“Deputaten zijn dienaren van de kerken”

Wat dr. H.C. Rutgers over taak en bevoegdheid van Deputaten schreef.

De Dordtse Kerkorde werd tijdens de Synode van Dordrecht (1618-1619) vastgesteld. Deze Kerkorde regelde het recht zoals dat sindsdien werd nageleefd in de Gereformeerde Kerk in Nederland en in andere protestantse kerken in ons land.

Een oude uitgave van de Dordtse Kerkorde.

Inleiding.

Maar… de Dordtse Kerkorde van 1618-1619 kwam niet uit de lucht vallen. Ze had voortgebouwd op eerdere geschriften uit de gereformeerde richting, zoals de Nederlandse Geloofsbelijdenis van 1561, geschreven door ds. Guido de Brès (1522-1567) en de Heidelbergse Catechismus, in 1563 opgesteld door Zacharias Ursinus (1534-1583) en Caspar Olevianus (1536-1587).

In de Wezelse Artikelen was in 1568 al begonnen met het opstellen van voorstellen voor een orde (een ‘reglement’) voor de kerken, die uitliep op de Nationale Synode van Dordrecht.

Tijdens de Synode van Dordrecht (1618-1619) werd de kerkorde van Wezel hier en daar veranderd en als Kerkorde voor de ‘Gereformeerde Kerk’ ingevoerd; totdat in 1816 de Regering ingreep. Toen werd in de Hervormde Kerk in opdracht van de Overheid de Dordtse Kerkorde aan de kant geschoven en een nieuwe kerkorde ingevoerd, het ‘Algemeen Reglement voor het Bestuur van de Hervormde Kerk’, dat aan de zelfstandigheid van de plaatselijke gemeenten grotendeels een eind maakte en aan de Algemene Synode grote macht gaf, zodat men al gauw van ‘synodale hiërarchie’ sprak.

Ds. H. de Cock (1801-1842) en dr. A. Kuyper (1837-1920).

Maar de kerken van de Afscheiding van 1834, die zich onder leiding van ds. H. de Cock (1801-1842), en de Kerken van de Doleantie van 1886, die zich onder leiding van dr. A. Kuyper (1837 1920)  afscheidden van de Hervormde Kerk schaften het ‘Algemeen Reglement‘ af en ‘verleenden opnieuw kracht en geldigheid’ aan de Dordtse Kerkorde.

Artikel 49 DKO ging over Deputaten.

Een van de artikelen in de Dordtse Kerkorde, Artikel 49, handelde over de taak en bevoegdheid van Deputaten. Daarmee hebben we op onze website ook regelmatig te maken gehad. Denk bijvoorbeeld aan de Deputaten voor het Contact met de Hoge Overheid, de Deputaten voor door Oorlogsschade getroffen kerken, de Deputaten voor de Evangelisatie,  enz. enz.

In eenvoudig Nederlands bepaalde Artikel 49 het volgende: “Elke synode zal enkele deputaten (vertegenwoordigers) aanwijzen. Zij moeten ervoor zorgen dat de besluiten van de synode worden uitgevoerd. Dat doen zij zowel bij de overheid als bij de verschillende classes (regionale kerkvergaderingen). Ze zijn verantwoording schuldig aan de kerkelijke vergadering die hen benoemde”.

“Ook moeten Deputaten samen, of met een kleiner aantal van hen, toezicht houden op de examens van mensen die predikant willen worden. Daarnaast moeten zij de classes helpen bij andere moeilijke of bijzondere situaties die zich voordoen. Het doel daarvan is dat er binnen de kerken goede eensgezindheid, orde en zuiverheid van de leer blijft bestaan en wordt versterkt”.

“Deputaten moeten van alles wat zij doen goed verslag bijhouden. Daarover moeten zij aan de synode rapporteren en, als dat wordt gevraagd, uitleggen waarom zij bepaalde dingen hebben gedaan. Zij blijven hun taak uitvoeren totdat de synode hen officieel van hun opdracht ontslaat”.

Dr. H.C. Rutgers (1880-1964).

Dr. H.C. Rutgers (1880-1964).

In 1910 verscheen het proefschrift van dr. H.C. Rutgers, dat handelde over de taak en bevoegdheid van Deputaten. Het was getiteld ‘Kerkelijke Deputaten. Hun werkkring en bevoegdheid inzonderheid gelijk deze gekend worden uit de Handelingen der Zuid-Hollandsche synoden en Deputaten’.

Hermanus Cornelis Rutgers (1880-1964) werd in Amsterdam geboren en overleed in Renkum. Hij was een zoon van dr. F.L. Rutgers, de jurist van de Doleantie genoemd en, naar dr. Kuyper schreef, diens alter-ego. Hij studeerde theologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. Van 1911 tot 1915 was hij gereformeerd predikant op Marken. Daar legde hij de bediening neer om van 1915 tot 1935 te dienen als secretaris van de N.C.S.V., de Nederlandse Christen Studenten Vereniging. Daarna was hij tot 1950 algemeen secretaris van het Nederlands Bijbel Genootschap.

Dr. F.L. Rutgers (1836-1917), vader van H.C. Rutgers, schreef in ‘De Heraut’ van 1894 al over de taak en bevoegdheid van Deputaten.

Dr. H.C. Rutgers bestudeerde de ontwikkeling van taak en bevoegdheid van Deputaten aan de hand van wat hij daarover in de Archieven van de Particuliere Synode van Zuid-Holland (van de 16e eeuw en daarna) aantrof. Het provinciaal archief van Zuid-Holland was het belangrijkste onderdeel van het zgn. Oud Synodaal Archief van de kerk van de Hervorming.

De eerste stelling in Rutgers’ proefschrift gaf duidelijk aan dat de taak en de bevoegdheid van Deputaten een duidelijke grens had: ‘De overeenkomstig de Kerkenorde der Gereformeerde Kerken in Nederland benoemde synodale deputaten hebben geene zelfstandige macht, maar hunne bevoegdheid gaat niet verder dan tot het uitvoeren van wat hun door de synode wordt opgedragen, waarbij zij niet meer macht hebben dan hun door de synode wordt verleend”.

Het nog steeds heel lezenswaardige proefschrift behandelt tal van onderwerpen heel gedetailleerd. In het nu volgende verhaal geven we een overzicht van de belangrijkste taken en bevoegdheden aan Deputaten toegekend.

Over de taak en de bevoegdheid van Deputaten.

In het kerkelijk leven komen we regelmatig mensen tegen die namens een kerkelijke vergadering een bepaalde taak hebben gekregen. Zij worden deputaten genoemd. Een synode benoemt bijvoorbeeld deputaten voor zending, evangelisatie, kerkvisitatie, contacten met andere kerken of voor een bepaalde moeilijke kerkelijke zaak.

Het proefschrift van dr. H.C. Rutgers.

Dat lijkt op het eerste gezicht heel logisch. Een kerkelijke vergadering kan immers niet alles zelf doen. Het is praktisch en vaak ook nodig om bepaalde werkzaamheden aan een kleiner aantal mensen, een commissie, een deputaatschap, toe te vertrouwen.

Maar de belangrijke vraag is natuurlijk: hoe ver reikt de bevoegdheid van deputaten eigenlijk? Mogen zij zelf beslissingen nemen? En wanneer houdt hun opdracht op?

Over deze vragen schreef dr. F.L. Rutgers – de vader van dr. H.C. Rutgers, over wiens boek we het hebben – al uitvoerig. Zijn gedachten daarover zijn te vinden in een reeks artikelen over „Kerkelijke Deputaten”, die in  december 1894 verschenen in De Heraut. Rutgers’ ideeën passen goed bij het werk van de gereformeerde kerkrechtdeskundige Gisbertus Voetius (1589-1676).

Wie H.C. Rutgers leest, ontdekt dat het bij deputaten niet alleen gaat om een praktische regeling. Want achter dit onderwerp ligt een belangrijk uitgangspunt van het gereformeerde kerkrecht: wie draagt de kerkelijke verantwoordelijkheid en wie heeft de bevoegdheid om namens de kerk te handelen?

De theoloog Gisbertus Voetius (1589-1676).

De kerkelijke vergadering blijft verantwoordelijk.

Voor H.C. Rutgers begint alles bij de kerkelijke vergadering zelf. De kerkenraad, de classis en de synode hebben elk hun eigen plaats en hun eigen verantwoordelijkheid. Zij zijn de vergaderingen waarin de kerkelijke zaken worden behandeld en waarin besluiten worden genomen.

Een deputaatschap komt daar niet als een nieuwe vergadering naast te staan! Dat is een belangrijk uitgangspunt. Een deputaat krijgt door zijn benoeming geen eigen, algemene kerkelijke macht. Hij wordt niet ineens iemand die boven de kerken staat of die namens de kerken allerlei zaken naar eigen inzicht kan regelen.

Een deputaat krijgt een opdracht. Dat klinkt misschien eenvoudig, maar juist dat is volgens dr. Rutgers een fundamentele zaak. De deputaat heeft zijn bevoegdheid niet aan zichzelf te danken en ook niet aan zijn titel. Hij ontleent die bevoegdheid aan de kerkelijke vergadering die hem heeft benoemd. De vergadering geeft de opdracht en de deputaat voert die uit.

Daarom moeten we volgens Rutgers steeds onderscheid maken tussen beslissen en uitvoeren. De kerkelijke vergadering neemt het besluit; de deputaten helpen om dat besluit in de praktijk uit te voeren.

Een opdracht heeft grenzen.

Wie een opdracht krijgt, mag daarmee niet zomaar doen wat hij wil.  Stel dat een synode een aantal deputaten benoemt om een bepaalde zaak te onderzoeken. Dan hebben deze deputaten de taak om dat onderzoek te uit te voeren, te verrichten, en daarover aan de synode verslag uit te brengen. Zij kunnen tijdens hun werkzaamheden gesprekken voeren, informatie verzamelen en advies geven. Maar zij kunnen niet zomaar besluiten nemen die buiten hun opdracht vallen.

In ‘De Heraut’ van 2 december 1894 verscheen dr. F.L. Rutgers’ eerste lange artikel over Deputaten. Hier de eerste  alinea van deel 1.

Hetzelfde geldt wanneer deputaten in opdracht van en namens een synode met andere kerken contact onderhouden. Zij kunnen namens de vergadering spreken, maar mogen daarbij niet verder gaan dan de opdracht die ze van de synode kregen binnen de grenzen van hun opdracht. Ze mogen niet op eigen gezag nieuwe besluiten nemen waarvan de synode zelf geen kennis heeft genomen.

Daarom is de opdracht, het mandaat, zo belangrijk. Het mandaat geeft aan wat deputaten wel en niet mogen doen. Hoe duidelijker de opdracht is, hoe duidelijker ook de grenzen van hun bevoegdheid zijn.

Rutgers wil daarmee voorkomen dat het woord „deputaat” op zichzelf een soort algemene bevoegdheid gaat betekenen. Dat iemand deputaat is, zegt nog niet wat hij mag doen. Daarvoor moeten we kijken naar de opdracht die hij heeft ontvangen.

Het gevaar van het gemak…!

Dr. H.C. Rugers ziet een gevaar dat gemakkelijk kan ontstaan. Een kerkelijke vergadering komt niet iedere week bijeen. Een synode vergadert slechts van tijd tot tijd. Wanneer er tussen twee vergaderingen door iets moet gebeuren, is het natuurlijk gemakkelijk om te zeggen: „Laat de deputaten dat maar regelen.” Daar is op zichzelf niets verkeerds aan. Het is juist een van de redenen waarom deputaten worden benoemd.

Maar… het kan ongemerkt steeds verder gaan: een deputaatschap krijgt eerst een kleine opdracht. Vervolgens komt er een nieuwe zaak bij. Daarna nog een andere. Omdat de deputaten inmiddels ervaring hebben en de zaken snel kunnen afhandelen, wordt het aantrekkelijk om steeds meer aan hen over te laten.

Zo kan er langzaam iets veranderen: de deputaten waren aanvankelijk mensen die een opdracht van de synode uitvoerden. Maar wanneer zij steeds meer zelfstandig gaan handelen, kunnen zij in de praktijk een soort bestuur worden dat tussen de synoden door de kerkelijke zaken regelt en zelfstandig besluiten neemt. Dat is het gevaar waarvoor Rutgers waarschuwt.

Het gaat dus niet alleen om de vraag of deputaten goede en betrouwbare mensen zijn. Ook wanneer zij hun werk uitstekend doen, blijft de vraag bestaan of zij daarmee niet ongemerkt een plaats krijgen die hun volgens het gereformeerde kerkrecht niet toekomt.

Het geheime rapport van de door de Generale Synode benoemde deputaten om de moeilijkheden in Drachten te onderzoeken. De deputaten rapporteerden nadat hun onderzoek voltooid was en daarop besloot de synode wat er gebeuren moest.

Een langdurige opdracht is geen onbeperkte macht.

Soms wordt gedacht: als deputaten voor een bepaalde periode zijn benoemd, hebben zij gedurende die hele periode de bevoegdheid om namens de kerk te handelen. Maar Rutgers maakt duidelijk dat dit niet zo eenvoudig ligt.

Het feit dat iemand voor een langere periode deputaat is, betekent niet dat hij gedurende die hele periode dezelfde macht heeft als de kerkelijke vergadering zelf. De opdracht, het mandaat, blijft bepalend.

Dat is een heel belangrijk onderscheid. Een deputaatschap kan bijvoorbeeld tot de volgende synode voortduren, zodat de deputaten hun werkzaamheden kunnen voortzetten en lopende zaken kunnen afhandelen. Maar daardoor worden zij geen zelfstandige kerkelijke vergadering.

Ook hier blijft gelden: zij ontvangen hun bevoegdheid van de vergadering en blijven aan die bevoegdheid, aan hun opdracht, hun mandaat, gebonden.

Deskundigheid geeft geen extra kerkelijke macht.

Er is nog een ander punt dat H.C. Rutgers naar voren brengt: voor bepaalde kerkelijke zaken zijn deskundige mensen nodig. Het is heel goed mogelijk dat een kleine groep deputaten veel meer kennis van een bepaald onderwerp heeft dan de gemiddelde afgevaardigde naar een synode. Dat is juist een belangrijke reden om deputaten te benoemen.

Maar… deskundigheid en bevoegdheid zijn twee verschillende dingen. Iemand kan veel kennis hebben van een bepaalde zaak en toch niet de bevoegdheid hebben om daarover zelfstandig namens de kerk te beslissen. Dat is een belangrijk onderscheid. Anders zou gemakkelijk de gedachte kunnen ontstaan: „Deze mensen weten er zoveel van, laat hen dan ook maar beslissen.”

Rutgers wil die twee zaken uit elkaar houden: deskundigheid kan iemand geschikt maken voor een bepaalde opdracht, maar deskundigheid geeft op zichzelf geen kerkelijke macht.

De deskundigheid van deputaten moet de kerkelijke vergadering dienen. Zij moeten de vergadering helpen om tot goede besluiten te komen en de genomen besluiten goed uit te voeren.

Sinds het einde van de jaren ’20 rapporteerden door de Generale Synode benoemde Deputaten over hun werkzaamheden ten gevolge van de inpoldering van de Zuiderzee, c.q. van het IJsselmeer.

Deputaten zijn er voor de kerken.

Daarmee komen we bij de kern van Rutgers’ visie: Deputaten zijn er om de kerken te dienen.

Dat klinkt misschien als een eenvoudige uitspraak, maar zij heeft grote gevolgen. Het betekent dat deputaten niet moeten gaan functioneren als een bestuur waar de kerken uiteindelijk aan ondergeschikt worden.

De verhouding is andersom! De kerkelijke vergadering geeft de opdracht. De deputaten voeren die opdracht uit. Vervolgens brengen zij verslag uit van hun werkzaamheden en kunnen zij worden bevraagd op wat zij hebben gedaan.

Daarom is verantwoording zo belangrijk. Deputaten zijn geen zelfstandige machthebbers, maar mensen die een bepaalde verantwoordelijkheid hebben ontvangen en daarover verantwoording afleggen.

Heel eenvoudig gezegd: De vergadering geeft de opdracht, de deputaten voeren haar uit en de vergadering blijft verantwoordelijk voor de beslissing.

Maar wat als er snel gehandeld moet worden?

Natuurlijk zijn er situaties waarin niet alles rustig kan wachten tot de volgende kerkelijke vergadering. Er kunnen zich onverwachte of moeilijke omstandigheden voordoen waarin onmiddellijk handelen nodig is. Ook daarvoor kunnen deputaten een belangrijke taak hebben. Zij kunnen adviseren, bemiddelen, waarschuwen of helpen om een probleem niet verder te laten escaleren. Rutgers ontkent die werkelijkheid natuurlijk niet.

Het logo van de ‘Generale Deputaten Kerkopbouw’ van de GKN. Deze deputaten boden in opdracht van de synode hulp aan kerken die worstelden hetzij met een omvangrijke bevolkingsaanwas, hetzij met ontvolking. Ook werd bijstand verleend in geval van kerkbouw, want de deputaten hadden ook de taak van het voormalige ‘Deputaatschap voor Kerkbouw’ overgenomen.

Maar ook hier blijft voorzichtigheid nodig. Een bijzondere situatie mag niet vanzelf leiden tot een permanente uitbreiding van de bevoegdheid van deputaten!

Wanneer een of meer deputaten in een bepaalde situatie iets doen wat niet letterlijk in de oorspronkelijke opdracht stond, behoort ook dat tot de verantwoordelijkheid van de kerkelijke vergadering die hen benoemde. Het is niet de bedoeling dat een uitzondering langzaam de gewone regel wordt. Daarom moet de kerkelijke vergadering ervoor zorgen dat zij zelf haar verantwoordelijkheid houdt.

Waar het Rutgers vooral om gaat.

Wie het boek van Rutgers leest, merkt dat achter zijn betoog een diepere zorg ligt. Hij wil voorkomen dat in de Gereformeerde Kerken een bestuurslaag ontstaat die boven de andere kerken komt te staan. Het is niet voor niets dat in het gereformeerde kerkrecht juist sterk benadrukt wordt dat de ene kerk niet over de andere kerk moet heersen. Ook mag de ene ambtsdrager niet zomaar over een andere ambtsdrager gaan heersen.

Dat betekent niet dat er geen gezag is in de kerk. Integendeel. Er is kerkelijk gezag en er zijn kerkelijke vergaderingen die besluiten nemen. Maar dat gezag moet worden uitgeoefend binnen de orde die de kerk daarvoor heeft ontvangen.

Ook classes konden deputaten benoemen. Hier een foto van de ‘Deputaten voor de Zending op Solo’ van de samenwerkende classes.

Daarom is Rutgers voorzichtig met een ontwikkeling waarbij deputaten steeds meer bevoegdheden krijgen. Want wanneer een kleine groep mensen tussen twee synoden door steeds meer zaken zelfstandig gaat regelen, kan er een situatie ontstaan waarin de feitelijke macht niet meer ligt waar zij volgens de kerkelijke orde behoort te liggen.

Vertrouwen en verantwoordelijkheid…

Natuurlijk bedoelt Rutgers helemaal niet dat deputaten per definitie niet te vertrouwen zouden zijn. Integendeel. Juist omdat deputaten vaak bekwame en betrouwbare mensen zijn, bestaat het gevaar dat kerken gemakkelijk steeds meer aan hen overlaten.

Het probleem zit dus volgens Rutgers niet in de persoon van de deputaat. Het probleem ontstaat wanneer de opdracht langzaam verandert in zelfstandige macht. Dat kan zelfs met de beste bedoelingen gebeuren: een deputaat wil een probleem oplossen; hij wil de kerk helpen; hij ziet dat snel handelen nodig is; de kerkelijke vergadering heeft hem vertrouwen gegeven. Maar juist dan is het nodig om de grenzen van de opdracht in het oog te houden.

De lijst van deputaatschappen van de Generale Synode, zoals weergegeven in het Jaarboek 2000 van de GKN.

Een gezonde verhouding.

Wat Rutgers in zijn interessante proefschrift vertelt, is daarom eigenlijk een heel eenvoudige maar belangrijke kerkelijke regel.

De kerkelijke vergaderingen moeten hun verantwoordelijkheid niet uit handen geven. Zij mogen werkzaamheden delegeren, maar daarmee geven zij niet automatisch hun eigen verantwoordelijkheid en bevoegdheid uit handen.

Deputaten kunnen veel werk uit handen nemen. Zij kunnen onderzoek doen, contacten onderhouden, adviseren, bemiddelen en besluiten helpen uitvoeren. Maar zij blijven dienaren van de opdracht die zij hebben ontvangen.

Dat vraagt van zowel de vergaderingen als van de deputaten duidelijkheid. De vergadering moet duidelijk aangeven wat zij van de deputaten vraagt. De deputaten moeten zich vervolgens aan die opdracht houden. En wanneer er nieuwe of onverwachte zaken ontstaan, moet worden bekeken of daarvoor een nieuwe opdracht of een beslissing van de bevoegde vergadering nodig is. Zo blijft de verhouding helder.

  • Kort samengevat:

Deputaten zijn nodig om namens de kerk bepaalde taken uit te voeren, maar zij hebben geen zelfstandige macht. Ze krijgen een duidelijke opdracht van de kerkelijke vergadering, handelen binnen die opdracht en leggen daarover verantwoording af. Zo blijven zij dienaren van de kerken en geen bestuurders boven de kerken.

Bronnen onder meer:

H. Bouwman, Gereformeerd Kerkrecht, 2 dln. Kampen, 1928, 1934

Gemeenten en  predikanten van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Leusden, 1992

Jaarboek (ten dienste) van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Goes, div. jrg.

H.Q. Janssen, Catalogus van het Oud Synodaal Archief. ‘s-Gravenhage, 1878

H.C. Rutgers, Kerkelijke Deputaten. Hun werkkring en bevoegdheid inzonderheid gelijk deze gekend werden uit de Handelingen der Zuid-Hollandsche synoden en Deputaten. Kampen, 1910

© 2026. GereformeerdeKerken.info

Translation into English:

“Deputies Are Servants of the Churches”.

What Dr. H.C. Rutgers wrote about the task and jurisdiction of Deputies.

The Church Order of Dort was established during the Synod of Dort (1618–1619). This Church Order regulated the legal and ecclesiastical order that was subsequently followed in the ‘Gereformeerde’ Church in the Netherlands and in other Protestant churches in our country.

Introduction.

But… the Church Order of Dort of 1618–1619 did not come out of nowhere. It had built upon earlier writings from the ‘gereformeerde’ tradition, such as the Belgic Confession of 1561, written by Rev. Guido de Brès (1522–1567), and the Heidelberg Catechism, drawn up in 1563 by Zacharias Ursinus (1534–1583) and Caspar Olevianus (1536–1587).

In the Articles of Wezel, work had already begun in 1568 on proposals for an order (a “regulation”) for the churches, which eventually led to the National Synod of Dort.

During the Synod of Dort (1618–1619), the Church Order of Wezel was changed here and there and adopted as the Church Order for the “’Geredformeerde’ Church”; this continued until 1816, when the Government intervened. At that time, in the ‘Gereformeerde’ Church, the authorities ordered the Church Order of Dort to be set aside and introduced a new church order, the “General Regulation for the Government of the ‘Gereformeerde’ Church.” This largely brought an end to the independence of the local congregations and gave great power to the General Synod, so that people soon began speaking of a “synodal hierarchy.”

But the churches of the Secession of 1834, which separated from the ‘Gereformeerde’ Church under the leadership of Rev. H. de Cock (1801–1842), and the churches of the Doleantie of 1886, which separated under the leadership of Dr. A. Kuyper (1837–1920), abolished the “General Regulation” and “once again granted force and validity” to the Church Order of Dort.

Article 49 of the Church Order of Dort concerned Deputies.

One of the articles in the Church Order of Dort, Article 49, dealt with the task and authority of deputies. We have also regularly encountered this subject on our website. Think, for example, of the Deputies for Contact with the High Government Authorities, the Deputies for Churches Affected by War Damage, the Deputies for Evangelization, etc., etc.

In simple English, Article 49 stipulated the following:

“Every synod shall appoint several deputies (representatives). They must ensure that the decisions of the synod are carried out. They shall do this both with the government and with the various classes (regional church assemblies). They are accountable to the church assembly that appointed them.”

“The Deputies must also, either together or with a smaller number of them, supervise the examinations of people who wish to become ministers. In addition, they must assist the classes in other difficult or special situations that arise. The purpose of this is to ensure that good unity, order, and purity of doctrine continue to exist within the churches and are strengthened.”

“Deputies must keep a proper record of everything they do. They must report on this to the synod and, if requested, explain why they have done certain things. They shall continue carrying out their task until the synod officially releases them from their assignment.”

Dr. H.C. Rutgers (1880–1964).

In 1910, the dissertation of Dr. H.C. Rutgers appeared. It dealt with the task and authority of deputies. It was entitled “Church Deputies. Their Sphere of Work and Authority, Especially as These Are Known from the Acts of the Synods and Deputies of South Holland.”

Hermanus Cornelis Rutgers (1880–1964) was born in Amsterdam and died in Renkum. He was a son of Dr. F.L. Rutgers, who was known as the legal scholar of the Doleantie and, as Dr. Kuyper wrote, his alter ego. He studied theology at the Free University in Amsterdam. From 1911 to 1915 he served as a ‘gereformeerde’ minister on Marken. There he resigned from the ministry in order to serve from 1915 to 1935 as secretary of the N.C.S.V., the Dutch Christian Students Association. After that, until 1950, he was general secretary of the Netherlands Bible Society.

Dr. H.C. Rutgers studied the development of the task and authority of deputies on the basis of what he found concerning them in the archives of the Particular Synod of South Holland (from the sixteenth century onward). The provincial archive of South Holland was the most important part of what was known as the Old Synodical Archive of the church of the Reformation.

The first proposition in Rutgers’ dissertation clearly indicated that the task and authority of deputies had a definite limit:

“The synodical deputies appointed in accordance with the Church Order of the ‘Gereformeerde’ Churches in the Netherlands have no independent power, but their authority extends no further than carrying out what is assigned to them by the synod, whereby they have no more power than is granted to them by the synod.”

The dissertation, which is still very worthwhile reading, discusses numerous subjects in great detail. In the following account, we give an overview of the most important tasks and powers assigned to deputies.

On the task and authority of Deputies.

In church life, we regularly encounter people who have been given a particular task on behalf of a church assembly. They are called deputies. A synod may, for example, appoint deputies for missions, evangelization, church visitation, contacts with other churches, or for a particular difficult ecclesiastical matter.

At first sight, this seems entirely logical. After all, a church assembly cannot do everything itself. It is practical, and often necessary, to entrust certain activities to a smaller number of people, a committee, or a deputation.

But the important question, of course, is: how far does the authority of deputies actually extend? Are they allowed to make decisions themselves? And when does their assignment come to an end?

Dr. F.L. Rutgers—the father of Dr. H.C. Rutgers, whose book we are discussing—had already written extensively about these questions. His thoughts on the subject can be found in a series of articles on “Church Deputies,” which appeared in De Heraut in December 1894. Rutgers’ ideas fit well with the work of the ‘gereformeerde’ church-law expert Gisbertus Voetius (1589–1676).

Anyone who reads H.C. Rutgers discovers that deputies are not merely a matter of practical organization. Behind this subject lies an important principle of ‘gereformeerde’ church polity: who bears ecclesiastical responsibility, and who has the authority to act on behalf of the church?

The church assembly remains responsible.

For H.C. Rutgers, everything begins with the church assembly itself. The consistory, the classis, and the synod each have their own place and their own responsibility. They are the assemblies in which ecclesiastical matters are dealt with and in which decisions are made.

A deputation does not come to stand alongside these assemblies as a new assembly! This is an important principle. By being appointed, a deputy does not receive his own general ecclesiastical authority. He does not suddenly become someone who stands above the churches or who can arrange all kinds of matters on behalf of the churches according to his own judgment.

A deputy receives an assignment. That may sound simple, but according to Dr. Rutgers, it is precisely a fundamental matter. The deputy does not owe his authority to himself, nor does he derive it from his title. He derives his authority from the church assembly that appointed him. The assembly gives the assignment, and the deputy carries it out.

Therefore, according to Rutgers, we must always distinguish between deciding and executing. The church assembly makes the decision; the deputies help put that decision into practice.

An assignment has limits.

Someone who receives an assignment may not simply do whatever he wants with it. Suppose a synod appoints a number of deputies to investigate a particular matter. These deputies have the task of carrying out the investigation and reporting their findings to the synod. During their work, they may conduct discussions, gather information, and give advice. But they may not simply make decisions that fall outside their assignment.

The same applies when deputies maintain contact with other churches on behalf of and under the authority of a synod. They may speak on behalf of the assembly, but they may not go beyond the assignment they received from the synod or exceed the boundaries of that assignment. They may not, on their own authority, make new decisions of which the synod itself has not taken cognizance.

That is why the assignment—the mandate—is so important. The mandate indicates what deputies may and may not do. The clearer the assignment, the clearer the boundaries of their authority.

Rutgers wants to prevent the word “deputy” itself from coming to mean a kind of general authority. The fact that someone is a deputy does not yet tell us what he is permitted to do. For that, we must look at the assignment he has received.

The danger of convenience…!

Dr. H.C. Rutgers sees a danger that can easily arise. A church assembly does not meet every week. A synod meets only from time to time. When something needs to be done between two meetings, it is naturally easy to say: “Let the deputies take care of it.” There is nothing wrong with that in itself. Indeed, it is one of the reasons deputies are appointed.

But… things can gradually go further without anyone noticing: a deputation first receives a small assignment. Then another matter is added. Then yet another. Because the deputies have meanwhile gained experience and can deal with matters quickly, it becomes attractive to leave more and more to them.

In this way, something can slowly change. Initially, the deputies were people who carried out an assignment from the synod. But when they increasingly begin to act independently, they can in practice become a kind of governing body that regulates ecclesiastical affairs between synods and makes decisions independently. That is the danger against which Rutgers warns.

So the issue is not merely whether deputies are good and trustworthy people. Even when they perform their work excellently, the question remains whether they might, without anyone noticing, be given a position that, according to ‘gereformeerde’ church polity, does not properly belong to them.

A long-term assignment is not unlimited power.

Sometimes it is thought that if deputies are appointed for a certain period, they have the authority throughout that entire period to act on behalf of the church. But Rutgers makes clear that the matter is not that simple.

The fact that someone serves as a deputy for a longer period does not mean that during that entire period he has the same authority as the church assembly itself. The assignment, the mandate, remains decisive.

That is a very important distinction. A deputation may, for example, continue until the next synod, so that the deputies can continue their work and deal with ongoing matters. But this does not make them an independent church assembly.

Here too, the same principle applies: they receive their authority from the assembly and remain bound by that authority, by their assignment, their mandate.

Expertise does not give additional ecclesiastical authority.

There is another point that H.C. Rutgers brings forward: for certain ecclesiastical matters, experts are needed. It is quite possible that a small group of deputies has much more knowledge of a particular subject than the average delegate to a synod. That is precisely an important reason for appointing deputies.

But… expertise and authority are two different things. Someone may have extensive knowledge of a particular matter and still lack the authority to decide independently on behalf of the church. This is an important distinction. Otherwise, the thought could easily arise: “These people know so much about it, so let them decide.”

Rutgers wants to keep these two matters separate: expertise can make someone suitable for a particular assignment, but expertise in itself does not give ecclesiastical authority.

The expertise of deputies must serve the church assembly. They must help the assembly arrive at good decisions and properly carry out the decisions that have been made.

Deputies are there for the churches.

This brings us to the heart of Rutgers’ view: Deputies are there to serve the churches.

That may sound like a simple statement, but it has major consequences. It means that deputies must not begin functioning as a governing body to which the churches ultimately become subordinate.

The relationship is the other way around! The church assembly gives the assignment. The deputies carry out that assignment. They then report on their work and can be questioned about what they have done.

That is why accountability is so important. Deputies are not independent holders of power, but people who have been entrusted with a particular responsibility and who must give an account of it.

Put very simply: The assembly gives the assignment, the deputies carry it out, and the assembly remains responsible for the decision.

But what if action is needed quickly?

Of course, there are situations in which not everything can calmly wait until the next church assembly. Unexpected or difficult circumstances may arise in which immediate action is necessary. Deputies can also have an important role in such situations. They can advise, mediate, warn, or help prevent a problem from escalating further. Rutgers certainly does not deny this reality.

But even here, caution is necessary. A special situation must not automatically lead to a permanent expansion of the authority of deputies!

When one or more deputies do something in a particular situation that was not literally included in the original assignment, that too falls under the responsibility of the church assembly that appointed them. The intention is not that an exception should gradually become the ordinary rule. Therefore, the church assembly must ensure that it retains its own responsibility.

What Rutgers is especially concerned about.

Anyone who reads Rutgers’ book notices that a deeper concern lies behind his argument. He wants to prevent a governing layer from arising within the ‘Gereformeerde’ Churches that comes to stand above the other churches. It is not without reason that ‘gereformeerde’ church polity strongly emphasizes that one church should not rule over another church. Nor should one office-bearer simply exercise dominion over another office-bearer.

This does not mean that there is no authority in the church. On the contrary. There is ecclesiastical authority, and there are church assemblies that make decisions. But that authority must be exercised within the order that the church has received for this purpose.

That is why Rutgers is cautious about a development in which deputies increasingly receive more and more authority. For when a small group of people begins to independently regulate more and more matters between two synods, a situation can arise in which the actual power no longer lies where, according to the church order, it ought to lie.

Trust and responsibility…

Of course, Rutgers does not mean at all that deputies are inherently untrustworthy. On the contrary. Precisely because deputies are often capable and trustworthy people, there is a danger that churches will easily entrust more and more to them.

According to Rutgers, then, the problem does not lie in the person of the deputy. The problem arises when the assignment gradually changes into independent power. This can happen even with the best of intentions: a deputy wants to solve a problem; he wants to help the church; he sees that quick action is necessary; the church assembly has placed its trust in him. But precisely then, it is necessary to keep the boundaries of the assignment in view.

A healthy relationship.

What Rutgers explains in his interesting dissertation is therefore actually a very simple but important ecclesiastical rule.

The church assemblies must not surrender their responsibility. They may delegate work, but by doing so they do not automatically surrender their own responsibility and authority.

Deputies can take a great deal of work off the hands of the assemblies. They can conduct research, maintain contacts, give advice, mediate, and help implement decisions. But they remain servants of the assignment they have received.

This requires clarity from both the assemblies and the deputies. The assembly must clearly indicate what it expects from the deputies. The deputies must then adhere to that assignment. And when new or unexpected matters arise, it must be determined whether a new assignment or a decision by the competent assembly is required. In this way, the relationship remains clear.

In brief…

  • Deputies are necessary to carry out certain tasks on behalf of the church, but they have no independent power.
  • They receive a clear assignment from the church assembly, act within that assignment, and are accountable for their work.
  • In this way, they remain servants of the churches and do not become rulers over the churches.