De Gereformeerde Kerk te Nieuwendijk (1)

De Gereformeerde Kerk in het Noord-Brabantse Nieuwendijk werd geïnstitueerd op 25 december 1835 als Christelijke Afgescheidene Gemeente te  Almkerk en Emmikhoven (waaronder ook Nieuwendijk ressorteerde), heette sinds 1869 Christelijke Gereformeerde Gemeente en vanaf 1892 De Gereformeerde Kerk te Nieuwendijk.

De rode stip bij Kille stelt de locatie voor van de boerderij van Jan Branderhorst, waar aanvankelijk gekerkt werd.

De eerste predikanten werden beroepen door de nog ongedeelde Christelijke Afgescheiden Gemeente te  Almkerk en Emmikhoven. In 1873 gingen Almkerk en Nieuwendijk zelfstandig predikanten beroepen.

Ds. G.F. Gezelle Meerburg (van 1835 tot 1855).

Op 20 oktober 1833 werd de pas afgestudeerde theologiestudent uit Leiden G.F. Gezelle Meerburg (1806-1855) bevestigd als predikant van de hervormde gemeente te Almkerk en Emmikhoven, waaronder dus ook de gemeenteleden in het nabijgelegen Nieuwendijk ressorteerden. In Leiden had Gezelle Meerburg onder meer kennis gemaakt met de gelijkgestemde medestudenten H.P. Scholte (1805-1868), S. van Velzen (1809-1896), A. Brummelkamp (1811-1888) en A.C. van Raalte (1811-1876); ze werden ‘de club van Scholte’ genoemd. Net als Gezelle Meerburg hadden zij bezwaren tegen de vrijzinnige koers van veel predikanten in de hervormde kerk. Allen zouden zich later de Hervormde Kerk afscheiden en zich bij de Christelijke Afgescheidene Kerk voegen, die in oktober 1834 in Ulrum een aanvang nam door ds. H. de Cock (1801-1842).

Ds. H. de Cock (1801-1842), de eerste Afgescheiden predikant in Nederland.

Ds. Gezelle Meerburg maakte in zijn nieuwe gemeente Almkerk en Emmikhoven meteen al duidelijk, toen hij tijdens de intreedienst op 20 oktober 1833 in de hervormde kerk te Almkerk (waar ook de hervormden te Nieuwendijk kerkten),  beloofde dat hij Jezus Christus zou prediken; dat stemde zijn toehoorders tot tevredenheid. Wel merkten ze al gauw dat hij elke zondag ook uit de door de overheid verplicht gestelde bundel ‘Evangelische Gezangen’ liet zingen, terwijl zij als orthodoxe hervormden zich wilden beperken tot de 150 psalmen, die immers rechtstreeks vanuit de bijbel berijmd waren. Tegen het zingen van die gezangen hadden ze bij Meerburgs voorganger, ds. J. Sjoenis, ook al eens geprotesteerd.

Ds. G.F. Gezelle Meerburg (1806-1855).

Ook bij Gezelle Meerburg hielden ze demonstratief de hoofddeksels op of verlieten de kerk. Maar er waren natuurlijk ook vóórstanders. Door het zingen van de gezangen raakten de gemoederen verhit, men maakte er ruzie om. In de classis raadden collega-predikanten ds. Meerburg aan de burgemeester om politieversterking te vragen om die onzalige vechtpartijen op die manier te voorkomen. In plaats daarvan besloot de jonge predikant, tot vreugde van veel gemeenteleden, het zingen uit de bundel ‘Evangelische Gezangen’ te staken.

De Afscheiding (1835).

De eerste uitgave van het Algemeen Reglement van 1816.

De classis ging daar echter niet mee akkoord. Ook die jonge dominee van Almkerk en Emmikhoven, die nog maar net kwam kijken, had zich te onderwerpen aan de door de overheid in 1816 ingevoerde kerkorde: het Algemeen Reglement voor het Bestuur van de Hervormde Kerk. Ook de door de hervormde synode bevolen redactie van de vragen voorafgaande aan het avondmaal had de predikant nooit willen stellen; die waren niet overeenkomstig Gods Woord, zo zei hij. Het classicaal bestuur beval hem echter zowel het zingen van de gezangen weer op te pakken, alsook de avondmaalsvragen te stellen. Ds. Gezelle Meerburg weigerde aan beide bevelen gevolg te geven.

Dus werd een klacht tegen hem ingediend en de daaruit voortvloeiende kerkelijke procedure leidde ertoe dat de predikant aanvankelijk werd geschorst en uiteindelijk op 24 november 1835 werd afgezet als predikant van de hervormde kerk. Twee ouderlingen en een deel van de gemeente bleven achter hun predikant Gezelle Meerburg staan en als gevolg daarvan onttrokken zich 259 volwassen gemeenteleden (samen met 152 kinderen) zich aan de hervormde kerk door het tekenen van een Acte van Afscheiding. Ze noemden zich de Christelijke Afgescheidene Gemeente te Almkerk en Emmikhoven,  waartoe destijds zowel Almkerk als Nieuwendijk behoorden).

De hervormde kerk tot 1945 (door oorlogshandelingen zwaar beschadigd en vervangen).

Ze schreven: “Wij, ondergeteekenden, verklaren ons af te scheiden met onzen Predikant, den WelEerw. Heer G.F. Gezelle Meerburg, van het sedert 1816 bestaan hebbend zoogenaamd Nederlandsche Hervormd Kerkbestuur en door deze onze afscheiding ons alleen te houden aan de formulieren van eenigheid  voor de Gereformeerde Kerk vastgesteld en bekrachtigd in de Synode Nationaal gehouden te Dordrecht  in den jare 1618 en 1619, en die geheel overeenkomen met het waarachtige woord van den Drieëenigen en onveranderlijken Verbonds God, met welke formulieren wij verwerpen alle menschelijke woorden en alle wetten die men zoude willen invoeren om God te dienen, en door dezelve de conscientiën der menschen te binden; en ons voegen bij de ware Kerk op wat plaatsen God dezelve gesteld heeft, of ook mogt vergaderen, en ons alzoo af te scheiden van diegenen die niet van de kerk zijn, en dus onze namen uit Ul. Doop en lidmatenboek uit te schrappen”.

De Afgescheidenen kwamen soms in de open lucht bijeen.

Vervolgingen.

Voor sommigen van hen betekende dat een forse daling van de inkomsten, omdat de tegenstanders hun winkel of nering in het vervolg voorbij liepen.

Natuurlijk wilden de Afgescheidenen bijeenkomen om samen te bidden, psalmen te zingen, de bijbel te lezen en preken te horen. Er bestond echter een uit de Franse tijd daterende wet die aan niet-erkende kerkgenootschappen verbood met meer dan twintig personen samen te komen zonder de toestemming van de overheid. De gevolgen van de overtreding hiervan waren niet mals. Verscheidene keren werden kerkdiensten in opdracht van de burgemeester door de politie uiteengejaagd; soms werden  boetes of gevangenisstraffen opgelegd en tenslotte werden militairen bij de Afgescheidenen ingekwartierd om zo de samenkomsten onmogelijk te maken.

Ds. G.F. Gezelle Meerburg (1806-1855) van Almkerk-Nieuwendijk.

De Biesbosch bood uitkomst! Daar hield ds. Gezelle Meerburg zijn preken de ene keer in afgelegen boerenschuren in de polders Prikwaard en Jannezand, de andere keer tussen riet en griend vanaf een Biesboschaak, een houten of metalen scheepje van rond de vijftien meter lang. Een hoosvat diende dan als doopvont. Sommigen van de toehoorders, stoere griendwerkers, waren op het ergste voorbereid en verschenen met hun gereedschap ‘ter kerke’ om zichzelf en hun dominee desnoods met geweld te beschermen en te ontzetten. En toen gebeurde iets opmerkelijks: burgemeester Jan den Dekker, die sinds 1811 de burgemeestersketting van Emmikhoven had gedragen, werd lid van de Afgescheiden Gemeente van Almkerk en Emmikhoven. Daarom werd hij door zijn meerderen gedwongen in 1835 de ambtsketen af te leggen.

De gemeente Almkerk lag direct ten noorden van de gemeente Emmikhoven (kaart uitgegeven door Hugo Suringar, Leeuwarden, 1868).

Ds. C.W. Pape van Heusden was een belangrijk man in de gelijknamige hervormde classis en was vurig tegenstander van de Afgescheidenen en van hun bekendste predikant in Brabant, ds.  H.P. Scholte van Doeveren, Gansoyen en Genderen, met wie hij in de classis een conflict had uitgevochten.  Pape onderhield  bovendien korte lijntjes met ‘Den Haag’, en omschreef in zijn rapporten, geheel in stijl, burgemeester Den Dekker als een ‘zatte Ultra-Scholtiaan’ en ‘een verklaarde zatlap’. De dominee een actie…

De boerderij van Jan Branderhorst aan de Kil. In 1953 werd het gebouw door de watersnood verwoest (foto: ‘150 jaar Geref. Kerk Nieruwendijk’).

Maar burgemeester Verschoor van het naburige Sleeuwijk – net als de opvolger van Den Dekker van Emmikhoven – stond er anders in. Bij de Bakkerskil aan de Kildijk bij Kille gaf hij een vijftigtal Afgescheidenen toestemming hun diensten te houden in  de schuur die Jan Branderhorst daartoe ter beschikking had gesteld. Er waren voorwaarden: ds. Gezelle Meerburg mocht er niet voorgaan. Daarom werden in de geïmproviseerde kerkzaal preken gelezen, waarnaar de toehoorders op door tonnen geschraagde planken aandachtig luisterden. Een tweede voorwaarde was dat er geen kerkelijke handelingen mochten plaatsvinden, zoals doop en avondmaal.

Door de overheid erkend (1840).

Inmiddels telde de Afgescheiden Gemeente van Almkerk en Emmikhoven in 1837 volgens beschikbare gegeven ongeveer 550 zielen. Ruim een vierde deel van de hervormde gemeente van Almkerk en Emmikhoven had zich afgescheiden.

De onderdrukking van de Afgescheidenen veranderde toen koning Willem II op 7 oktober 1840 aan de regering kwam. Deze had een veel mildere houding ten opzichte van de Afgescheidenen van zijn voorganger en in het vervolg hoefden ze niet meer bang te zijn voor vervolgingen. Als ze erkend wilden worden als een nieuw kerkgenootschap moesten ze een verzoek richten aan de koning, net als dat het geval was toen Willem I nog aan het hoofd van de Hervormde Kerk stond. Maar er waren nu minder beperkende voorwaarden.

De weldoener van de kerk van Nieuwendijk, Arie den Dekker.

Een nieuwe kerk.

Hoe dan ook, nadat de Christelijke Afgescheidene Gemeente Almkerk en Emmikhoven op 28 november 1840 erkend was mocht ds. Gezelle Meerburg zelf weer voorgaan. De kerkdiensten werden nu verplaatst naar een boerderij bovenaan de Nieuwendijkse straatwegstoep. Deze boerderij werd ter beschikking gesteld door de Nieuwendijkse familie Den Dekker, die zeer veel land in eigendom had en tot de rijkste bewoners van die streek behoorde. Zij schonken ook het geld om de schuur tot kerkzaal om te bouwen. Het voorste gedeelte van de schuur werd vertimmerd tot predikantswoning. Vooral Arie den Dekker (1813-1894) – hij was onder meer lid van Provinciale Staten – zou een grote steun voor de Afgescheiden Gemeente worden, zowel persoonlijk (hij was onder meer ouderling en scriba) als financieel.

Overigens bleven de bewoners van het gehucht De Kille tot 1873 gewoon hun diensten houden in de schuur van Jan Branderhorst.

De nieuwe kerkschuur van Den Dekker in Nieuwendijk  zat keer op keer vol, vaak met luisteraars uit de wijde omgeving, die er een lange reis voor over hadden om ds. Gezelle Meerburg te horen.  De kerkenraad bestond in die tijd behalve de predikant uit de ouderlingen Arie van der Linden en Johan van Breugel en de diakenen Jan de Jong en Arie den Dekker. Wat er in die tijd in de gemeente allemaal voorviel is moeilijk te achterhalen omdat de notulen uit de eerste periode ontbreken.

Hier een willekeurige Afgescheiden predikant in ambtskledij (ds. C. van den Oever (1802-1877).

Ds. Gezelle Meerburg heeft de gemeente van Almkerk en Emmikhoven iets meer dan twintig jaar gediend.  Hij droeg de bekende ambtskledij: een geklede zwarte jas met weggesneden voorpanden, een korte broek, lange kousen, lage schoenen met gesp en een driekantige steek. Almkerk en Nieuwendijk werden van elkaar gescheiden door het riviertje de Alm; als de predikant van de ene naar de andere plaats moest om te preken, werd hij op de rug van een van de ouderlingen  naar de overkant van de Alm gedragen.

Op de schouders door de Alm…

Tegen gemeenteleden die het avondmaal meden – er waren gemeenteleden die zich ‘niet waardig achtten aan de maaltijd des Heeren deel te nemen’ – zei hij: ‘O, indien gij wachten wilt tot gij in uzelven waardig zijt, dan zult ge nimmer aan de tafel zitten!’

De Afgescheiden Gemeente Almkerk en Emmikhoven had  zich overigens wel min of meer geïsoleerd van andere Afgescheiden Gemeenten. Dat kwam door verschillen van inzicht over de aan te nemen kerkorde. Veel Afgescheiden Gemeenten  namen de aloude Dordtse Kerkorde aan, maar ds. Scholte, ds. Gezelle Meerburg en de Brabantse kerken wilden daarin een aantal  veranderingen aanbrengen (ds. Meerburg vond het bijvoorbeeld wel erg makkelijk hoe iemand op grond van Artikel 8 van de Kerkorde  (‘singuliere gaven’) predikant kon worden). Weliswaar werd getracht tot een compromis te komen, maar de scheur werd er niet minder door. Na moeilijke jaren kwam de vrede tussen de beide groepen in 1854, het jaar waarin ook de Theologische School te Kampen door de Afgescheiden Gemeenten opgericht werd.

Ds. Gezelle Meerburg was  in 1847 ernstig ziek geworden, tot groot verdriet van kerkenraad en gemeente; slechts met moeite kon hij nog op de preekstoel komen. In een brief schreef hij in 1849: ‘… Ik woon nog met dezelfde kerkeraad, die wij van het begin der Afscheiding hadden, als broeders samen. De kerk is altijd vol. De gemeente hoort mij nog zoo gaarne als de eerste dag toen ik voor hen optrad; en haar liefde jegens mij is niet verkoeld, en wat alles overtreft: er worden menschen bekeerd’. Hij stierf op 12 december 1855, in de leeftijd van 49 jaar.

Ds. N.H. Dosker (van 1856 tot 1862).

Ds. F.M. Penning (1818-1869) van Waardhuizen leidde ‘de ure des gebeds’.

De gemeente van Almkerk-Emmikhoven bracht nu een beroep uit op ds. N.H. Dosker (1820-1887) van Bunschoten. Voordat hij beroepen werd was een ‘ure des gebeds’ gehouden, onder leiding van ds. F.M. Penning (1818-1869) van Waardhuizen. De predikant nam het beroep aan en zo deed ds. Dosker op 7 september 1856 intrede.

Ds. N.H. Dosker (1820-1887).

Ds. Dosker stak als man van ervaring de handen meteen uit de mouwen. Op zijn initiatief werd de schuur van Den Dekker door een nieuwe, grotere kerk vervangen waar de Afgescheidenen van Almkerk en Emmikhoven in het vervolg hun diensten houden. Deze kerk met haar pastorie stond ongeveer op dezelfde plaats als de huidige kerk in Nieuwendijk. De gemeente was inmiddels tot 1.200 leden gegroeid (waarvan 60% uit Nieuwendijk en omgeving en 40% uit Almkerk c.a. kwam). Overigens zorgde ds. Dosker er voor dat de Killenezen, die nog in de schuur van Branderhorst kerkten, in 1856 hun eigen ambtsdragers kregen: Leendert van Breugel (ouderling) en Otto Walraven (diaken).

De predikant zorgde ook dat de catechisaties geregeld gehouden werden en er werd op toegezien dat de jeugd inderdaad kwam. In 1858 waren er vierendertig catechisanten in de leeftijd van 21 tot 40 jaar (want er waren in die tijd nogal wat gemeenteleden die pas later belijdenis deden). Ook op de levensstijl van de  gemeenteleden werd nauwgezet toegezien.

In 1862 nam de predikant een beroep van de gemeente te Harlingen aan, reden waarom hij op 22 juni 1862 afscheid nam van de gemeente van Almerk-Emmikhoven.

Ds. J. Bavinck (van 1862 tot 1873).

Ds. J. Bavinck (1826-1909).

Tot maar liefst tweemaal  toe bedankte ds. J. Bavinck (1826-1909) van Bunschoten  voor het door de gemeente op hem uitgebrachte beroep. Aan elk van die beroepen was een biduur voorafgegaan, en dat de predikant zelfs tweemaal bedankte was voor kerkenraad en gemeente een grote teleurstelling. Toch hield men vol: het derde beroep werd uitgebracht en dat nam de predikant aan. Op 16 november 1862 deed hij intrede in de nieuwe kerk. Hij zou ongeveer negen jaar aan de gemeente verbonden blijven.

‘Het Instituut Hasselman’.

Het instituut Hasselman.

Tijdens zijn predikantschap werkte de dominee ook als leraar ‘oude talen’ aan het Instituut van directeur Hasselman te Nieuwendijk. Vooral door inspanning en geldelijke ondersteuning van Arie den Dekker werd in 1851 in Nieuwendijk een kostschool opgericht, waar leerlingen uit gegoede (gereformeerde) gezinnen onderwijs kregen, zodat ze naar het hoger (middelbaar) onderwijs konden doorstromen. De later zeer bekende theoloog dr. Herman Bavinck  (1854-1921) was een van de leerlingen aan ‘Het Instituut’. Zijn vader gaf daar immers les. Aan ‘het Instituut’ was een particuliere christelijke lagere school verbonden, die de grondslag vormde voor de latere christelijke lagere school in het dorp.

Christelijke Gereformeerde Gemeente (1869).

De tijd van ds. Bavinck kenmerkte zich door rust in de gemeente. De vergaderingen van de kerkenraad werden soms met tussenpozen van een paar maanden gehouden, terwijl de notulen ook nogal eens kort van stof waren. Dat wilde niet zeggen dat iedereen predikant en kerkenraad gedwee volgde. Zo was de aandacht van de kerkenraad in 1866 gericht op een broeder die niet meer in de kerk kwam, maar in Waardhuizen kerkte, omdat hij bezwaren had tegen de prediking van ds. Bavinck. En ook overigens gebeurde er wel eens iets waaraan de kerkelijke tucht te pas kwam. Ds. Bavinck predikte zo, dat ook ‘eenvoudige gemeenteleden’ hem konden begrijpen.

In 1869 veranderde de naam van de landelijke Christelijke Afgescheidene Kerk door de kerkfusie met het kleine kerkverband van de Gereformeerde Kerk onder ’t Kruis, dat in en na 1838 afgesplitst was van de hoofdstroom van de Afgescheiden Kerk. Verschillen van inzicht over onder meer de vraag welke kerkorde de Afgescheidenen behoorden aan te nemen en over het wel of niet vragen van overheidserkenning waren de breekpunten. Toch werd dertig jaar na de scheuring, in juni 1869, hereniging bereikt en werd afgesproken dat men in het vervolg door het kerkelijk leven zou gaan als ‘Christelijke Gereformeerde Kerk’. Ook de gemeente van Almkerk-Emmikhoven voegde zich erbij en heette dus sindsdien Christelijke Gereformeerde Gemeente.

Ds. Bavinck nam – vermoedelijk mede op aandringen van zijn zoon Herman – het op hem uitgebrachte beroep door de gemeente van Kampen  aan en nam op 27 juli 1873 afscheid van Almkerk-Emmikhoven.

Splitsing van Almkerk en Nieuwendijk.

Juist in die tijd werd besloten besloot de kerkenraad de gemeente Almkerk-Emmikhoven te splitsen. De gemeenteleden in Almkerk wilden namelijk graag een eigen kerkgebouw en een eigen dominee. Dat leidde tot het besluit dat de gemeente het best kon worden gesplitst, en wel met ingang van 1874. Door de ongeveer 700 leden tellende kerk van Emmikhoven, nu Almkerk-Nieuwendijk genoemd (al gauw werd het ‘Nieuwendijk’), werd fl. 4.000 uitgekeerd aan de gemeente die de naam ‘Almkerk’ droeg, die een eigen kerkgebouw stichtte. Bovendien werd afgesproken dat de schuur van Jan Branderhorst aan de Kil in het vervolg niet meer als kerk gebruikt zou worden. De Killenezen kerkten in het vervolg in de kerk aan de Nieuwendijkse straatwegstoep. Ze waren sindsdien dus gewoon onderdeel van de Christelijke Gereformeerde Gemeente  van Nieuwendijk.

Ds. D.K. Wielenga (van 1873 tot 1882).

Ds. D.K. Wielenga (1841-1902).

Dat hield dus in, dat beide gemeenten in het vervolg zelfstandig hun eigen predikanten gingen beroepen. Voor wat betreft de Christelijke Gereformeerde Gemeente te Nieuwendijk werd dat ds. D.K. Wielenga (1841-1902) van Amsterdam, die op 19 oktober 1873 door ds. P. van der Sluys (1821-1890), ook van Amsterdam, in het ambt bevestigd werd, waarna hij intrede deed met een preek over Zacharia 4 vers 6 en tot zijn emeritaat in 1882 aan de kerk van Nieuwendijk verbonden bleef. “Zijn moeilijke uitspraak maakte dat hij te Amsterdam niet vele, soms zelfs zeer weinige hoorders had. Toch heeft hij daar zijn betekenis gehad. Voor de weinigen die hem volgden, is zijn onderwijs en catechisatie onvergetelijk gebleven, in ’t bijzonder onder de jongeren”.

Een nieuwe kerk (1878).

De nieuwe kerk met pastorie, die in 1878 in gebruik genomen werden. Daar tussen in staat de in 1896 gebouwde consistorie.

Het werd in Nieuwendijk zo langzamerhand tijd voor een nieuwe, grotere kerk. Zowel de oude pastorie als de oude kerk werden afgebroken en maakten plaats voor nieuwe. Dankzij allerlei inzamelingsacties werd fl. 11.000 bijeengebracht waarmee het eerste kerkgebouw in het dorp kon worden opgericht. De kerktoren werd bekroond met een spits die overal in het dorp te zien was.

De ‘eerste steen’ van de nieuwe kerk werd – boven de hoofdingang – op 18 maart 1878 gelegd door ouderling Arie den Dekker.

Het werd een rechthoekig gebouw (later met zijvleugels uitgebreid), die nog steeds als gereformeerde kerk in gebruik is. Ook werd hier de kerkzang voor het eerst begeleid met een pijporgel, gefinancierd door Arie den Dekker.

Het orgel van de nieuwe kerk.

Ds. Wielenga werd in 1882 benoemd tot hoogleraar kerkgeschiedenis aan de Theologische School te Kampen en nam in december 1882 afscheid van Nieuwendijk.

Ds. K. van Goor (1883 tot 1889).

De opvolger van ds. Wielenga kwam uit Assen: ds. K. van Goor (1848-1914). Net als zijn voorgangers werden uiteraard ook tijdens zijn predikantschap leer en leven van de gemeenteleden goed in de gaten gehouden. De zondagsrust was ook nu een belangrijk punt, waarover menigmaal een gemeentelid op de vingers getikt moest worden, zoals de watermolenaars die ook op zondag moesten werken. Bleven ze ‘op hun zondige weg voortgaan’ dan konden ze niet als lid van de gemeente toegelaten worden. Maar aan de andere kant maakte de kerkenraad op advies van de classis er ook werk van bij de polderbesturen, met de vraag ervoor te zorgen dat alleen bij hoge uitzondering op zondag gemalen moest worden. Dan waren de molenaars ook in de kerk van Nieuwendijk hartelijk welkom.

Ds. K. van Goor (1848-1914).

Ook schending van het zevende gebod was zo nu en dan aan de orde. Een jong stel had verkering gekregen en had in 1887 ‘vooruit gegrepen op het huwelijk’, zoals dat destijds netjes heette. Toen het meisje zwanger bleek moest het stel dus voor de kerkenraad verschijnen. Zij verklaarde dat haar vriend de vader van het kind was, maar de jongen ontkende het vurig, hij zwoer zelfs dat hij nergens iets mee te maken had. Zoek het maar eens uit…

Of dat gelukt is weten we niet, maar wat we wel weten is dat ds. Van Goor een beroep had ontvangen van de kerk van Schiedam en dat hij op 24 februari 1889 afscheid nam van Nieuwendijk. De kerkenraad moest het beroepingswerk dus weer ter hand nemen.

Naar deel 2 >

© 2020. GereformeerdeKerken.info