De Gereformeerde Kerk te Ridderkerk (2)

Ds. T.J. Hagen (van 1902 tot 1910).

( < Naar deel 1 ) – Anderhalf jaar na het vertrek van ds. De Groot werd in juni 1901 tevergeefs een beroep uitgebracht op ds. J.C. van Schelven (1854-1904) van Dieren, en later op kandidaat J. Mulder (1876-1961), die echter een beroep aannam naar Molenaarsgraaf. Men dacht de oorzaak van het bedanken te moeten zoeken in de bouwkundige staat van de pastorie.

Kaart: Google.

Maar anderzijds zei ook de kerkenraad wel eens ‘nee’, zoals tegen die kandidaat die volgens de kerkenraad ‘wereldgelijkvormig’ gekleed ging, een keurig bijgeschoren baardje had gekweekt en die een gouden horloge om zijn pols droeg.

Toch trof men later de juiste man, kandidaat T.J. Hagen (1877-1949) uit Reeuwijk. Hij nam het op hem uitgebrachte beroep aan en deed – na in het ambt bevestigd te zijn door ds. C. Lindeboom (1872-1938) van Bolnes – op 3 juli 1902 intrede, met als tekst psalm 78 vers 4: “Wij zullen het niet verbergen voor hun kinderen, voor het navolgende geslacht, vertellende de loffelijkheden des HEEREN, en Zijn sterkheid, en Zijn wonderen, die Hij gedaan heeft.” Dat lied werd tijdens de dienst ongetwijfeld ook gezongen. Acht jaar lang bleef ds. Hagen aan de gemeente van Ridderkerk verbonden. Tijdens zijn ambtsperiode keerde de rust na het rumoerige vertrek van ds. De Groot weer.

Ds. T.J. Hagen (1877-1949).

Van de Vlasschuur naar de Kerkweg (1902).

Tijdens de ambtsperiode van ds. Hagen vond een belangrijke gebeurtenis plaats. Terwijl men al begonnen was met de bouw van een nieuwe pastorie (dat was immers dringend nodig), legde de predikant op 22 september 1902 de eerste steen van een nieuwe kerk, op een stuk grond van 560 m², gelegen aan de Kerkweg, waarvoor fl. 1.240 betaald was. Voor de kerkbouw moest fl. 5.100 worden neergeteld en de pastorie kostte fl. 3.600. De kerk was ten tijde van de eerstesteenlegging trouwens al voor een groot deel klaar. Architect J.L. van Rij te Bolnes was de gelukkige geweest om de tekeningen te mogen maken en de kerk te laten bouwen door aannemer A. van der Gijp, ‘meester timmerman’ te Ridderkerk.

De Kerkweg met de eerste gereformeerde kerk met de oude pastorie.

Ter gelegenheid van de eerste steenlegging werd een Oorkonde opgesteld en getekend door onder meer de kerkenraad. De gemeente was langzaam maar zeker gegroeid en de toch al niet al te gerieflijke vlasschuur werd te klein en was in feite ondoelmatig. ‘Die was immers misschien voor zwingelkeet bijzonder geschikt, maar mist schier alles wat zelfs bij de meest bescheiden eischen voor de kerkelijke samenkomsten noodig is’, zo schreef men in een ‘bedelcirculaire’ aan de kerken in het land. Kerkenraadsleden reisden zelfs naar Amsterdam, Rotterdam, Delft, Schiedam, Den Haag, Driebergen, Haarlem, Dordrecht en Schoonrewoerd om voor de kerkbouw te collecteren. De kerk werd op 26 december 1902 in gebruik genomen. Een heel verschil met de vlasschuur!

Ds. Hagen nam op 6 november 1910 afscheid van Ridderkerk met een preek naar aanleiding van 1 Samuel 12 vers 21.

De in 1902 in gebruik genomen gereformeerde kerk aan de Kerkweg; ernaast de pastorie die de ondergang van deze kerk werd…

Ds. M. Schouten (van 1912 tot 1916).

Ruim twee jaar na het vertrek van ds. Hagen werd kandidaat M. Schouten (1878-1917) op 15 december 1912 in Ridderkerk predikant. Hij werd in het ambt bevestigd door zijn broer, ds. J.L. Schouten (1872-1940) van Arnhem. Er waren trouwens elf vergeefse beroepen op andere predikanten voor nodig geweest om de vacature vervuld te krijgen.

Hoe dan ook, tijdens zijn ambtsperiode werd in 1915 een knapenvereniging opgericht (voor de jonge jongens – als ze groot waren mochten ze naar de JV!), maar had de kerk ook te maken met financiële tekorten. Daardoor was het faillissement van de gasfabriek in Ridderkerk – in 1915 – voor de kerk een vervelende bijkomstigheid, want de nu noodzakelijke aanleg van elektriciteit was een dure aangelegenheid. De meisjesvereniging werd te hulp geroepen om het benodigde geld (ongeveer fl. 150 voor aansluiting op het elektriciteitsnet van kerk en pastorie) bijeen te krijgen.

‘Na bijna vierjarigen moeitevollen arbeid…’.

“Maar Gods wegen zijn hoger dan onze wegen. Gods pad leidt door de zee. Nauwelijks in Ridderkerks gemeente, welke met zooveel vertrouwen en liefde haar nieuwen herder en leeraar had ontvangen, openbaarde zich bij ds. Schouten een krankheid, die naar menschelijke berekening geen hope op herstel meer bood.

Ds. M. Schouten (1878-1917).

Een bloedziekte, tenslotte dodelijk, begon zijn krachten te ondermijnen, zijn bezieling langzaam te dooven, zijn levensdoel op aarde hem te ontrooven. Zijn volle kracht als dienaar des Woords heeft hij nooit kunnen ontplooien. Zijn onuitroeibaar optimisme hield hem door Gods genade nog lang staande. Nauwelijks trad eenige beterschap in, of ds. Schouten zette zich weer met nieuwen moed aan zijn arbeid. (…) Toen hem echter het ongeneeslijke van zijn ziekte werd aangekondigd, boog zich zijn ziele voor een oogenblik neder. Hij was nog zoo jong. Zijn vrouw en kinderen konden hem zoo noode missen. Al zijn studeren was dus zonder vrucht geweest”.

“Een dag voor zijn sterven, door zijn broerder gevraagd naar de hope des eeuwigen levens, luidde zijn antwoord: ‘God lof, mijn leven is met Christus verborgen in God’. In die wetenschap des geloofs is hij ingegaan in de vreugde zijns Heeren. Op Zwolles kerkhof schetste ds. J.J. Miedema [(1869-1935) van Groningen] de tegenstellingen in het leven van dezen dienaar des Woords: zijn rijzige gestalte en zijn gebroken lichaam, zijn technische bedrevenheid en zijn sterker wordend verlangen den Heere te dienen in het ambt van dienaar des Woords. Namens den kerkeraad van Ridderkerk getuigde ouderling Boer van de liefde, welke ds. Schouten in zijn eerste en eenige gemeente genoot, en hoe hij ondanks alle tobben met zijn lichaam, nog tot veel zegen mocht zijn”, schreef dr. H. Kaajan (1879-1940) in een In Memoriam.

De oudste gereformeerde kerk uit 1902.

De predikant, ‘die het hart des volks stal, niet het minst door zijn zoo geduldig gedragen lijden, [was]  een voorbeeld van lijdzaamheid voor heel de kudde. Na bijna vierjarigen moeitevollen arbeid, verkreeg hij [op 5 november 1916] emeritaat en ontsliep nauwelijks enkele weken daarna in den Heere’.

Ds. D.J. Couvée (van 1917 tot 1921).

Na het vervroegd emeritaat van ds. Schouten werd kandidaat D.J. Couvée (1889-1978) uit Rotterdam op 28 oktober 1917 in het ambt bevestigd. Hij kreeg in juli 1917 een beroep van de kerk van Ridderkerk, nadat de maanden daarvóór drie andere predikanten voor een beroep bedankten.

Ds. D.J. Couvée (1889-1978).

Ds. Couvée en zijn kerkenraad hielden er de wind wel onder. Behalve door zijn lange strenge gestalte imponeerde hij ook door de handhaving van orde en tucht op de catechisaties. ‘Als je 1 keer niet op de catechisatie was geweest, stuurde hij een ouderling naar je ouders om te vragen waarom je niet geweest was. Was je twee keer afwezig dan werd je naam van de preekstoel afgelezen’.

Vermoedelijk zullen de catechisanten wel gezorgd hebben dat in ieder geval die tweede strafmaatregel niet hoefde te worden toegepast… Ook op de galerij moest je trouwens oppassen, omdat je anders met naam en toenaam door de dominee naar beneden geroepen werden, omdat ‘je niet stil zat’. En tóch hielp die aanpak kennelijk niet genoeg. Dominee bleef namelijk klagen over het slechte catechisatiebezoek.

Ook de gemeenteleden werden door de kerkenraad goed in de gaten gehouden. Van mevrouw Couvée mocht dan wel schande gesproken worden toen ze op zondag met de kinderwagen buiten wandelde (!), maar dát was het ergste niet: las je een neutrale krant dan was dat aanleiding om niet tot kerkenraadslid te benoemd te worden of, als je het al was, om het ambt neer te leggen.

Ds. Couvée heeft veel gedaan voor de stichting van de Christelijke ULO-school in het dorp. Op 19 mei 1921 legde hij de eerste steen voor het nieuwe schoolgebouw, dat natuurlijk genoemd werd naar dr. A. Kuyper.

Ds. B. Wentsel (van 1922 tot 1959).

Ds. B. Wentsel (1888-1969).

De predikant die de kerk van Ridderkerk ongetwijfeld het langst diende was ds. B. Wentsel (1888-1969) van Nieuwendam (in combinatie met Zunderdorp). Hij deed in Ridderkerk op 12 maart 1922 intrede, nadat ds. Couvée op 8 mei 1921 afscheid genomen had. Ds. Wentsel was de vijfde beroepen predikant; de eerste vier bedankten. Zijn afscheid viel samen met zijn emeritaat in 1959.

De kerk in Slikkerveer geïnstitueerd (1925).

In het naburige Slikkerveer – waar door de kerk van Ridderkerk in het verleden geëvangeliseerd was – woonden na verloop van tijd steeds meer gereformeerde broeders en zusters. Ze gingen voor een groot deel in Ridderkerk naar de kerk, anderen trokken naar Bolnes. Het licht groeiende aantal gereformeerden was de reden dat in Slikkerveer de ‘Vereeniging tot Stichting en Instandhouding van gebouwen voor de Gereformeerde Evangelisatie’ opgericht werd. Omdat men behoefte voelde aan een eigen gebouw waar evangelisatiediensten gehouden konden worden, werd op 26 augustus 1924 overgegaan tot de eerstesteenlegging van een evangelisatiegebouw aan de Willemstraat.

Op zondagmiddag 17 mei 1925 werd er de eerste gereformeerde kerkdienst gehouden, waar ds. Wentsel voorging. Vijf dagen eerder waren al ambtsdragers gekozen (vijf ouderlingen en twee diakenen), die op die 17de mei in het ambt bevestigd werden. Daarmee was de Gereformeerde Kerk in Slikkerveer een feit geworden. Zowel in Ridderkerk als in Bolnes vertrokken gemeenteleden die in Slikkerveer woonachtig waren toen naar de kerk in hun eigen woonplaats.

De gereformeerde kerk te Slikkerveer.

Ruim een jaar later werden de kerk en de bijbehorende grond door de ‘Vereniging voor Evangelisatie’ aan de kerkenraad van Slikkerveer overgedragen. Vlak voor de oorlog, in 1939, werd bij de kerk een catechisatielokaal gebouwd. De eerste predikant was ds. G. Mulder (1900-1974), na hem kwamen vele anderen.

De Ridderkerkse kerk veertig jaar (1931).

Op 16 december 1931 werd aandacht besteed aan het veertigjarig bestaan van de Gereformeerde Kerk te Ridderkerk. Nadat oud-predikant ds. Hagen de dienst had geopend hield ds. Wentsel de preek naar aanleiding Zacharia 4 vers 10a: ‘Want wie veracht den dag der kleine dingen?’ Vervolgens voerden de nog in leven zijnde oud-predikanten van Ridderkerk het woord: ds. Verhoef, ds. Hagen en ds. Couvée, terwijl ds. M. van Wijk (1898-1959) van Bolnes namens de classis Barendrecht het woord voerde. Ds. Verhoef sloot de herdenkingsdienst af. De gemeenteleden konden na afloop van de dienst de oud-predikanten nog even een hand schudden, terwijl zij en de genodigden zich tegoed deden aan thee en een sigaar.

Het boekje dat ds. Wentsel schreef naar aanleiding van het veertigjarig bestaan van de Gereformeerde Kerk te Ridderkerk.

Ds. Wentsel had in de maanden ervoor het archief van de kerk nauwkeurig bestudeerd en op verzoek van de kerkenraad ter gelegenheid van het jubileum een gedenkboekje geschreven: ‘Iets uit de geschiedenis der Gereformeerde Kerk van Ridderkerk. Herinnering aan de geloofsworsteling der eenvoudigen op kerkelijk terrein’. De gemeenteleden konden het na de dienst bij de uitgang kopen.

Een nieuwe kerk in Ridderkerk (1940).

Tijdens de ambtsperiode van ds. Wentsel merkte men dat de pastorie verzakte. Maar de grootste ramp was dat die verzakking tot gevolg had dat de kerk – op zich in prima staat verkerend – meegetrokken werd, de ondergang tegemoet! Vandaar dat men – toen het gevaar te groot werd – besloot de kerkdiensten te houden in het gymlokaal van de dr. Kuyperschool, waar het orgel ook een plaats kreeg. Voorafgaande aan de dienst werden op zaterdagavond de stoelen door de koster van de schoolzolder gehaald en in het gymlokaal klaargezet. Uiteraard mocht de koster pas op maandag – maar dan ook héél vroeg! – het gymlokaal weer voor schoolactiviteiten in orde maken. Zondagsarbeid was immers niet toegestaan.

De tweede gereformeerde kerk aan de Kerkweg, die (compleet met tochtportaal aan de voorkant) in 1940 in gebruik genomen werd.

Driekwart jaar heeft men deze kerkdiensten in de school gehouden. De hele kerk werd, net als de pastorie, afgebroken en op dezelfde plaats werd een geheel nieuw kerkgebouw neergezet. De eerste paal werd op 31 augustus 1939 geslagen en de wel zeer eenvoudige eerste steen (een normale baksteen met als opschrift: ’21-10-39’) werd dus inderdaad op 21 oktober 1939 geplaatst. Het metselwerk van de kerk kostte fl. 8.000 en het timmerwerk werd voor fl. 7.000 aanbesteed. De totale kosten bedroegen uiteindelijk fl. 23.000: fl. 3.000 meer dan begroot, maar toen hád men ook wat! Weliswaar dreigden de mobilisatie en de aanstaande oorlog nog roet in het eten te gooien, maar op 12 mei 1940, twee dagen na de inval van de Duitsers, werd de nieuwe kerk in gebruik genomen, die later de naam ‘Pelgrimskerk’ kreeg.

De Tweede Wereldoorlog.

In de oorlogsjaren bleef de kerk van Ridderkerk gespaard voor grote rampen. Geregeld kwamen bij de kerkenraad schriftelijke kennisgevingen van de synode of van de classis binnen met protesten tegen maatregelen van de Duitsers. Zo werd tijdens een bidstond op 23 maart 1941 een schrijven van de generale synode voorgelezen waarin de gemeenteleden opgeroepen werden ‘hun inzichten te laten bepalen door Gods Woord en niet door de Duitse overheid’. In 1942 werd een synodale kanselboodschap vanaf de preekstoel voorgelezen waarin geprotesteerd werd tegen de behandeling van de Joden en de dwangarbeiders in Duitsland.

De tweede gereformeerde kerk na een verbouwing van voren gezien

De JV Gideon kreeg in maart 1941 bezoek van een politieagent die in opdracht van de burgemeester moest controleren of de jongens bij hun besprekingen misschien ook stiekem kritiek op de Duitsers hadden. Direct na binnenkomst van de agent sloot de voorzitter echter de vergadering. De politieagent kon onverrichter zake huiswaarts keren. Hetzelfde jaar werd een schrijven van de Duitsers ontvangen waarin men de kerk vorderde voor gebruik door de Duitse Wehrmacht. Dat ging gelukkig niet door: ‘Door de goede hand Gods over ons gelukt het, de Duitsers er van af te laten zien’.

Natuurlijk moest ook de kerk in Ridderkerk in opdracht van de Duitse bezetters verduisterd worden zodat de geallieerde piloten – met hun bommenlast op weg naar Duitsland – niet konden zien waar ze ergens waren. En ook in Ridderkerk werden collecten voor de diaconie gehouden, die in werkelijkheid bestemd waren voor de hulp aan onderduikers.

Er waren in de oorlog ook andersoortige problemen: de predikant merkte dat onder de preek bij het orgel door de orgeltrappers een kaartje gelegd werd in plaats van dat men zich nauwgezet en aandachtig de strekking van de prediking des Woords ter harte nam en eigen maakte. Ook had ds. Wentsel – als stevige pijproker – last van de tabaksschaarste. Vandaar dat hij in de tuin van de pastorie ‘Waalburg’ zelf tabak ging verbouwen. Hoewel hij zich verheugd had op een pijpje-eigen-kweek viel dat flink tegen: de predikant lag daarna een week ziek op bed – voor het eerst tijdens zijn verblijf in Ridderkerk.

De Vrijmaking (1944).

Dr. K. Schilder (1890-1952).

In de oorlog speelde zich natuurlijk ook het drama van de Vrijmaking af. Sinds de jaren ’30 waren in de Gereformeerde Kerken ‘meningsverschillen’ ontstaan – vooral tussen theologen – over onder meer de doop en het Verbond en over kerkrechtelijke zaken. Voor en tegen besprongen elkaar in talloze ‘open brieven’, strijdschriften, brochures en boeken, en van lieverlee gingen ook theologisch geïnteresseerde gemeenteleden meedoen. Onenigheid tussen voor- en tegenstanders van besluiten die de synode in de onderhavige kwesties nam, leidden uiteindelijk tot schorsing en afzetting van onder meer prof. dr. K. Schilder (1890-1952), hoogleraar aan de Theologische Hogeschool te Kampen. Dit alles leidde tot een behoorlijk grote uittocht uit de Gereformeerde Kerken van hen die zich vrij maakten van de synode en samen als – naar hun overtuiging – de voortzetting van de Gereformeerde Kerken verder gingen.

(In Ridderkerk ontstond de Gereformeerde Kerk (vrijgemaakt) op 26 november 1944. Aanvankelijk telde de gemeente 110 leden uit Ridderkerk en omgeving, vijftig jaar na de instituering iets meer dan 500. Tot 1972 heette de kerk ‘Gereformeerde Kerk te Bolnes en Slikkerveer’, daarna ‘Ridderkerk’. De eerste predikant – in combinatie met IJsselmonde – was ds. H.A. Stel, die op 25 maart 1945 intrede deed.)

Veel bijzonderheden zijn er niet te vertellen over de naoorlogse periode-Wentsel. Wel had men in 1956 tijdens de avondkerkdiensten veel last van lawaai, veroorzaakt door drukte van rumoerige voorbijgangers op de Kerkweg. Een schrijven aan B en W werd overwogen maar toch weer ingetrokken omdat het een langjarig probleem was, er al veel over gesproken was maar er nooit wat door was veranderd. Trouwens, zo had men ontdekt, er waren ook doopleden van de kerk bij de lawaaischoppers op de Kerkweg. Die zullen vast en zeker bezoek van de kerkenraad gehad hebben met de vraag waarom ze toen niet in de kerk waren.

De pastorie (1959).

De pastorie ‘Waalburg’ van opzij gezien, met ds. B. Wentsel (1888-1969) op de voorgrond (foto: Stichting Oud Ridderkerk).

Ds. Wentsel zat in oktober 1958 tegen zijn emeritaat aan. Toen hij de kerkenraad daarop attent maakte besloot men iets aan de pastorie uit 1940 te gaan doen. De predikantswoning moest een flinke opknapbeurt ondergaan, want men had het idee dat de staat waarin de woning verkeerde mogelijk de oorzaak van de bedankjes was bij de beroeping van een predikant. In 1958 besloot de kerkenraad een in aanbouw zijnde woning aan de Koninginneweg 33 voor ds. Wentsel te kopen – die echter graag in de pastorie ‘Waalburg’ was blijven wonen! – maar de predikant kocht kort daarop zelf een huis aan de Oudelandseweg. Daarom besloot de kerkenraad de gekochte woning voor de nieuwe predikant te gebruiken totdat de pastorie ‘Waalburg’ verbouwd zou zijn.

De besprekingen over deze kwestie verliepen kennelijk met de nodige emoties: ‘Hierna werd onder leiding van de scriba [de predikant was immers belanghebbende] doorgegaan tot ongeveer half één. Daarna gingen de broeders huiswaarts, moe van de vijf uur lange gesprekken, waaraan wel een begin was maar, gelijk de bekende symfonie van Schubert, ‘Unvollendet’ bleef en de dissonanten bij sommige broeders doorklonken tot in het holst van de nacht’.

Pastorie ‘Waalburg’ van voren.

Uiteindelijk liep het nóg weer anders: In oktober 1959 werd voor fl. 50.000 van een weduwe een woning aan de Lagendijk 15 gekocht, terwijl deze het pand aan de Koninginneweg van de kerk overnam. De oude pastorie ‘Waalburg’ werd verkocht en het huis aan de Lagendijk bleef dus voorlopig bestemd als pastorie.

Ds. Wentsel gaat met emeritaat.

Na ruim zevenendertig jaar ging ds. Wentsel in 1959 met emeritaat. Op 20 september 1959 nam hij afscheid met een preek over Zondag 52, Vraag en Antwoord 128 en 129. De predikant bleef in Ridderkerk wonen en verrichtte vanaf 1960 nog hulpdiensten in Brouwershaven. Dit heeft hij tot zijn tachtigste verjaardag, in 1969, gedaan.

Nog een keer de eerste gereformeerde kerk langs de inmiddels verharde Kerkweg.

Over het leven van ds. Wentsel in Ridderkerk schreef ds. H.J. Riphagen (1901-1987) het volgende: “Aanvankelijk verzorgde hem nog zijn moeder in de pastorie. Daarna huwde hij met mejuffrouw Willempje van Nes van Rijsoord. Een zeer gelukkige verbintenis. Wentsel kon zo zuiver genieten van zijn gezinsleven, en de kinderen hebben ook zoveel aan deze vader gehad. Daarvan heeft de zoon ds. B. Wentsel jr. te Beverwijk in de rouwdienst te Ridderkerk namens allen op zo eenvoudige, roerende wijze getuigd. Wat een slag, toen God vrouw en moeder wegnam. Wentsel was een man van kinderlijk geloof, die zelf zich niet vreemd hield van wat hij anderen voorhield. Maar hij was geen man die eenzaamheid goed aan kon en dat terwijl de kinderen geleidelijk aan het ouderlijk huis verlieten. Het was een weldaad van God voor hem, dat zijn tweede vrouw, mejuffrouw Lidewij Stok, die eenzaamheid kwam verbreken. Helaas heeft dat geluk niet lang mogen duren. Daarna heeft hij alleen zijn weg moeten vervolgen. Niet verbitterd of gebroken – daarvoor behoedde hem zijn geloof – maar wel alleen. In Ridderkerk, waar het overgrote deel van zijn ambtelijke arbeid ligt, hebben wij hem naar het graf gebracht”.

Naar deel 3 >