De Gereformeerde Kerk te Elim (Dr.) en daarna (1)

Vijfentachtig jaar gereformeerd en protestants te Elim (Dr.).

De Gereformeerde Kerk in het Drentse Elim (tussen Coevorden en Hoogeveen) werd op 7 december 1941 geïnstitueerd. Dat houdt in dat deze kerk in 2016 vijfenzeventig jaar bestond; we besteedden er destijds aandacht aan. In verband met de toekomstplannen voor de sinds 2022 protestantse Perebomen(weg)kerk is er alle aanleiding nog eens uitgebreid aandacht aan de geschiedenis van deze kerk te besteden.

Kaart: Google.

De eerste jaren: behoefte aan een eigen kerk.

In de eerste helft van de twintigste eeuw waren de gereformeerden in het Drentse Elim, dat destijds ook bekendstond als Dwarsgat, aangewezen op de kerken in Hollandscheveld en Nieuwlande.

Daar bezochten zij de zondagse kerkdiensten. Het kerkje van Van Leeuwen, waar veel Elimieten eerder naartoe gingen, was inmiddels verdwenen. Omdat de meeste mensen nog geen auto bezaten, legden zij de afstand te voet of op de fiets af. Vooral bij slecht weer was dat een hele onderneming.

De Gereformeerde Kerk te Elim werd op 7 december 1941 geïnstitueerd (‘De Heraut’, 7 december 1941).

De gereformeerde gemeenschap in Elim groeide echter gestaag. Een belangrijke stap was de oprichting van de Christelijke School met den Bijbel in 1931. Er woonden inmiddels voldoende gereformeerde gezinnen om een eigen school te rechtvaardigen. Tot die tijd bezochten de kinderen de hervormde school. De nieuwe school kreeg al snel ook een kerkelijke functie: er werden regelmatig bijeenkomsten en kerkdiensten gehouden.

Ds. R. Ypma (1914-1996).

In 1939 werd Elim voor het eerst als zelfstandige gereformeerde gemeente (in de dop) aangeduid. Ds. R. Ypma (1914-1996) trad aan als hulpprediker. Het kerkelijke leven ontwikkelde zich voorspoedig en onder de gemeenteleden groeide het verlangen naar een eigen kerkgebouw.

De bouw van de eerste kerk.

Een eigen kerk bouwen kostte geld. Aannemer Hendrik Wimmenhove schatte dat daarvoor ongeveer vierduizend gulden nodig zou zijn. Dat was een aanzienlijk bedrag, maar de gemeenteleden lieten zich niet ontmoedigen.

In 1941 werd ds. R.A. Hoogkamp (1909-1996) als predikant bevestigd. Hij adviseerde om in de omgeving van Harderwijk te gaan kijken naar houten schuren die vanwege de economische crisis werden afgebroken. Mogelijk konden deze worden aangekocht en voor de bouw van een kerk worden gebruikt.

Hoofdmeester W.K. Slik.

Hoofdmeester W.K. Slik, Walraad Guichelaar en aannemer Hendrik Wimmenhove namen deze taak op zich. Ook voor de grond werd een geschikte oplossing gevonden. Een perceel van de familie Vos aan de Perenboomweg bleek betaalbaar en bood voldoende ruimte. Aan deze weg stonden toen nog maar twee huizen. De naam verwees naar de perenbomen die er destijds groeiden.

Op 7 december 1941 werd de eerste Gereformeerde Kerk van Elim in gebruik genomen. Bij de opening telde de gemeente 42 gezinnen, samen ongeveer 250 personen. Grote gezinnen waren in die tijd gebruikelijk; sommige families telden acht tot tien kinderen. De kerk was daardoor goed gevuld.

De eerste gereformeerde kerk.

Veel gemeenteleden hadden zelf meegewerkt aan de bouw. Dominee Hoogkamp leidde de openingsdienst. Naast hem stond de kerkenraad, die bestond uit W.K. Slik, H. Bisschop, R. Metselaar, T. Westera, A. Vos en J. Booij.

Het gebouw had een toren en was zowel van buiten als van binnen opvallend rood geschilderd. Alleen het bovenste deel van de muren en het plafond hadden een lichte kleur. Op de galerij stond een orgel met een krachtig geluid. Twee grote kachels zorgden voor de verwarming. De schoorstenen trokken zo goed dat het voor de koster soms lastig was om de temperatuur in de kerk aangenaam te houden.

De bouwkosten kwamen uiteindelijk uit op ongeveer tienduizend gulden, aanzienlijk meer dan aanvankelijk was begroot. Toch overheersten de dankbaarheid en het vertrouwen dat de financiële verplichtingen zouden worden nagekomen.

Het kerkelijke leven in de jaren veertig.

De eerste kerk kende allerlei gebruiken die inmiddels grotendeels verdwenen zijn. Op nieuwjaarsdag kreeg ieder gezin een vaste zitplaats toegewezen voor het komende jaar. Wanneer gemeenteleden later van plaats wisselden, kon dat weleens tot onenigheid leiden.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was er niet altijd elektriciteit beschikbaar. Om het orgel toch te kunnen bespelen, werd een fiets omgebouwd tot een installatie waarmee stroom kon worden opgewekt. Jongens achter in de kerk moesten trappen om het orgel van elektriciteit te voorzien. Dat was niet altijd naar de zin van de ouders en de predikant.

Een luchtfoto van Elim in 1957 (foto: Facebook Oud-Elim).

Ook het collecteren verliep anders dan tegenwoordig. De diakenen liepen met een collectezak aan een lange stok door de kerk. Daarbij sneuvelde weleens een dameshoed. Jaar Kuiper, die kapper was, stond erom bekend dat hij daar soms een handje van had.

Vrouwen maakten in die tijd nog geen deel uit van de kerkenraad. Sommige gemeenteleden droegen nog de traditionele streekdracht, waaronder de witte neepjesmuts. Bekende verschijningen waren Annoa Guichelaar, die blind was en ook wel Bliende Annoa werd genoemd, en de vrouwen Fik-Likkel en Eultie van der Weide.

Dominee Hoogkamp woonde aan de Carstensdijk. Tijdens de oorlog was hij actief in het verzet en hielp hij onderduikers en Joodse mensen aan onderdak. Aanvankelijk leek de oorlog het dagelijkse leven in Elim weinig te beïnvloeden. Dat veranderde toen de bezetters de scholen in beslag namen. De kerk werd daarop ook gebruikt voor het onderwijs. Hoewel de omstandigheden primitief waren, probeerde men het gewone leven zo veel mogelijk voort te zetten.

Dominee Post en de bouw van een pastorie.

Ds. M. Post (1885-1978).

Na de oorlog kreeg de gemeente emeritus-predikant ds. M. Post (1885-1975), die van 1946 tot 1952 hulpdiensten verrichtte. Hij stond bekend om zijn uitgesproken preken en zijn beschouwingen over de bedreigingen die hij voor het christendom zag. Ook zijn persoonlijke gewoonten bleven in herinnering. Hij rookte graag en bewaarde losse sigaretten van het merk Old Mac in zijn jaszak. Met een wandelstok met zilveren knop liep hij door het dorp. Omdat hij zelf niet kon fietsen, ging hij bij huisbezoeken soms achter op de fiets bij een ouderling. Dat was op de onverlichte wegen van die tijd niet altijd gemakkelijk.

In de gemeente ontstond daarnaast de wens om een eigen pastorie te bouwen. Er was al een bedrag gespaard en dankzij financiële toezeggingen en een lening kon de bouw uiteindelijk doorgaan. Het duurde enkele jaren voordat de woning gereed was.

In 1954 werd de pastorie voltooid. In datzelfde jaar kreeg Elim na een lange vacatureperiode een nieuwe predikant: dominee Horlings.

Dominee Horlings en het verenigingsleven.

Ds. W. Horlings (1924-1997) –  die op 6 juni 1954 bevestigd werd – speelde een belangrijke rol in het kerkelijke leven van de jaren vijftig en het begin van de jaren zestig. Veel jongeren volgden bij hem catechisatie en deden belijdenis. De groepen waren groot, maar het handhaven van de orde bleek soms een uitdaging.

Ds. W. Horlings (1924-1997).

Arie Metselaar en Albert Schonewille, beiden kerkenraadslid, zaten regelmatig bij de catechisaties om een oogje in het zeil te houden. De jongeren hadden echter zo hun eigen manieren om de bijeenkomsten wat aangenamer te maken. Zo werd de kachel vooraf stiekem flink opgestookt en van extra cokes voorzien. De kerkenraadsleden zaten daardoor zo behaaglijk warm dat ze nog weleens bijna in slaap vielen.

Naast de zondagse kerkdiensten waren de Knapen- en meisjesverenigingen belangrijke onderdelen van het gemeenteleven. Meester Beekhuis en Mina Schonewille leidden deze verenigingen aanvankelijk; later namen anderen het werk over.

Ook de kerkmuziek veranderde. Lange tijd werden de psalmen en gezangen langzaam gezongen, in hele noten. Toen de gemeente overstapte op ritmisch zingen, moest organist Klaas Bisschop daaraan wennen. Wanneer het tempo te hoog opliep, onderbrak hij het spel soms met de oproep: „Doet moar wat kalmer an!”

Dominee Horlings vertrok in 1962 naar de kerk van Giessendam-Neder-Hardinxveld. In datzelfde jaar zou het kerkelijke leven echter een ingrijpende wending nemen.

De kerkbrand van 1962.

Op tweede kerstdag 1962 stond het jaarlijkse kinderkerstfeest gepland. Na de morgendienst brak er brand uit in de houten kerk. Het vuur verspreidde zich zo snel dat het gebouw binnen ongeveer een uur volledig afbrandde.

De houten kerk staat in brand…

De houten constructie maakte het vrijwel onmogelijk de kerk nog te redden. Een foto waarop de vlammen uit het dak slaan, herinnert nog altijd aan deze dramatische gebeurtenis.

Bijna alles ging verloren. Alleen het doopvont kon door koster Albert Santing uit het brandende gebouw worden gered. Het bevindt zich nog steeds in de kerk en vormt een tastbare herinnering aan het eerste kerkgebouw.

Het doopvont was ontworpen en gemaakt door timmerman Hendrik Wimmenhove, die ook de houten kerk had gebouwd. De bijzondere vormgeving doet tegenwoordig denken aan de stijlen art deco en jugendstil.

Het verlies was groot. De kerk was niet alleen een gebouw, maar ook de plaats waar gemeenteleden samenkwamen, kinderen werden gedoopt, huwelijken werden ingezegend en afscheid werd genomen van overledenen. Bovendien hadden veel gemeenteleden zelf aan de bouw meegewerkt.

‘Nieuwsblad van het Noorden’, 27 december 1962.

Na de eerste verslagenheid moest de vraag worden beantwoord hoe het kerkelijke leven verder kon gaan en hoe een nieuw gebouw gefinancierd kon worden.

Een nieuwe kerk dankzij gezamenlijke inzet.

De kerkenraad ging op zoek naar mogelijkheden om een nieuw kerkgebouw te realiseren. Via de classis en de synode kreeg de gemeente toestemming om bij gereformeerde zusterkerken in het hele land geld in te zamelen.

De verzekering bood onvoldoende dekking voor de nieuwbouw. Daarom was aanvullende financiële steun noodzakelijk. Gemeenteleden gingen op pad om giften en toezeggingen te verzamelen. Ook werden kaarten met bijzondere teksten verstuurd naar familieleden, kennissen en andere contacten in het land.

Het in 1951 gebouwde dorpshuis ‘De Open Deur’.

De bereidheid om te helpen was groot. Dankzij de inzet van vrijwilligers en de steun van andere kerken kwam het benodigde geld geleidelijk bijeen. Uiteindelijk werd toestemming verleend om opnieuw te bouwen.

In de tussentijd vonden de kerkdiensten plaats in de school. Later kon de gemeente ook gebruikmaken van gebouw De Open Deur. Deze noodoplossingen bleven enkele jaren nodig. In die periode trouwden Anneke en haar echtgenoot in de hervormde kerk.

De nieuwe gereformeerde kerk te Elim.

In 1964 werd de nieuwe Gereformeerde Kerk van Elim in gebruik genomen. De bouw werd uitgevoerd door aannemer L. Wimmenhove, een broer van de bouwer van de eerste kerk. Ds. M. Post, die toen nog in Elim woonde, legde de eerste steen. Ook bij deze nieuwbouw werd veel werk door vrijwilligers verricht.

Het nieuwe gebouw was een grote verandering ten opzichte van de houten voorganger. Het was een ruime stenen kerk met een eigen (losse) toren en meerdere zalen voor vergaderingen en verenigingsactiviteiten. Het is het kerkgebouw dat nog altijd een centrale plaats inneemt in het kerkelijke leven van Elim.

Bronnen onder meer:

Gemeenten en predikanten van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Leusden, 1992

Jaarboek (ten dienste) van De Gereformeerde Kerken in Nederland. Goes, div. jrg.

A. Metselaar, Het ontstaan van Elim. Elim, 1986

Protestantse Gemeente Elim, Beleidsplan 2022-2026.

H. Wemmenhove, Toen Elim nog Dwarsgat was.

© 2026. GereformeerdeKerken.info

Translation into English:

The ‘Gereformeerde’ Church in Elim (Drenthe) and Its Subsequent History.

Eighty-Five Years of ‘gereformeerd’ and Protestant Christianity in Elim (Drenthe).

The ‘Gereformeerde’ Church in Elim, in the Dutch province of Drenthe (between Coevorden and Hoogeveen), was formally established on 7 December 1941. This means that the church celebrated its seventy-fifth anniversary in 2016, an occasion we marked at the time. In view of the future plans for the Perebomen(weg) Church, which has been Protestant since 2022, there is every reason to take another extensive look at the history of this church.

The Early Years: The Need for a Church of Their Own.

During the first half of the twentieth century, members of the ‘Gereformeerde’ Church in Elim, Drenthe, which was also known at the time as Dwarsgat, depended on the churches in Hollandscheveld and Nieuwlande.

They attended Sunday services there. The little church belonging to Van Leeuwen, which many people from Elim had previously attended, had since disappeared. Because most people did not yet own a car, they covered the distance on foot or by bicycle. This was quite an undertaking, especially in bad weather.

The ‘gereformeerde’ community in Elim, however, continued to grow steadily. An important milestone was the establishment of the Christian School with the Bible in 1931. By then, there were enough ‘gereformeerde’ families living in the area to justify having a school of their own. Until that time, the children had attended the ‘Hervormde’ school. The new school soon acquired a religious function as well: meetings and church services were regularly held there.

In 1939, Elim was referred to for the first time as an independent ‘Gereformeerde’ congregation in the making. Rev. R. Ypma (1914–1996) took up his post as an assistant minister. Church life developed well, and among the congregation members there was a growing desire for a church building of their own.

The Construction of the First Church.

Building a church of their own cost money. Contractor Hendrik Wimmenhove estimated that approximately four thousand guilders would be needed. This was a substantial sum, but the congregation members refused to be discouraged.

In 1941, Rev. R.A. Hoogkamp (1909–1996) was installed as minister. He advised the congregation to look around the Harderwijk area for wooden sheds that were being dismantled because of the economic crisis. Perhaps these could be purchased and used to construct a church.

Headmaster W.K. Slik, Walraad Guichelaar, and contractor Hendrik Wimmenhove took on this task. A suitable solution was also found for the land. A plot owned by the Vos family on Perenboomweg proved affordable and offered sufficient space. At that time, there were only two houses along this road. Its name referred to the pear trees that grew there in those days.

On 7 December 1941, Elim’s first ‘gereformeerde’ Church was opened for use. At the opening, the congregation consisted of 42 families, comprising approximately 250 people. Large families were common at the time; some had eight to ten children. As a result, the church was well filled.

Many congregation members had helped with the construction themselves. Rev. Hoogkamp led the opening service. Standing alongside him was the church council, which consisted of W.K. Slik, H. Bisschop, R. Metselaar, T. Westera, A. Vos, and J. Booij.

The building had a tower and was painted a striking red, both inside and out. Only the upper parts of the walls and the ceiling were painted in a light colour. An organ with a powerful sound stood in the gallery. Two large stoves provided the heating. The chimneys drew so well that the church caretaker sometimes found it difficult to keep the temperature inside the church comfortable.

The final construction costs came to approximately ten thousand guilders, considerably more than the original estimate. Nevertheless, gratitude prevailed, along with the confidence that the financial obligations would be met.

Church Life in the 1940s.

The first church had all kinds of customs that have largely disappeared today. On New Year’s Day, each family was assigned a fixed seat for the coming year. When congregation members subsequently changed seats, this could sometimes lead to disagreements.

During the Second World War, electricity was not always available. To ensure that the organ could still be played, a bicycle was converted into a device capable of generating electricity. Boys at the back of the church had to pedal to supply power to the organ. This did not always meet with the approval of their parents or the minister.

The collection also worked differently from the way it does today. The deacons walked through the church carrying a collection bag attached to a long pole. Occasionally, a woman’s hat would be knocked off or damaged in the process. Jaar Kuiper, who worked as a barber, was known for sometimes having a hand in such mishaps.

At that time, women were not yet members of the church council. Some congregation members still wore traditional regional dress, including the white neepjesmuts, a traditional close-fitting cap with small pleats. Familiar figures included Annoa Guichelaar, who was blind and was also known as Bliende Annoa (“Blind Annoa”), and the women Fik-Likkel and Eultie van der Weide.

Rev. Hoogkamp lived on Carstensdijk. During the war, he was active in the resistance and helped people in hiding and Jewish people find shelter. Initially, the war seemed to have little effect on everyday life in Elim. This changed when the occupying forces requisitioned the schools. The church was then also used for educational purposes. Although conditions were primitive, people tried to carry on with normal life as much as possible.

Rev. Post and the Construction of a Parsonage.

After the war, the congregation was served by retired minister Rev. M. Post (1885–1975), who provided ministerial assistance from 1946 to 1952. He was known for his outspoken sermons and his reflections on the threats he believed Christianity was facing. His personal habits also remained in people’s memories. He enjoyed smoking and kept loose Old Mac cigarettes in his jacket pocket. He walked through the village with a walking stick topped with a silver knob. Since he could not ride a bicycle himself, he sometimes travelled to pastoral visits on the back of an elder’s bicycle. This was not always easy on the unlit roads of the time.

There was also a growing desire within the congregation to build a parsonage of its own. Some money had already been saved, and thanks to financial pledges and a loan, construction was eventually able to proceed. It took several years for the house to be completed.

The parsonage was completed in 1954. In that same year, following a lengthy vacancy, Elim welcomed a new minister: Rev. Horlings.

Rev. Horlings and Congregational Activities.

Rev. W. Horlings (1924–1997), who was installed on 6 June 1954, played an important role in church life during the 1950s and the early 1960s. Many young people attended his catechism classes and made their public profession of faith. The groups were large, and maintaining order sometimes proved challenging.

Arie Metselaar and Albert Schonewille, both members of the church council, regularly sat in on the catechism classes to keep an eye on things. However, the young people had their own ways of making the meetings a little more enjoyable. For example, they would secretly stoke the stove well in advance and add extra coke. As a result, the council members would become so comfortably warm that they sometimes nearly fell asleep.

Besides the Sunday services, the boys’ and girls’ societies were important parts of congregational life. Initially, Headmaster Beekhuis and Mina Schonewille led these societies; others took over the work later.

Church music also changed. For a long time, psalms and hymns were sung slowly, in whole notes. When the congregation switched to singing rhythmically, organist Klaas Bisschop had to get used to the change. Whenever the tempo became too fast, he would sometimes stop playing and call out: “Doet moar wat kalmer an!” (“Take it a little easier!” in the local dialect).

Rev. Horlings left in 1962 to serve the church in Giessendam-Neder-Hardinxveld. That same year, however, church life was to take a dramatic turn.

The Church Fire of 1962.

The annual children’s Christmas celebration was scheduled for Boxing Day, 26 December 1962. After the morning service, a fire broke out in the wooden church. The flames spread so quickly that the building burned down completely in approximately one hour.

The wooden structure made it virtually impossible to save the church. A photograph showing flames bursting through the roof remains a reminder of this dramatic event to this day.

Almost everything was lost. Only the baptismal font was rescued from the burning building by caretaker Albert Santing. It is still in the church and serves as a tangible reminder of the first church building.

The baptismal font was designed and made by carpenter Hendrik Wimmenhove, who had also built the wooden church. Its distinctive design is reminiscent of the Art Deco and Art Nouveau styles to modern eyes.

The loss was immense. The church was not merely a building; it was also the place where congregation members gathered, children were baptised, marriages were blessed, and farewells were said to the deceased. Moreover, many congregation members had personally helped build it.

After the initial shock and dismay, the congregation had to address two questions: how could church life continue, and how could a new building be financed?

A New Church Made Possible Through Collective Effort.

The church council began looking for ways to build a new church. Through the regional classis and the national synod, the congregation received permission to raise money from ‘Gereformeerde’ sister churches throughout the country.

The insurance payout was insufficient to cover the cost of rebuilding. Additional financial support was therefore essential. Congregation members went out to collect donations and pledges. Cards bearing special messages were also sent to relatives, acquaintances, and other contacts throughout the country.

People were very willing to help. Thanks to the efforts of volunteers and the support of other churches, the necessary funds gradually came together. Eventually, permission was granted to rebuild.

In the meantime, church services were held in the school. Later, the congregation was also able to use the De Open Deur building. These temporary arrangements remained necessary for several years. During this period, Anneke and her husband were married in the ‘Hervormde’ Church.

In 1964, Elim’s new ‘gereformeerde’ Church was opened for use. The construction was carried out by contractor L. Wimmenhove, a brother of the man who had built the first church. Rev. M. Post, who was still living in Elim at the time, laid the foundation stone. Once again, volunteers carried out a great deal of the work themselves.

The new building represented a major change from its wooden predecessor. It was a spacious brick church with its own detached tower and several rooms for meetings and congregational activities. This is the church building that continues to occupy a central place in the religious life of Elim.

Part 2 will follow soon.