here again the close connection between the two papers becomes apparent: where one was concrete and topical, the other provided foundations and reflection.

Formation of a Spiritual Community.

A less immediately visible, yet essential effect of De Heraut was the formation of a spiritual community. Through weekly reading, a shared frame of reference emerged. Readers, scattered throughout the country, were drawn into a common way of thinking and speaking.

This was expressed, among other things, in:
(1) the use of fixed concepts and formulations;
(2) the recurring appearance of central themes; and
(3) the recognition of shared problems and goals.

In this way, the paper functioned as a binding agent. It transformed loose groups and individuals into a coherent whole, even before any formal ecclesiastical unity outside the Dutch Reformed Church existed.

5. Increasing Doctrinal Sharpness (ca. 1883–1885).

Around the middle of the 1880s, the character of De Heraut changed once again. Although the outward form did not alter dramatically, the content became noticeably sharper and more focused on the current ecclesiastical crisis.

From Analysis to Judgment.

In the preceding years, criticism of the Dutch Reformed Church had already been growing. Now that criticism acquired a more clearly principled character. The analysis of abuses evolved into an assessment of the whole.

Increasingly, it was argued that the problem lay not merely in wrong decisions or individuals, but in the very structure of church government itself. The strongly centralistic synodal organization was regarded as an obstacle to the functioning of the church according to Reformed principles. Before long, the term “synodal hierarchy” came into use when referring to the functioning of the General Synod in The Hague.

As a result, the discussion shifted from reform (reformatie) within the existing ecclesiastical framework to the question of whether that framework itself was still tenable.

Ecclesiology as the Decisive Theme.

At this stage, the doctrine of the church became central. Themes that had already been touched upon earlier were now worked out with the concrete situation in mind.

Important questions included:
(1) What is the true church?
(2) By what marks can it be recognized?
(3) How does it relate to an existing organization that is considered unfaithful?

De Heraut did not offer quick answers, but gradually developed a framework for thinking. Strong emphasis was placed on adherence to Scripture and confession as the decisive criterion.

This reflection had far-reaching consequences. It made it possible not only to criticize the existing church, but also to evaluate it on principled grounds.

Legitimation of Resistance.

Parallel to this development, increasing attention was devoted to the question of ecclesiastical obedience. If church government acted contrary to the Reformed foundation, was resistance permissible — or even required?

In De Heraut, this question was discussed extensively. It was emphasized that obedience was not absolute, but bound to higher norms. This opened the possibility of resisting synodal decisions without regarding one’s own actions as schismatic.

Here the groundwork was laid for what would become reality a few years later.

6. The Final Phase Before the Doleantie (1885–1886).

In the years immediately preceding the Doleantie — the second orthodox exodus from the Dutch Reformed Church after the Secession of 1834 (Afscheiding) — the development reached its culmination. The lines drawn since 1877 converged and received concrete application.

From Preparation to Decision.

What had long been discussed in reflective form now acquired a practical character. The questions were no longer merely theoretical, but urgent and immediate:
(1) How should a local congregation act in conflict with church authorities?
(2) What does “faithfulness” mean in concrete situations?
(3) Which steps are justified — and which are not?

In this context, De Heraut functioned as a guide. The paper provided direction without always formulating explicit instructions. It helped readers interpret their own situations and justify their actions.

The Role of the Local Congregations.

It is striking that increasing emphasis was placed on the responsibility of the local congregation. Not a central decision by church authorities, but local action by consistories became decisive.

This corresponded with the previously developed doctrine of the church. The church was not viewed primarily as a hierarchical organization, but as a community of believers themselves bound to Scripture and confession.

This created room for local initiatives separating themselves from the existing ecclesiastical structure — a development that became visible in 1886.

A Movement Recognizing Itself.

At the same time, it became clear that these were no longer isolated incidents. Through the continual reporting and reflection in De Heraut, readers recognized their own situations in those of others.

What happened locally was experienced as part of a broader movement. This awareness strengthened the willingness to take far-reaching steps: people no longer stood alone, but saw themselves as part of a larger whole.

7. The Doleantie (1886): Outcome of a Process.

The events of 1886 and the years that followed did not constitute a sudden rupture, but rather the outcome of a development unfolding over many years — a development in which De Heraut played a central role.

Not a Beginning, but a Consequence.

From the paper’s perspective, the Doleantie appeared not as an unexpected upheaval, but as a necessary consequence of lines drawn earlier. These “previously drawn lines” were systematically set forth during the Reformed Ecclesiastical Congress (Gereformeerd Kerkelijk Congres), held in Amsterdam from 11 to 14 January 1887.

What had been thought through in previous years — concerning church, authority, and obedience — now took practical shape at the Congress. Congregations and ministers acted in accordance with convictions shaped in part through De Heraut.

The Function of the Paper at the Decisive Moment.

During the events themselves, De Heraut continued to fulfill its dual function:
(1) interpreting what was happening; and
(2) providing a framework within which those events could be understood.

The paper legitimized the steps being taken by placing them within a broader Reformed tradition of church reformation. At the same time, it continued to call for seriousness, carefulness, and faithfulness to principles.

From Opposition to Construction.

With the Doleantie, the position of De Heraut changed profoundly. The paper no longer stood primarily in opposition to an existing church, but became part of a new ecclesiastical reality. The subtitle of the paper, “from/for the Reformed Churches,” spoke volumes.

As a result, the center of gravity shifted as well. The phase of criticism and preparation gave way to that of construction and organization. A characteristic example of this was the Modelboekjes (“Model Booklets”) published during the Reformed Ecclesiastical Congress. These contained examples “of all the letters that would have to be written” in order to conduct the Doleantie in an orderly manner.

New questions now presented themselves: how should church life be structured, how should unity be preserved, and how should the principles be realized in practice?

Retrospect on Part 2: De Heraut as Preparer of the Doleantie.

The history of De Heraut between 1877 and 1886 is best understood as a process of intensification.

What had been initiated in Kuyper’s early years — systematization, identity formation, and principled reflection — was in this period deepened and focused upon a concrete crisis. The paper grew into a place where:
(1) ideas were elaborated;
(2) convictions were formed; and
(3) action was prepared.

In this way, De Heraut became more than an observer or commentator. It became an active element in the development leading to the Doleantie.

Not because it directly called for action, but because it created the conditions under which that action became understandable and justified.

In that sense, the Doleantie was not merely an ecclesiastical or organizational event, but also an intellectual and spiritual process — and De Heraut was one of the principal places where that process took shape.

To Part 3 >