De Gereformeerde Kerk te Papendrecht (1)

De Gereformeerde Kerk in het Zuid-Hollandse Papendrecht werd op 11 mei 1919 geïnstitueerd.

Kaart: Google.

‘Inwonende bij Dordrecht…’

In het negende deel van zijn Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden deelt A.J. van der Aa mee, dat rond 1850 in Papendrecht geen Afgescheidenen woonachtig waren. Op twintig bewoners na was iedereen er hervormd en voor de rest waren het Joden en Rooms-Katholieken. Het aantal gereformeerden groeide in de jaren daarna ook niet zodanig dat men daar een Gereformeerde Kerk kon institueren, want rond 1900 waren er omstreeks honderd gereformeerden. Ze waren ingeschreven bij de Gereformeerde Kerk te Dordrecht en bezochten er voor zover mogelijk de kerk van de Christelijke Gereformeerde Gemeente aan het Kromhout (in 1869 in gebruik genomen), de Westerkerk, een Dolerende noodkerk die sinds 1888 de Muys van Holystraat sierde, of de monumentale Wilhelminakerk, die in 1899 de kerk aan het Kromhout verving.

De Dolerende Westerkerk in Dordrecht.

De reis naar een van die kerken viel echter voor de gereformeerden van Papendrecht niet mee: de Beneden Merwede was een geduchte hindernis. Dat gold vermoedelijk ook voor de predikanten van Dordrecht: over hun pastoraat aan de Papendrechters werd namelijk nogal geklaagd. De classis bemoeide zich er mee en bepaalde in 1910 dat niet alleen de kerk van Dordrecht, maar ook die van Sliedrecht en Alblasserdam zich dienden te ontfermen over de gereformeerden in Papendrecht. Sliedrecht deed al vrij snel niet meer mee, zodat de gereformeerden in Papendrecht op (de predikanten van) Alblasserdam en Dordrecht waren aangewezen. In Alblasserdam stonden tussen 1908 en 1918 achtereenvolgens ds. H.H. Schoemakers (1873-1943) en ds. G.R. Kuijper (1887-1950), terwijl in Dordrecht ds. H.G. de Jonge (1851-1930) van 1886 tot 1922, en ds. W.W. Meijnen (1873-1950) van 1905 tot 1950 de gereformeerde kansels bevolkten.

Ds. H.H. Schoemakers (1873-1943) van Alblasserdam.

De pastorale zorg vanuit Alblasserdam en Dordrecht werd overigens niet alleen door de Beneden Merwede bemoeilijkt, maar ook door het probleem dat op de zondag niet mocht worden gereisd. De enige mogelijkheid om een predikant uit een van beide genoemde steden te kunnen krijgen was hem in Papendrecht twee nachten logies aan te bieden. Voor geen van beide partijen was dat een aanlokkelijk vooruitzicht. En bovendien: er was in Papendrecht geen geschikte plaats om die diensten te houden!

Een eigen kerkje (1913)!

Het is dus al met al niet vreemd dat – naarmate ook het aantal in Papendrecht woonachtige gereformeerden toenam – men zich ging afvragen of het niet tijd werd in het eigen dorp een gereformeerd kerkgebouwtje te stichten, zodat althans het verenigingsleven en de zondagse kerkdiensten in eigen kring zouden kunnen worden gehouden. Het moet gezegd worden dat de kerken van Alblasserdam en Dordrecht de bouw van het Papendrechtse kerkje mogelijk maakten: fl. 3.000 brachten zij ervoor bijeen! Zo kon voor betrekkelijk weinig geld, 60 cent per vierkante meter, een geschikt stuk grond aan de Veerweg worden aangekocht. De bouw kon beginnen! Voor in totaal ongeveer fl. 6.250 was de klus geklaard.

Op 17 november 1913 – een maandag – werd de kerk aan de Veerweg in gebruik genomen. De leiding van die dienst berustte bij de predikanten ds. De Jonge van Dordrecht en ds. Schoemakers van Alblasserdam. Er was nu in elk geval een geschikt onderkomen voor het houden van diensten.

De gereformeerde kerk aan de Veerweg te Papendrecht.

Voor de goede gang van zaken was door de kerkenraden van Alblasserdam en Dordrecht in Papendrecht een commissie ingesteld, die als een soort van Commissie van Beheer en bovendien min of meer (natuurlijk officieus) als kerkenraad fungeerde. Ds. De Jonge van Dordrecht was door de classis benoemd tot consulent en hield de gang van zaken in Papendrecht ongetwijfeld goed in de gaten.

Een zelfstandige Gereformeerde Kerk!

Ondertussen was het kerkbezoek aan de Veerweg heel wisselend: was er preeklezen, meestal in de ochtenddiensten, dan was het aantal toehoorders rond de twintig dorstigen naar het Woord, terwijl er ‘s zondagsmiddags – als er een heuse predikant voorging (reisde hij dus tóch op zondag?) – wel vijftig plaatsen bezet waren.

Maar het was ongetwijfeld van meet af aan duidelijk dat het niet bij de bouw van een kerkgebouwtje zou blijven. Zoals het op talloze andere plaatsen ging, ging het ook in Papendrecht: de groep gereformeerden groeide – al na enkele jaren waren het er ongeveer honderd – en men begon te verlangen geheel in eigen kring zelfstandig kerkelijk leven te hebben, niet meer afhankelijk van Alblasserdam en Dordrecht. Hoewel aanvankelijk het pastoraat vanuit die kerken nog steeds niet naar behoefte functioneerde, probeerde ‘de Commissie’ daarin verandering te brengen door vooral de kerkenraad van Dordrecht op te roepen zijn verantwoordelijkheid in deze te nemen. Daardoor werd althans het aantal huisbezoeken vanuit die kerk opgevoerd.

Toch bleef het ideaal van een zelfstandige Gereformeerde Kerk de gereformeerden in Papendrecht bestendig voor ogen staan. Vandaar dat op 11 mei 1919 spijkers met koppen geslagen werden. Op één en dezelfde dag werd een kerkenraad gekozen en meteen daarna in het ambt bevestigd. In veel kerken lag tussen de verkiezing en de bevestiging van de eerste kerkenraad vaak wel enkele weken, zodat de leden eventueel bezwaren tegen een verkozene konden indienen. Dat was hier kennelijk niet nodig, want de meeste stemgerechtigde manslidmaten zullen wel aanwezig geweest zijn.

Ds. H.G. de Jonge (1851-1930) van Dordrecht heeft voor de kerk van Papendrecht veel betekend.

De notulen betreffende de instituering zijn kort en duidelijk: “Op den elfden Mei van het jaar onzes Heeren 1919 werd de Gereformeerde [Kerk] te Papendrecht geïnstitueerd. Na daartoe toestemming van de classis Dordrecht verkregen te hebben, kwamen de brs. en zusters, leden van de kerk van Dordrecht, bij wien ze inwoonden, te zamen in het kerkgebouw aldaar [te Papendrecht]. Ds. H.G. de Jonge van Dordrecht, door de classis aangewezen als consulent, predikte over Psalm 84 : 6 – 8. Na de prediking werd stemming gehouden door de manslidmaten en met volstrekte meerderheid van stemmen gekozen tot ouderlingen de brs. L. van der Graaff en G. de Vos, en tot diakenen de brs. D.M. Rombouts en C. de Vries, die terstond met het formulier ter bevestiging van ouderlingen en diakenen in hunne respectieve ambten werden gesteld. Na toespraken tot de gekozene broeders en tot de gemeente, werd deze samenkomst, van zoo grooten beteekenis, door ds. De Jonge met dankgebed gesloten”.

De preek, zo vatte de Statenvertaling psalm 84 samen, handelde over “de profeet, die zijns harten droefenis te kennen geeft, omdat hij bij de vergadering der gelovigen niet mocht wezen, verklarende de gelukzaligheid dergenen wien zulks mocht gebeuren; wensende en biddende daar wederom te mogen verschijnen”. In Papendrecht was het nu zover! Met reden konden ze samen in het vervolg psalm 84 aanheffen.

Een oud kijkje op Papendrecht ter hoogte van de veerdam.

Financiële troebelen…

Bij een kerk met een betrekkelijk klein aantal leden, in 1919 had Papendrecht er slechts zo’n 112, zou het niet makkelijk zijn het kerkelijk leven overeind te houden, tenzij iedereen de schouders er onder zette. Dat gold zeker voor hen die de leiding hadden. Een eigen predikant zat er voorlopig niet in, zodat ook de kerkenraad extra aan de bak moest. Huisbezoeken wachtten, de zorg voor de catechisaties, het oprichten en in stand houden van de verenigingen. Voor de catechisaties vond men onder meer de heer J. Labruyère die later preekconsent kreeg en dus als lerend-ouderling (vroeger zou men zeggen: ‘oefenaar’) en kerkenraadsvoorzitter aan de slag kon. Dat deed hij van 1923 tot 1932, toen hij op 8 februari overleed. Ongetwijfeld heeft hij zijn arbeid al die jaren tot tevredenheid van de kerkenraad vervuld. Door zijn langjarige inzet kwam er rust en structuur in het kerkelijk leven.

Maar de tijden waren moeilijk. In 1929 had in de New Yorkse Wall Street de ‘Beurskrach’ plaats gevonden, waardoor een grote economische wereldcrisis uitbrak. Ook in ons land en in Papendrecht deed zich dat gevoelen: mensen raakten werkloos, de lonen kelderden, de woningbouw stagneerde, de gaarkeukens gingen open. Een en ander had uiteraard ook zijn consequenties voor de kerkelijke inkomsten.

Ds. H.G. Meynen (van 1932 tot 1937).

Ds. H.G. Meynen (1904-1995) als jong predikant in Papendrecht (foto: ‘Omkijken’).

Ondanks de problemen achtte de kerkenraad van het van groot belang, ook na het sterven van de heer Labruyère, dat de kleine kerk van Papendrecht, met haar nog geen 120 leden, een eigen predikant zou hebben. Consulent ds. W.W. Meynen (1873-1950) van Dordrecht kwam met een oplossing: zijn zoon was afgestudeerd en zocht een gemeente. Eerst moest de kerkenraad echter om financiële redenen bij de classis en de particuliere synode langs, die samen een bedrag van fl. 1.350 toezegden als de kerk van Papendrecht fl. 250 ophoestte. Dat lukte; kandidaat H.G. Meynen (1904-1995) kreeg een traktement van fl. 1.600 per jaar en deed op die voorwaarde op 30 november 1932 intrede, waarna hij tot eind januari 1937 aan de kerk van Papendrecht verbonden bleef.

Ds. W.W. Meynen (1873-1950) van Dordrecht (hier op jongere leeftijd) was jarenlang consulent van de kerk te Papendrecht.

Er was één nadeel aan deze verbintenis: om het traktement zo laag mogelijk te houden was afgesproken dat dominee bij zijn ouders in Dordrecht zou blijven wonen. Dat betekende vervoer per pont over de Beneden Merwede – op zondag! – en bij mist of ijsgang verstek laten gaan of bij een gemeentelid in Papendrecht logies krijgen. Over de regeling werd natuurlijk geregeld geklaagd – te meer daar de gemeenteleden bij het beroep van kandidaat Meynen niet betrokken waren – maar afspraak was afspraak.

Ondanks alles kreeg de gemeente van Papendrecht een goede predikant die met tact, wijs beleid en met doortastendheid wist op te treden en de rust in de gemeente wist te handhaven, al speelden er behalve de al genoemde maatschappelijke ook politieke problemen.

De op 11 december 1926 opgerichte Christelijk-Democratische Unie (CDU) was als politieke partij een samenvoeging van enkele linkse protestantse politieke groeperingen, waarbij  verscheidene gemeenteleden – getroffen door armoede en ontevreden over hun maatschappelijke situatie – zich aansloten. De kerkenraad stond echter pal voor de ‘gereformeerde’ Anti-Revolutionaire Partij (ARP) –   een van de participanten in het latere CDA – en ook de generale synode bepaalde in 1936 dat het lidmaatschap van de CDU niet verenigbaar was met dat van de Gereformeerde Kerken in Nederland. Datzelfde oordeel velde de synode op dat moment trouwens ook over de NSB van Mussert. Wie zich aan die synode-uitspraak niets gelegen liet liggen, mocht uiteindelijk uit de kerk gezet worden.

De wanklanken beperkten zich niet tot het maatschappelijk en politieke leven. In 1933 kreeg de kerk van Papendrecht gratis de beschikking over een echt pijporgel, dat door iemand uit Dordrecht – kennelijk met hart voor de kerk van Papendrecht! – geschonken was. Wat aanvankelijk best goed geklonken zal hebben, veranderde na verloop van tijd in een orgel met kuren, waardoor ‘de organisten nogal wat moeite hadden het instrument aan de praat te houden’.

Hulppredikanten (van 1937 tot 1941).

Ds. P. de Ruig was enige tijd hulppredikant in Papendrecht.

Ds. Meynen ontving echter begin januari 1937 een beroep van de Gereformeerde Kerk in het Indonesische Soerabaja op Java. Hij nam het beroep aan en nam al op 24 januari 1937 afscheid van Papendrecht. Gelukkig konden hulppredikanten gevonden worden die het werk voortzetten. Ruim een jaar kwam kandidaat P. de Ruig naar Papendrecht (van 1 januari 1938 tot 28 februari 1939); en werd kandidaat L.J. Goede (1913-1971) voor bijna een jaar hulpprediker (van 1 april 1939 tot 1 maart 1940). Ook kandidaat C. van Breugel (1911-1949) bleef ongeveer een jaar: van maart 1940 tot 1 februari 1941.

Nu was er in de economische crisisjaren ’30 een overschot aan afgestudeerde predikanten, die om financiële redenen geen beroep van een kerk kregen. Predikanten waren voor veel kerken in die tijd te duur.  Daarom was in de Gereformeerde Kerken een landelijk ‘Comité Overvloed van Werk en Werkkrachten’ gevormd, ook het Comité Schouten-Grosheide genoemd, naar de stichters. Dit Comité verleende (uit de opbrengst van landelijke kerkcollecten) financiële steun bij de aanstelling van hulppredikanten. Ze verdienden weliswaar aanmerkelijk minder dan een officieel aangestelde dominee, maar konden voor een gemeente toch van grote betekenis zijn en ondertussen veel ervaring opdoen. Zo ook in Papendrecht. Het catechisatiewerk kon doorgaan, en de huisbezoeken konden geregeld worden afgelegd. En niet te vergeten had de kerk op zondag een predikant, al was hij officieel nog kandidaat. De hulppredikers waren echter geen ambtsdrager en daarom nam een ouderling het voorzitterschap van de kerkenraad waar.

Ds. J.B. Welmers (samen met Sliedrecht).

De gereformeerde kerk aan de Veerweg.

Na het vertrek van kandidaat Van Breugel, in februari 1941, ging de kerkenraad uiteraard meteen weer op zoek naar een volgende ‘kandidaat’, want geld voor een ‘echte’ dominee was er nog niet. Men kwam terecht bij kandidaat J.B. Welmers (1907-2004), die in combinatie met de Gereformeerde Kerk van Sliedrecht hulpdiensten verrichtte van maart tot 28 september 1941. Want op die datum deed hij intrede als predikant in volle rechten van Sliedrecht en Papendrecht. Dat duurde tot en met december 1942.

In die tijd kwam de gemeente gewoon bijeen in de kerk aan de Veerweg. Het uitbreken van de  Tweede Wereldoorlog zorgde uiteraard voor problemen waarmee de kerkenraad omzichtig moest omgaan, vooral met betrekking tot allerlei maatregelen die door de bezetters werden afgekondigd.

De Vrijmaking (1945).

Maar ook in het kerkelijk leven in gereformeerd Nederland waren al in de jaren ‘30 tussen theologen meningsverschillen ontstaan over verscheidene punten betreffende de leer. Onderwerp van de discussie waren onder meer de pluriformiteit van de kerk (bestaat naast en buiten de Gereformeerde Kerken nóg een ‘ware Kerk’?), hoe men dacht over doop en Verbond, over de algemene genade, de onsterfelijkheid van de ziel en de vereniging van de beide naturen (‘God en mensch’) in Christus. Voor- en tegenstanders bestookten elkaar daarover in de kerkelijke pers en via brochures, strijdschriften en brieven, waarbij het er lang niet altijd zachtjes aan toe ging;  niet-theologen namen daar enthousiast aan deel. Door een aantal kerken en ook door de synode werd gewaarschuwd tegen de felle polemiek.

Prof. dr. K. Schilder op de Vrijmaingsvergadering in Den Haag, waar de Acte van Vrijmaking werd voorgelezen en de scheur in de Gereformeerde Kerken  definitief  werd.

Maar de door de synode over de genoemde onderwerpen genomen besluiten vielen bij velen niet in goede aarde. Op 11 augustus 1944 werd in Den Haag door dr. K. Schilder (1890-1952) ‘van Kampen’ – de leider van de ‘bezwaarden’ – de ‘Acte van Vrijmaking’ voorgelezen en door velen ondertekend. Daarmee was de scheuring compleet.

Wat er zich in Papendrecht op het gebied van de Vrijmaking precies heeft afgespeeld is alleen ‘te reconstrueren aan de hand van een paar losse verslagen en andere stukken’. Vast staat dat de kerkelijke strijd zowel in de kerkenraad als in de kerkelijke gemeente intens beleefd werd. En over allerlei besluiten van de Generale Synode inzake de bovengenoemde verschillen van inzicht ontstond ook in de gemeente van Papendrecht ‘ernstig bezwaar’, en zeker tegen het besluit van de synode om  de leider van de ‘bezwaarden’, prof. dr. K. Schilder, te schorsen  en later af te zetten. Tegen de schorsing diende de kerkenraad van Papendrecht op 20 april 1944 een bezwaarschrift bij de generale synode in. De kerkenraad schreef voor de gemeenteleden een toelichting, waarin men hen bijpraatte over de gang van zaken en over het eigen standpunt ten aanzien van de leergeschillen.

Na de hongerwinter besloot de kerkenraad – samen met ds. Welmers – op 19 april 1945 zich vrij te maken van de generale synode en men deelde dit de gemeenteleden mee na de zondagse kerkdienst van 22 april. Alle kerkenraadsleden en een aantal gemeenteleden verbraken de banden met De Gereformeerde Kerken in Nederland. Van de bijna 200 leden traden er bijna 60 uit. Vier dagen later kwam ds. R. de Vries (1913-1995) van Alblasserdam naar Papendrecht; hij hield een toespraak waarin hij de besluiten van de generale synode, waarover zoveel onrust ontstaan was, toelichtte en verdedigde.

Ds. R. de Vries (1913-1995) van Alblasserdam op latere leeftijd.

De resterende gemeenteleden kozen vervolgens een nieuwe kerkenraad en ds. W.W. Meynen – nog steeds predikant van Dordrecht – werd door de classis tot consulent benoemd. Dit alles gebeurde vlak voor de bevrijding van ons land, nadat op 4 mei de Duitse legers zich hadden overgegeven aan de geallieerden. “Nederland viert uitbundig feest, ongetwijfeld ook Papendrecht, maar velen in de gemeente van de Gereformeerde Kerk kunnen slechts met pijn in het hart meevieren: vrij, maar in tranen!”, zo besluit S. van Asperen zijn historisch overzicht van die periode.

Naar deel 2 (slot) >

© 2019. GereformeerdeKerken.info