De Gereformeerde Kerk te Winterswijk (1)

De Gereformeerde Kerk in het Gelderse Winterswijk werd in augustus 1892 geïnstitueerd door de samenvoeging van de Christelijke Gereformeerde Gemeente en de Nederduitsche Gereformeerde Kerk, respectievelijk afkomstig uit Afscheiding en Doleantie.

Kaart: Google.

1. De Afscheiding te Winterswijk (1841).

Tussen 1839 en 1841 scheidden zich minstens vijftig volwassen leden van de Winterswijkse hervormde gemeente af. Zij sloten zich aan bij de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Varsseveld, die al in maart 1837 geïnstitueerd was. Overigens woonden behalve in Winterswijk ook in het nabijgelegen buurtschap Kotten verhoudingsgewijs veel Afgescheidenen.

In juni 1839 meldden zich volgens het ‘Naam Register der Christelijk Afgescheidene Gemeente te Winterswijk’ drie hervormde gemeenteleden aan, terwijl zich in 1840 achttien leden bij de Afgescheiden Gemeenten voegden. Dit kreeg in de jaren daarna een vervolg. De afstand die de Winterswijkers moesten afleggen om op zondag de diensten te Varsseveld te kunnen bijwonen heeft hun waarschijnlijk aanleiding gegeven te proberen een eigen Afgescheiden Gemeente in Winterswijk te vestigen.

De gemeente geïnstitueerd (1841).

We hebben geen foto van ds. K. Wildeboer (1809-1842), die de gemeente van Winterswijk institueerde,  maar wel zijn handtekening!

Met die vraag kwamen ze terecht bij de jonge (en jong gebleven) ds. K. Wildeboer (1809-1842) van Rijssen en Lochem. De kerkenraad van Varsseveld werkte aan de instituering van de Christelijke Afgescheidene Gemeente in Winterswijk mee. In december 1840 werd er voor het eerst officieel over gesproken. Daar werden zelfs ambtsdragers gekozen: ouderling G.W. Hesselink en diaken G.W. Wilterdink. Maar niet iedereen was het eens met de wijze waarop de verkiezingen hadden plaatsgevonden, zodat ze vooralsnog niet in het ambt bevestigd werden. Er had voorafgaande aan de verkiezingen gebeden moeten worden en bovendien hadden de Winterswijkers op tijd van de verkiezing op de hoogte gesteld dienen te worden, vonden sommigen niet ten onrechte.

Hoe dan ook, op 6 april 1841 kwam ds. Wildeboer naar Winterswijk. Op die dag werden de twee verkozen ambtsdragers in hun ambt bevestigd, waarmee de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Winterswijk geïnstitueerd was.

Vrijheidsaanvraag bij de overheid (1842).

Ds. H.P. Scholte (1805-1868).

Op 26 februari 1842 verzochten 48 personen, waarvan de meesten behoorden tot de gemeente van Winterswijk, in een rekest aan de Koning, te worden erkend als een zelfstandige Christelijke Afgescheidene Gemeente. De kerkenraad deelde mee dat ze als richtsnoer voor de kerkregering het Utrechtse Reglement had aangenomen, dat opgesteld was door ds. H.P. Scholte (1805-1868) van Utrecht, een van de eerste Afgescheiden predikanten in ons land. Verder werd in het verzoekschrift gemeld dat de gemeente haar kerkdiensten (tijdelijk) hield in het achterhuis van de boerderij van Evert de Roos in Kotten. De koning erkende de Afgescheiden Gemeente van Winterswijk vervolgens op 14 juni 1842.

Kort daarvoor, op 17 januari 1842, hadden de gemeenteleden met algemene stemmen besloten in het vervolg voorlopig op twee plaatsen kerkdiensten te houden, namelijk in Winterswijk bij G.W. Hesselink en in Kotten bij J.A. Wilterdink. Dat gebeurde ‘wegens algemeene behoefte aan Turf en andere brandstoffen, en verder in het belang der gemeente’. De gemeente had een behoorlijk uitgebreid territoir.

Ds. J.W. te Bokkel (van 1843 tot 1844).

Ds. J.W. te Bokkel (1815-1888).

Het werd hoog tijd een voorganger te beroepen. Daarom kwam de gemeente op 15 september 1841 bijeen om een beroep uit te brengen. Het werd student J.W. te Bokkel (1815-1888), die met 23 van de 24 stemmen gekozen werd. Er was één gemeentelid die zich van stemming onthield, omdat hij niet wist of er een student of een ervaren predikant beroepen moest worden. Op 11 oktober antwoordde student Te Bokkel dat hij het beroep aannam. Hij werd op 16 juli 1843 bevestigd en deed dezelfde dag intrede. Zijn traktement was vastgesteld op fl. 450 per jaar. De predikant vond het zelf ‘veel te veel’. Dat zal wel te maken hebben gehad met het  feit dat hij zelf goed in de slappe was zat door familiebezit. Bij zijn emeritaat zou hij later ook geen pensioenuitkering vragen. De gemeente had de pech dat de eerste twee predikanten slechts heel kort bleven. Ds. Te Bokkel nog geen anderhalf jaar en zijn opvolger nog geen jaar.

Een eigen kerk (1844).

De Christelijke Afgescheidene kerk aan de Zonnebrink te Winterswijk, die in 1844 in gebruik genomen werd.

In hun verzoekschrift aan de koning hadden de gemeenteleden al meegedeeld dat zij in 1842 een stuk grond gekocht hadden aan de Zonnebrink om daar een kerk te gaan bouwen. Dat perceel had fl. 235 gekost. Omdat de gemeente toen nog niet door de overheid erkend was, werd het stuk grond gekocht op naam van E. de Roos. Vervolgens werd fl. 1.500 geleend, waarna de aanbesteding van de kerkbouw kon plaatsvinden. De bouw kon beginnen en in november 1843 werd gesproken over het timmeren van het meubilair voor de kerk (gemaakt van dennenplanken). Begin 1844 is de kerk vermoedelijk in gebruik genomen. De zitplaatsen werden niet verhuurd, maar bleven allemaal ‘vrij’, behalve natuurlijk de plaatsen van de kerkenraad.

Een pastorie.

Vanzelfsprekend moest er ook een pastorie komen. Het geluk trof, dat naast de kerk een stuk grond te koop kwam voor fl. 1.000. Dat was wel erg veel, maar men ging er toch mee akkoord; sterker nog, er werd voor fl. 235 nog een extra stukje grond bij gekocht! Zo kon men ook met de bouw van de pastorie aanvangen. Vermoedelijk werd deze in de zomer van 1844 opgeleverd. Ds. Te Bokkel heeft er echter waarschijnlijk niet meer gewoond. Zoals we al opmerkten bleef hij niet lang en vertrok enkele maanden na  de ingebruikneming van de predikantswoning.

Ds. A.C. van Raalte (1811-1876).

Op 10 november 1844 nam ds. De Bokkel namelijk afscheid van Winterswijk en vertrok hij op aandringen van ds. A.C. van Raalte (1811-1876), een van de eerste Afgescheiden predikanten in ons land, naar de kerk van Ommen, omdat hij ‘daar zeer nodig was’. De classis was het daarmee helemaal niet eens, maar uiteindelijk gebeurde het toch.

Ds. A.G. de Waal (van 1845 tot 1846).

De opvolger van ds. Te Bokkel was ds. A.G. de Waal (1813-1889); Winterswijk was zijn eerste gemeente. Zijn gang naar de preekstoel was overigens niet zonder hindernissen verlopen. “Zijn vrome ouders onderwezen hem reeds vroeg in de weg der zaligheid en reeds op 13-jarige leeftijd openbaarde hij hen zijn lust tot het predikambt. Doch dit werd hem geweigerd, daar zijn vader hem voor onderwijzer had bestemd. Zo was hij zeven jaren als zodanig werkzaam op onderscheidene plaatsen, tot de Heere hem op 26-jarige leeftijd in het hart greep en hij tot volle ruimte kwam”.

Ds. A.G. de Waal (1813-1889).

“Hij stond toen op het punt tot hoofdonderwijzer te worden benoemd, maar hij kon toen niet meer zwijgen over de grote verandering in zijn leven. Dit stond de schoolcommissie [van de openbare school]  niet aan, daar zij dit voor de kinderen veel te gevaarlijk vond. Hij werd ontslagen”. Toen hij later met de Afgescheidenen in contact kwam sloot hij zich bij hen aan, “ondanks heftige tegenstand van de familie”. Bij ds. G.F. Gezelle Meerburg (1806-1855) te Almkerk-Nieuwendijk en bij ds. A.C. van Raalte (1811-1876) en ds. A. Brummelkamp (1811-1888), alle drie Afgescheiden predikanten van het eerste uur, werd hij opgeleid tot predikant. Zijn eerste gemeente werd dus Winterswijk! Op 2 november 1845 deed hij daar intrede.

Ds. A. Brummelkamp (1811-1888).

De kerk van Winterswijk was echter arm en bijna niet in staat het traktement te betalen. De kerkenraad bood hem “fl. 320 per jaar aan contant geld en den opbrengst van het bouwland bij de Pastory buiten de Heg, de 3 garve met het Stroo en binnen de Heg door Zijne Eerwaarde zelf zouden bebouwd worden en den mest welke Z.E. mogt te kort komen zouden geschonken worden”. Dat vond ds. De Waal wel erg weinig – hij had gezegd fl. 600 nodig te hebben – zodat zijn verblijf in Winterswijk slechts duurde tot 20 september van het jaar daarop, 1846, toen hij afscheid nam en naar de kerk van Axel-Terneuzen en Zaamslag vertrok.

De emigratie die een ramp werd (van 1845 tot 1850).

De emigratie naar Amerika werd alom aanbevolen…

Waarom kon de gemeente van Winterswijk maar zo’n gering traktement betalen? Dat had alles te maken met de emigratie naar Amerika, waarheen ook vele gemeenteleden uit Winterswijk de steven wendden. Over de trek naar Amerika was al enkele maanden voor het vertrek van ds. De Waal een gemeentevergadering geweest, omdat de kerkenraad wilde weten waar hij, wat de emigratie betreft, aan toe was. Ieder persoonlijk werd gevraagd of hij van plan was de ‘Grote Plas’ over te steken, maar “niemand heeft bepaaldelijk voornemen te vertrekken, maar vele letten op de wenken des Heeren”. Want de toorn Gods rustte volgens velen op ons land in verband met onder meer de aardappelziekte die velen aan de rand van de ondergang bracht. Tussen juli 1946 en november 1847 werden geen kerkenraadsnotulen geschreven; men had wel wat anders te doen.

Het boekje met het voorwoord van Brummelkamp waarin emigratie naar Amerika gepropageerd wordt (hierin is een uitvoerige brief van ds. A.C. van Raalte opgenomen, die zijn Amerika-reis beschrijft).

Hoe dan ook, door de emigratie naar Amerika vroegen zij die aan de  kerk geld geleend hadden hun pecunia terug, waardoor de gemeente steeds verder in het slop raakte; sommigen hadden namelijk veel geld aan hun kerk geleend, soms fl. 200 of fl. 300, in die tijd een kapitaal. De eerste gemeenteleden vertrokken al in 1845 naar Amerika, en deze ‘trek naar de overkant’ duurde wat Winterswijks gemeente betreft in elk geval tot 1850. In totaal vertrok meer dan 60% van de gemeenteleden naar Amerika! Voor de emigratie naar Amerika werd in die tijd veel reclame gemaakt; de al genoemde predikanten ds. Brummelkamp en ds. Van Raalte hielden zich daar indringend mee bezig; Van Raalte vertrok in de nazomer van 1846 met honderden volgelingen daadwerkelijk naar de overkant van de Oceaan. Hij stichtte in Michigan de stad Holland.

Voor veel geëmigreerde gemeenteleden uit Winterswijk liep de emigratie echter rampzalig af. Het stoomschip De Phoenix’ vloog op 21 november 1847 op Lake Michigan in brand. In totaal kwamen 74 mensen uit Winterswijk om het leven (29 van hen uit Kotten) en werden er tien gered. Als omgekomen, vermist of gered werden de namen van ruim dertig vroegere gemeenteleden genoemd.

Het stoomschip ‘De Phoenix’ in brand.

Ds. W. Koopmann (van 1852 tot 1855).

Dat het beroepen van de derde predikant lang op zich liet wachten is niet vreemd. Het werd uiteindelijk ds. W. Koopmann (1822-1898), die op 7 augustus 1852 intrede deed (hij was opgeleid door ds. Brummelkamp, want de Theologische School in Kampen werd pas in 1854 geopend). Hij bleef bijna  drie jaar in Winterswijk, hoewel zijn traktement nog minder was dan dat van ds. De Waal. Men kon ‘slegs fl. 200’ opbrengen. Weliswaar gaf hij in een lange brief zijn wens te kennen om fl. 500 te krijgen met vrij wonen met minstens twee kamers tot zijn beschikking (onder andere voor het geven van catechisaties). De kerkenraad kon daaraan niet voldoen, maar desondanks kwam de predikant naar Winterswijk.

Er werd in die tijd weinig genotuleerd. Wel is bekend dat ouderling Elferdink zich in die tijd inliet met een ‘sectarisch gezelschap’ en zich liet verleiden tot het aannemen van geld ‘en een beest’, en daardoor werden hij en zijn gezin ‘van de kerk afgesneden’. Gelukkig toonde hij berouw en kon na schuldbelijdenis tijdens de dienst van 28 januari 1855 weer tot de gemeente worden toegelaten.

Ds. Koopmann preekte op 27 juni 1855 afscheid en vertrok naar de kerk van Barendrecht. Maar daar wilden ze hem niet zomaar in het ambt bevestigen, want in die tijd bestond er wantrouwen tegen de Gelderse Afgescheidenen (de ‘Gelderse richting’), waarvan ds. Brummelkamp en ds. Van Raalte de leiders waren. Ze hadden predikanten opgeleid aan een eigen opleidingsinstituut te Arnhem en werden als ‘te mild in de leer’ beschouwd. Na veel gedoe kon ds. Koopmann uiteindelijk toch in Barendrecht bevestigd worden.

Samenwerking met ‘De Vrienden’ in vacaturetijd (1858 tot 1867).

Overal in het land hielden ‘De Vrienden’ vergaderingen en ‘openbare bidstonden’.

En toen volgde een lange vacaturetijd van ongeveer twaalf jaar, die in 1855 begon en eindigde bij de komst van de volgende predikant, in 1867. Er was in die tijd dus geen eigen predikant om aan de gemeente leiding te geven. Misschien dat daardoor die vreemde samenwerking veroorzaakt werd met de Winterswijkse afdeling van de ‘Vereeniging van de Vrienden der Waarheid’. De landelijke koepel van ‘de Vrienden’ hield overal in het land bijeenkomsten en bidstonden om de prediking van ‘de gereformeerde Waarheid’ in de hervormde kerk te bevorderen. Ook stuurde zij evangelisten naar ‘alle plaatsen waar de onversneden gereformeerde Waarheid niet meer gehoord wordt’. In Winterswijk stond de afdeling onder leiding van de hervormde catechiseermeester J.D. te Winkel (1830-1896).

Met de Afgescheidenen in Winterswijk werd een samenwerking aangegaan. ‘De Vrienden’ mochten van de kerkenraad het kerkgebouw van de Afgescheiden Gemeente gebruiken voor hun bijeenkomsten, maar in feite belegden zij kerkdiensten die ook door de Afgescheidenen werden bezocht. Soms ‘mocht’ ook een Afgescheiden predikant in de bijeenkomsten voorgaan. De sfeer bekoelde aanmerkelijk toen de kerkenraad in 1859 tijdens de diensten in hun kerkgebouw toezicht op het deelnemen aan het avondmaal wilde houden. Later ontstond bovendien onenigheid over de collectes die in de diensten met Te Winkel als voorganger werden gehouden (in feite waren het gewoon diensten van de Afgescheiden Gemeente). Tenslotte werden bezwaren ingebracht tegen catechiseermeester Te Winkel zelf, die zich daar echter niets van aantrok.

De Christelijke Afgescheidene kerk van opzij gezien.

In 1860 werd de classis er bij gehaald. Deze had ‘ernstige bezwaren’ tegen de gang van zaken in Winterswijk en drong aan op het beëindigen van de samenwerking. Dat gebeurde in 1860 daadwerkelijk: “Door de Afgescheiden Gemeente wordt op aandrang der Classis van die Gemeente het contract, namentlijk Winterswijk met de Vereeniging Vrienden der Waarheid, opgezegd, zoodat zes maanden na heden dit contract, gesloten op 6 november 1858, ophouwd te bestaan, onder bepaling echter dat de Afgescheiden Gemeente de Vereeniging [de samenwerking] wil doen voortgaan, wanneer de Vereeniging Vrienden der Waarheid zich op een kerkelijk standpund steld, en zich aansluit bij een van die kerkgenootschappen waarin de leer onzer vaderen wordt geleerd en beleden, volgens der geloofsbelijdenis der Gereformeerde Kerk”; met andere woorden: als ‘De Vrienden’ zich dus zouden aansluiten bij de Christelijke Afgescheidene Kerk (of desnoods eventueel bij de Gereformeerde Kerk onder ’t Kruis, die in  en na 1838 ontstaan was uit onenigheid met de Christelijke Afgescheidene Kerk). Maar al snel was gebleken dat ‘De Vrienden’ gewoon hervormd wilden blijven. Dus was de samenwerking definitief voorbij.

Gelukkig was er ds. D. Breukelaar (1814-1891) van Aalten, die sindsdien gemeente en kerkenraad met raad en daad bij stond.

Ds. M. Sipkes (van 1867 tot 1895).

‘De Bazuin’, 13 december 1867.

Pas jaren later, in oktober 1864 nam de kerkenraad het beroepingswerk weer ter hand. Op 8 december 1867 deed de volgende predikant intrede: ds. M. Sipkes (1830-1895) uit Beekbergen, die maar liefst ongeveer achtentwintig jaar aan de gemeente van Winterswijk verbonden was (langer kon niet, want op 2 december 1895 overleed hij te Winterswijk in het harnas). Ds. D. Breukelaar van Aalten had de nieuwe predikant in het ambt bevestigd. De intreepreek was 1 Corinthiërs 3 vers 11: “Want niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus“. De kerkenraad en de gemeente waren blij: “Groot is de genade ons in dezen geschonken. Ruim 12 jaar heeft onze gemeente herderloos verkeerd en in die tijd vele beproevingen doorgestaan”.

Ds. D. Breukelaar (1814-1891) van Aalten stond de kerkenraad van Winterswijk in de vacatureperiode bij.

Soms waren er wat moeilijkheden over de prediking van ds. Sipkes. De predikant was namelijk overtuigd voorstander van het chiliasme, de overtuiging dat er voor of na de wederkomst van Christus een duizendjarig vrederijk, een paradijs, op aarde zal worden gevestigd. Daarover schreef hij zelfs een boekje. Ook sprak hij daarover onbewimpeld op de classis en zonder tegenwind van de classisleden. Maar de synode van de Christelijke Afgescheidene Kerk dacht daar toch anders over, toen zij in 1863 verklaarde dat het chiliasme ‘geen leer der Gereformeerde Kerk’ is.

Het boekje van ds. Sipkes over het Duizendjarig Rijk.

“Een enkele maal is er een klagende broeder, maar de kerkeraad oordeelt, dat deze vervuld is met vooroordeel tegen den Leeraar en dat uit zijn spreken blijkt dat hij weinig acht heeft geslagen op het onderwijs en de prediking”.

Christelijke Gereformeerde Gemeente (1869).

In juni 1869 veranderde de naam van de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Winterswijk. Dat kwam door een landelijke kerkenfusie van de Christelijke Afgescheidene Kerk met de Gereformeerde Kerk onder ’t Kruis. Dat was een klein kerkgenootschap dat in en na 1838 was ontstaan doordat men binnen de Christelijke Afgescheidene Kerk onenigheid kreeg over allerlei zaken. Sommigen hadden er bezwaar tegen dat de Afgescheiden Gemeenten bij de overheid vrijheid aanvroegen. Ook vonden ze dat de Afgescheidenen zich voor wat de kerkregering betrof moesten houden aan de aloude gereformeerde Dordtse Kerkorde en geen andere kerkorde moesten aannemen, zoals de Utrechtse Kerkorde, opgesteld door ds. H.P. Scholte (dat was de kerkorde die ook Winterswijk in 1842 had aangenomen). Ook wilde men niet dat de Afgescheiden Gemeenten de benaming ‘gereformeerd’ zouden laten vallen, omdat ze anders niet door de overheid erkend zouden worden. De ‘bezwaarden’ stichtten toen hun eigen gemeenten, die zich verenigden tot de Gereformeerde Kerk onder ’t Kruis.

Ds. M. Sipkes (1830-1895).

Hoe dan ook, zo’n dertig jaar later waren de meeste verschillen van inzicht niet meer actueel, zodat men in juni 1869 tot hereniging kwam (enkele Kruisgemeenten deden niet mee). De naam van de nieuwe kerkgemeenschap was ‘Christelijke Gereformeerde Kerk’. Vandaar dat de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Winterswijk sinds 1869 Christelijke Gereformeerde Gemeente heette.

Aardappels.

In 1870 stelde ds. Sipkes aan de kerkenraad voor om zijn karig inkomen wat te versterken door de kerkenraad een stuk grond te laten pachten, zodat hij daar voor zijn gezin aardappelen kon verbouwen. Na wat problemen kon een soortgelijk voorstel worden gerealiseerd en kreeg de predikant bovendien een toelage van fl. 40 op zijn traktement. Daarvoor kon hij ‘geslagt’ kopen, vlees dus.

Een orgel (1873).

In januari 1871 vroeg ds. Sipkes wat de kerkenraad vond van de aanschaf van een orgel in de kerk. Men had zojuist vastgesteld dat door het positief saldo van ruim fl. 100 de financiële malaise misschien wat minder was dan vroeger, zo leek het. Maar ja, het leek iedereen weliswaar een goed idee, maar de kosten ervan vond men toch te hoog. Toen hoofdmeester Plette in oktober 1872 aanbood het orgel – als het er kwam – wel te willen bespelen, kwam de zaak weer op de agenda. Dominee vond de aanschaf van een orgel toen nog steeds een goed idee, maar alleen ‘zoo er geen gemeentelijke schuld meer is en de opkomst in de kerk wat grooter mogt zijn’. De kerkenraad dacht echter dat de jongelingen van de JV uitkomst konden bieden. Hun zou gevraagd worden eens te proberen geld bijeen te harken. En het lukt hen!

Op 18 maart 1873 werd het orgel in gebruik genomen en hoofdmeester Plette werd inderdaad de organist. De kerkenraad besloot hem als blijk van waardering jaarlijks een doosje sigaren te geven. Om het restant van de schulden op het orgel weg te werken werd opnieuw een beroep op de JV gedaan. Opnieuw spanden ze zich er voor in, zodat de schuld van fl. 137 verminderd kon worden tot fl. 46. De rest werd geleend van de opbrengst van de armengelden en later uiteraard terugbetaald aan de diaconie.

De rekening van Jurjaanz voor zijn reiskosten en dagloon (foto: In en om de Zonnebrink’).

In 1882 was het orgel zó nodig aan reparatie toe dat het eigenlijk niet meer bespeeld kon worden. Ene orgelmaker Jurjaanz uit Amsterdam werd gevraagd het orgel op te knappen, maar – schreef de kerkenraad – ‘u hoeft niet naar Winterswijk te komen om het orgel te bekijken’ (te duur!). Jurjaanz kwam echter toch en deelde mee dat hij het werk voor fl. 20 of fl. 25 zou kunnen klaarspelen. Hij kreeg de opdracht echter niet, omdat de kerkenraad de prijs te hoog vond. De teleurgestelde Jurjaanz stuurde echter wel een rekening van fl. 7,50 aan reiskosten. De kerkenraad vond niet dat hij dat moest betalen. Men had Jurjaanz immers gezegd niet naar Winterswijk te komen? Jurjaanz legde de zaak aan zijn Amsterdamse kerkenraad voor, waar ds. W.H. Gispen (1833-1909) predikant was. Deze kerkenraad adviseerde Jurjaanz het geld toch maar te betalen, ‘om er af te zijn’. Met frisse tegenzin legde de Winterswijkse kerkenraad zich er bij neer en betaalde het geld aan Jurjaanz.

Ds. W.H. Gispen (1833-1909) van Amsterdam:  ‘… om er af te zijn…’.

De banken verhuren?

In veel Christelijke Gereformeerde Gemeenten (en daar niet alleen) werden de banken tijdens de kerkdiensten verhuurd om meer kerkelijke inkomsten te verkrijgen. Eigenlijk was de kerkenraad van Winterswijk daar tegen, ook al omdat bij de bouw van de kerk afgesproken was dat de zitplaatsen in de nieuwe kerk vrij zouden zijn. Toch leek het een deel van de kerkenraad nu wel wat. Een conflict in de dop! Ds. Sipkes stelde als tussenweg voor dat, “wanneer sommige families of personen graag vrije zitplaatsen in de kerk willen hebben, zij die tegen betaling kunnen krijgen”. Men verwachtte dat er slechts enkele banken zouden worden verhuurd, en de rest gewoon gratis voor iedereen beschikbaar bleef.

Opnieuw ophef in de hervormde kerk!

Ondertussen was het in de Nederlandse Hervormde Kerk overal in het land, ook in Winterswijk, weer onrustig. Met grote consequenties.

Naar deel 2 >

© 2021. GereformeerdeKerken.info